Waarom Meidas Touch onmisbaar is voor de Amerikaanse (en onze) democratie.
Als Nederlander met een – naar mijn mening – goede passieve beheersing van de Engelse taal, begrijp ik de Amerikaanse politiek beter dan ik kan verwoorden; voor dat laatste ben ik niet welsprekend genoeg. Ik kan alle nuances van politieke debatten moeiteloos volgen, maar als ik zelf het woord moest voeren, zou ik minder scherp en woordrijk overkomen dan ik wilde. Alleen al daarom ben ik onmachig om het lot van Amerika ook maar een jota te beïnvloeden. Ik onderga wat daar gebeurt met de radeloosheid van een waarnemer die slechts door een glazen wand mag toekijken, bewust van de impact van de huidige gebeurtenissen, maar gevangen in een afstand die onoverkomelijk lijkt.
Vanuit Europa zie ik het MeidasTouch Network als het scherpste wapen in de strijd om het discours over de democratie te heroveren.
Die taalbarrière doet niets af aan mijn zorgen over de staat van de democratie in de Verenigde Staten, die ik wel nog steeds als de hoeksteen van de westerse wereld beschouw. Vanuit mijn Europese perspectief is het cruciaal dat er krachten vrijkomen die zich actief verzetten tegen de erosie van democratische normen. En dat is precies waarom ik Meidas Touch Network zo ontzettend belangrijk vind. Voor mij is Meidas Touch veel meer dan alleen een progressief mediakanaal. Het is een digitale verdedigingslinie. Het netwerk, opgericht door de drie broers Ben, Brett en Jordy Meiselas, is ontstaan uit pure noodzaak en frustratie over de politieke chaos. Ze waren geen doorgewinterde politieke operatoren, maar een burgerrechtenadvocaat, een video-editor en een marketingexecutive die vonden dat ze moesten handelen.
De kracht van MTN ligt in hun compromisloze aanpak om het narratief terug te veroveren van de rechtse media. In een tijdperk waarin desinformatie zich met duizelingwekkende snelheid verspreidt, gebruiken zij de moderne mediatools – korte, virale video’s en podcasts – om op heldere en directe wijze te communiceren over de feiten en de gevaren. Ze stellen zichzelf niet op als partijpolitieke influencers, maar als verdedigers van de democratie. En eerlijk gezegd is dat voor mij in deze context hetzelfde. Ze doen wat traditionele media soms te langzaam doen of te voorzichtig: ze benoemen leugens als leugens. Hun content is scherp, gevat en vaak humoristisch, maar altijd met een serieuze, feitelijke ondertoon. Ze ontmaskeren de gaslighting van de MAGA-beweging en degenen die de verkiezingsuitslagen in twijfel trekken.
Als toeschouwer die de Amerikaanse democratie als een essentieel bolwerk beschouwt, zie ik Meidas Touch als een van de meest effectieve checks and balances in het informatietijdperk. Ze mobiliseren een publiek dat snakt naar eerlijke en duidelijke berichtgeving, en ze bieden een digitaal thuis voor mensen die de democratische principes willen verdedigen. Zonder zulke onverschrokken stemmen, die niet bang zijn om hun ongenoegen over de extremen aan de rechterflank luid en duidelijk te uiten, zou het publieke debat in de VS nog verder scheefgroeien. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de broertjes Meiselas met hun netwerk een noodzakelijke en onmisbare rol spelen bij het bewaken van de Amerikaanse democratie. Ze geven de gewone burger een duidelijke stem en een krachtige tool in de strijd voor de waarheid. En dat is van onschatbare waarde.
Laten we proberen hun videokanaal naar 6 miljoen abonnees te brengen (op dit moment is dat 5,51M).
P.S.: We zien hoe politieke figuren die kritiek hebben op Trump steeds vaker doelwit worden van zijn retoriek en acties. Het is beangstigend om te bedenken wat er met het cruciale tegengeluid van de gebroeders Meiselas kan gebeuren. Als er iets gebeurt waardoor hun stem verstomd raakt, vrees ik dat dit het definitieve einde van de democratische waarden in de VS inluidt, waarmee de weg naar autocratie onder Trump definitief zou worden geplaveid. Hun veiligheid is, in zekere zin, de veiligheid van de Amerikaanse democratie zelf.
De grensoverschrijdende idolatrie van een gedoodverfde dictator.
Mocht je het vergeten zijn: de leider van de Partij Voor de Vrijheid reisde ooit naar Rusland om een toespraak te houden in de Doema. Hij vond deze Kremlin-echozaal kennelijk geen ‘nepparlement’, een kwalificatie die hij regelmatig had gebezigd met betrekking tot het Nederlandse lagerhuis. Hij prees de façade van het Russische volk die je net zo goed ‘de democratie in dienstverband’, ‘het theater van de instemming’ of ‘de goedkeuringsfabriek van Poetin’ kunt noemen. Het leek hem een toonbeeld van orde en nationale trots.
Het bezoek van Wilders aan het ja-knikparlement in Rusland was, op z’n minst, controversieel. De man die zichzelf graag zag als aanvoerder van de cultus van de sterke leider bleek zelf een charismatische-leider-volgeling die in het applausbureau van de Russische machtspiramide even kon ervaren wat het is om toegejuicht te worden zonder tegenspraak. Een voorproefje, wellicht, van de wereld zoals hij die graag zou zien: veel geklap, geen vragen. Het moet een verademing zijn geweest: eindelijk een parlement dat niet intrumpeert, maar bevestigt.
Hij zei dat de NAVO zich moest terugtrekken uit Oost-Europa om de spanningen met Rusland te verminderen. Wilders’ toespraak werd door de Russische media met instemming ontvangen. De Russische minister van Buitenlandse Zaken noemde Wilders’ toespraak een “belangrijk signaal”. Dat was het ook, maar niet zoals Sergej Lavrov het bedoelde. Geert Wilders heeft gestemd tegen steun aan Oekraïne op meerdere momenten.
Op 25 februari 2022, de dag na de Russische invasie van Oekraïne, stemde de Tweede Kamer in met een motie van afkeuring tegen de Russische invasie. Wilders stemde tegen. Op 2 maart 2022 stemde de Tweede Kamer in met een motie om wapens te leveren aan Oekraïne. Wilders stemde tegen. Op 10 maart 2022 stemde de Tweede Kamer in met een motie om meer militaire steun te verlenen aan Oekraïne. Wilders stemde tegen. Hij heeft ook gestemd tegen andere resoluties en moties die steun aan Oekraïne behelsden.
