Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

Degene die valt

Ik viel voor het cliché, zei iemand met een ontwikkelde kunstsmaak.

Van de ene dans kwam de andere. En toen bleef ik dus dansen. Althans: ernaar kijken. Ik kwam geen moment uit mijn stoel. Mijn rug deed nog zeer van het sjouwen met boeken. Ernstige titels, zware onderwerpen; dat is een ander verhaal. Het werd tijd voor luchtigheid. En ook, vermoed ik, voor een ander soort van schoonheid. Toen zat ik plotseling naar filmpjes te kijken van zwierige twintigers. Ze trotseerden een draaischijf. Ik zag afgetrainde lijven, tastend, maar evenwichtig. De symboliek droop er van af, voor mij althans, op een manier die me zeldzaam leek.

Celui qui tombe uit 2014 van Yoann Bourgeois – een choreograaf die zichzelf ‘jongleur van het ongrijpbare’ noemt – maakt van dans een spel met de zwaartekracht. Bourgeois gebruikt fysieke instabiliteit als metafoor voor de menselijke conditie: we proberen allemaal in balans te blijven in een wereld die voortdurend beweegt of onder ons wegzakt. De voorstelling toont zes performers op een groot, ronddraaiend, kantelend houten platform. Dat platform is als een levend organisme: het beweegt, schudt, draait, en daagt de dansers uit om hun evenwicht te bewaren. Het is tegelijk acrobaties, dans en existentiële allegorie: het lichaam dat voortdurend probeert niet te vallen, als beeld van het menselijk streven, de strijd tegen chaos en de zoektocht naar harmonie.

Ik weet inmiddels dat een recensente met veel danservaring – nou ja, ook zij is tot kijken bedaard – dit optreden met eerdere, originelere, dansvoorstellingen heeft vergeleken. Ze sprak van een metafoor die de bocht uit dreigde te vliegen (of woorden van die strekking). Het zat hem ook in de muziekkeuze, gaf ze toe. Ik dacht: het bezit van kennis is belangrijk. Het biedt een afgewogen oordeel. Vergelijkingsmateriaal. Maar kan deskundigheid niet ook een belasting vormen?

Ik had een culturele achterstand wat betreft deze kunstvorm. (Lees: ik koesterde nog geen achterdocht.) Dat gaf me, naar mijn gevoel, het voordeel van onervarenheid. Ik bleek plotseling van deze bewegingen te kunnen houden. Het is te zeggen, ik zou nog steeds niet zo snel naar een zaalvoorstelling gaan, maar je weet hoe dat gaat: YouTube doet suggesties in de trant van je eerdere zoekopdracht. Voor je het weet ‘draai’ je het ene na het andere filmpje. En dan gebeurt het: je raakt ‘verslingerd’ aan iets dat voorheen je aandacht ‘niet kon vasthouden’ (pun intended).

Wat mij ‘aantrekt’ in deze dansuitvoering is het spel met de middelpuntvliedende kracht, dat ik een interessant natuurkundig fenomeen vind. Misschien spreekt het, sinds Einstein, iets minder tot de verbeelding dan zwaartekracht, maar laten we de centrifugale kracht in ere houden. Ik maal gemakkelijk door over beide fenomenen. Het zijn verschijnselen waar ik inmiddels wel goed mee uit de voeten kan.

Eerst gravitatie. Einstein heeft aangetoond dat zwaartekracht ‘slechts’ een vervorming is van het ruimte-tijd-continuüm; het weefsel van de lege ruimte, veroorzaakt door de aanwezigheid van een massa. We zijn met en op onze aarde gewoon constant aan het vallen, om de zon heen, en volgen de vervorming die de massa daarvan in het omringende ruimte-tijdweefsel maakt. We gaan dus langs het pad dat in die ruimte-tijd het kortst is.

Daarnaast zorgt rotatie van de aarde om haar as ervoor dat op voorwerpen op aarde, behalve de zwaartekracht, ook een middelpuntvliedende kracht werkt, min of meer tegen de richting van de zwaartekracht in. Hoe verder van de aardas af, hoe groter deze middelpuntvliedende kracht. Op de evenaar is deze werking het grootst, aan de polen is ze nul. De niet-gecorrigeerde, gemeten zwaartekracht is daarom op hogere breedtegraden groter dan op lagere.

