Een bozig oogje dichtdoen

Zelfs de onverkwikkelijke veranderingsdrang van projectonwikkelaars werd mij hier een zorg.

Ik ben hier onlangs neergestreken en meet mijn omgeving in vierkante meters. Daarnaast zoek ik ‘dingetjes’ uit over mijn nieuwe habitat. Zo ontdekte ik (zie eerder) dat er op wikipedia over Angerenstein als wijk met geen woord wordt gerept en dat het gemeentebestuur voor mijn woongebied de benaming buurt hanteert. Mocht het ze al interesseren, dan houden buurtbewoners het woordje wijk in ere. Niet verwonderlijk, zo concludeerde ik, want mythe en verbeeldingskracht, fantasie en legende, vormen de basis waarop localisme is gestoeld. Net als bij nationalisme en populisme zijn feiten immers ook maar meningen.

Tussen sloop en nieuwbouw kon de oude Libanonceder even op adem komen. Dat wil zeggen: als hij toen al niet was murw geslagen.

Het ons kent ons gevoel lijkt hier zo groot dat je heel goed met alleen maar de suggestie van iets waarachtigs kunt leven. Ter bevestiging van het feit dat we het over meer dan alleen maar een buurtpark hebben met wat straatjes eromheen, is er bovendien de Stichting WIJKbelangen Angerenstein, die in haar WIJKkrant met tribaal bevestigende artikelen, het ‘gesundenes Volksempfinden’ levend houdt. Lees dat orgaan en je weet wat men wil dat je waarneemt, en wat er ogenschijnlijk speelt in dit buurtje.

Bij één van die – de sociale cohesie aanwakkerende – artikelen wil ik hier even stilstaan, omdat ik vreesde dat men bij de beschrijving van zo’n verbindend wijkinitiatief het zicht op de werkelijkheid wel erg uit het oog was verloren. Er wordt over dit zogenaamde SOSA-project gerept alsof het een architectonische meesteroplossing is, maar je ziet meteen dat men ten koste van oude esthetiek, elf huiseigenaren heeft bevoordeeld die toch al de middelen hadden om waar dan ook iets exclusiefs te vinden; met de nadruk op exclusie.

Aangespoord door het lovende stukje, liep ik er hoopvol heen, om tot mijn spijt te ontdekken dat de toegankelijkheid tot de omliggende natuur, die een schooltje, een plein, een vijver en een ceder ooit boden, volledig om zeep is geholpen. We hebben nu meer te maken met een ‘gated community’. Ik ken dat van mijn wandelingen door Thailand. Je hoefde maar met een teen in de richting van de toegangspoort te wijzen of een omhooggevallen privébewaker begon z’n machtswellust op jou, armetierig rugzaktouristje, bot te vieren.

Terug naar dat artikel. Men had veel moeite gedaan, zo las ik, om de monumentale ceder te behouden. Helaas: door het hek en zijn achtergrond lijkt de boom een gearresteerde die zijn vonnis met een enkelband in de eigen omgeving mag afwachten. De vijver is wel mooi maar ook hier roept de omheining uitsluiting en straf op. Als je er een blik in werpt voelt het alsof je in iemands privépoel staat te vissen. Wijkbelangen hebben hier duidelijk plaatsgemaakt voor woonbelangen van huizenbezitters met clanachtige privileges en sentimenten.

Ze ondervinden ongetwijfeld veel plezier bij hun jaarlijkse barbecue, maar een vorkje meeprikken is er voor vreemdelingen niet bij. Deze manier van bouwen drukt pottenkijkers weg en ik kan mij als wandelliefhebber en bouwstijlbewonderaar alleen maar verbazen. Je voelt je op deze plek een misleide, een verdwaalde of een opdringerige. Natuurlijk verstomt de kritiek na verloop van tijd. Dat is de tendens bij alle gemutuleerde missers in de woningbouw. Er is heel wat soesa geweest over dit project, naar ik heb begrepen, dus ik loop als nakomertje duidelijk achter de feiten aan.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik met een onbedorven, want verse blik naar een oude kwestie kijk. En toch bleek mijn gebrom voorbarig. Bij dat verse observeren van mij had ik één ding nagelaten. Ik was er nog niet aan toegekomen om te kijken hoe het er hier vroeger uitzag. Tja, wat zal ik daarvan zeggen? Ik vrees dat ik mijn eerdere kritiek moet herformuleren. Het wijkblad was niet zozeer het zicht op de werkelijkheid verloren, maar sloot gewoon niet aan bij mijn verwachtingen. Die leken gebaseerd op een prachtig gewaande omgeving die door de veranderingsdrang van vastgoedjongens en metselbazen onder de sloophamer was gekomen.

Dat blijkt niet het geval. Wat hier sinds 1976 stond was een oerlelijk schooltje waar men christelijke kleuterleidsters ‘kweekte’. De latere opleidingsinstituten die zich hier vestigden, alsook de kunstenaars, die er als laatsten gebruik van maakten, hebben de executie van deze onbeduidende doos alleen maar vertraagd. Ik moet eerlijk zijn: lelijkheid is gewoon door lelijkheid vervangen. Louter afgaand op architectonische waarden, hebben we het hier over een budgetneutrale operatie. Er lijkt op dat gebied niets gewonnen of verloren. Alleen is het grootste deel van het omringende groen nu in ‘bezit’ van de bewoners.

De libanonceder werd in 1875 geplant in het prachtige park van Huis Klarenbeek. Zoals dat bomen betaamd heeft hij de veranderzucht in zijn nabijheid lijdzaam moeten ondergaan. Hij werd zorgvuldig ingepast in latere nieuwbouwplannen. Iedere baksteen in de buurt van zijn stam was er één teveel, maar men begon zijn omgeving al vroeg te veranderen. Waar zou je je, na verloop van tijd, nog druk om maken? Ook hij zal zijn zinloze verzet zo langzaamaan wel zat zijn.

Over de bouwsels op de plaats van het voormalige Hof van Klarenbeek kunnen we sinds de tweede helft van de jaren 70 zeggen: het is niets maar het was ook niets. Deze foto van het oude S.O.S.A.-gebouw zegt wat dat betreft genoeg. De afbeelding staat op bladzijde 147 van het boek Angerenstein, van landgoed tot woonwijk uit 2008 van de Stichting Wijkbelangen Angerenstein. De foto is gemaakt door Kees van Koppenhagen.