Wilders is later teruggekomen van zijn openlijke bewondering voor Poetin. De oorlog in Oekraïne dwong tot een herijking van zijn houding. De sympathie voor de Russische leider, ooit verpakt in retoriek over “begrip” en “evenwicht”, werd plots een lastige erfenis. Schoorvoetend koos hij de zijde van de NAVO en sprak hij zich, zij het laat en zonder overtuiging, uit voor steun aan Oekraïne. Het was geen ommekeer die voortkwam uit inzicht, maar uit noodzaak; geen besef van morele grenzen, eerder een strategische correctie in het licht van het onvermijdelijke.
Zijn fascinatie voor de sterke man is nooit verdwenen. Ze verplaatste zich slechts van het Kremlin naar Boedapest, van Poetin naar Orbán; een geestverwant die zich graag tooit met de mantel van traditie en nationale soevereiniteit, terwijl hij intussen de rechtsstaat vakkundig afbreekt. Wilders noemde hem herhaaldelijk “een echte leider”, iemand die zijn land “terugneemt”, alsof macht pas legitiem wordt wanneer ze zich onttrekt aan controle. In zijn welwillende woorden over andere autocraten klinkt diezelfde ondertoon door: een heimelijke bewondering voor degenen die ongestoord kunnen regeren, zonder de last van tegenspraak of debat.
In die zin lijkt Wilders op Trump: beiden beweren de stem van het volk te zijn, maar dulden het volk slechts zolang het applaudisseert. Hun geloof in de democratie is voorwaardelijk: ze omarmen haar als podium, niet als principe. En telkens wanneer ze zich gedwongen zien partij te kiezen voor het Westen, voor de NAVO of voor het recht, doen ze dat met hoorbare tegenzin, alsof vrijheid een noodzakelijk kwaad is. Achter hun lofzangen op nationale soevereiniteit, schuilt een diep wantrouwen jegens pluraliteit. Wat hen aantrekt in het autoritaire model, is de illusie dat orde kan bestaan zonder overleg, dat leiderschap sterker is dan twijfel, en dat de wereld eenvoudiger wordt als men haar reduceert tot blinde gehoorzaamheid van onderdanen.
We leven in een staat waarin democratische vertegenwoordiging en recht elkaar in evenwicht houden. Deze rechtsstatelijke parlementaire democratie wordt door Wilders niet geëerbiedigd. Zijn uitspraken en standpunten tasten de fundamentele rechten en vrijheden van burgers aan. Ze kunnen leiden tot een toename van discriminatie en haatspraak, en ze kunnen de democratie ondermijnen.
Over Fräulein Schneider, angst en de stille medeplichtigheid van toeschouwers.
Fragment nummer 3 uit de brievenroman: De Liefdesbrigade
Lieve Onno,
Toen ik onlangs opnieuw luisterde naar What Would You Do? uit Cabaret, het lied waarin Fräulein Schneider haar verloving met de Joodse fruitverkoper Herr Schultz verbreekt, bleef ik lang stil zitten. De muziek van Kander en Ebb klonk ineens niet meer als een nummer uit een oude musical, maar als een spookachtige echo uit een tijd die nooit helemaal voorbij is. Er ligt iets beklemmends in de berusting waarmee ze zingt: “What would you do, if you were me?” Geen verwijt, geen oproep, slechts een vraag die zich in je vastbijt, omdat ze geen antwoord duldt.
Ik heb het lied vaak opgezet. Maar ditmaal hoorde ik iets anders: niet alleen het verhaal van een vrouw die buigt voor angst, maar een spiegel voor onszelf, voor het gemak waarmee we zwijgen wanneer het ingewikkeld wordt om niet te zwijgen. De moraal van Cabaret is nooit luid of heroïsch geweest. Ze schuilt in het alledaagse: in de huisbazin die liever niets riskeert, in de gasten die blijven drinken terwijl buiten de wereld kantelt. De musical is geen geschiedles, maar een anatomie van menselijke aanpassing.
Fräulein Schneider zingt niet om zich te verontschuldigen. Ze verdedigt haar keuze, of beter: haar onvermogen om te kiezen. Ze heeft een man ontmoet die haar goed behandelt, maar het antisemitisme om haar heen wordt voelbaar. Ze weet dat het niet goed is om de verloving te verbreken, maar ze weet ook dat ze zal lijden als ze dat niet doet. En dus kiest ze voor het zekere, voor de stilte, voor het meebuigen met de tijdgeest. In haar stem hoor je de vermoeidheid van iemand die al te veel stormen heeft overleefd.
Wanneer ze zingt “What would you do, if you were me?” vraagt ze niet om begrip, maar om medeplichtigheid. Ze trekt ons mee in haar redenering. Wie durft haar ongelijk te geven? Wie durft te zeggen: ik zou moediger zijn geweest? In die dubbelzinnigheid schuilt de kracht van het lied en de morele schrik van Cabaret.
Wat mij trof, was dat haar vraag vandaag nog steeds rondzingt, zij het op andere toonhoogte. Ik dacht aan de beelden uit Gaza, aan Israël, aan de doden aan beide kanten. Niet omdat ik die situaties met elkaar wil vergelijken — dat zou onzinnig en oneerbiedig zijn — maar omdat ik dezelfde menselijke reflex herken: de neiging om onze machteloosheid te vertalen in stilte, om onze angst te camoufleren met redelijkheid. Ik hoor jou en mij zeggen: “Het is te complex”, “Ik weet niet wat ik ervan moet vinden”, “Er is aan beide kanten schuld.” En natuurlijk is dat waar. Maar onder dat verstandige zwijgen sluimert iets van wat Fräulein Schneider zong: ik wil overleven, ik wil geen ruzie met de wereld.
Het is een ongemakkelijke gedachte, dat moraliteit niet verdwijnt in het kwaad zelf, maar in de voorfase, in de tijd van schouderophalen, van redelijke mensen die liever niets zeggen. Dat was de tijd van Cabaret: het Berlijn van de vroege jaren dertig, waar men nog danste terwijl de toekomst al besloten lag in de schaduw van de vlaggen. En dat is ook onze tijd, waarin we, omringd door informatie, steeds vaker niet weten wat we met kennis moeten doen.
