Hoe heet jij in het journaal?

Zonder een pietenbijnaam word je nooit minister.

Behalve een tokkie in de wijk waar ik bezorg, ben ik eigenlijk nog nooit iemand tegengekomen die het Sinterklaasjournaal niet leuk vindt. Toch vertegenwoordigt die ene tegenstem een kleine maar luidruchtige groep die het programma te links en te intellectueel noemt; vooral vanwege de woordgrapjes en de subtiele verwijzingen naar bekende Nederlanders. Dit ultrarechtse verdomhoekje van de boze blanke samenleving heeft het desondanks gezellig. Daar in dat kleine café van Presikhaven telt een woke pakjesboot niet mee, maar men organiseert er zijn eigen onveranderlijke Sinterklaasfeest met ouderwetse pieten die zich pikzwart smeren uit een potje schoenpoets.

Als ik dan toch een verhaal aan kinderen moest vertellen, dan liever aan kinderen die niet meer in Sinterklaas geloven. Ik zou ze – in de functie van docent natuurkunde – over een wezen onderwijzen dat in een superpositie verkeert zolang het hermetisch voor de realiteit blijft afgesloten. Inderdaad, ik heb het hier over het gedachte-experiment van Schrödinger’s Kat. Voor de kat gebruiken we in dit geval een zeurpiet. En nogmaals: het is maar een hypothetisch scenario hè. Niemand – ook de meest irritante dwarsligster niet – mag daadwerkelijk iets ergs overkomen.

Opmerkelijk genoeg komt datzelfde woordje woke juist weer niet over de lippen van die andere groep die het Sinterklaasjournaal afwijst: de activisten die menen dat het programma nog steeds te veel vasthoudt aan het oude beeld van Zwarte Piet (of in ieder geval aan een verhaal over witte superioriteit). Het is een merkwaardige tegenstelling: het ene kamp vindt het te progressief, het andere niet progressief genoeg, wat er misschien op wijst dat het Sinterklaasjournaal precies doet wat een goed kinderprogramma hoort te doen: meebewegen met de tijd, zonder zichzelf te verliezen.

Ik heb nog niet naar het journaal gekeken sinds de afwezigheid van Diewertje Blok. We missen Dieuwertje allemaal maar ik heb ook begrepen dat bijna iedereen Merel een prima opvolgster vindt. Ik ken ouders die hun kinderen vertellen dat Diewertje met pensioen is omdat ze het niet over hun hart kunnen krijgen de waarheid te vertellen. Vanaf welke leeftijd mogen kinderen weten dat kanker werkelijk bestaat? Wanneer leg je ze uit dat die ziekte je letterlijk bij de neus kan nemen? Over zoiets moet je kinderen uiterst behoedzaam informeren. Ik ben dan ook blij dat ik zelf geen kinderen heb.

Het kan niet anders of het Sinterklaasjournaal maakt dit jaar dankbaar gebruik van de politieke soap rond de coalitievorming. Het is weer spannend in het Grote Pakhuis: de pakjes liggen klaar, maar op Pakjesboot 66 wil het maar niet vlotten met de samenwerking. Puzzelpiet meldde dat de bemanning nog altijd geen overeenstemming heeft over de koers. Jonkiepiet en Fatsoenspiet proberen voorlopig per onderwerp te navigeren, in de hoop dat het schip zo tenminste blijft drijven. Maar niet iedereen is het daarmee eens. Dwarspiet (ook terecht zeurpiet genoemd) weigert nog altijd met Klimaatpiet in één stuurhut te zitten; al is dat de opvolger van Europiet, die van de stoomboot stapte en terugging naar limburg omdat hij in Nederland niet de grote Timmerklaas kon worden.