Tribale sentimenten van saamhorigheid

In echte wijken maken bewoners elkaar van alles wijs.

“Jij weet dat natuurlijk wel hè,” vraag ik aan een oude schoolvriend, “dat Angerenstein als wijk alleen in de verbeelding bestaat?”
“Volgens de gemeente wel ja. Maar verbeelding is precies waar buurten groot van worden,” antwoordt hij luider dan nodig (ik vermoed omdat hij weet dat zijn vrouw, en met name haar boekenclubvriendin, meeluisteren in de kamer en suite).

Conversaties tussen gearriveerde babyboomers kunnen plaatsvinden in perfecte harmonie. De kans hierop is groter onder lotgenoten en/of zielsverwanten; dan gaat het om gelijkgestemden in uiterlijk, opvattingen en levensstijl. (Foto gegenereerd door AI)

Hij is ambtenaar in mijn nieuwe woonplaats. Door anciënniteit, leegloop en interne opleidingen werkt hij nu als Adjunct-directeur bij de afdeling Beleidsontwikkeling Wonen & Leefomgeving. We hebben samen (een jaartje) Chinese taal- en letterkunde gestudeerd in Maastricht. Daarna zijn we elkaar door verhuizingen en verschillen in levensstijl uit het oog verloren. Nu we weer bij elkaar in de buurt wonen, dacht ik: kom…

We zitten inmiddels met ons vieren in de serre van zijn prachtige jaren-twintighuis aan de rand van het park, dat met zijn vijvers en bronbeekjes het blauwgroene hart van de buurt vormt. In het bijzijn van de romanlezeressen laat hij zich graag nog wat uit over het thema werkelijkheid en fictie.

“Officieel hebben we geen wijk, inderdaad, maar een buurt; met zijn tabellen en gemiddelden. Wie denkt dat administratieve indeling de werkelijkheid bepaalt, gelooft waarschijnlijk ook dat een leefgemeenschap te vangen valt met meetinstrumenten, tevredenheidsenquêtes, checklisten en formulieren.”

“Zo werkt het niet natuurlijk”, val ik hem bij. “Neem de hoerenwijken waar ook ter wereld: nergens officieel erkend, nergens op stadskaarten te localiseren en toch weet iedereen waar ze zich bevinden en waar hij zijn geld in moet stoppen.”
Het blijft ongemakkelijk stil.
“Ik weet niet of die vergelijking opgaat”, reageert de vriendin van de gastvrouw tenslotte.

Ik lanceer het andere voorbeeld waarover ik heb nagedacht.
“Of dat Gallische dorpje dat we onderhand zo goed kennen; waar striphelden met wilde zwijnen, toverdrank en één gemeenschappelijke vijand meer teamgeest creëren dan een gemeente met een voorbeeldig gemeentebeleid. Het gaat om het wij-gevoel, de warme schoot van saamhorigheid. Wat werkelijk telt zijn de mooie sprookjes die men elkaar rond het kampvuur kan vertellen. Tegenwoordig is dat de barbecue.”

Ze blijken geen van drieën ooit een Asterix en Obelix te hebben gelezen.

Angerenstein mag dan een voetnoot zijn in het ambtelijke woordenboek, zo bedoelde ik te zeggen, voor zijn bewoners is het een ‘dorp-in-de-stad’, compleet met z’n eigen mythologie. Dat laatste vormt natuurlijk de grootste verbindingsfactor. De gemeente Arnhem kan nog zo driftig schikken en indelen, zodat Angerenstein als buurt te boek staat en niet als wijk, maar uiteindelijk is het niet de spreadsheet die eenheid schept. Het zijn de mensen die, wars van nomenclatuur, hun eigen aanduidingen met overtuiging blijven gebruiken en elkaar van alles wijs maken. De ambtenaar telt huizen; de bewoner vertelt verhalen. Dat laatste werkt beter.

Een verbindend verhaal hebben is alles, bedenk ik me, als ik weer buiten sta; maar dan moet het wel een pakkend verhaal zijn.

Lieuwe spreekt

Zonen die over hun dode vaders vertellen maken me huilerig op een bijna gênante manier.

Vandaag belandde ik bij toeval in een documentaire over de zoon van Theo van Gogh. Lieuwe is een jongen die in tegenstelling tot zijn vader eigenlijk niet in de belangstelling wil staan. Hij verzet zich daarom aanvankelijk tegen een interview dat de voormalige assistente van Theo met hem wil voeren. Voor haar besluit hij een uitzondering te maken; zij loopt tenslotte ook nog steeds met haar verdriet rond om de moord op een opmerkelijk man.

Gedurende een groot aantal dagen trekken zij samen op. Eigenlijk doet de voormalige assistente met Lieuwe precies hetzelfde als wat zij vroeger met Theo deed. Ze bezoeken dezelfde plaatsen. Ik vermeld de dingen die me vooral zijn bijgebleven in dit interview hier puntsgewijs.   

  1. Lieuwe heeft er lang aan gedacht om een kaartje naar de moordenaar van zijn vader te sturen in de gevangenis: ‘Kijk, ik leef een gelukkig leven terwijl jij aan het rotten bent in de gevangenis. Je zit een levenslange gevangenisstraf uit. De politieman die indertijd de keuze had om je dood te schieten of in je been, heeft een goede beslissing genomen. Jou doodschieten zou een gunst geweest zijn. Nu word je dagelijks gedwongen om na te denken over je daad.’ Zoiets. Het is er tot nu toe niet van gekomen om het kaartje te schrijven. Maar dat inwrijverige, jezus, hoe begrijp ik dat.
  2. Lieuwe ging boos naar bed op de laatste dag dat hij samen met zijn vader was. Daarover lijkt hij totaal geen spijt te hebben en dat zegt iets over de relatie die hij met zijn vader had. Hij lijkt te beseffen dat dit soort van kleine huiselijke conflicten geen invloed hadden op de overkoepelende liefde die de mannen voor elkaar voelden. Ze kibbelden wel vaker en ze hielden toch wel van elkaar. Herkenbaar.
  3. Lieuwe bezoekt een tatoeagestudio waar hij wel vaker een tatoeage heeft laten zeggen. Hij laat weten dat zijn vader tegen het zetten van zo’n tatoeage was.
  4. Wat me enorm ontroerde was de volgende uitspraak van Lieuwe: “Elke keer dat ik me scheer is het nog steeds zo dat ik een wond heb. Op die momenten denk ik: ik had een vader nodig.” Ok, hoe vaak scheert een man zich? Ik constateer dat hij nog iedere dag aan zijn vader denkt. 
  5. “[Ik mis] de zondagen samen als we films op tv keken. Zijn buik was een zachte poef waar ik mijn hoofd op kon leggen.” 
     