De middelpuntvliedende kracht is een niet-bestaande of schijnkracht volgens de zuiver natuurkundige omschrijving. Met ‘schijn’ wordt dan bedoeld dat deze kracht alleen maar bestaat ten opzichte van het voorwerp dat meedraait. Neem een auto die een bocht neemt. Ten opzichte van de vaste grond waarop deze auto zijn draai maakt is er geen sprake van middelpuntvliedende kracht. Dit is slechts fysische preciesheid, maar zowel zwaartekracht als centrifugale kracht hebben de overeenkomst dat ze in nauwe relatie staan tot de omgeving.

De middelpuntvliedende kracht (centrifugale kracht) is dus eigenlijk geen echte kracht, maar een schijnkracht die we ervaren vanuit het standpunt van de draaiende danser zelf. In dat ‘niet-inertiële referentiestelsel’ lijkt het alsof iets hem naar buiten duwt. In werkelijkheid wil zijn lichaam gewoon rechtdoor (traagheid), terwijl het platform hem in een cirkel dwingt.

De echte kracht die op de dansers werkt vanuit het standpunt van de natuurkunde, is de middelpuntzoekende kracht (centripetale kracht). Ze trekt hen naar het midden van de draaiing. Zonder die kracht zouden de dansers door hun traagheid (inertie) rechtdoor willen gaan en dus van het platform vliegen. Deze kracht wordt geleverd door de wrijving tussen hun voeten en het draaiende platform, of door hun spieren als ze zich vasthouden. Wanneer het platform draait, moet er voortdurend een kracht naar binnen werken (richting het middelpunt) om hen in cirkelbeweging te houden. Dat is de centripetale kracht.


Ik keer terug naar het zuivere dansoptreden. Je zou je, heel flauw, van deze uitvoering kunnen afvragen: waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? Een dergelijke gedachte had ik vroeger regelmatig. Dan waren ze mij alweer kwijt, die pathetische springers. Dat is absoluut niet de kritiek die ervaren kijkers op dans hebben. Voor de recensente met haar ontwikkelde smaak kan het juist niet ontoegankelijk en extreem genoeg zijn. Originaliteit is een hoog goed bij kunstminnaars. Juist als er platitudes op de planken prijken, gaan er haren overeind staan.

Ik zei:“Ik zag dit nog nergens. Voor mij is dit heel origineel.”

Zij zei:“Dat begrijp ik, maar ik moest het indertijd beoordelen. Dat was in 2014. Zelfs toen had ik al heel wat draaiplateaus voorbij zien komen.”

Ik bracht mijn liefde voor natuurkunde in. Ik opperde:“Wist je dat er bij middelpuntvliedende krachten ook middelpuntzoekende krachten horen?”

“En?” reageerde zij.

Welk punt was ik van plan te maken?

Met de geïrriteerdheid van iemand wiens pas gecreëerde passie iets te snel wordt gedoofd, vervolgde ik: “Gewoon eens lekker genieten van het overbekende, dat moet toch kunnen? En voor mij was het dat dus NIET, een gemeenplaats bedoel ik. Ik vond dit speciaal en vreemd en wonderbaarlijk. Zoals gezegd, ik was erg onder de indruk. En dan kom jij langs. Jij met je beredeneerde smaak. Jij met je alles overstijgende beschouwing. Die vindt dat kunst moet provoceren, of wakker schudden, of aanzetten tot nieuwe gedachten maar vooral geen herhaling van zetten mag zijn.”

Ze keek me ongenaakbaar en geamuseerd aan.

“Nou, nou, dat moest er even uit, is het niet? Ik heb je vroegtijdig beroofd van je enthousiasme. Tjonge, jonge. Ik heb je wakker geschud en nu moet je weer op zoek naar iets anders moois. Alsof we dat niet allemaal doen. Omdat we geen cultuurbarbaren willen zijn. Omdat we door moeten. Danskunst is geen plaatje dat je grijs kunt draaien. Zal ik je eens wat vertellen, die titel van deze voorstelling, die slaat op jou. ‘Celui qui tombe’, dat ben jij, ten voeten uit. Maar nu moet je opstaan en weer doorgaan. De betovering van deze draaischijf is voorbij.”