Ik betrap mezelf op dezelfde houding. Ik volg het nieuws, ik lees de analyses, maar ik voel hoe woorden verdampen zodra het om schuld en verantwoordelijkheid gaat. Ik wil niemand veroordelen. Ik wil begrijpen. En dat begrip wordt al snel een deken waaronder de pijn verdwijnt. Zo werkt berusting; niet als keuze, maar als sluipende verdoving.
In die zin is Fräulein Schneider geen schurk. Ze is een mens die probeert te leven in een wereld die onveilig is geworden. Haar angst is begrijpelijk, haar berusting herkenbaar. Dat maakt haar verhaal zo huiveringwekkend: omdat het niet ver weg is. Ze is niet de ander. Ze is wij.
Ik denk dat we Cabaret daarom nog steeds nodig hebben. Niet om lessen te trekken over het verleden, maar om te zien hoe morele keuzes zich aankondigen in het klein; in gesprekken, in zwijgen, in het kiezen van comfort boven ongemak. De musical toont geen monsters, maar gewone mensen. De echte gruwel begint niet met haat, maar met de normalisering van angst.
Soms vraag ik me af hoe dat lied zou klinken als het vandaag werd gezongen. Niet in Berlijn, maar in onze wereld van ai-assistentie, socials en nieuwsfeeds. Misschien iets zachter, iets vermoeider. Misschien zou Fräulein Schneider niet meer zingen over haar verloving, maar over haar timeline; over hoe elke mening iemand boos maakt, en dus zwijgt ze maar. “What would you do?” is dan niet langer een excuus, maar een collectieve zucht: laat mij erbuiten.
En toch, in die zucht schuilt iets tragisch. Want wie zich laat verdoven, offert iets wezenlijks op: het vermogen tot empathie. En zonder empathie blijft alleen de rede over; koud, afstandelijk, functioneel. De rede zegt: het is ingewikkeld. Het hart zegt: dit doet pijn. En ergens tussen die twee stemmen zingt Fräulein Schneider nog steeds, zacht, maar hoorbaar, alsof ze ons waarschuwt voor het moment waarop rede verandert in lafheid.
Ik heb het lied meerdere keren teruggespeeld. Niet om te oordelen, maar om te luisteren naar wat er níét wordt gezegd. In de pauzes tussen de zinnen hoor je haar adem, haar angst, haar verlangen om te kunnen geloven dat ze niets verkeerd doet. En daarin ligt de kern van onze menselijke tragiek: we willen goed zijn, maar vooral veilig.
Wat zou ik doen? Wat zou jij doen? Het zijn vragen zonder antwoord, en misschien is dat precies de reden dat ze blijven spoken. Want zolang we ze blijven stellen, zijn we tenminste nog niet helemaal afgestompt.
Misschien is dat de troost die Cabaret ons biedt: niet de belofte van heldendom, maar de erkenning van onze broosheid. Fräulein Schneider zingt haar verontschuldiging niet uit trots, maar uit vermoeidheid. En ergens, in dat zachte “What would you do?”, hoor ik ook mezelf; niet als dader, niet als redder, maar als mens die probeert te begrijpen hoe angst en schuld zich met elkaar verstrengelen.
Ik weet het niet. Maar ik blijf luisteren. Liefs van Gertrud Wiesental
Lieve Gertrud,
Dank je voor je brief, die me trof door haar helderheid en gevoeligheid. Wat jij schrijft over Cabaret en Fräulein Schneider raakt aan iets wat we zelden onder ogen durven zien: dat morele keuzes vaak niet plaatsvinden in momenten van groot drama, maar in de stiltes daartussen. Ik herken dat ongemakkelijke terrein waar rede en angst elkaar raken, het terrein waarop we proberen mens te blijven, zonder precies te weten wat dat nog betekent.
Je legt een link met het heden, en terecht. Ook ik betrap mezelf op dat ‘verstandige zwijgen’ waarover je schrijft. Wij behoren, denk ik, tot een kleine minderheid die zich niet fel heeft uitgesproken tegen Israël, niet uit onverschilligheid, maar uit een soort schroom. Veel mensen hebben het optreden van Netanjahu en zijn regering in Gaza als genocide aangemerkt. Behoren zij daarmee tot degenen die moedig zijn, die hun stem verheffen? En zijn wij dan degenen die zich verschuilen achter nuance, achter het verlangen om het van alle kanten te willen begrijpen?
Het is een pijnlijke vraag, omdat de grens tussen wijsheid en lafheid soms onzichtbaar wordt. Ik zie de spagaat waarin velen zich bevinden, niet in de laatste plaats joden zelf, die met afgrijzen zien hoe het lijden van hun volk wordt gebruikt als rechtvaardiging voor nieuw lijden. Ik moet dan denken aan Sam Harris, die ik zeer waardeer om zijn helder denken en zijn afkeer van dogmatisme, maar die nu, in zijn strijd tegen jihadistisch extremisme, misschien te weinig oog heeft voor het geweld dat aan Palestijnse zijde wordt geleden. Het lijkt bijna onmogelijk om te spreken zonder verstrikt te raken in schuld, geschiedenis en identiteit.
En dan die wrange omkering van de geschiedenis, die niemand graag hardop uitspreekt: wat ooit de Joden werd aangedaan, lijkt nu, in vertekende vorm, door sommigen in hun naam aan een ander volk aangedaan te worden. Alleen al die gedachte voelt als heiligschennis, en toch dringt ze zich op, omdat we niet blind kunnen zijn voor de beelden. Wie durft dan nog te spreken? En wie zwijgt er uit voorzichtigheid, uit respect, of uit angst voor misinterpretatie?
Misschien is dat het morele vacuüm waarin wij nu leven: dat spreken en zwijgen beide riskant zijn geworden. Het antisemitisme is niet verdwenen; het sluimert, en wordt door deze oorlog opnieuw gewekt, soms vermomd als politieke kritiek, soms schaamteloos en rauw. Tegelijk zien we hoe verontwaardiging omslaat in haat, en hoe woorden, zelfs goedbedoeld, hun onschuld verliezen.