Voortuinen waardoor rivieren stromen

De grootheidswaan van een bronbeekbuurtje.

Ik ben hier pas komen wonen en verken mijn omgeving per strekkende meter. Intussen raadpleeg ik betrouwbare bronnen om te zien waar ik nu eigenlijk belandde. Wist je dat Wikipedia wonderwel zwijgt over Angerenstein als wijk? En de gemeente Arnhem doet er nog een schepje bovenop: volgens hun kaarten is dit slechts een buurt, keurig ondergebracht bij de wijk ‘Velperweg en omstreken’. Alsof ze een Rembrandt rubriceren in de categorie ‘diversen’. Maar ja, het zijn dus wel de officiële bronnen.

Kenmerkend voor park Angerenstein is de aanwezigheid van een netwerk van beken met verschillende watervallen en vijvers. […]. Ten noorden van Huis Angerenstein bevindt zich een bronvijver en enkele kwelplekken die mede de verschillende vijvers voeden. Hier bevindt zich tevens de bron van de Julianabeek. In 2005 hebben de bewoners van de Julianalaan deze beekloop ontdekt en in hun eigen voortuinen weer zichtbaar gemaakt. (Bron: Wikipedia)

Boeien! De bewoners zelf lachen om zoveel ambtelijke zuinigheid. Wie ik ook aanspreek, hij weet feilloos waar Angerenstein begint en eindigt; de harde grenzen van zijn leefgemeenschap liggen vast in stenen en stroompjes. Dit is de wijk van het wegsijpelende water (en van koophuizen waarvoor je geld als water moet hebben). Het stadhuis mag zijn statistieken koesteren, de straat weet beter. Waar je het hoort kabbelen, daar ligt Angerenstein. Het zal de gemiddelde Angerensteiner worst wezen of je het hier een wijk noemt of een buurt, als de positieve energie er maar blijft stromen; Panta rhei.

Ik zou een slechte buurtreporter zijn als ik de kwestie niet ook even voorlegde bij de man die langs het bronbeekje in zijn voortuin een steiger heeft gebouwd alsof er een sloep moet worden aangemeerd. De walkapitein legt toevallig de laatste hand aan zijn project als ik langsloop, dus ik grijp mijn kans.
“Meet men zich hier niet een al te grote broek aan als men de buurt een wijk blijft noemen?”
Overspoeld door een besluiteloze woede, kijkt hij mij glazig aan; alsof ik belletje heb getrokken en vergeten ben om weg te lopen. Het wordt tijd om mij stroomafwaarts te begeven.

Martin, de ecotopische parkambassadeur

Een visionaire vriend voor vogels van velerlei pluimage.

Als er per se een huis moet staan op een plek in een park waar beter bomen konden groeien, dan is Martin onze man. Hij lijkt me de meest geschikte persoon om dit gebouwtje in Angerenstein als bewoner en gids tolerabel te maken. Ik bedoel dit als een compliment. Als we dan toch een vertegenwoordiger van het groen naar dat onderkomen moeten afvaardigen (waarop overigens ook al horeca-exploitanten zaten te azen), is hij de beste gastheer die een voormalige forellenkwekerij zich maar kan wensen. Omdat hij bereid is om aan wie dan ook uitleg te verschaffen over alles dat met flora en fauna te maken heeft. En meer.

De flamboyante Martin was precies wat deze doos in het park kon gebruiken, zeker als we weten dat er op deze locatie ook al horeca-exploitanten en vastgoedinvesteerders zaten te azen. ‘Alcedo Atthis‘ is de wetenschappelijke naam voor de ijsvogel. Verder staat er onder de nok van de voorgevel: ‘Nunc fluens facit tempus‘. Dat betekent: Het stromende nu maakt de tijd. Dit correspondeert met een andere spreuk (zie verderop) die met eerbied in de bast van een boom rond Martins’ huis is gekerfd.

Hij doet me aan Jan Timman denken; de grote, wijze schaker die sprak met een zachte, ietwat bekakte stem. Dat rustgevende timbre klonk nooit overdreven of gekunsteld, maar paste gewoon bij zijn statuur en bij zijn gedistingeerdheid. De onderwerpen die deze Martin aansnijdt zijn interessanter dan welke gespekstof ook; Martin houdt van de hem omringende natuur. Hij praat bloemrijk over alles dat groeit en bloeit en hem altijd weer boeit.

Hij geeft toe dat hij deel uitmaakt van een biotoop en daarin als mens niet eens de primus inter pares is of het alfamannetje. Martin communiceert met vogels, maar niet predikend zoals Franciscus van Assisi, en niet bezwerend zoals figuren in de mythologie of folklore. Vergeet de auguren (vogelwichelaars) in het oude Rome of de oppergod Wodan die zijn raven Huginn (‘gedachte’) en Muninn (‘geheugen’) met onderzoeksopdrachten de wereld instuurde. Als Martin met vogels praat, verandert hij zelf in een vogel.

Als educatieve kindervriend heeft Martin ook duidelijk meerwaarde op deze plek in het park onder de bomen. De buurtjongeren komen spontaan bij hem aankloppen. Voor de schoolgaande jeugd is het snel duidelijk dat ze hier te maken hebben met een heuse boswachter die verstand heeft van klimaatopwarming en andere milieuzaken (handig voor als je een opstel moet schrijven). Hij denkt niet alleen met je mee maar hij laat ook je idealen intact. Toen een peuter vroeg of hij een kabouter was, zei hij zondermeer ja.