Controlepiet is overboord geslagen tijdens een discussie over de pakjesroute, waardoor ook het kompas zoek is. Ondertussen heeft Complotpiet zijn strooigoed overgedragen aan Wappiet en is hij een handeltje begonnen in diepvriespepernoten (“voor het geval de wereld vergaat”). Strafbladpiet deelt cadeautjes uit aan iedereen die het horen wil, en belooft de strengste pakjescontrole ooit, behalve voor zichzelf. Wisselpiet probeert zich naar de stuurhut te wurmen, maar Ambitiepiet blokkeert het trapje met een plan voor een “nieuwe koers met oude pieten”. Mestpiet haalt de schouders op en rolt een chocoladeshaggie terwijl ze mijmert over stikstofvrije marsepein.

Aan de reling zitten Solidaripiet, Kerkpiet en Dierenpiet, die alvast een roeibootje te water hebben gelaten. Ze zeggen dat ze hun eigen, meer duurzame route naar Spanje willen volgen. Opiniepiet probeert de gemoederen te sussen met een peiling, maar de uitkomst wisselt elke vijf minuten. En achter in het ruim zit Nogéénpiet, die plechtig zweert dat hij deze keer echt niet meedoet… tenzij hij mag sturen. Zo dobbert de pakjesboot voort: het water is rustig, de meningen onstuimig, en de koers blijft onduidelijk. Of de pakjes op tijd aankomen, weet niemand. Maar één ding is zeker: het wordt weer een spannende intocht. En wie weet; misschien zit er morgen wel een regeerakkoord in je schoen.

Sorry, iets zegt mij dat het daadwerkelijke sinterklaasjournaal veel leuker is. Maar daar zit dan ook een heel team achter. En wat me ook niet onbelangrijk lijkt: die redactie houdt zowel van grote als van kleine kinderen.

Uitstel van executie?

Bomen met voorbeschouwers in afwachting van nabeschouwers (of tussenbeschouwers).

Ze kwamen naar m’n bomen kijken. In eerste instantie ging het om de apenboom (ook wel slangenden genoemd), die heer en meester is in mijn voortuin. Ook het groepje coniferen achter het huis, dat een indrukwekkende erfafscheiding vormt, vereiste nader onderzoek. De oudste van de twee mannen hield een klembord vast en bleef maar op een formulier turen waarop hun opdracht stond: de stammen controleren op breekbaarheid. Of zoiets. Ik vroeg of ik met dendrologen te maken had. “Nee,” zei deze overduidelijke aanvoerder kortaf. De ‘krullenjongen’ naast hem hield me overduidelijk voor een enorme eikel.

De slangenden of apenboom (Araucaria araucana) is een conifeer die van nature groeit in het zuiden van Chili en het zuidwesten van Argentinë. Het is een altijdgroene boom die tot 40 m hoog kan worden en een stamomtrek van 1,5 m kan bereiken. De boom wordt ook wel apentreiter, apenleed, apenpuzzel, kandelaarden of apenverdriet genoemd. De naalden zijn schubachtig, dik, driehoekig en scherp. Ze zijn ongeveer 3–5 cm lang en blijven lange tijd (tot vijftien jaar) op de door de naalden bedekte takken. Uiteindelijk verdorren de naalden en komen de takken bloot te liggen.De mannelijke en vrouwelijke delen zijn te vinden op verschillende bomen (twehuizig), sommige exemplaren zijn echter eenhuizing. De vrouwelijke kegels zijn bolvormig en kunnen zo groot als een kleine voetbal worden, en bevatten eetbare zaden; deze zaden worden in Chili op grote schaal geoogst. Mannelijke kegels zijn kleiner en min of meer cilindrisch. Het is bekend dat sommige apenbomen 50 m hoog kunnen worden met een stamdiameter van ongeveer 2 m en meer dan 1000 jaar oud kunnen worden. De apenboom is ook sterk aangepast aan vuur en bosbranden, branden zijn door vulkanisme en menselijke activiteit niet ongewoon in zijn natuurlijk areaal. Zo heeft de apenboom een dikke schors ontwikkeld als bescherming tegen brand. (Bron: Wikipedia)

Natuurlijk had ik meteen door dat zij geen dendrologen waren. Ze droegen tuinkleding en hele zware werkschoenen. In de aanhangwagen achter hun busje lagen cirkelzagen zoals alleen houthakkers en bosbouwers die gebruiken. Toevallig had ik niet lang daarvoor een cryptogram gemaakt waarin het woord dendroloog voorkwam. 16 horizontaal. De omschrijving die daarbij hoorde, luidde: Houtkenner die de waarheid niet sprak (10). Ik vond het leuk om dat woord nu in het echt te gebruiken.

