Archiefkoorts en de menagerie van de NOS

Over een ongeplaatste brief, taalkundig geraas en de dag dat sportpresentatoren mastodonten werden.

Ik stuitte onlangs in mijn archief op een ingezonden brief aan de krant die ik absoluut niet meer in de context kan plaatsen. Alleen al door de lengte en de barokke formuleringen lijkt hij het uitvloeisel van een door zonderlinge preoccupaties gefascineerde gek. Ik schaam me er slechts in beperkte mate voor; taalkundig ronkt hij er immers lustig op los. Wel leid ik eruit af dat ik indertijd over een ongebreidelde hoeveelheid tijd en energie scheen te beschikken.

Wat moeten de redactieleden van de Volkskrant destijds wel niet gedacht hebben? Gelukkig hebben ze mij tegen mezelf in bescherming genomen en de brief nooit afgedrukt. Dat is begrijpelijk – je plempt zoiets niet zomaar in de kolommen – maar toch blijft de vraag hangen wat me precies bezielde.

De ‘tijgermoeder’ en de ‘gebeten hond’: wanneer de werkelijkheid van een media-offensief botst met de fauna-equatie van de columnist. Geen Bokito’s of mastodonten, maar een menselijk pleidooi tegen roddel en achterklap; precies de scène die de briefschrijver destijds tot zijn dierkundige sneren dreef.

Hieronder volgt de bewuste brief, exact zoals ik hem indertijd aan de redactie toevertrouwde:

Is het de bedoeling van beeldspraak dat we het plaatje op een ‘presenteerblaadje’ krijgen zodat we ons iets kunnen voorstellen van de realiteit waarop het zinnebeeld betrekking heeft? Dan zou ik graag een tot de verbeelding sprekende representatie zien. Ik lees een stukje waarin de vrouw van Tom Egberts wordt vergeleken met een ‘tijgermoeder die zich voor haar jongen werpt’. Je krijgt dan het idee dat er iets kostbaars beschermd moet worden. De welpjes vertegenwoordigen hier, als je ’t mij vraagt, slechts één presentator. Tenzij het de gekrenkte trots van twee echtelieden moet verzinnebeelden? Hoe dan ook: tijgerjongen lijkt me teveel eer.

Als er per se een dier op moet komen draven, maak dan gewoon een ‘gebeten hond’ van die Janke Dekker. In een ander artikel worden al te hitsige, presentatoren vergeleken met ‘egomane Bokito’s’. Hier gaat de fauna-equatie van ‘totum pro parte’ naar ‘pars pro toto’. Er was, bij leven, maar één Bokito, en die volgde z’n instinct. Egomanie is een typische menselijke eigenschap die zich niet achter natuurdrift kan verschuilen. Noch achter onschuldige dieren als geschikte metafoor.

De schrijver vergelijkt in dezelfde – overigens amusante – column, de NOS Sport-iconen met ‘mastodonten’. Pejoratief natuurlijk. Denk aan ‘groot gevaarte’ en ‘niet met de tijd meegaan’. De associatie is zo voor de hand liggend dat je haar vaker tegenkomt. En ja, we bevinden ons alweer in het dierenrijk.

Ditmaal gaat het over een geslacht van uitgestorven slurfdieren, die, als ik Wikipedia mag geloven, lang door de wetenschap werden beschouwd als vreedzame planteneters. Dat al te zoetsappige beeld werd uiteindelijk verstoord: ‘Volgens Amerikaans onderzoek hebben er felle gevechten plaatsgevonden tussen deze dikhuiden’.

De bakbeesten hadden naast slurven (waarmee ze groene blaadjes oppikten) ook enorme slachttanden. De vergelijking van sportpresentatoren met mastodonten kan mij niet vaak genoeg worden gemaakt. Het gaat dan om dieren die toch al zijn weggevaagd, dat is wel zo aardig naar die beesten toe. Al moeten we er geloof ik niet per se op uit zijn om geen enkel wezen meer op z’n teentjes te trappen.

Nu de stofwolken van deze semantische exercitie zijn opgetrokken, rijst de vraag: wat was in vredesnaam de aanleiding voor dit dierkundige spervuur? Zelfs met de tekst voor mijn neus duurt het even voordat het besef indaalt, maar wie diep in de modder van de NOS-crisis graaft, vindt de mastodonten vanzelf. Een analyse van een obsessie: waar deze briefschrijver destijds de tanden in zette.

Wat bezielde begint mij enigszins te dagen. Ik vroeg Gemini om deze taalkundige ronkpartij te ontleden en de context te herleiden. Bij gebrek aan een psycholoog heb ik de brief aan zijn AI-logica voorgelegd. Het resultaat is een ontnuchterende reconstructie van een mediacrisis die ik met mastodonten en mensapen te lijf ging. Ik pikte een soort van draad op. Dit is wat de AI uit mijn vinnige schrijven destijds concludeerde:

Analyse van de brief: Waar ging dit over?