Als Martin je ontvangt in zijn habitat geeft hij eerst een rondleiding bij zijn huis voordat hij je binnenlaat. Hij somt de ontmoetingen op die hij had met zijn medeschepselen en toont je aan waar die plaatsvonden. Het verbaast je dat een plek in een stad – want dat blijft het – zoveel observaties met zeldzame dieren kon opleveren: de ijsvogel, zwarte zwaan, ringslang, Groene specht, Oehoe, Wielewaal, Hazelworm, Das, Boommarter en Waterspreeuw. Laat Martin vooral het waarom van het pootjewippen van de Waterspreeuw aan je uitleggen.

Daarna laat hij je binnen in een ruimte zonder tussenmuren. Zijn woning is één groot lokaal (hij slaapt op zolder). Deze voormalige biologieklas stond oorspronkelijk vol met broedbakken, gevuld met eierdril, zich ontwikkelende embryo’s en net uitgekomen visjes. Dat gekweek is niet de nobelste geschiedenis, vind ik, maar je kunt je  voorstellen dat de Heidemij in de gelegenheidsrol van vishouder, dankbaar gebruikmaakte van het kraakheldere water dat van de heuvel stroomde. In de vijvers rondom werd spartelend zilver grootgebracht en voor goudgeld verkocht. Ooit moet de stichting zich hier een klein fortuin op de forellenmarkt hebben verworven.

Martin ontpopt zich als een pleitbezorger van de ecotopie. De term Ecotopia is na de roman van Callenbach, die het woord had gemunt, door allerlei denkers, activisten en gemeenschappen verder ingevuld en verbonden met bredere spirituele, activistische en politieke stromingen. Daarbuiten werd de term ook filosofisch verbreed door bijvoorbeeld Latour met zijn Actor-Network Theory: een wereldbeeld waarin niet-menselijke actoren (dieren, rivieren, bossen) volwaardige deelnemers in de samenleving zijn. Verder heeft Ernst Bloch zijn utopiebegrip (het ‘nog-niet-zijnde’) erop toegepast: Ecotopia als horizon waarnaar we ons oriënteren. Vraag Martin er maar naar en hij kan er bevlogen op doorfilosoferen.

De boeken in deze reeks waren typische ‘stichtelijke boekjes’, wat betekent dat ze geschreven werden vanuit een protestants-christelijke levensbeschouwing en lezertjes morele of religieuze waarden moesten bijbrengen. Jacoba van der Steen-Pijpers baseerde de verhalen in haar Barendje-serie vaak op de belevenissen van haar eigen zoons. De boeken werden uitgegeven door G.F. Callenbach in Nijkerk.

Onze parkambassadeur besluit de rondleiding met een citaat uit een stichtelijk boekje dat hem als kind (in Leiden) werd voorgelezen; een deeltje uit een reeks vertellingen over Barendje, geschreven door Co van der Steen-Pijpers, die zich liet inspireren door haar woonplaats en de wijk in Arnhem waar zij woonde. In deze uitgave, verschenen vlak na de oorlog, wordt de kwekerij in Angerenstein al genoemd en beschreven. Dat Martin dat verhaal in zijn jeugd onder ogen kreeg beschouwt hij, achteraf gezien, als een voorteken; een verwijzing naar zijn latere bestemming. Het emotioneert hem nog steeds. Wil hij hiermee suggereren dat hij in predestinatie gelooft? Of is juist het toeval de ware tranentrekker? Hoe dan ook, Martin blijkt naar een zorgvuldig gekozen hoogtepunt te hebben toegewerkt.

Zijn er dan geen dieptepunten Martin? Is het leven hier echt zo idyllisch?
Hij wil aan volwassen bezoekers best toegeven dat hij zich soms bedreigd voelt. Sterker nog: hij is bedreigd. Er is op hem geschoten. Met zo’n eenvoudig in het buurland te verkrijgen, neppistool, waarover regelmatig wordt gerept in misdaadverslagen. Het ging om twee pubers. De dadertjes zijn veroordeeld en zitten nu in een soort van reclasseringsprogramma van de jeugddetentie. Martin schijnt niet boos te zijn. Hij lijkt ook deze gebeurtenis als een soort van natuurverschijnsel op te vatten.

Zoals mensen, in alles wat ze zichzelf tegenwoordig permitteren, eigenlijk hun hele milieu om zeep helpen, was het schietincident, in een alomvattend perspectief, eigenlijk niets anders dan een wat dramatisch verlopen, biologische gebeurtenis, relativeert Martin. Natuur die zichzelf vernietigt; het omgekeerde van altruïsme. Dat komt soms voor ja. En ja, die jochies gingen veel te ver natuurlijk. Die waren ontspoord. In de rechtzaal leken ze bange, te vroeg uit het nest geduwde, vogeltjes.

Martin heeft toen aangegeven dat hij best met ze wilde praten.

Nunc stans facit aeternitatem. Deze Latijnse uitdrukking betekent: Het staande nu maakt de eeuwigheid. Dit is het tweede deel van de filosofische uitspraak van Boëthius. Het concept draait om het onderscheid tussen twee soorten ‘nu’:
1. Nunc Fluens (Het stromende nu): Dit is het veranderlijke moment dat onmiddellijk overgaat in het verleden en de toekomst. Dit creëert de tijd (tempus).
2. Nunc Stans (Het staande nu): Dit is het onveranderlijke, tijdloze, absolute heden. Het is een moment dat niet voorbijgaat, maar alle tijd omvat. Dit creëert de eeuwigheid (aeternitatem).
Boëthius definieerde de eeuwigheid als “de perfecte, totale en gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven.” Het is een nu dat vaststaat en alle momenten tegelijkertijd bevat, in tegenstelling tot onze menselijke tijd waarin het nu constant wegglijdt.

P.S. Toeval bestaat niet, zeggen sommigen. Ik ben een andere mening toegedaan, maar toch is het grappig: de schrijver van Ecotopia heet Ernest Callenbach, en de Barendje-boekjes van Jacoba van der Steen-Pijpers verschenen ooit bij uitgeverij G. F. Callenbach in Nijkerk. Twee heel verschillende werelden, verbonden door één naam.

Muziekindelingen (1. Klassiek)

Iemand moest de eeuwige herrie rubriceren.

