Een weekend vol lawaai

Decibel-debielen en een rappende fascist, maar nee, ik zal niet schelden; alleen een beetje muggenziften.

Afgelopen weekend leek Arnhem het toneel van een merkwaardige wedstrijd: welke geluidsbron wist het verst de persoonlijke levenssfeer van anderen binnen te dringen? Aan de ene kant was er het Free Your Mind Festival op de Stadsblokken. Aan de andere kant trad Ye – beter bekend als Kanye West – op in het Gelredome. Over de controverses rond deze artiest, zijn publieke uitspraken en zijn plaats in het hedendaagse culturele landschap valt veel te zeggen. Misschien kom ik daar een andere keer op terug. Voor nu beperk ik mij tot iets veel concreters: de herrie.

De Volkskrant sprak bewonderend over een ‘oorverdovende synthbas’ en een ‘draaikolk van basfrequenties’. Opmerkelijk hoe geluidsoverlast van toon verandert zodra een zogenaamde kunstkenner ervoor applaudisseert. Voor de muziekrecensent zijn trillende neusvleugels en een allesverzengende geluidsmuur tekenen van artistieke grootsheid. Voor de omwonende zijn het vooral redenen om naar de klok te kijken. Wat de één ervaart als een kosmische muziekbeleving, beschrijft de ander als acht uur lang ongevraagde dreunen. Opmerkelijk genoeg heeft vooral de eerste ervaring een eigen vocabulaire ontwikkeld: ‘spectaculair’, ‘krankzinnig’, ‘overweldigend’. De tweede heet simpelweg klagen.

Op de Stadsblokken dreunde urenlang EDM1 over de uiterwaarden. Wie van die muziek houdt, zal dat ongetwijfeld als een feest hebben ervaren. Maar voor duizenden anderen betekende het iets anders: een dag lang onvrijwillig meeluisteren. Lage bastonen houden zich immers niet aan gemeentegrenzen of persoonlijke voorkeuren. Ze trekken zich weinig aan van gesloten ramen, slaapkamers of de wens om een rustige zaterdagavond door te brengen.

Merkwaardig genoeg wordt dergelijke overlast tegenwoordig bijna automatisch gelegitimeerd. Zodra een festival eenmaal populariteit geniet, muteert de overlast in een ‘nobele bijdrage’ aan de levendigheid van de stad; een herrie die omwonenden maar te slikken hebben. Wie klaagt, krijgt al snel het verwijt dat hij niet met zijn tijd meegaat, zuur is geworden of jongeren hun plezier niet gunt.

Maar waarom eigenlijk? Waarom geldt de behoefte van duizenden festivalbezoekers aan luid amusement als een zwaarder belang dan de behoefte van bewoners aan rust in hun eigen huis? Die vraag wordt opmerkelijk zelden gesteld.

Natuurlijk is een stad geen bibliotheek. Samenleven betekent dat mensen elkaar soms tot last zijn. Dat geldt voor verkeer, bouwprojecten, sportevenementen en festivals. Volledige stilte kan niemand claimen. Toch lijkt er de laatste jaren een verschuiving te hebben plaatsgevonden. Waar vroeger werd geprobeerd om overlast zoveel mogelijk te beperken, lijkt tegenwoordig vooral gezocht te worden naar manieren om haar te rechtvaardigen.

Neem de eindtijd van middernacht. Die wordt vaak gepresenteerd als een genereuze concessie aan omwonenden. Alsof burgers dankbaar zouden moeten zijn dat de muziek niet nog langer doorgaat. Maar tegen die tijd hebben velen al acht uur onafgebroken basdreunen moeten verdragen. De vraag is dan niet of het om twaalf uur stopt, maar waarom zulke intensieve geluidsoverlast überhaupt als normaal wordt beschouwd.

Afgelopen weekend bleek die eindtijd bovendien niet eens het werkelijke einde. Na de muziek volgde vuurwerk. Waarom precies, blijft een raadsel. Alsof de boodschap moest zijn dat de stilte vooral niet te vroeg mocht terugkeren. Daarna ging het feest op sommige plekken informeel verder. Het officiële einde bleek in de praktijk vooral een administratief begrip.

Wat mij misschien nog het meest fascineert, is de culturele verandering die hierachter schuilgaat. Veel mensen hebben hun oordeel over populaire cultuur grotendeels opgeschort. Niet omdat ze alles werkelijk waarderen, maar omdat ze bang zijn om als ouderwets of elitair te worden weggezet. Het idee dat men onderscheid mag maken tussen verschillende vormen van cultuur lijkt verdacht te zijn geworden.

Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie. Iedereen heeft voorkeuren, maar bijna niemand durft ze te verdedigen. Men spreekt liever over smaak alsof alle smaken noodzakelijkerwijs gelijkwaardig zijn. Wie kritiek heeft op een muziekstijl, een festivalcultuur of een bepaalde vorm van massavermaak, wordt al snel beschuldigd van arrogantie.

Maar cultuurkritiek is niet hetzelfde als minachting voor mensen. Je kunt erkennen dat duizenden bezoekers oprecht genieten van een dancefestival en tegelijkertijd constateren dat een samenleving die steeds meer lawaai produceert misschien ook iets verliest. Rust bijvoorbeeld. Concentratie. Reflectie. Het vermogen om niet voortdurend geprikkeld te worden.

“Brood en spelen” was ooit een politieke strategie om de bevolking tevreden te houden. De moderne variant lijkt vooral uit steeds luidere en steeds grotere evenementen te bestaan. Alsof iedere leegte onmiddellijk moet worden opgevuld met geluid, licht, spektakel en afleiding.

Misschien blijft dit uiteindelijk de vraag die mij bezighoudt. Niet waarom mensen naar festivals gaan; zij zoeken ontspanning, een volstrekt legitiem streven. De werkelijke kwestie draait om de vraag waarom ontspanning zo vaak alleen nog denkbaar lijkt in de vorm van maximale prikkeling. Waarom stilte steeds verder transformeert tot een zeldzaamheid, terwijl lawaai aan terrein wint.

En waarom degene die rust zoekt zich steeds vaker moet verantwoorden, terwijl degene die haar verstoort dat nauwelijks hoeft te doen.

  1. EDM, oftewel Electronic Dance Music. Als het specifiek gaat over de subcultuur van nachtenlang doorhalen in duistere loodsen of op massale weides, spreken we simpelweg van ravemuziek of dancemuziek. Binnen die gigantische vergaarbak hangt het er maar net vanaf hoe hard die bas precies beukt en hoe snel die beats per minuut (BPM) elkaar opvolgen. De geschiedenis heeft de neiging om deze geluiden op te knippen in nogal specifieke smaken: House, Techno, Trance, Hardcore/Gabber, vraag me niet wat het precies was wat ik twee avonden moest aanhoren. ↩︎

Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

Mensenrassen bestaan niet

Onze school vertegenwoordigde de hele breedte van de menselijke waaier.

Ik bladerde eergisteren door mijn vogelboeken om een houtsnip van een watersnip te kunnen onderscheiden. Tijdens het bladeren herinnerde ik mij de volgende biologieles: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, te weten de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen. Wetenschappelijk gezien is elk mens voor gemiddeld 99,9% genetisch identiek aan ieder ander mens op aarde. De resterende 0,1% bepaalt alle onderlinge verschillen – zichtbaar en onzichtbaar – van oogkleur en lengte tot aanleg voor erfelijke aandoeningen, waarbij bijvoorbeeld kenmerken als huidskleur of gezichtsvorm slechts een klein deel van die variatie vormen. Ik vond het erg verstandig van onze biologieleraar dat hij ons hierop wees in de brugklas van een zeer gemêleerde school. Duur gezegd zat ik in een klas waar de geografische spreiding van het menselijk fenotype goed zichtbaar was, maar zo leerde ik later pas praten.

Waar de verschillende soorten ‘snipjes’ nooit elkaars nest zullen opzoeken, zijn wij mensen biologisch gezien elkaars spiegels. De nazi’s probeerden van de mens een vogelgids vol subpagina’s te maken, maar ze negeerden dat we allemaal uit hetzelfde nest komen.

De les diende in ieder geval een groot belang. Kennis voorkomt discriminatie, dus ik ga hier nog even verder met het opdissen van wat ik sinds die klas van ’75 zoal heb geleerd. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Terwijl twee groepen chimpansees in hetzelfde bos meer genetische verschillen kunnen vertonen dan twee mensen van verschillende continenten. 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan. Alle mensen op aarde behoren tot dezelfde biologische soort omdat zij geen reproductieve barrières kennen en overal ter wereld samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

Gisteren probeerde ik een houtsnip van een watersnip te onderscheiden. De determineermiddelen die mij ter beschikking stonden waren een dode snip, verschillende illustraties in aardig wat vogelboeken en hun bijbehorende beschrijvingen. Het werd een lastige klus. Daarom kwam de gedachte bij me op hoe raar het was dat een watersnip en een houtsnip nooit de aanvechting voelen om ‘het’ met elkaar te doen. Als ze onverhoeds toch overgingen tot de ‘daad’, zou het geen voortplanting opleveren en al helemaal geen nakomelingen die zelf ook weer vruchtbaar zijn. Natuurlijk is de reden simpel: ze kunnen niet voor (vruchtbaar) nakroost zorgen omdat ze twee verschillende soorten zijn.