“Klopt het dat deze bomen zouden worden omgezaagd?” vroeg de nestor, nog steeds intens naar zijn papier starend. Ik had zoiets gehoord ja. Toen ik de woning aanvaardde, kon ik er nog niet direct in. Eerst moesten er allemaal werkzaamheden worden verricht: ‘wasbak en toilet badkamer, vervanging radiatoren, aansluiting krachtstroom keuken.’ En inderdaad, op de lijst voor de aannemer, die de consulente van de woningbouwvereniging aan mij voorlas, stond ook dat de bomen eraan moesten. (‘Perceel 39: kappen en afvoeren Araucaria araucana / rooien en afvoeren coniferenhaag (Thuja/Leylandii) – conform bestek.’)

Dat vond ik toen best gek. Ik vroeg haar verbaasd waarom. Ik vond dat die bomen er nog prima uitzagen. Ik was natuurlijk geen kenner maar ze zaten nog goed in het groen. Ze hadden enorme dikke stammen die kaarsrecht omhoog groeiden. Zij was ook geen kenner. Zij begreep mijn verbazing. “Ze zijn wel oud natuurlijk” zei ze nog, maar ze zou gaan informeren naar de reden. Ik weet niet of het door mijn vraag kwam, maar het kappen is uiteindelijk niet doorgegaan. Ik kon de woning betrekken met vegetatie en al.

Kennelijk heeft men het besluit om ze te vellen toen niet van tafel geveegd maar uitgesteld, want vandaag stonden dus die mannen voor mijn deur. De oude rot keek van zijn formulier naar boven en van boven naar zijn formulier. “Moeten ze om?” vroeg ik. “Niet goed te zeggen” antwoordde hij “daar zal iemand naar moeten komen kijken.” “Maar zijn jullie dan niet degenen die daarover gaan?” vroeg ik. “Nee, daar zijn ze veel te groot voor”, zei de stamoudste. “Als deze bomen ommoeten, zal er een kraan nodig zijn.”

Ik begreep dat deze bomen deze mannen boven het hoofd waren gegroeid. De apenboom in mijn voortuin moest minstens van mijn leeftijd zijn. “Zijn jullie uiteindelijk wel degenen de de bomen gaan vellen? Ik bedoel: als ze om moeten?” wilde ik nog weten. Alweer fout. “Nee, wij zijn hoveniers” sprak de werkleider, alsof daarmee alles was verklaard. Hij had zijn oordeel wat dit adres betreft kennelijk geveld want hij kon nu eindelijk opkijken uit het klembord. Hij werd er onverwacht vrolijk van. Dit klusje was duidelijk afgerond. Hij hoefde niet te handelen; afvinken bleek voldoende.

Mijn bomen mochten nog even doorgroeien.

De kommaneukers van Cedille

Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.

Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.

Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.

Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.

Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.

Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!

Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?

Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:

Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).

Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’

En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De ş zit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.

Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.

Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.

Postscriptum:

Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.

Ze leken zo ‘Lucky’ samen

Een Haags powerduo bewees dat het kon: een bestuurlijke chemie van politieke tegenpolen.