Ik weet niet wat de juiste houding is. Misschien is er geen juiste. Wat ik wel weet, is dat jouw verwijzing naar Cabaret me eraan herinnert dat menselijke angst niet alleen morele zwakte is, maar ook een teken van onze kwetsbaarheid. Fräulein Schneider koos voor overleven, niet uit overtuiging maar uit uitputting. En ergens, in de echo van haar stem, hoor ik ook iets van ons; mensen die proberen te begrijpen, zonder te veroordelen, maar ook zonder te vluchten in relativering.
Je slotzin trof me: dat zolang we de vraag blijven stellen, we nog niet afgestompt zijn. Misschien is dat het enige wat ons rest: blijven luisteren, blijven vragen, en erkennen dat onze onzekerheid ook een vorm van menselijkheid is.
Wat is Wilders meer dan een vergeelde blondering met een donkere ‘haatuitgroei’?
Hoe ver zou zijn macht hebben gereikt, als Wilders het echt tot minister-president had gebracht? Hoe snel zou hij, als een Trump van de Lage Landen, met het afbreken van de democratie zijn begonnen? Het idee van een Nederlandse zonnekoning die met één pennenstreek de rechtsstaat buitenspel zet, is een schrikbeeld dat schril contrasteert met de polderrealiteit van Den Haag. Polderen kon Wilders sowieso niet. Zijn populistisch-autoritaire gedachtegoed – dat de trias politica als een belemmering ziet – staat haaks op de geest van onze grondwet. Maar is de angst reëel dat Wilders zijn autocratische fantasie had kunnen realiseren? Hoe ver was hij daadwerkelijk gekomen, voordat de ingebouwde mechanismen van onze machtenspreiding hem tot de orde zouden hebben geroepen? En is hij echt zo stoer als hij over wil komen? Volgens mij heeft de man die wel A zegt maar nooit B, een onverwacht B-kantje.
Is de angst reëel dat Wilders zijn autocratische aspiraties ooit had kunnen verwezenlijken? Ik denk dat hij zijn neiging tot dictatorschap niet langer dan een week had kunnen volhouden. Volgens mij kan zijn drift naar almacht razendsnel uitbleken tot de behoefte aan huiselijkheid van een onzeker menneke. Hij lijkt me niet ongevoelig voor bipolaire golven van grootheidswaan en radeloosheid.
De eerste onoverkomelijke barrière voor een zonnekoning in Nederland vormt het parlementaire stelsel zelf. In tegenstelling tot presidentiële systemen is de premier hier geen direct gekozen leider met een eigen, onafhankelijk mandaat. De uitvoerende macht is direct afhankelijk van de wetgevende macht. Blonde, radicale idealen vergelen snel aan een kabinetstafel. Zelfs als Wilders premier zou zijn geworden, had hij een coalitieakkoord moeten sluiten. Elk wetgevend initiatief is vervolgens afhankelijk van een meerderheid in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer, waar zijn partij nooit een absolute meerderheid zou hebben gehad. Het resultaat: de noodzaak tot compromis. Plannen om fundamentele grondrechten in te perken, de Grondwet te wijzigen, of de onafhankelijkheid van instituten aan te tasten, zouden in de wetgevende macht al stuiten op de rode lijnen van de coalitiepartners. Zonder het vertrouwen van de Kamers is de premier, ongeacht zijn populariteit, direct demissionair. De overlap van machten fungeert hier als een schild.
Mocht de uitvoerende macht – het Kabinet onder Wilders – er via een (onwaarschijnlijk) loyale coalitie toch in slagen controversiële wetten door het parlement te loodsen, dan stuit deze op de rechterlijke macht, het meest strikt onafhankelijke deel van de trias politica. De rechts-radicale aanval richt zich doorgaans op het delegitimeren van de rechters, door hen weg te zetten als ‘politieke’ of ‘activistische’ elite. Wat een grijs gedraaid plaatje werd dat (Wilders heeft veel grijze kantjes). Maar goed, de Nederlandse rechters zijn voor het leven benoemd en kunnen niet zomaar worden ontslagen door de regering vanwege een onwelgevallige uitspraak. Cruciaal is bovendien de rol van het internationaal recht. Nederland is gebonden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechterlijke macht, en dan met name de Hoge Raad, kan wetgeving toetsen aan dit verdrag en deze buiten werking stellen als er fundamentele mensenrechten in het geding zijn (denk aan de vrijheid van godsdienst of non-discriminatie). Dit vormt de ultieme check op de soevereiniteit van de uitvoerende en wetgevende machten.
Naast de formele machten bestaan er in Nederland nog andere buffers die de radicale agenda zouden vertragen of afzwakken. Ten eerste de ambtelijke macht. De ambtenaren zijn loyaal aan de staat, niet aan een individuele politicus of partij. Zij zijn de kennishouders en de uitvoerders van de wet. Een radicale premier zou te maken krijgen met de weerstand van de feiten en de onmogelijkheid om bepaalde ongrondwettelijke plannen in de praktijk uit te voeren. Ten tweede de decentrale overheid. Veel beleid, zoals woningbouw, integratie of handhaving, wordt uitgevoerd door provincies en gemeenten, die hun eigen gekozen bestuurders en bevoegdheden hebben. Zelfs een premier met de absolute wil zou niet zomaar de dagelijkse gang van zaken in alle 342 gemeenten kunnen overnemen, wat de spreiding van de macht nog breder maakt dan alleen de trias politica. De Nederlandse bestuurslaag is gefragmenteerd genoeg om een zonnekoning te verstikken in de veelheid aan bestuurslagen.
De conclusie is duidelijk: een zonnekoning zat er nooit echt in. Die ‘coupe soleil’ – de barokke ‘pruik’ die je altijd van verre zag aankomen – was een beangstigende eerste wanvertoning, maar daar bleef het gelukkig bij. De Nederlandse democratie is gebouwd op de overlap en de wrijving tussen machten, niet op hun strikte scheiding. Dit systeem is misschien niet altijd daadkrachtig, maar het is wel ongekend veerkrachtig tegen de autocratische impulsen van een populistisch leider. De onvermijdelijke realiteit van de polder is, dat Wilders, net als iedere andere premier, onmiddellijk geconfronteerd zou worden met de checks and balances van de coalitie, het parlement en de onwrikbare rechtspraak. De trias politica in haar Nederlandse vorm – de machtenspreiding – zou zijn radicale blondeburgerdroom in de kiem smoren. Iets zegt mij dat Wilders dit uiteindelijk helemaal niet betreurt. Ik stel me hem voor in zijn ‘man cave’ zoals ik hem hierboven heb getekend. Misschien had ik nog twee katten op zijn schoot moeten plaatsen. Omdat hij daar van schijnt te houden, maar vooral ook als symbolen van zijn gedoodverfde gespletenheid.
Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.
Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.
Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.
Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.
Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.
Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.
Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.
Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.
Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.
Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.
Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.
Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.
Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.
Ik ken een redactiechef van een krant die beweert dat hij “het toontje van een chatbot” meteen herkent. Dat is bemoedigend want er valt dagelijks heel wat kopij op z’n bureau en we willen als lezer natuurlijk niet belazerd worden. De trots om zijn onderscheidende vermogen neemt vaak de vorm aan van een hyperbool: “Echt hoor, ik kan van tien kilometer afstand zien dat we te maken hebben met AI.” Ik merk aan mezelf dat ik dat in twijfel trek en afdoe als authentieke stoerpraat van een mens van vlees en bloed. Iemand van een oudere generatie bovendien.
Schaalvergroting maakt AI-assistentie onvermijdelijk. De toekomst van de kwaliteitsjournalistiek ligt in een krachtenbundeling tussen menselijke intuïtie en machine-efficiëntie. Ondanks de aanvankelijke scepsis, blijkt de technologie een cruciale partner te zijn geworden. Het blad blijft zijn maatschappelijk geweten voeden door de combinatie van menselijke kritiek en digitaal venuft.
Letterlijk gezien belandt er trouwens niets op zijn bureau ter beoordeling, dat zal de lezer begrijpen. Deze poortwachter krijgt de ingezonden bijdragen overdrachtelijk op z’n bordje. Het is een volkomen digitale aangelegenheid. In een geleidelijk proces dat lang geleden begon hebben inmiddels alle papieren werkwijzen plaatsgemaakt voor een volledige digitale ‘workflow’. Ik herinner mij dat onze ‘gatekeeper’ niet vooraan stond bij de voorzichtige opstart van deze verandering.
Schaalvergroting werd onvermijdelijk in de krantenwereld. De economische stabiliteit was gebaat bij een combinatie van krachten. Fusies en overnames waren aan de orde van de dag en de redacties werden gestroomlijnder, wat in feite neerkwam op een afname van het personeelsbestand. Met minder mensen moest meer werk worden verzet. Dat is waar de noodzaak om nieuwe technologieën te omarmen echt voelbaar werd. De Chef Redactie, met zijn lange staat van dienst en ingesleten voorkeur voor beproefde methoden, moest zich buigen over en voor de mogelijkheden van AI.
De gigantische hoeveelheid content die verwerkt moest worden, werd geleidelijk behapbaar. Zijn scepsis over ‘het toontje’ van een chatbot staat daarom in schril contrast met de realiteit dat hij juist digitale hulpmiddelen nodig heeft om zijn werk überhaupt nog te kunnen doen binnen de gestelde deadlines. Geloof me, ook hij raadpleegt regelmatig AI-gestuurde spelling- en stijladviezen en laat complexe feiten checken door virtuele assistenten. De lezer heeft baat bij de snelheid en de foutenmarge die hierdoor drastisch daalt, waardoor er meer tijd overblijft voor diepgaande journalistiek.
De krant waarover ik spreek ontstond uit de behoefte aan betrouwbaar nieuws, onafhankelijk van de Duitse propaganda. Vanaf de clandestiene drukpers in de oorlog tot de digitale transformatie van nu, is het doel steeds hetzelfde gebleven: het publieke debat voeden en de lezer een kritische spiegel voorhouden. Ik ben allang niet meer de enige die gelooft dat het blad als maatschappelijk geweten, geworteld in humanistische en sociaaldemocratische waarden, nooit zal bezwijken onder de waan van de dag. De intrinsieke waarde is gewoon te groot.
Ik durf het – ook ietwat gezwollen – zelfs om te draaien: een blad dat zwicht voor de tirannie van ouderwetse redactionele starheid of technologische angst zal meer dan geld en goed verliezen, daar dooft het licht.
Wat vind je nu eigenlijk? Of liever, want het is verkiezingstijd: wat ga je stemmen? Op de vlakte blijven kan aangenaam overkomen. Douwe Bob wilde zich, als muzikant, bij zijn leest houden. Hij zei dat hij z’n gitaar ging stemmen. Dat zal hij de laatste tijd wel vaker gezegd hebben, maar als je nooit naar hem luistert, omdat de mening van Douwe niet veel interessanter is dan zijn muziek, klinkt zo’n ontwijkende opmerking onverwacht lollig.
Het punt dat Jetten naar voren bracht: hoe komt het dat we een klein beetje Nederlandse trots meteen verdacht maken? Omdat we de Nederlandse driekleur hebben laten kapen door rechts. Het feit dat de progressieven met ongeveer elke vlag zwaaien behalve de Nederlandse driekleur is alleen maar koren op de molen voor het conservatieve frame dat progressieven een hekel aan Nederland hebben.
Een patiënt van Sigmund – de eenogige psychiater die wrange en cynische commentaren levert op de wereld om hem heen – vond ook een eenvoudiger antwoord. Hij had de stemwijzer gedaan. “En, waar kwam u op uit?”“Bariton”, zei de stripfiguur, “dat zit tussen bas en tenor in.” Graag meer verkiezingscartoons van Peter de Wit. Ooit liet hij een klant van Sigmund een ‘electoraal oedipale stem’ uitbrengen op de leider die hem het meest aan diens vader deed denken. Verzonnen patiënten kun je van alles in de mond leggen.
De gemiddelde kiezer is niet gek (al moet je zijn ontstellende onwetendheid niet onderschatten); hij pikt van verkiezingskandidaten geen ontwijkende of weifelende antwoorden. De worsteling van eerlijke politici met moeilijke onderwerpen leidt vaak tot genuanceerde standpunten. Ook dat kun je een vorm van ontwijken noemen. En er valt, in zulke gevallen, niet eens om te lachen. Maar het politieke spel wordt oneerlijk gespeeld. Niet-populisten staan per definitie op achterstand vanwege hun grotere handicap; zij hebben rekening te houden met hun geweten en met de waarheid.