Voor mij bestaat er niets aangenamers dan het maken van indelingen, lijstjes, schema’s, tabellen en, als het even kan, sub-tabellen met voetnoten. Mijn ex schreef dat toe aan haar overtuiging dat ik een ambulant praktijkvoorbeeld was van iemand met een gedragsstructuur in het autistische spectrum. Ikzelf ben van mening dat we mijn behoefte aan overzicht niet hoeven te medicaliseren. Het feit dat ik ooit een Excel-bestand heb gemaakt voor de optimale indeling van de keukenkastjes, vloeit, naar mijn smaak, gewoon voort uit efficiëntie.

Als we het toch over illustratieve gevalletjes moeten hebben, lijkt het kwalificeren of diagnostiseren van ex-geliefden als zijnde autistisch en/of narcistisch mij een veelvoorkomende ‘after-partnerschap-hobby’. Je zou het subtiel ‘het zoeken naar closure’ kunnen noemen, maar eigenlijk is het gewoon de psychologische variant van de vuilnis buiten zetten: je schuift alles wat niet meer bevalt in een categorie waar je zelf geen invloed op hebt en waar je radicaal afstand van wilt doen zonder je verantwoordelijk te hoeven voelen.

Ik denk dat dit voornamelijk te maken heeft met het verwerken van een teleurstelling over het verlies van:
1. een gedeelde toekomst.
2. nabijheid.
3. een illusie die je zelf zorgvuldig had opgebouwd.
4. de ander als handig projectiescherm.
5. je favoriete sparringpartner in schuldtoewijzing.
6. de Netflix-inlogcode.
7. een toegewijde plantenwatergever als je zelf (te lang) op reis ging.
8. de illusie dat samen afwassen ooit gezellig zou worden.

Maar het kan natuurlijk ook een vorm van revanchistische ondersteuning zijn (“Hier moet ik mijn handen wel van aftrekken!”). Een andere psychologische verklaring zou kunnen zijn dat men stiekem hoopt dat de ex later in een gesticht opduikt en dat men dan kan zeggen: “Zie je wel, ik had het altijd al gedacht.” Enfin, genoeg amateurdiagnostiek. Laten we nu doorgaan naar mijn eerste te publiceren indeling, en wel die van de klassieke muziek.

Muziek is zo veelomvattend, en er zijn zoveel verschillende stijlen en stromingen, dat je een heel leven kunt wijden aan het maken van een goed ingedeeld totaaloverzicht. En dat is dan nog vóór je überhaupt een noot hebt beluisterd. Eigenlijk luister ik niet graag naar muziek die ik nog niet heb gecategoriseerd. Ik voelde altijd dat er een grote taak voor mij was weggelegd.

Iemand moest orde scheppen, de chaos indelen, de muzikale jungle temmen. Als ik het niet deed, dan kreeg je zo’n slordige lijst waar Bach naast Bocelli stond en Mozart per ongeluk onder ‘easy listening’ was komen te vallen. Ik heb daar voorbeelden van gezien en moest toen inderdaad onmiddellijk de woorden Risperidon en Haldol googelen (zonder overigens een spoedbestelling te plaatsen). Sta mij dus toe dat ik de klankkast der beschaving voor eens en altijd alfabetiseer. Hier volgt een lijst van alleen nog maar de indeling der stijlen.

1. Symphonieën, Grote orkestrale werken, Orkestmuziek (Symfonisch gedicht, Suite, Ouverture, Sinfonietta, Kamerorkest, Concertante symfonie)

2. Piano en piano-aanverwanten, cq geslagen chordofonen. Dus: 

  • Klaviermuziek (Klaviermuziek, Pianomuziek, Orgelmuziek, Klavecimbelmuziek, Fortepiano-muziek, Dulcimer, Hammered Dulcimer)
  • Sonates en concerten (Pianosonate, Orgelsonate, Pianoconcert, Orgelconcert)
  • Kamermuziek (Pianotrio, -kwartet, -kwintet) 
  • Stijlen en genres (Toccata, Fuga, Preludes, Etudes, Fantasia)
  • Elektronische toetsinstrumenten (Elektronische orgelmuziek voor zover klassiek, Synthesizermuziek voor zover klassiek)

3. Chordofonen behalve de onder 2 genoemden. Dus:

  • Strijkinstrumenten (Viool, Altviool, Cello, Contrabas, Gamba (Viola da gamba) enzovoort)
  • Tokkelinstrumenten (Gitaar, Harpluit (Luit), Harpsichord, Mandoline, Zither, Harpsichord enzovoort)
  • Andere Snaarinstrumenten (Harpen, Banjo, Sitar, Kora, Saz enzovoort)

4. Aërofonen (Blaasmuziek, Harmonieorkest of Fanfareorkest, Koperensemble of Koperkwintet, Houtblaasmuziek, Kamermuziek voor blaasinstrumenten) 

5. Religieus gezang (Sacrale muziek, Liturgische muziek, Kerkmuziek, Geestelijke muziek, Cantate of Oratorium, Madrigaal of Motet, Requiem)

6. Opera’s (Muziektheater, Singspiel, Lyric Drama of Dramatisch Muziekstuk, Opera seria, Opera buffa, Grand opera, Operette, Ariette of Aria)

7. Wereldlijke/profane/seculiere liederen, Niet-kerkelijk gezang (Lied, Chanson, Madrigaal, Romance, Ballade)

8. Filmmuziek, Scores, Soundtracks


Ad. 5

(Hier volgt een voorbeeld van de verdere uitsplitsing van Religieus gezang waarbij ik componisten nog maar heel zijdelings noem. Dat wordt later specifieker.)

Religieus gezang in de klassieke muziek omvat een brede verzameling muziekstijlen en genres die worden uitgevoerd in een religieuze of spirituele context. Het omvat onder meer sacrale muziek, liturgische muziek, kerkmuziek, en geestelijke muziek. Hieronder een overzicht van wat elk van deze termen inhoudt en wat eronder valt:

1. Sacrale muziek

Dit verwijst naar muziek die gecomponeerd is voor religieuze doeleinden, ongeacht de specifieke liturgische functie. Het kan zowel binnen als buiten formele erediensten worden uitgevoerd. Voorbeelden:

  • Mis (Missa) – Een van de meest voorkomende vormen van sacrale muziek, geschreven voor de katholieke eredienst, bestaande uit vaste onderdelen zoals het Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei. Componisten zoals Johann Sebastian Bach (Mis in b-klein), Mozart (Krönungsmesse), en Beethoven (Missa Solemnis) schreven beroemde missen.
  • Requiem – Een dodenmis, vaak met plechtige en intense muziek, zoals die van Mozart, Verdi, en Fauré.
  • Cantates – Composities met zang, vaak geschreven voor de liturgie, zoals Bach’s kerkcantates.
  • Oratoria – Grootschalige werken voor solisten, koor en orkest, met een religieus thema maar zonder scenische opvoering. Voorbeelden zijn Handel’s Messiah en Haydn’s Die Schöpfung.