In 2012, na de val van Rutte I, kwamen VVD en PvdA als winnaars uit de verkiezingen. De politieke noodzaak dwong hen tot samenwerking in wat de pers al snel het ‘huwelijk van de tegenpolen’ noemde. Toch groeide er iets wat verder ging dan pure coalitie-logica. Tijdens de onderhandelingen bleken Rutte en Samsom elkaar opvallend goed te begrijpen. Waar eerdere formaties verzandden in wantrouwen, wisten zij met humor, intellectuele scherpte en realpolitik een brug te slaan. Journalisten beschreven hun gesprekken als ‘bijna vriendschappelijk’ en ‘met een zekere bewondering voor elkaars kunde’.

Mark Rutte, de eeuwige glimlach in maatpak, een man die elke crisis kon reduceren tot een gezellig gesprekje bij de koffieautomaat. Diederik Samsom, een voormalig kernfysicus die zijn idealen als meetinstrumenten hanteerde. Tussen de rekenkundige ernst van de sociaaldemocraat en de vrolijke soepelheid van de liberaal ontsproot iets wat men, met Haagse ironie, een bromance ging noemen. Waar anderen ruzieden over procentpunten, spraken zij over vertrouwen. Hun samenwerking werd een verstandshuwelijk met momenten van tederheid. Rutte bewonderde Samsoms gedrevenheid, Samsom Rutte’s grenzeloze optimisme.

Rutte waardeerde Samsoms rationele aanpak en wetenschappelijke denkwijze; Samsom bewonderde Ruttes politieke lenigheid en optimisme. Ze konden het fel oneens zijn, maar hadden een soort ondertoon van: we doen dit samen, want we zijn de enigen die dit kunnen. In de media werden ze al snel neergezet als een soort ‘Haags powerduo’. Er stonden koppen in de krant als ‘Rutte en Samsom: het verstandshuwelijk dat liefde werd’, er circuleerden zelfs spotprenten waarop ze als een getrouwd stel werden afgebeeld, wandelend door de regen met één paraplu. De publieke perceptie van hun warme band werd onlosmakelijk verbonden met de humor van buitenaf.

De definitieve verbeelding van de ‘bromance’ kwam van LuckyTV, de satirische rubriek van Sander van de Pavert die dagelijks te zien was in De Wereld Draait Door. Van de Pavert transformeerde de politieke samenwerking in een soapachtige relatie. Het hoogtepunt was de persiflage die volgde op hun gezamenlijke optreden bij Pauw & Witteman, waar de twee leiders opvallend warm en eensgezind over hun regeerakkoord spraken. LuckyTV gebruikte de beelden van hun serieuze gesprek aan tafel, monteerde ze opnieuw, en legde de heren hilarische, gefingeerde dialogen in de mond over hun ‘geheime’ relatie. In de meest besproken scene vertelde Diederik Samson aan de interviewers: “En ik herinner me de eerste avond, dat we tegenover elkaar zaten met een enorme stijve.” De politieke overwinning werd zo een zwoele, intieme bekentenis.

Ik zat destijds met bijna plaatsvervangende schaamte naar de LuckyTV-beelden te kijken. Die geforceerde intimiteit, die blikken over de talkshowtafel, en dan die uitspraak over de “enorme stijve”. Het was zó over de top, zó expliciet, dat ik me even afvroeg of dit wel kon. Toch was het juist deze hilarische, brutale grensverlegging die het fragment zo memorabel maakte. Achteraf beschouwd, markeerde dit moment misschien ook wel een hoogtepunt in de geschiedenis van wat er in humor op de Nederlandse televisie mocht worden gezegd. Ik vraag me weleens af of zo’n persiflage vandaag nog met dezelfde onschuld zou worden ontvangen. De maatschappij lijkt sindsdien op sommige vlakken preutser en gevoeliger geworden.