Rob Jetten vindt dat progressieven de Nederlandse vlag best wat schaamtelozer mogen uithangen. Een ferm standpunt. Achter hem kwam het rood-wit-blauw groot in beeld. Maar op hetzelfde partijcongres deed hij omslachtig. Hij verzon een man op de vierde rij die geschrokken op dit ‘symbool van rechts’ reageerde. Had hij een gefingeerd partijlid nodig om te zeggen dat trots zijn op je land en wapperen met de driekleur echt wel kunnen? Het leek er op, dat in zijn (tevoren geschreven) speech, de aanhoudende twijfel van het alter ego van Jetten als neonationalist, toch nog een protetstemmetje moest krijgen.
Moeilijk doen over iets waar het, naar rechts uitgeweken, electoraat inmiddels wel uit is? Laat dat maar aan links over. Migratie werd de grote graadmeter. Karikaturaal gesproken: de arbeider vindt dat Nederland vol is (grip houden!), de traditionele arbeiderspartij zegt dat nieuwkomers goed zijn voor de economie (hoewel…tenzij…), en verder naar links wil men het liever over klimaatverandering hebben (dat inderdaad het echte, veel grotere probleem is). Dit zijn serieuze kwesties dus we blijven serieus nu: welk hokje op rood gaan we straks rood maken? Wie biedt de zuiverste, meest onomwonden oplossing?
Vaak is er geen eenvoudig antwoord. Dat klinkt alweer saai en omzeilend maar de problemen zijn gewoon complex. Lees de betere partijprogramma’s er maar op na, of ga gewoon af op de werkelijkheid. Je kunt je er echt niet altijd met een hamer- of kwinkslag vanaf maken. Voelt de roodgroene blusbrigade koudwatervrees terwijl de wereld in brand staat? Durft links geen krachtige besluiten te nemen? Nee nee, dat is het niet. Weldenkende mensen hebben gewoon met alles en iedereen rekening te houden. Dat is de prijs van democratie. Moeten politici daarnaast ook nog grappig overkomen? Bespaar ons de humor; waarom zou een volksvertegenwoordiger ad rem willen zijn?
Zelfs de onverkwikkelijke veranderingsdrang van projectonwikkelaars werd mij hier een zorg.
Ik ben hier onlangs neergestreken en meet mijn omgeving in vierkante meters. Daarnaast zoek ik ‘dingetjes’ uit over mijn nieuwe habitat. Zo ontdekte ik (zie eerder) dat er op wikipedia over Angerenstein als wijk met geen woord wordt gerept en dat het gemeentebestuur voor mijn woongebied de benaming buurt hanteert. Mocht het ze al interesseren, dan houden buurtbewoners het woordje wijk in ere. Niet verwonderlijk, zo concludeerde ik, want mythe en verbeeldingskracht, fantasie en legende, vormen de basis waarop localisme is gestoeld. Net als bij nationalisme en populisme zijn feiten immers ook maar meningen.
Tussen sloop en nieuwbouw kon de oude Libanonceder even op adem komen. Dat wil zeggen: als hij toen al niet was murw geslagen.
Het ons kent ons gevoel lijkt hier zo groot dat je heel goed met alleen maar de suggestie van iets waarachtigs kunt leven. Ter bevestiging van het feit dat we het over meer dan alleen maar een buurtpark hebben met wat straatjes eromheen, is er bovendien de Stichting WIJKbelangen Angerenstein, die in haar WIJKkrant met tribaal bevestigende artikelen, het ‘gesundenes Volksempfinden’ levend houdt. Lees dat orgaan en je weet wat men wil dat je waarneemt, en wat er ogenschijnlijk speelt in dit buurtje.
Bij één van die – de sociale cohesie aanwakkerende – artikelen wil ik hier even stilstaan, omdat ik vreesde dat men bij de beschrijving van zo’n verbindend wijkinitiatief het zicht op de werkelijkheid wel erg uit het oog was verloren. Er wordt over dit zogenaamde SOSA-project gerept alsof het een architectonische meesteroplossing is, maar je ziet meteen dat men ten koste van oude esthetiek, elf huiseigenaren heeft bevoordeeld die toch al de middelen hadden om waar dan ook iets exclusiefs te vinden; met de nadruk op exclusie.
Aangespoord door het lovende stukje, liep ik er hoopvol heen, om tot mijn spijt te ontdekken dat de toegankelijkheid tot de omliggende natuur, die een schooltje, een plein, een vijver en een ceder ooit boden, volledig om zeep is geholpen. We hebben nu meer te maken met een ‘gated community’. Ik ken dat van mijn wandelingen door Thailand. Je hoefde maar met een teen in de richting van de toegangspoort te wijzen of een omhooggevallen privébewaker begon z’n machtswellust op jou, armetierig rugzaktouristje, bot te vieren.
Terug naar dat artikel. Men had veel moeite gedaan, zo las ik, om de monumentale ceder te behouden. Helaas: door het hek en zijn achtergrond lijkt de boom een gearresteerde die zijn vonnis met een enkelband in de eigen omgeving mag afwachten. De vijver is wel mooi maar ook hier roept de omheining uitsluiting en straf op. Als je er een blik in werpt voelt het alsof je in iemands privépoel staat te vissen. Wijkbelangen hebben hier duidelijk plaatsgemaakt voor woonbelangen van huizenbezitters met clanachtige privileges en sentimenten.
Ze ondervinden ongetwijfeld veel plezier bij hun jaarlijkse barbecue, maar een vorkje meeprikken is er voor vreemdelingen niet bij. Deze manier van bouwen drukt pottenkijkers weg en ik kan mij als wandelliefhebber en bouwstijlbewonderaar alleen maar verbazen. Je voelt je op deze plek een misleide, een verdwaalde of een opdringerige. Natuurlijk verstomt de kritiek na verloop van tijd. Dat is de tendens bij alle gemutuleerde missers in de woningbouw. Er is heel wat soesa geweest over dit project, naar ik heb begrepen, dus ik loop als nakomertje duidelijk achter de feiten aan.
Je zou ook kunnen zeggen dat ik met een onbedorven, want verse blik naar een oude kwestie kijk. En toch bleek mijn gebrom voorbarig. Bij dat verse observeren van mij had ik één ding nagelaten. Ik was er nog niet aan toegekomen om te kijken hoe het er hier vroeger uitzag. Tja, wat zal ik daarvan zeggen? Ik vrees dat ik mijn eerdere kritiek moet herformuleren. Het wijkblad was niet zozeer het zicht op de werkelijkheid verloren, maar sloot gewoon niet aan bij mijn verwachtingen. Die leken gebaseerd op een prachtig gewaande omgeving die door de veranderingsdrang van vastgoedjongens en metselbazen onder de sloophamer was gekomen.
