Mona, de parmantige show-poedel, heeft haar wonden gelikt en laat alle zogenaamde alfamannetjes nog even in het ongerede.
Natuurlijk zal dit slinkse nest niet rusten voordat alle neuzen haar kant op wijzen. Het gaat niet goed met de opperbazen in de Boreale bossen van Teutholia. Blafhond Geert had teveel afscheiding na de laatste coupe. De hooghartige bloedhond Markusz liep een vette kluif mis en blaft nu al een toontje lager. De potsierlijke Teckel Thierry verliet zijn roedel overhaast en keerde terug met hangende pootjes, wat een slappe indruk maakte. Kettinghond Henk kan alleen het boerenerf bewaken en laat zijn oren teveel hangen naar, de niet minder voorspelbare, one-trick pony Van der Plas. De Eerdmanterriër tenslotte baalt dat zijn alfavrouwtje vaker wordt aangehaald door asielhoudster Jinek dan hij.
Begin 2026 leek de politieke pikorde op rechts te wankelen. Zeven PVV-Kamerleden, onder leiding van Gidi Markuszower, scheidden zich af van Geert Wilders. Hun plan was even ambitieus als opportunistisch; ze maakten aanspraak op een ‘bruidsschat’ van ruim 1,3 miljoen euro uit de fractiereserves. Met dit kapitaal wilden zij een eigen machtsblok vormen en zelfs een strategische alliantie aangaan met de BBB van Mona Keijzer om het minderheidskabinet-Jetten over rechts te gijzelen. De werkelijkheid bleek echter hardvochtig voor de afsplitsers. Het presidium van de Tweede Kamer – waar hun voormalige alfa, Geert Wilders, zelf in meebesliste – stak een stokje voor de uitbetaling. Door hun vertrek juridisch te bestempelen als een ‘afscheiding’ in plaats van een ‘splitsing’, bleven de miljoenen in de kas van Wilders. De politieke isolatie werd compleet toen ook de flirt met de BBB mislukte; Mona Keijzer werd door haar eigen partij gepasseerd, mede vanwege haar geheime toenadering tot de groep. Wat restte was een roedel zonder tanden en zonder budget; gedwongen om met hangende pootjes terug te keren in de marge van het parlement. De likorde op rechts zal opnieuw moeten worden bevochten.
Onze school vertegenwoordigde de hele breedte van de menselijke waaier.
Ik bladerde eergisteren door mijn vogelboeken om een houtsnip van een watersnip te kunnen onderscheiden. Tijdens het bladeren herinnerde ik mij de volgende biologieles: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, te weten de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen. Wetenschappelijk gezien is elk mens voor gemiddeld 99,9% genetisch identiek aan ieder ander mens op aarde. De resterende 0,1% bepaalt alle onderlinge verschillen – zichtbaar en onzichtbaar – van oogkleur en lengte tot aanleg voor erfelijke aandoeningen, waarbij bijvoorbeeld kenmerken als huidskleur of gezichtsvorm slechts een klein deel van die variatie vormen. Ik vond het erg verstandig van onze biologieleraar dat hij ons hierop wees in de brugklas van een zeer gemêleerde school. Duur gezegd zat ik in een klas waar de geografische spreiding van het menselijk fenotype goed zichtbaar was, maar zo leerde ik later pas praten.
Waar de verschillende soorten ‘snipjes’ nooit elkaars nest zullen opzoeken, zijn wij mensen biologisch gezien elkaars spiegels. De nazi’s probeerden van de mens een vogelgids vol subpagina’s te maken, maar ze negeerden dat we allemaal uit hetzelfde nest komen.
De les diende in ieder geval een groot belang. Kennis voorkomt discriminatie, dus ik ga hier nog even verder met het opdissen van wat ik sinds die klas van ’75 zoal heb geleerd. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Terwijl twee groepen chimpansees in hetzelfde bos meer genetische verschillen kunnen vertonen dan twee mensen van verschillende continenten. 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan. Alle mensen op aarde behoren tot dezelfde biologische soort omdat zij geen reproductieve barrières kennen en overal ter wereld samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Gisteren probeerde ik een houtsnip van een watersnip te onderscheiden. De determineermiddelen die mij ter beschikking stonden waren een dode snip, verschillende illustraties in aardig wat vogelboeken en hun bijbehorende beschrijvingen. Het werd een lastige klus. Daarom kwam de gedachte bij me op hoe raar het was dat een watersnip en een houtsnip nooit de aanvechting voelen om ‘het’ met elkaar te doen. Als ze onverhoeds toch overgingen tot de ‘daad’, zou het geen voortplanting opleveren en al helemaal geen nakomelingen die zelf ook weer vruchtbaar zijn. Natuurlijk is de reden simpel: ze kunnen niet voor (vruchtbaar) nakroost zorgen omdat ze twee verschillende soorten zijn.