2. Liturgische muziek

Dit is muziek die specifiek geschreven is voor gebruik tijdens de eredienst en volgt strikt de structuur van een religieuze viering. Het omvat gezangen en werken die deel uitmaken van de liturgische handelingen.

  • Gregorisch gezang – Eenstemmige, Latijnse gezangen die tijdens de middeleeuwse katholieke mis werden uitgevoerd. Bekend om hun vloeiende en meditatieve karakter.
  • Anglicaanse koorwerken – Polyfone werken zoals die door Thomas Tallis en William Byrd zijn gecomponeerd voor de Anglicaanse kerk.
  • Lutherse koraal – Religieuze liederen in de lutherse traditie, vaak gebruikt in de werken van J.S. Bach, zoals zijn koraalcantates.

3. Kerkmuziek

Kerkmuziek verwijst naar muziek die bedoeld is voor uitvoering in een kerk of een andere religieuze instelling. Deze categorie is breed en omvat zowel formele liturgische werken als meer algemene religieuze composities.

  • Koraalmuziek – Muziek voor koren, vaak voor gemeenschappelijk gezang in de eredienst. Dit kan variëren van eenvoudige hymnens tot complexe motetten zoals die van Palestrina en Byrd.
  • Motetten – Polyfone koorwerken zonder instrumentale begeleiding, met een religieuze tekst. Bekende motetcomponisten zijn Josquin des Prez, Bach, en Palestrina.
  • Passies – Muziek die het lijdensverhaal van Christus vertelt, zoals Bach’s Matthäus-Passion.

4. Geestelijke muziek

Dit is bredere muziek met een spirituele of religieuze lading, maar niet noodzakelijk gebonden aan een specifieke religieuze viering. Het kan ook persoonlijke religieuze reflecties of universele spirituele thema’s bevatten.

Spirituele liederen – Bijvoorbeeld de liederen van John Dowland, die vaak spirituele en existentiële thema’s behandelen zonder strikt liturgisch te zijn.

Psalmen – Muzikale bewerkingen van de bijbelse psalmen, zoals de Psalmen van David door Heinrich Schütz.

Lofzangen – Vaak gericht op het prijzen van God, zoals het Magnificat of het Te Deum.

Een vitaal kloppend orgaan

Geluk slaat z’n slag in het hart van Angerenstein.

Het bewonersfeestje Hart voor Angerenstein kan met recht een succes worden genoemd, al was het alleen maar omdat de zon vandaag volop wilde schijnen en de koffie kwam uit een filterapparaat. De geavanceerde espressomachines zijn een beetje op hun retour, las ik onlangs; het bakkie pleur mag weer pruttelen op een plaatje. Hier werd de troost vanuit een sociaalvriendelijke thermoskan in papieren bekertjes gegoten. Als je massa’s wilt bedienen, dan telt vooral de doorstroming.

De opkomst bleek groter dan ik had verwacht op het afgezette veldje in het park waar de bijeenkomst werd gehouden. Alleen het rollend materieel leek iets achter te blijven bij de prognoses. Ik had de oproep van Tom in de groepsapp serieus genomen: “Meerdere bewoners van Driegasthuizen willen ook graag komen. Er zijn extra handen nodig om mensen in een rolstoel te begeleiden.” Tot mijn tevredenheid zag ik dat aan elk handvat een vrijwilliger was geklonken. Daarmee verdween ook mijn schuldgevoel dat ik me niet had aangemeld.

De drank bleef non-alcoholisch, de toastjes strikt biologisch. Er klonken nergens valse noten. Hoe vaak ontsporen buurtfeestjes niet zodra de meegebrachte wijn de tongen losmaakt? Hier bleef men nuchter en beleefd. Iemand informeerde zelfs – oprecht geïnteresseerd! – naar mijn eerste indrukken als nieuwe bewoner. Ik had van alles kunnen noemen, maar tot mijn eigen verbazing begon ik over de vele onbekende vlaggen die ik aan gevels zag wapperen.

Een lichtblauwe Pegasus op een kastanjebruine achtergrond. Ik had die niet direct geassocieerd met soldaten van de Eerste Airborne Divisie, die dit insigne als brigadelogo droegen toen zij hier in september 1944 tijdens de Slag om Arnhem voor onze vrijheid vochten. De jaarlijkse Airborne-herdenkingen waren aan mij voorbijgegaan; ik had voornamelijk met verhuisdozen lopen sjouwen. Natuurlijk waren de vele vliegtuigen boven mijn hoofd me niet ontgaan. Wat heet: ik kon hun landingsgestel zowat aanraken. Ik realiseer me nu dat in Arnhem herdenken geen bijkomstigheid is maar een wezenlijk onderdeel van het leven.

“Maar waarvoor dacht je dan dat we die vlaggen hadden opgehangen?”
“Ik weet het niet,” zei ik eerlijk. “Misschien bracht ik ze in verband met rechtsradicale sentimenten van regionale populisten. Sorry, ik heb niets met vlaggen.”
“Provincialisme is erger dan nationalisme” beweerde de enige man die deze middag vaker voor zijn beurt sprak dan ik. “Maar” voegde hij eraan toe, “regionalisme is een gradatie benepener.” Ik had niet meteen door dat er aan deze zwerfgast iets niet klopte in de fijnafstemming.

Ik wilde nog tegenwicht bieden. Ik vertelde dat ik, als import-Hollander in Dieren, weleens het pontje over de IJssel had genomen, waar naar men zei de Achterhoek begon, maar dat ik daar nooit iets van misplaatst chauvinisme of vreemdelingenhaat had ervaren.
“Om de oosterlingen een beetje op hun plek te houden hebben we in Arnhem de A12,” beweerde de party crasher. “Op hun eigen grond zijn ze goed te pruimen.”