De LuckyTV-bromance van Rutte en Samsom staat daarmee niet alleen als een politieke grap recht overeind (ja, ik weet het, sorry), maar lijkt me ook als tijdsbeeld voer voor sociologen, communicatiewetenschappers en wie al niet. Ik schrijf dat hier terwijl ik normaal helemaal niet houd van filmpjes waarin men mensen woorden in de mond legt. De effectiviteit van video-editing en voice-overs als framingtechniek is zo groot dat satire de politieke framing ook op een hele foute manier kan beïnvloeden. Daar bestaan talloze voorbeelden van. Dit ‘materiaal’ raakt echter aan politiek, media, humor en de publieke opinie op een manier waardoor het, volgens mij, zoals gezegd, zeer geschikt is voor een analyse door diverse wetenschappelijke disciplines.

Na verloop van tijd begon de coalitie overigens te piepen en te kraken. De PvdA betaalde electorale schade voor de compromissen die Samsom moest sluiten, en zijn partij keerde zich tegen hem. Rutte bleef, Samsom viel, maar volgens insiders hield Rutte tot het laatst respect voor hem. Er wordt zelfs gezegd dat Rutte na Samsoms vertrek “oprecht teleurgesteld” was, omdat hij zelden met iemand zo goed had kunnen samenwerken. De bromance leeft voort in de Haagse overlevering als symbool van een zeldzame samenwerking tussen verstand en gevoel, tussen liberaal en sociaaldemocraat; een korte periode waarin ideologische verschillen even leken te vervagen onder persoonlijke chemie.

Dus Jetten, Yesilgöz, als jullie meelezen…

Het meest berucht werd het filmpje van de twee, gemaakt door LuckyTV. De kracht van deze videopersiflage lag in de knappe montage. Door de gezichten van Rutte en Samsom tijdens hun serieuze interview strak te kaderen en hun lachjes en blikken te isoleren, wist LuckyTV de politieke ernst volledig te ondermijnen. Zo werd het veel meer dan alleen een grap; het is een sociocultureel document. In werkelijkheid konden de twee het uitstekend met elkaar vinden tot het bittere einde. Het was uiteindelijk de kiezer die besloot dat het sprookje geen tweede deel verdiende. Toen het stof neerdaalde, bleef Rutte overeind als de lachende liberaal terwijl Samsom verdween in de mist van zijn eigen achterban, verslonden als hij werd door de twijfel en de teleurstelling die zijn partij van binnenuit verteerde. Maar nogmaals: de LuckyTV-montage is een microkosmos van maatschappelijke dynamieken, waardoor het een uitstekend studieobject is voor elke geleerde die zich bezighoudt met de snijvlakken van politiek, media en cultuur.

Veelzeggende verbanden

Kun je zo met feiten omgaan dat toeval niet lijkt te bestaan?

Of het nu gaat om historische feiten of andere vastgelegde gegevens, ik geloof dat het bijna altijd mogelijk is om informatie in een groter verband te plaatsen zodat die veelzeggend wordt en het lijkt alsof de wereld een beetje om jou draait. Dat gevoel is verleidelijk, omdat je automatisch vooral datgene opmerkt wat jouw persoonlijke verhaal bevestigt. Details die daar niet in passen verdwijnen gemakkelijk naar de achtergrond, terwijl de elementen die jouw idee ondersteunen des te helderder naar voren springen. Zo ontstaat het gevaar dat je patronen meent te zien die eigenlijk niets anders zijn dan het resultaat van je eigen behoefte aan betekenis en bevestiging. Wat je interpreteert als een groter verband, is vaak slechts een zorgvuldig geselecteerde afspiegeling van je bestaande overtuigingen; een spiegel die meer van jezelf laat zien dan van de werkelijkheid.

De afstand tot de ‘Sint Joseph’ in Arnhem en Rotterdam.

Toch is het in de praktijk vaak ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we naar toevalligheden kijken in ons dagelijks leven. Confirmation bias – het fenomeen waarbij we vooral letten op informatie die onze verwachtingen ondersteunt – lijkt altijd op de loer te liggen. Maar soms voldoen de gebeurtenissen die onze aandacht trekken niet helemaal aan de strikte definitie van dit verschijnsel. Er kan sprake zijn van een kleine samenloop van omstandigheden, van interesse of nieuwsgierigheid, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een systematische bevooroordeling van feiten. Met andere woorden: niet alles wat zich laat duiden als ‘versterking van mijn narratief’ (gatver) is een zuiver voorbeeld van een bevestigingsvooroordeel; soms is het gewoon een toevallige combinatie van details die je interessant vindt.