Bij het determineren van vogels in de vrije natuur ben je vrijwel uitsluitend bezig met het onderscheiden van soorten. De term ‘ras’ wordt in de biologie anders gebruikt dan in het dagelijks spraakgebruik. Ik heb veel zitten lezen en begrijp nu het wetenschappelijke verschil, zodat ik inzie waarom de focus bij determinatie op de soort (species) ligt. Het is de fundamentele eenheid in de biologie. Soorten ontstaan door evolutie en natuurlijke aanpassing aan hun omgeving. Iets van die natuurlijke selectie hebben we allemaal wel eens geleerd op de middelbare school. Als twee groepen vogels genetisch te ver uit elkaar groeien (bijvoorbeeld door de ‘isolatie’ van een bergketen), stoppen ze met mengen en worden het aparte soorten. Een Koolmees en een Pimpelmees herkennen elkaar zodoende niet als partner.
In de vogelkunde wordt de term ras vaak als synoniem gebruikt voor ondersoort. Dit is een groep binnen een soort die er net even anders uitziet door geografische isolatie, maar nog wel vruchtbaar kan kruisen met de rest van de soort. Een ‘ras’ ontstaat vaak doordat een populatie in een uithoek van het leefgebied woont (bijvoorbeeld op een eiland). Waar de gebieden van twee rassen elkaar raken, zie je vaak mengvormen. Die kunnen het allemaal nog met elkaar doen met goede resultaten. Het is belangrijk om te weten dat de term ‘ras’ (Engels: breed) buiten de wetenschap vaak wordt gebruikt voor door mensen gefokte varianten. Denk aan postduiven, sierkippen of honden. Dit zijn geen natuurlijke ondersoorten, maar resultaten van menselijk ingrijpen. In het wild kom je dit eigenlijk alleen tegen bij ontsnapte kooivogels of “soepganzen” (kruisingen tussen tamme en wilde ganzen).
De nazi’s hadden het ook vaak over rassen, maar die maakten vanuit wetenschappelijk oogpunt een fundamentele denkfout. De nazi-ideologie was gebaseerd op een 19e-eeuwse vorm van pseudowetenschap. Eén van de belangrijkste wetenschappelijke redenen waarom hun “rassenleer” niet klopte heb ik in het begin genoemd: mensen zijn genetisch extreem homogeen. Als het DNA van twee willekeurige mensen (of ze nu uit Europa, Afrika of Azië komen) gemiddeld genomen voor 99,9% identiek is, valt een rassenonderscheid natuurlijk moeilijk vol te houden.
Spreken van ras op de manier zoals de nazi’s deden is dan ook een sociaal construct, geen biologisch feit. Ze probeerden mensen in “hokjes” te plaatsen op basis van uiterlijke kenmerken zoals oogkleur of schedelvorm. In de biologie noemen ze dit ‘typologisch denken’. In de natuur verlopen menselijke eigenschappen (zoals huidskleur of lengte) heel geleidelijk over de kaart. Er is nergens een harde biologische grens waar de ene “groep” stopt en de andere begint. De nazi’s bepaalden zelf welke kenmerken “superieur” waren. Dat is een subjectief oordeel, geen biologische meting. In de echte biologie bestaat er niet zoiets als een “beter” of “slechter” gen, alleen genen die op dat moment gunstig zijn voor overleving in een specifieke omgeving.
Naast deze biologische misvattingen, maakten de nazi’s ook een kapitale taalkundige en historische blunder door de term ‘Arisch’ te kapen. Oorspronkelijk verwees dit namelijk naar een taalfamilie (Indo-Iraans) en niet naar een genetisch type. Iemand die een bepaalde taal spreekt, behoort niet automatisch tot een aparte biologische groep. Het is alsof je beweert dat alle mensen die “vogel” zeggen, biologisch anders zijn dan mensen die “bird” zeggen. De nazi’s namen oppervlakkige uiterlijke verschillen en beweerden onterecht dat daar diepe, onoverbrugbare biologische en morele verschillen achter zaten. De moderne genetica heeft die claim volledig weerlegd. De nazi’s begonnen met een vooroordeel en zochten daar vervolgens (pseudo)wetenschappelijke bewijzen bij. Zij bedachten eerst de categorieën (“superieur” vs. “inferieur”) en probeerden mensen daar met geweld in te passen. Als de biologie niet meewerkte (bijvoorbeeld omdat “Arische” mensen ook donker haar hadden of “niet-Ariërs” blond waren), werden de data genegeerd of vervalst.
Zo bezien is de menselijke biologie eigenlijk heel overzichtelijk: in de vogelgids van het leven hebben we aan één pagina genoeg.