Bij het determineren van vogels in de vrije natuur ben je vrijwel uitsluitend bezig met het onderscheiden van soorten. De term ‘ras’ wordt in de biologie anders gebruikt dan in het dagelijks spraakgebruik. Ik heb veel zitten lezen en begrijp nu het wetenschappelijke verschil, zodat ik inzie waarom de focus bij determinatie op de soort (species) ligt. Het is de fundamentele eenheid in de biologie. Soorten ontstaan door evolutie en natuurlijke aanpassing aan hun omgeving. Iets van die natuurlijke selectie hebben we allemaal wel eens geleerd op de middelbare school. Als twee groepen vogels genetisch te ver uit elkaar groeien (bijvoorbeeld door de ‘isolatie’ van een bergketen), stoppen ze met mengen en worden het aparte soorten. Een Koolmees en een Pimpelmees herkennen elkaar zodoende niet als partner.

In de vogelkunde wordt de term ras vaak als synoniem gebruikt voor ondersoort. Dit is een groep binnen een soort die er net even anders uitziet door geografische isolatie, maar nog wel vruchtbaar kan kruisen met de rest van de soort. Een ‘ras’ ontstaat vaak doordat een populatie in een uithoek van het leefgebied woont (bijvoorbeeld op een eiland). Waar de gebieden van twee rassen elkaar raken, zie je vaak mengvormen. Die kunnen het allemaal nog met elkaar doen met goede resultaten. Het is belangrijk om te weten dat de term ‘ras’ (Engels: breed) buiten de wetenschap vaak wordt gebruikt voor door mensen gefokte varianten. Denk aan postduiven, sierkippen of honden. Dit zijn geen natuurlijke ondersoorten, maar resultaten van menselijk ingrijpen. In het wild kom je dit eigenlijk alleen tegen bij ontsnapte kooivogels of “soepganzen” (kruisingen tussen tamme en wilde ganzen).

De nazi’s hadden het ook vaak over rassen, maar die maakten vanuit wetenschappelijk oogpunt een fundamentele denkfout. De nazi-ideologie was gebaseerd op een 19e-eeuwse vorm van pseudowetenschap. Eén van de belangrijkste wetenschappelijke redenen waarom hun “rassenleer” niet klopte heb ik in het begin genoemd: mensen zijn genetisch extreem homogeen. Als het DNA van twee willekeurige mensen (of ze nu uit Europa, Afrika of Azië komen) gemiddeld genomen voor 99,9% identiek is, valt een rassenonderscheid natuurlijk moeilijk vol te houden.

Spreken van ras op de manier zoals de nazi’s deden is dan ook een sociaal construct, geen biologisch feit. Ze probeerden mensen in “hokjes” te plaatsen op basis van uiterlijke kenmerken zoals oogkleur of schedelvorm. In de biologie noemen ze dit ‘typologisch denken’. In de natuur verlopen menselijke eigenschappen (zoals huidskleur of lengte) heel geleidelijk over de kaart. Er is nergens een harde biologische grens waar de ene “groep” stopt en de andere begint. De nazi’s bepaalden zelf welke kenmerken “superieur” waren. Dat is een subjectief oordeel, geen biologische meting. In de echte biologie bestaat er niet zoiets als een “beter” of “slechter” gen, alleen genen die op dat moment gunstig zijn voor overleving in een specifieke omgeving.

Naast deze biologische misvattingen, maakten de nazi’s ook een kapitale taalkundige en historische blunder door de term ‘Arisch’ te kapen. Oorspronkelijk verwees dit namelijk naar een taalfamilie (Indo-Iraans) en niet naar een genetisch type. Iemand die een bepaalde taal spreekt, behoort niet automatisch tot een aparte biologische groep. Het is alsof je beweert dat alle mensen die “vogel” zeggen, biologisch anders zijn dan mensen die “bird” zeggen. De nazi’s namen oppervlakkige uiterlijke verschillen en beweerden onterecht dat daar diepe, onoverbrugbare biologische en morele verschillen achter zaten. De moderne genetica heeft die claim volledig weerlegd. De nazi’s begonnen met een vooroordeel en zochten daar vervolgens (pseudo)wetenschappelijke bewijzen bij. Zij bedachten eerst de categorieën (“superieur” vs. “inferieur”) en probeerden mensen daar met geweld in te passen. Als de biologie niet meewerkte (bijvoorbeeld omdat “Arische” mensen ook donker haar hadden of “niet-Ariërs” blond waren), werden de data genegeerd of vervalst.

Zo bezien is de menselijke biologie eigenlijk heel overzichtelijk: in de vogelgids van het leven hebben we aan één pagina genoeg.