Laat ik een voorbeeld geven: iemand doet mij een boekje cadeau over de geschiedenis van de St. Josephkerk in Arnhem, aan de voet waarvan ik nu woonachtig ben. Ik begin me hierdoor voor het eerst serieus in die kerk te verdiepen en kom erachter dat de architect de Rotterdammer Hendrikus Cornelis Marie van Beers is (op 14 maart 1929 vond de consecratie plaats). Omdat wij stadsgenoten zijn wil ik weten of er in mijn geboorteplaats niet minstens een gebouw op naam van dezelfde Van Beers staat. Dat is inderdaad het geval. Er bevindt zich ten minste één project in Rotterdam dat aan Hendrikus Cornelis Marie van Beers wordt toegeschreven: het ontwerp voor de R.K. Ambachtsschool ‘St. Joseph’ aan de Walenburgerweg uit 1931. Dit gebouw heette ook ‘St. Joseph’ en ik woonde er, net als bij het gebouw in Arnhem met die naam, op loopafstand vandaan.

Toch eens kijken, dacht ik, hoeveel meters het van deur tot deur was in beide gevallen. En wat denk je? Van mijn woning in de Lumeystraat in Rotterdam naar de Sint Joseph ambachtschool te Rotterdam is het 270 meter. Van mijn woning in de Beatrixstraat in Arnhem naar de hoofdingang van de Sint Josephkerk in de Rosendaalseweg 700 te Arnhem is het 270 meter! Dat is een bizarre ontdekking.

Ik lees dat de genoemde architect de zoon is van een architect, namelijk Francis Jacobus Cornelis Josephus van Beers. Deze man werd op 16 november 1865 geboren. In officiële bronnen wordt hij aangeduid als architect-bouwkundige. Hij liet een minder bekend oeuvre na dan zijn zoon. Hij was verder ook niet beroemd. Maar als Rotterdamse architect van zijn tijd bleek hij toch relevant. Er wordt op een blog vermeld dat hij verantwoordelijk is voor de woningen aan de Mathenesser­laan 183 tot 199, die in 1898 werden gerealiseerd.

Valt daar soms ook een toevalligheid te ‘scoren’? Ja hoor: mijn opa en oma van vaderszijde woonden op de ’s Gravendijkwal. Die ligt om de hoek van de Mathenesserlaan. Ze bevonden zich dus ook op loopafstand van een gebouw ‘van’ een Van Beers. Zou het mogelijk zijn dat Van Noorden senior (mijn opa) op zo’n zelfde afstand tot een ontwerp van Van Beers senior heeft gewoond, als Van Noorden Junior (dat ben ik) tot twee van de ontwerpen van Van Beers junior? Helaas, zoveel toeval had het lot niet in petto. Hij en mijn oma woonden op ’s Gravendijkwal 8 en dat, aldus google maps, is een afstand van zo’n 550 meter tot Mathenesserlaan 189 (de middelste van het rijtje gebouwen aldaar).

De afstand tot een rijtje met ontwerpen van de architect Van Beers senior vanaf het huis van mijn grootouders in Rotterdam.

Doelgericht zoeken naar verbanden levert niet altijd de verbanden op die je zoekt, maar met een beetje aanpassing en een tikkeltje omdenken kom je vaak een heel eind. Het brein is nu eenmaal vindingrijk genoeg om losse elementen in een passend patroon te schuiven, of het nu gaat om getalssymboliek, historische toevalligheden of andere vormen van resultaatgericht zoeken. Zo ontstaat er al snel een verhaal dat vooral overtuigend is voor degene die het construeert. Afijn, over confirmation bias sprak ik hierboven al.