Dat blijkt niet het geval. Wat hier sinds 1976 stond was een oerlelijk schooltje waar men christelijke kleuterleidsters ‘kweekte’. De latere opleidingsinstituten die zich hier vestigden, alsook de kunstenaars, die er als laatsten gebruik van maakten, hebben de executie van deze onbeduidende doos alleen maar vertraagd. Ik moet eerlijk zijn: lelijkheid is gewoon door lelijkheid vervangen. Louter afgaand op architectonische waarden, hebben we het hier over een budgetneutrale operatie. Er lijkt op dat gebied niets gewonnen of verloren. Alleen is het grootste deel van het omringende groen nu in ‘bezit’ van de bewoners.
De libanonceder werd in 1875 geplant in het prachtige park van Huis Klarenbeek. Zoals dat bomen betaamd heeft hij de veranderzucht in zijn nabijheid lijdzaam moeten ondergaan. Hij werd zorgvuldig ingepast in latere nieuwbouwplannen. Iedere baksteen in de buurt van zijn stam was er één teveel, maar men begon zijn omgeving al vroeg te veranderen. Waar zou je je, na verloop van tijd, nog druk om maken? Ook hij zal zijn zinloze verzet zo langzaamaan wel zat zijn.
Over de bouwsels op de plaats van het voormalige Hof van Klarenbeek kunnen we sinds de tweede helft van de jaren 70 zeggen: het is niets maar het was ook niets. Deze foto van het oude S.O.S.A.-gebouw zegt wat dat betreft genoeg. De afbeelding staat op bladzijde 147 van het boek Angerenstein, van landgoed tot woonwijk uit 2008 van de Stichting Wijkbelangen Angerenstein. De foto is gemaakt door Kees van Koppenhagen.
Hoe Boedapest opstond tegen Orbáns dreiging, met steun uit Europa.
Budapest Pride lijkt vandaag zonder geweld te zijn verlopen. Dat is op zichzelf al een overwinning, want de mars vond plaats ondanks een officieel verbod van de Hongaarse regering, dat deelname strafbaar stelt met een boete van 500 euro en mogelijk zelfs gevangenisstraffen voor de organisatoren. Er werd gedreigd met het gebruik van technologie voor gezichtsherkenning, waardoor deelnemers later alsnog in conflict kunnen raken met het bewind. Toch stroomden duizenden mensen de straten op; niet alleen queer Hongaren, maar ook bondgenoten, gezinnen, mensen met een beperking, en opvallend veel buitenlandse afgevaardigden.
Dat de Pride uiteindelijk zonder ingrijpen kon doorgaan, had volgens mij niets met tolerantie te maken, maar met berekening. Orbán weet dat harde repressie tegen de aanwezige Europarlementariërs, ambassadeurs en buitenlandse delegaties tot internationale ophef en diplomatieke schade zou leiden. Tegelijk ziet hij zijn machtsbasis afbrokkelen: in de peilingen verliest hij terrein aan Péter Magyar, en hij kan zich geen nieuw conflict veroorloven dat de Europese subsidiepotten in gevaar brengt. Angst voor gezichtsverlies en verlies van macht hield hem dit keer tegen.
Dat laatste zal vermoedelijk een doorslaggevende factor zijn geweest. Tientallen Europarlementariërs, diplomaten, en ook de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema waren zichtbaar aanwezig. Hun aanwezigheid maakte het voor de regering Orbán uiterst onaantrekkelijk om met harde hand in te grijpen: geweld tegen demonstranten zou niet alleen het Hongaarse imago internationaal verder beschadigen, maar ook diplomatieke incidenten kunnen veroorzaken. Zo werd een poging tot onderdrukking, ironisch genoeg, door internationale solidariteit geneutraliseerd.
De Pride begon ooit als een protest, niet als een feestje. In 1969 weigerden trans vrouwen, lesbiennes, en andere queer personen in New York zich nog langer te onderwerpen aan politiegeweld en discriminatie. De Stonewall-rellen markeerden het begin van de moderne lhbtq+-beweging, een strijd om gelijke rechten die nog steeds niet ten einde is. In Boedapest anno 2025 is het datzelfde vuur van verzet dat de Pride levend houdt.
Maar de context is grimmiger dan ooit. Premier Viktor Orbán regeert al vijftien jaar met ijzeren hand. Zijn regime is doordrenkt van nationalistisch conservatisme en een cynisch gebruik van culturele vijandbeelden. Lhbtq+-rechten zijn daarin een dankbaar doelwit geworden. De beruchte ‘kinderbeschermingswet’ verbiedt alle uitingen van queer-identiteit voor minderjarigen en stelt het gelijk aan schadelijke propaganda; een echo van het donkerste verleden van Europa. De wet biedt geen bescherming, maar een legitimatie voor onderdrukking.
Dat een meerderheid van de Nederlandse Tweede Kamer in mei opriep tot een kabinetsdelegatie bij de Pride, getuigt van de juiste reflex. Het was een signaal: mensenrechten zijn grensoverschrijdend. Maar niet iedereen ging hierin mee; de PVV stemde tegen. Partijleider Geert Wilders, die warme banden onderhoudt met Orbán, weigerde zich uit te spreken tegen een wet die de vrijheid van meningsuiting en vereniging ondermijnt en queer Hongaren tot tweederangsburgers maakt. Dat is geen conservatisme, dat is collaboratie met een repressief systeem en geeft aan waar hij zelf heen zou willen.
Het contrast met burgemeester Femke Halsema kon vandaag niet groter zijn. Door naar Boedapest af te reizen, ondanks een dreigend reisadvies, betoonde ze niet alleen solidariteit met de lokale queer gemeenschap, maar ook met de burgemeester van Boedapest, Gergely Karácsony. Hij noemde de Pride een “gemeenschappelijk feest van vrijheid” en onttrok het evenement aan het demonstratierecht door het als gemeentelijk programma te labelen. In zijn woorden wonen er in Boedapest “geen eerste- en tweederangsburgers”.
Dat Halsema, net als haar voorgangster Simone Kukenheim in Istanbul, het lef toont om fysieke aanwezigheid in te zetten als bescherming, is een daad van stille diplomatie en groot moreel gewicht. Niet met een schreeuw, maar door schouder-aan-schouder te staan.