De kunst van het bijwonen van feestjes met onbekenden is dat je jezelf op tijd losmaakt van stroeve momenten met mensen die je niet verder helpen. Gelukkig raakte ik later in gesprek met een redacteur van de Wijkkrant Angerenstein. Dat periodiek kende ik: ik had het al tweemaal in de bus gekregen. Voor iets dat zich wijkkrant noemt, bezit het een bijna glossy-achtige uitstraling. Tot mijn schaamte moest ik bekennen dat ik het slechts vluchtig had doorgebladerd.

“Wordt dit nog een artikel?” vroeg ik hem.
“Het probleem met terugkerende evenementen is dat ook het verslag zich telkens herhaalt,” klaagde de schrijver. “Buurtkoren, livebandjes, voorleessessies, barbecues, buffetten, springkussens, schminken, spelletjes, speurtochten, knutseltafels, rommelmarkten, boekenbeursjes, plantenruil, kunst- en ambachtsdemonstraties… het is natuurlijk allemaal al eens eerder langsgekomen en vastgelegd. Maar Hart voor Angerenstein is tenminste in naam iets nieuws en gaat, geloof ik, uit van een ander concept.”

Er was hoop. Iedereen heeft een banale kant, troostte ik mezelf, toen ik naar huis liep. Omdat men zijn wederwaardigheden wil navertellen, schijnt men daarnaast toch groots en meeslepend te willen leven. Ook al biggelt er een traan over Carmiggelt, de verslagen van een eenvoudig, zich herhalend bestaan sneuvelen misschien wel als eerste. En dat terwijl ik zelf juist van plan was meer in te zoomen op mijn eigen alledaagse banaliteiten; een gebied waarin ik moeiteloos kan grossieren.

Ik moest nog getuigen, vond ik, van mijn bedenkelijke bijdragen aan de straatapp. Daar was ik onlangs toegelaten op voorspraak van iemand die inmiddels spijt had van haar aanbeveling. Ik had me er al tweemaal vergalopeerd met een voorbarige opmerking over een vermeende oplichter waarvoor men elkaar probeerde te behoeden. De toon daar bleek vooral lief en zorgzaam; cynisme als stijlfiguur hoorde duidelijk niet tot het arsenaal.

Of dat stukje er ooit nog van komt? Ik weet het niet.


Sociaal geïsoleerd

Lees maar er staat niet wat er staat.

Ik fietste vandaag vanuit park Angerenstein het laatste stuk van de Julianalaan in, vol goede moed dat de werkzaamheden aan de Velperweg inmiddels voorbij zouden zijn. Helaas bleek de herinrichting nog in volle gang. Nu wist ik natuurlijk dat ze daar bezig waren, maar omdat ik nergens een hek met een omleidingsbord had gezien, trapte ik vrolijk verder. Te vroeg gejuicht. Ik kon weer omkeren.

De verdwijntruc van het omleidingsbord. Waar is dat verdomde hek gebleven? Helaas; geen hek, geen bord, en een illusie armer.

Terug dus naar het beginpunt. Waar was dat onmisbare hek gebleven? Een blik achterom gaf het antwoord: in de Kathuizerstraat stond een groep mensen bijeen, en dáár had men omleidingsmiddelen neergezet. Ze leken verdacht veel op het hek en de bebording die zo cruciaal waren voor de Julianalaan.

De grote hekverplaatsing. Omleiding der misverstanden. De improvisatiekunst van gemeente-ambtenaren?

Voordat ik schuldigen aanwees, besloot ik een site te raadplegen waarop wegwerkzaamheden en verstoringen in de infrastructuur worden gepubliceerd. En jawel hoor: specifiek vandaag, 27 september, wordt in de Kathuizerstraat aan de weg getimmerd. Officieel heet dat: ‘Overig klusdag.’ Kijk zelf maar. Het klussen duurt tot één minuut voor middernacht.

Afgesloten, misleid of louter omgeleid? Er is een site (https://www.melvin.ndw.nu/public) waarop wegwerkzaamheden en verstoringen in de infrastructuur in heel Nederland worden gepubliceerd. MELVIN staat voor: MELden van Verstoringen in de Infrastructuur in Nederland.

Ik probeer me voor te stellen dat het zo is gegaan: door een nijpend tekort aan verkeershekken, heeft ‘men’ – ik zou hier dolgraag ‘ambtenaren’ of ‘de gemeente’ schrijven – dit ene beschikbare hek simpelweg verplaatst. Jammer dat ik daardoor in een doodlopende laan belandde.

De lezer vraagt zich nu af waarom ik zo uitpak over een niemendalletje? Heel eerlijk: ik reed verkeerd en ergerde me groen en geel. Ik voelde me misleid, fietste knorrig terug en zag hoe het hek inmiddels een andere functie diende. In eerste instantie dacht ik dat buurtbewoners een straatfeest hadden en pottenkijkers wilden weren. In mijn hoofd schreef ik al een brief:

Geachte feestvierders,
Ik weet dat straatfeesten vaak ontstaan uit sociaalvriendelijke overwegingen, maar geef toe: jullie hebben de weg versperd met gestolen gemeentegoederen…

Gelukkig bleek de werkelijkheid anders.

TikTokdiplomatie

Maakt het uit of je door de dictator wordt gecontroleerd of door de anti-democraat?

De president van de Verenigde Staten vertoont gedrag dat verre van adequaat is voor een wereldleider. Zijn beoordelingsvermogen laat te wensen over, en zijn optreden verraadt kenmerken die sterk overeenkomen met een narcistische persoonlijkheid. Dat hij daarbij ook nog vals en onbetrouwbaar is, maakt de situatie des te zorgwekkender.

‘Het maakt niet uit of je door de hond of door de kat wordt gebeten’, luidt het spreekwoord.

Het nieuws dat Oracle de Amerikaanse activiteiten van TikTok overneemt, lijkt op het eerste gezicht een gewone zakelijke deal. Maar de context maakt het verontrustend: de Amerikaanse regering onder Trump zette TikTok onder druk met beschuldigingen dat de Chinese eigenaar, ByteDance, gegevens van Amerikaanse gebruikers doorspeelde aan Beijing. De oplossing was een politieke: een Amerikaanse partij moest het bedrijf “overnemen” om de app in de VS te laten voortbestaan.