Heeft iemand behoefte aan een uitsmijter? Ik vond nog een piepkleine gelijkenis: beide architecten voerden als tweede doopnaam Cornelis. Mijn opa heette ook Cornelis. Lekker belangrijk. Niet dus. Ik geloof dat ik deze laatste overeenkomst als een toevalligheid kan kwalificeren die absoluut geen naam mag hebben. En gelukkig maar.

En we noemen hen: FUSIE

De enig denkbare, nieuwe naam voor GroenLinks/PvdA.

Taalbureau Taaljongen.nl stond voor een klassiek keuzeprobleem: hoe noem je iets dat zichzelf nog niet kent? De fusie van GroenLinks en PvdA vroeg om een naam die zowel historisch als toekomstbestendig was, zonder dat hij zich vastbeet in ideologische grond. Een naam die niet rood, groen of progressief hoefde te heten, maar wél klonk als iets waar iedereen – zelfs de twijfelaar – zich kortstondig in kon herkennen. Taaljongen.nl besloot het simpel te houden. Zo simpel, dat het bijna brutaal werd: FUSIE. Geen slagzin, geen symbool, geen kleur. Alleen het feit zelf.

Er is die mysterieuze ruimte tussen wat gezegd wordt en wat bedoeld is. FUSIE belichaamt die ruimte: een naam die ademt, zweeft, zich vormt en weer oplost. Omdat woorden niet alleen iets betekenen, maar vaak ook iets verbergen. FUSIE is een naam die zichzelf ontkent en daardoor overeind blijft; die niets verklaart, maar alles suggereert. Een politieke wolk die uiteenvalt in letters, om zich daarna weer moeiteloos te herschikken tot iets nieuws.

Dat lijkt banaal, maar is het niet. In een tijd waarin politieke partijen zich verdringen om het meest moreel klinkende label, koos Taaljongen.nl juist voor de lege doos en maakte die leegte tot kracht. FUSIE zegt niets over waar men voor staat, maar alles over waar men vandaan komt: een samenvoeging van twee entiteiten die ooit dachten dat hun verschillen belangrijk waren.

Het bureau weigerde bewust woorden als links, sociaal, progressief, groen of solidair. Zulke termen, zegt Taaljongen.nl, ‘functioneren als seizoensgebonden parfums; aangenaam bij lancering, bedenkelijk bij hergebruik.’ Een naam, daarentegen, moet kunnen overleven wanneer idealen weer verschuiven, standpunten afbrokkelen en partijprogramma’s herschreven worden.

En dat is precies wat FUSIE doet. Of de partij over vijf jaar samengaat met Volt, met D66, of met een paar overgelopen liberalen, het maakt niet uit. De naam blijft actueel. FUSIE is toekomstbestendig, want ze beschrijft geen toestand, maar een beweging. Taaljongen.nl noemt het ‘de enige naam die zichzelf in stand houdt door voortdurend van samenstelling te veranderen.’ Een politieke paradox, verpakt als merkstrategie.

Taaljongen.nl onderzoekt de grillen en de gratie van taal: hoe woorden zowel onthullen als verhullen. FUSIE is daarvan het schoolvoorbeeld; een naam die weigert partij te kiezen, en juist daardoor de essentie raakt. Ze zegt niets, maar roept alles op: beweging, vermenging, compromis. Een woord dat niet vastlegt, maar loslaat. Taaljongen.nl weet dat woorden soms meer macht hebben als ze níet te veel willen zeggen. FUSIE is een naam die elke inhoud overleeft.

Ook deze storm komt zij te boven

Ouwehand moet zich alwéér buigen over een mensenonderwerp.