Orbán lijkt de controle te verliezen. Zijn angstcampagne heeft averechts gewerkt. De Pride is uitgegroeid tot een nationaal symbool van verzet tegen autoritair bestuur. Zelfs niet-queer Hongaren sluiten zich aan, niet omdat ze zelf onder de wet vallen, maar omdat ze voelen dat dit hen allemaal raakt. Orbán is steeds kleinzieliger en machtshongeriger geworden; een leider die burgers verdeelt, angsten exploiteert, en de Europese waarden waarop hij ooit aanspraak maakte, met voeten treedt.
Vandaag heeft de Pride hem overtroffen. Niet in volume, maar in morele helderheid. De regenboog, die ooit begon als symbool van hoop in stormachtige tijden, is in Boedapest opnieuw gaan schijnen; als teken van moed, solidariteit en een langzaam opkomend nieuw Hongarije.
Mark Rutte is inmiddels de risée van de NAVO. Met zijn geslijm richting Trump zette hij niet alleen zichzelf voor schut, maar in zijn hoedanigheid als secretaris‑generaal eigenlijk ook alle 32 lidstaten. Allereerst was er zijn controversiële bericht aan ‘dear Donald’. Trump publiceerde deze private chat met sardonisch genoegen op zijn platform Truth Social. En daar stond het dus voor iedereen te lezen.
‘Mr President, dear Donald, Congratulations and thank you for your decisive action in Iran, that was truly extraordinary, and something no one else dared to do. It makes us all safer. You are flying into another big success in The Hague this evening. It was not easy but we’ve got them all signed onto 5 percent! Donald, you have driven us to a really, really important moment for America and Europe, and the world. You will achieve something NO American president in decades could get done. Europe is going to pay in a BIG way, as they should, and it will be your win. Safe travels and see you at His Majesty’s dinner!’
Later volgde er nog een publieke grap met ‘daddy’. Rutte liet dat woord vallen in de volgende opmerking: “Then daddy has to sometimes use strong language to get them to stop.” Daarmee vergeleek hij Trump met een vaderfiguur. Een NAVO-leider wordt geacht neutraal en zakelijk te zijn. Het tonen van zulke persoonlijke adoratie lijkt ongebruikelijk, zeker naar een politicus die controversieel is. Natuurlijk, een diplomaat mag privéberichten uitwisselen, maar als ze publiek worden, vervaagt de grens tussen persoonlijk en institutioneel. Tactieken zoals vriendjespolitiek of overdreven vleierij ondermijnen de strategische neutraliteit.
Journalisten confronteerden de secretaris-generaal met de inhoud van zijn privébericht en het feit dat Trump het openbaar had gemaakt. Rutte verdedigde zichzelf en vond de toon “gepast”. Hij benadrukte dat er niets vertrouwelijks in stond. Sommige analisten noemden het een ‘charm offensive’; een vorm van bewuste diplomatie om Trump binnenboord te houden. Anderen waarschuwden voor ‘flattery-led influence’ die de betrouwbaarheid kon schaden. Er was verbazing over de openlijke adoratie tegenover een politicus wiens houding tegenover de NAVO traditioneel kritisch is.
Dit filmpje zal blijven rondzingen.
Het gaat mij er niet zozeer om dat de leider van de NAVO publiekelijk met één lidstaat flirt en of dit potentieel riskant is voor de onderlinge samenhang. Ik stoor mij aan het feit dat hij slijmt met een slecht mens. De vraag of hier niet een te persoonlijke toon wordt aangeslagen, waardoor de NAVO een soort van politiek theater dreigt te worden in plaats van een organisatie die de gezamenlijke veiligheid bespreekt, zou voor mij niet spelen als dit ronduit kruiperige gedrag naar een ander was vertoond. Ik vind het alleen maar ongelooflijk irritant dat deze overdreven, gênante woorden aan Trump waren gericht. Daardoor heeft Ruttes reputatie voor mij als neutrale leider echt schade opgelopen.
Rutte koos voor directe, persoonlijke diplomatie, wat een duidelijke breuk was met de traditionele, officiële toon die zijn voorganger kenmerkte. Sommigen zullen vinden dat dit strategische winst opleverde. Trump zou zich hierdoor gekend kunnen voelen, waardoor hij bijvoorbeeld de defensiebelofte van artikel 5 niet meer in twijfel trekt en zich opnieuw betrokken voelt bij de NAVO doelstellingen. Maar onorthodoxe diplomatie versus institutionele integriteit is zoals gezegd mijn punt niet. Dit geslijm valt onder regelrechte kruiperigheid omdat het aan Trump is gericht.
Tja, wurm jezelf er maar uit, slijmjurk; je maakt het alleen maar genanter.
Want wie is Trump nu helemaal, dat hij zo hoflijk ontvangen wordt? Laat ik dat nog even opsommen. Dit is een man die de Amerikaanse ontwikkelingshulp grotendeels stopzette, met als gevolg dat honderdduizenden mensen wereldwijd zonder voedsel of medische zorg kwamen te zitten. Met zijn handelsbeleid joeg hij complete continenten tegen zich in het harnas, en zijn economische koers bracht de Amerikaanse overheidsfinanciën in ernstige wanorde.
Hij weigert Israël publiekelijk aan te spreken op het geweld en de uithongering van burgers in Gaza, en kiest keer op keer voor stilzwijgende instemming met grof militair optreden. Ondertussen ondermijnt hij thuis de democratische rechtsstaat: hij zaait twijfel aan verkiezingsuitslagen, valt de onafhankelijke rechtspraak aan, en tart de fundamenten van de democratie.
De rechten van de lhbti-gemeenschap worden onder zijn invloed steeds verder uitgehold, en slechts drie dagen voor zijn komst naar Den Haag gaf hij nog opdracht tot luchtaanvallen waarbij naar alle waarschijnlijkheid ook burgers omkwamen. Dit is dezelfde man die, na zijn verkiezingsnederlaag, aanzette tot een poging tot staatsgreep. Hij is inmiddels veroordeeld voor seksueel grensoverschrijdend gedrag én financiële fraude.
Als rechtvaardigheid werkelijk leidend was, had hij niet in het centrum van de macht moeten staan, maar in een cel moeten zitten van het Internationaal Strafhof.