Een recensent vergeleek de voorstelling met een vlot. Hij schreef:

‘There’s a point in most French performance pieces when you suspect that Géricault’s famous 19th-century painting The Raft of the Medusa is being referenced, and He Who Falls is no exception. In addition to spinning like a disc on a turntable, the platform acquires a vertiginous tilt. Soon it’s lurching like a ship, or indeed a raft in a storm, and human balances and counterbalances become critical. The individual survives only if the group survives. Bourgeois’s six dancers are, he says, “a mankind in miniature”. These philosophical underpinnings, if weightless, are deftly conveyed. But the performers rarely display anything approaching three-dimensional character; they’re at once hyper-skilled and remote – in this sense more like acrobats than dancers – and in consequence we don’t really engage with them.’

De recensente had deze kritiek misschien gelezen. Zij plakte er in haar stuk nog een andere vergelijking aan vast. Het tableaux vivant van The Raft of the Medusa door Adad Hannah, dat Yoann Bourgeois misschien ook wel kende. En zo associëren we er lekker op los met al onze kennis van zaken.

De zogenaamde vertegenwoordigers van de hogere cultuur, zoeken altijd naar ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Ze verlangen steeds weer nieuwe exceptionele ervaringen; een unieke plek in het centrum van de draaischijf, zeg maar. Natuurkrachten volgen hun eeuwenoude wetten maar mensen, met gevoel voor esthetiek, willen op alle mogelijke manieren afwijken van gebaande paden. Dat is een soort van cultuurkracht waarvoor ik doorgaans waardering heb, maar die ik opeens zo vermoeiend vind.

Vallen en weer doorgaan


Yoann Bourgeois: performance au Panthéon.

De oorspronkelijke titel van dit optreden is: La mécanique de l’Histoire. Noem het Performance Art of een kunstzinnige balletvoorstelling, maar je zou er volgens mij ook een Art Installation in kunnen zien met levende en dus variërende elementen op een prachtige, veelzeggende, locatie. Na een tijdje dringt het besef door dat geen van de vier dansers goed in staat is de top van de trap te bereiken en zich daar te handhaven. Ziedaar het historische mechanisme?

De Nationale Conventie was de constituante en wetgevende assemblee die onder de Franse Revolutie zetelde van 20 september 1792 tot 26 oktober 1795. Haar voornaamste taak was een nieuwe grondwet aan te nemen na de schorsing van koning Lodewijk XVI. De Conventie, verkozen zonder standenonderscheid, besliste onmiddellijk om de monarchie definitief af te schaffen en vestigde zo de Eerste Franse Republiek. (Bron: Wikipedia)

Een metafoor voor de mensheid als geheel? Een kinetisch essay over de volharding van carrièrejagers en andere strebers? Ik word er vrolijk van. Verder voel ik verwondering opkomen en een verlangen naar het vroegere apenkooien. Je ziet een prachtig vertolkt, vergeefs lijkend, vooruitgangsstreven. Maar ook een tragisch soort van grap zonder duidelijke pointe. Is de moraal dat je de klimmer er niet onder kunt houden? Dat de loop van de geschiedenis nu eenmaal zo in elkaar zit dat hij steeds blijft verlangen naar het hoogste? Op de één of andere manier lijkt Icarus hier te worden herboren als Iron Man.

Een deel van de betovering zit ‘m in de fysische eloquentie. Het is ongelooflijk dansachtig allemaal. De mannen vallen niet, ze zweven, ze komen steeds weer bovendrijven en weten elkaar wonderwel uit de weg te blijven. Als de trampoline hen heeft terug gelanceerd op de trap, bewegen ze verder op halve snelheid. Een soort van slaapwandelstijl, en dan vallen ze weer uiterst gracieus. Geen verwarring, alleen maar onvermijdelijkheid.

De Franse ‘nouveau-cirque’ acrobaat Yoann Bourgeois is een zeer onderhoudende slapstick komediant in de lijn van Charlie Chaplin en Buster Keaton en een ongeëvenaarde meester van de trampoline als een poëtisch instrument. Na de verbijsterende nieuwsbeelden uit Frankrijk, dat geteisterd wordt door Moslimextremisten die de vrije expressie (eufemistisch gezegd) niet altijd begrijpen of kunnen waarderen, had ik even zin om naar iets moois uit Parijs te kijken. Iets dat zowel macht als onmacht in zich lijkt te bergen.