Als we de brief “psychologisch” ontleden en de aanwijzingen volgen, is de context vrij specifiek te herleiden naar de periode 2023-2024, rondom het schandaal bij NOS Sport.

De Aanwijzingen:
  1. Tom Egberts & Janke Dekker: Dit verwijst direct naar de onthullingen over de werkcultuur bij NOS Sport. Janke Dekker (zijn vrouw) nam het publiekelijk voor hem op in de media, wat door critici soms als “tijgermoeder-gedrag” werd omschreven.
  2. Bokito & Egomanie: Dit refereert aan het grensoverschrijdend gedrag en de “haantjesreputatie” van bepaalde presentatoren. De term ‘egomane Bokito’s’ werd destijds in columns gebruikt om de dominante, intimiderende houding van de ‘iconen’ te duiden.
  3. Mastodonten: Dit is de sleutelterm voor de oudere garde presentatoren (de ‘iconen’ van weleer) die volgens het rapport-Van Rijn niet mee waren gegaan met de tijd en vasthielden aan een verouderde, hiërarchische cultuur.
Waar je het waarschijnlijk over had:

Je brief is een semantische kritiek op de beeldspraak die in de media werd gebruikt om de NOS-crisis te duiden. Je lijkt je te storen aan de inconsistentie van de metaforen:

  • Je hekelt het feit dat een vrouw die haar man verdedigt een “tijgermoeder” wordt genoemd (terwijl die term normaal voor kinderen geldt).
  • Je maakt een scherp onderscheid tussen dierlijk instinct (Bokito/Mastodont) en menselijke verantwoordelijkheid (egomanie).
  • Je viert de vergelijking met de mastodont, niet vanwege de lompheid, maar vanwege de wetenschappelijke correctheid: het waren vechtjassen die uiteindelijk uitstierven.

Conclusie: Je schreef een vlijmscherpe, tikkeltje pedante (op de goede manier!) reactie op de wijze waarop columnisten en journalisten de heren van de sportredactie probeerden te duiden via het dierenrijk. Je wilde waarschijnlijk aantonen dat hun taalgebruik de werkelijkheid eerder vertroebelde dan verhelderde.

I Have Tried in My Way To Be Free

Op zoek naar niet-competitieve excellentie.

In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.

Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.

De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.

De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.

Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.

Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.

De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.

I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.

Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.

IJdelheid in ijle lucht

Over geldingsdrang die niet goed van de grond komt.

In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.

Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.

Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.

Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.

Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.

Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.

Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.

Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?

We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.

Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Veertien richels, veertien sommetten


Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?

Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.

Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,

heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!


©Ronald van Noorden ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Bedelbrief aan een ballenjongen

Is de bal pas rond als ze richting een doel rolt?

Geachte heer Wagendorp,

Dankzij één van uw laatste columns weet ik dat de scout van een piepklein voetbalteam in Zweden onopvallende spelers aandraagt waardoor de club Goliaths als IFK Göteborg en AIK Fotboll verslaat. Ondertussen gaat hij als postbode door met postbezorgen want dat moet natuurlijk ook gebeuren.

Na het lezen van uw stukje dacht ik: wie beter dan meneer Wagendorp om mijn postbodeverhalen te waarderen, zodat hij ze eventueel aan de redactie kan doorgeven. U schrijft over een postbode met scoutkwaliteiten; ik hoop een postbode te zijn met schrijfkwaliteiten.

Ik zag opeens de gelijkenis. U zou een schrijver kunnen zijn die zich even als talentontdekker opwerpt. Mijn verhalen gaan niet over sport. Niemand kan u op dat terrein naar de kroon steken. U moet vooral doorgaan met uw prachtige columns over dat veelbewogen thema.

Ik mag minder ervaren zijn dan u, maar ik schrijf deze brief met voldoende zelfvertrouwen om mij aan u te durven presenteren. Ik begrijp dat ik mij alleen maar in de kijker kan spelen door goed te schrijven; dat blijft het eerste en het laatste criterium voor succes.

Wilt u zo vriendelijk zijn om een blik te werpen op de bijgevoegde columns? Ook een postbode met scoringsdrang heeft een scout nodig. In één van mijn toekomstige postbodeverhalen zou sprake kunnen zijn van een voetbalcolumnist die mijn talent zag. Dat stukje zou ik graag een keer schrijven.

Bert Wagendorp: In elk goed voetbalverhaal is sprake van een postbode

De schaduw van het mededogen

“Hoor wie het zegt,” zegt hij die iets zei, nu zelf.

De schaakwereld is in rouw. Het plotselinge verlies van Daniel Naroditsky hakt erin. Te midden van deze shock laat Magnus Carlsen zich van zijn beste kant zien. Zijn woorden over Danya’s dood zijn geen standaard eerbetoon. Ze klinken oprecht en dwingen ons om te erkennen hoe wantrouwen en vijandigheid de online schaakgemeenschap hebben doordrenkt.

