Een curieuze paradox

Omdat het maar zelden gebeurde dat een prominente journalist werd betrapt op AI-misbruik, ging de naam van Bennie van Bergen die week over ieders lippen. Hij kwam hoofdzakelijk negatief in het nieuws, wat hem – wie had dit ooit gedacht – opvallend koud liet. Hij werd als werknemer door zijn nieuwsorganisatie op non-actief gesteld, maar de journalist in Van Bergen ging gewoon door met zijn werk. Zodoende constateerde hij iets merkwaardigs; in de collectieve afrekening tekende zich een opvallend patroon af.

Hij ontdekte een verband dat anders nooit was opgevallen: hoe meer je te maken had met collega-journalisten die het literaire gehalte van wat je schreef het belangrijkste vonden, hoe groter de afwijzing. Hoe sterker iemands’ nadruk op vorm boven inhoud, hoe feller de veroordeling. Het waren de estheten van de redactieburelen, de fijnproevers van de interpunctie, de hoeders van stijl en toon, zij die hun carrière zorgvuldig hadden opgebouwd op veilige afstand van elke inslaande granaat, die als eersten opstonden om hem de maat te nemen.

Voor hen is een tekst een zorgvuldig gepolijst sieraad, wist Bennie; iets om te bewonderen, niet om te gebruiken. Geen kogel die doel moet treffen; geen boodschap die de wereld in moet voordat ze veroudert. Een waarheidsschending door AI-gebruik, hoe onbedoeld ook, wordt in dat universum niet beschouwd als een operationeel risico, een bedrijfsfoutje, maar als een esthetische misdaad. Pleitbezorgers van die parochie spreken dan ook zonder aarzeling van ‘een smet op het blazoen van de journalistiek’; een heiligdom waarin zij zichzelf tot hogepriesters hebben gekroond.

Bennie moest heimelijk lachen. Hij noteerde: ‘Hun eigen handelingen zijn heel ritueel, hun geschrijf zit vol herhaling. Dat maakt hen volstrekt inwisselbaar.’ Hij meende een curieuze paradox op het spoor te zijn.

De val naar het alledaagse

Over de kunst van het noodzakelijk kwaad.

Collega Titus Schulz woont in de wijk waar ik de post bezorg. Voor de argeloze voorbijganger is hij een bewoner als ieder ander; Titus is echter opgeleid aan de kunstacademie in Arnhem en de ontwerper van de ‘Merwede’, een lettertype dat hij ooit met precisie heeft vormgegeven. Net als ik beschouwt hij zijn huidige beroep vooral als een noodzakelijk kwaad. Toen hij mij onlangs een overzicht stuurde van de boekomslagen die hij in de loop der jaren heeft ontworpen, was ik zo onder de indruk dat ik besloot hem een brief te schrijven. Het is een reactie op zijn vakmanschap, geschreven vanuit de ironische wetenschap dat hij nu uitkijkt op een plek waar de geschiedenis van het grafische ambacht nog in de muren zit, terwijl ik daar nu de drempels afloop met een tas vol post. De brief volgt hieronder:

De visuele ziel van het verhaal: drie authentieke omslagontwerpen van Titus Schulz.

Beste Titus,

Ik ben zeer onder de indruk. Ik weet niet of het de verlokking is van de omslagen die jij hebt ontworpen of de inhoud van de teksten op de achterflap, maar sommigen maken mij nieuwsgierig naar de inhoud. Veel mensen onderschatten of gaan voorbij aan de schoonheid van het boekontwerp; ik vermoed omdat het louter als een ambacht wordt beschouwd dat nu eenmaal ten dienste moet staan van de verkoopbaarheid, in plaats van te worden gezien als de visuele ziel van het verhaal. Neem nu de volgende omslagen die je me stuurde:

‘De man die in 70 het kruis overleefde’ van Frans Vermeiren. Die drie verticale banen met de kruisigingsscène dwingen je bijna om tussen de regels door te kijken. Zelf geloof ik niet dat Jezus ooit heeft bestaan, maar als je het toch over zijn kruisigingsjaar moet hebben — dat door de schrijver bijna veertig jaar de toekomst in wordt geduwd — is het verstandig dat zo’n beladen onderwerp strak wordt gekaderd. Of neem ‘De Muur van Mussert’; die zware, zwarte balken die de titel bijna gevangen nemen geven direct dat beklemmende gevoel van die beladen plek in Lunteren. Je voelt de geschiedenis in de typografie. Ik ben een verwoed wandelaar en kwam daar toevallig terecht nadat ik het hoogste punt van Nederland had bezocht. Hoe anders dan op jouw voorkaft ziet die Lunterse ‘klaagwand’ er nu uit.

En dan die eenakter, ‘Kafka’s Harem’. De manier waarop je de titel in verschillende talen en kleuren over elkaar hebt gezet, vangt precies de absurdistische, koortsvallige sfeer die zo eigen is aan Kafka. Het contrast met het technisch bijna abstracte ‘Wiskunde in je vingers’; waar de formule

op de cover de spot lijkt te drijven met de ernst van het vak, laat zien hoe breed je palet is. Zelfs een biografie over de componist Robert de Roos, ‘Wanhoop niet!’, krijgt door jouw kleurkeuze een waardigheid die nieuwsgierig maakt naar de man achter de muziek.

Het is eigenlijk een gotspe, Titus. Terwijl wij in de Arnhemse regen lopen te hannesen met postelastiekjes en verkeerd geadresseerde enveloppen, heb jij een portfolio dat de intellectuele ruggengraat van menig boekenkast vormt. Je hebt de ‘Merwede’ als een veelzijdig nieuw lettertype ontworpen om structuur te geven aan taal, maar nu struikel ik over de drempels van jouw Van Verschuerenstraat waar ooit de persen van Thieme draaiden om jouw ontwerpen tot leven te wekken. Dat laatste is een aanname; ik weet eerlijk gezegd niet meer of het Thieme was waar jij zei gewerkt te hebben. Nou goed, je woont nu in ieder geval tegenover dat industriële erfgoed dat inmiddels is getransformeerd tot het wooncomplex Thiemehof.

Zijn we hard gevallen of bedrijven we kunst door de bedrijven heen?

De kommaneukers van Cedille

Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.

Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.

Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.

Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.

Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.

Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!

Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?

Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:

Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).

Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’

En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De ş zit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.

Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.

Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.

Postscriptum:

Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.