Dat Oracle deze rol kreeg, roept vragen op. Het gaat minder om echte gegevensbescherming en meer om geopolitiek en machtsuitoefening. Nationale veiligheid wordt gebruikt als dekmantel voor commerciële en politieke belangen. Digitale platforms worden zo geen instrument van onafhankelijke regelgeving of internationale afspraken, maar van de politieke willekeur van de machtigste staten.

TikTok opereert in China onder het gezag van Xi Jinping, die totale controle hoog in het vaandel heeft staan. Het probleem wordt echter niet opgelost wanneer de Amerikaanse tak in handen komt van Oracle, een bedrijf met nauwe politieke connecties en beperkte transparantie. De macht verschuift dan simpelweg van de ene invloedssfeer naar de andere, terwijl de belangen van miljoenen gebruikers nauwelijks worden meegewogen.

Een president met weinig verstand van grenzen en nuance krijgt zo plots een stevige vinger in de pap bij de Amerikaanse versie van TikTok. De situatie doet denken aan de pingpongdiplomatie van de jaren zeventig: toen al ontstond een politiek spel tussen een aspirant-autocraat en een gevestigde dictator. De vergelijking gaat op, omdat beide voorbeelden laten zien hoe de relatie tussen de landen wordt bepaald door pragmatische deals, niet door nobele idealen als veiligheid. Achter het scherm van publieke retoriek over bescherming en orde gaat het vooral om politieke en economische voordelen voor machthebbers en hun trouwe entourage.

Zowel toen als nu leidde dit soort deals tot felle controverse. Nixon kreeg destijds het verwijt dat hij morele principes opzijzette voor geopolitiek gewin. De TikTok-deal laat iets vergelijkbaars zien: de vrije markt wordt ondermijnd en politieke bevoordeling ligt op straat. Dit laatste is rechtstreeks verbonden met de nauwe banden tussen Trump en Oracle-oprichter Larry Ellison, een uitgesproken aanhanger en gulle donateur van de president.

Deze toenaderingen tussen machtspolitieke regimes laten zien dat internationale betrekkingen zelden draaien om de verheven waarden waarmee ze publiekelijk worden verkocht. In werkelijkheid gaat het om de machtsbalans, persoonlijke belangen van leiders en de opportunistische voordelen die ze eruit kunnen halen. Wat werd gepresenteerd als een sportief bruggetje naar wereldvrede – de pingpongdiplomatie – was in feite een geraffineerde schaakzet. Nixon gebruikte het om China in te zetten als tegenwicht tegen de Sovjet-Unie en tegelijk zijn eigen positie thuis te versterken.

Ook de TikTok-deal draait niet alleen maar om nationale veiligheid. In werkelijkheid is het een instrument voor de president: om economische bondgenoten te belonen, de media-infrastructuur te beïnvloeden en om symbolisch te tonen dat hij de zogenaamde ‘Chinese dreiging’ onder controle houdt; een theaterstuk van macht en propaganda dat vooral hemzelf en zijn entourage dient.

De analogie met pingpong laat zien dat het publieke verhaal toen en nu een dekmantel is voor verborgen agenda’s: geopolitieke manoeuvres, persoonlijke machtsuitbreiding en economische voordelen voor loyale elites. Terwijl het publiek een potje pingpong of een app ziet, ontvouwt zich achter de schermen een veel geraffineerder spel dat de werkelijke inzet onthult.

Hopelijk struikelt ook de huidige president over zijn eigen schijnvertoning, zodat zijn ware aard net zo genadeloos zichtbaar wordt als die van Nixon destijds.

Vallen en weer doorgaan


Yoann Bourgeois: performance au Panthéon.

De oorspronkelijke titel van dit optreden is: La mécanique de l’Histoire. Noem het Performance Art of een kunstzinnige balletvoorstelling, maar je zou er volgens mij ook een Art Installation in kunnen zien met levende en dus variërende elementen op een prachtige, veelzeggende, locatie. Na een tijdje dringt het besef door dat geen van de vier dansers goed in staat is de top van de trap te bereiken en zich daar te handhaven. Ziedaar het historische mechanisme?

De Nationale Conventie was de constituante en wetgevende assemblee die onder de Franse Revolutie zetelde van 20 september 1792 tot 26 oktober 1795. Haar voornaamste taak was een nieuwe grondwet aan te nemen na de schorsing van koning Lodewijk XVI. De Conventie, verkozen zonder standenonderscheid, besliste onmiddellijk om de monarchie definitief af te schaffen en vestigde zo de Eerste Franse Republiek. (Bron: Wikipedia)

Een metafoor voor de mensheid als geheel? Een kinetisch essay over de volharding van carrièrejagers en andere strebers? Ik word er vrolijk van. Verder voel ik verwondering opkomen en een verlangen naar het vroegere apenkooien. Je ziet een prachtig vertolkt, vergeefs lijkend, vooruitgangsstreven. Maar ook een tragisch soort van grap zonder duidelijke pointe. Is de moraal dat je de klimmer er niet onder kunt houden? Dat de loop van de geschiedenis nu eenmaal zo in elkaar zit dat hij steeds blijft verlangen naar het hoogste? Op de één of andere manier lijkt Icarus hier te worden herboren als Iron Man.

Een deel van de betovering zit ‘m in de fysische eloquentie. Het is ongelooflijk dansachtig allemaal. De mannen vallen niet, ze zweven, ze komen steeds weer bovendrijven en weten elkaar wonderwel uit de weg te blijven. Als de trampoline hen heeft terug gelanceerd op de trap, bewegen ze verder op halve snelheid. Een soort van slaapwandelstijl, en dan vallen ze weer uiterst gracieus. Geen verwarring, alleen maar onvermijdelijkheid.

De Franse ‘nouveau-cirque’ acrobaat Yoann Bourgeois is een zeer onderhoudende slapstick komediant in de lijn van Charlie Chaplin en Buster Keaton en een ongeëvenaarde meester van de trampoline als een poëtisch instrument. Na de verbijsterende nieuwsbeelden uit Frankrijk, dat geteisterd wordt door Moslimextremisten die de vrije expressie (eufemistisch gezegd) niet altijd begrijpen of kunnen waarderen, had ik even zin om naar iets moois uit Parijs te kijken. Iets dat zowel macht als onmacht in zich lijkt te bergen.