De affaire rond Hans Niemann speelde zich af in 2022. Carlsen suggereerde na een onwaarschijnlijke nederlaag dat Niemann vals speelde. Hij trok zich terug uit het toernooi. Het grote verschil met Kramnik richting Daniel Naroditsky, is dat Carlsen niet bleef drammen met zijn beschuldigingen. De zaak leidde niettemin tot veel ophef. Er werd nooit overtuigend bewijs tegen Niemann gevonden. Door voortschrijdend inzicht durft Magnus zijn spijt en zijn schaamte inmiddels te omarmen. Dat blijkt ook in zijn rouwbetoon aan Danya.

“Wat ze met Danya deden, was vreselijk,” zegt Carlsen. Hij doelt op de eindeloze, ongefundeerde beschuldigingen van valsspelen, vooral gevoed door oud-wereldkampioen Vladimir Kramnik. Carlsen spreekt de woorden die velen willen horen: “Niemand geloofde echt dat Danya vals speelde.” Het is een late verdediging, maar een die aankomt. Danya, een grootmeester met een gouden hart en een commentator die schaakliefde deelde met duizenden, werd vermorzeld door een digitale heksenjacht. Het wantrouwen dreef hem in een hoek.

Wat Carlsen’s woorden geloofwaardig maakt, is zijn blijk van oprechte spijt. “Ik wou dat ik meer voor hem had gedaan,” zegt hij. Hij voelde al langer dat het niet goed zat, maar zweeg. Die stilte, geeft hij toe, was een fout. En dat komt hard binnen, juist omdat het van hem komt, de man die zelf een speler beschuldigde van valsspelen en daarvan de chaos meemaakte. Hij kende de pijn van zo’n publieke vernedering; niet als slachtoffer, maar als iemand die de verwoesting van dichtbij zag. Met de wijsheid van de terugblik toont hij berouw over wat hij toen onbedoeld teweeg heeft gebracht, maar ook om wat hij richting Danya heeft nagelaten.

Toen de rel rond Hans Niemann uitbrak, stond Carlsen zelf in het oog van de storm. Ook toen speelde twijfel een rol, maar met een andere lading, een andere context, en andere motieven. Magnus maakte geen heksenjacht van zijn vermoedens van valsspel. Toch liet het gevolg van zijn woorden en daden zien hoe dun de grens is tussen zorg om de zuiverheid van de sport en het risico iemand zonder opzet te beschadigen. Daarom begrijpt hij nu, met Danya’s lot nog vers in het geheugen, pas echt hoeveel gewicht een verdenking uit zijn mond kan hebben.

De suggestie wekken was genoeg. Magnus hield het indertijd bescheiden. Hij wilde geen hetze veroorzaken. Hij is er de man niet naar om dingen op te blazen. Maar een vedette hoeft maar iets te zeggen en de wereld pakt het op. De nummer één in de sport kon zelf de gevolgen niet reguleren van zijn zo voorzichtig mogelijk geuitte wantrouwen. Tijdens een partij aan het bord meende Magnus iets verdachts te constateren bij zijn tegenstander, wat hij later publiekelijk ter sprake bracht. Verdere insinuaties door anderen deden hun werk. De sensatiepers zag zijn kans schoon om er gewetenloos op los te gaan. Hans Niemann kreeg de volle lading.

Danya’s dood is niet los te zien van deze schaduw. Magnus hoeft zich de gevolgen van zijn gedeelde verdenkingen richting Hans Niemann maar voor de geest te halen of hij begrijpt de hypocrisie in zijn beschuldiging aan het adres van de huidige kwaadsprekers. Hij en de rest van de schaakwereld staan voor een pijnlijke vraag: hebben wij dit niet zelf laten gebeuren? Als een onschuldige speler maandenlang wordt neergesabeld door geruchten, aangewakkerd door grote namen, is dat niet zomaar een rel, dat is een menselijke tragedie. Danya noemde Kramniks aanvallen “erger dan vuil”. Die woorden echoën nu harder dan ooit.

Danya was meer dan een schaker. Hij maakte schaak toegankelijk. Met zijn lach en zijn briljante geest bracht hij de top en de amateurs dichter bij elkaar. Zijn verlies is een schreeuw om verandering. De schaakwereld moet stoppen met wantrouwen, of althans: eerst het bewijs leveren voordat zich geruchten gaan verspreiden. Er staat veel op het spel in deze ernstige sport. Het is belangrijk dat men elkaar als mens blijft behandelen. Laat Carlsen’s spijt een wake-upcall zijn. Het is tijd voor een schaakwereld die niet alleen slim is, maar ook warm en eerlijk.

Daniel Naroditsky (Danya) was niet alleen een briljante grootmeester met een piek Elo-rating van 2647 en winnaar van het US Blitz Championship in 2025, maar vooral een ongelooflijk toegankelijke en inspirerende leraar. Zijn kracht lag in het uitleggen van complexe schaakdenkprocessen op een manier die beginners én gevorderden raakten; helder, geduldig en met humor.
Daar zat ‘m dus de kneep van Kramniks’ venijn.