Een leiderschapsconflict heeft de driekoppige Eerste Kamerfractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) verscheurd. De fractie is gespleten in twee kampen, die beiden beweren de ware vertegenwoordigers van de Partij voor de Dieren te zijn. Het partijbestuur heeft de leden per mail geïnformeerd dat alleen fractievoorzitter Ingrid Visseren-Hamakers namens de partij doorgaat. De senatoren Niko Koffeman en Peter Nicolaï betwisten dit en stellen dat zij degenen zijn die de Partij voor de Dieren zullen vertegenwoordigen.

V.l.n.r.: Guppy Visseren-Hamakers zwemt zenuwachtig rond, belaagd als zij wordt door twee Trojaanse paarden: de zebravissen Nicolaï en Koffeman die beren op de weg zien. Esther Ouwehand gelooft dat zij te maken heeft met de muizenissen van eendagsvliegen.

De vraag blijft waarom Koffeman – die dieren centraal wilde stellen en vond dat de PvdD te ver van haar kernopdracht afdreef – uitgerekend vlak voor de verkiezingen zijn lidmaatschap opzegde. Daarmee toonde hij dat hem niets kleinmenselijks vreemd is. De strategische timing ondermijnde de interne cohesie en joeg kiezers weg. Dank u wel meneer Koffeman; al eens van de tactiek van de verschroeide aarde gehoord? Idealen worden niet alleen verraden door tegenstanders, maar soms ook door hun eigen predikers; wanneer de zuiverheid van het principe zwaarder gaat wegen dan het voortbestaan van de beweging die het moest dragen.

Oh, oh, wat zijn de egogedreven mannetjes belangrijk!

Moest hij de partij persé op dit moment laten voelen hoezeer ze van de bron was afgedwaald? Zijn vertrek leek minder op een daad van moreel verzet dan op een berekende explosie. Na zulke acties blijft meestal weinig meer over dan as, en een verwarring die kiezers afschrikt. Dat is wat er gebeurt wanneer idealisten te lang tussen politiek en moraal balanceren: wat ze niet meer kunnen zuiveren, willen ze vernietigen. Een oude, menselijke reflex, ook als het om dieren gaat, die ze dan voor het gemak maar even links laten liggen.

Hitchslaps forever

Zo gezien is er een lang leven voor Maarten van Rossem weggelegd.

Christopher Hitchens was, naar mijn overtuiging, een van de scherpzinnigste en meest moedige denkers van de moderne tijd. Zijn vermogen om hypocrisie te ontmaskeren, zijn eloquentie, en zijn compromisloze toewijding aan rede en intellectuele eerlijkheid maakten hem tot een zeldzaam licht in een vaak troebele wereld van opinie en ideologie. Ik heb altijd grote bewondering gehad voor zijn geest, zijn scherpzinnige humor, en de manier waarop hij met een mengeling van elegantie en verontwaardiging kon spreken over zowel religieuze dogma’s als politieke dwaasheden.

Helaas stierf hij veel te vroeg, en met zijn dood leek ook een bepaalde vorm van onverschrokken intellectuele moed te verdwijnen. Toch, dankzij de hedendaagse AI-technieken, lijkt zijn geest even te worden opgeroepen; niet letterlijk natuurlijk, maar in de geest van zijn retorische stijl en zijn onvermoeibare zoektocht naar waarheid.

In deze virtuele heropleving zien we een animatie waarin Hitchens’ kenmerkende toon en redenering tot leven worden gebracht. Hij spreekt, als het ware, vanuit het hiernamaals over Trump’s vulgariteit, scènes die hij zonder twijfel als exemplarisch zou hebben beschouwd voor de decadentie en morele leegte van onze tijd. De begeleidende tekst van de video is helder en scherp; ze vat precies die geest van kritische verontwaardiging samen waar Hitchens zelf om bekend stond.

De tekst onder de video’s is eerlijk genoeg:

‘In deze analyse wekken we de geest van Christopher Hitchens tot leven om de diepe schande van Donald Trump’s ‘Gatsby’-feest te bespreken. Men zou bijna bewondering kunnen hebben voor de pure, onvervalste branie om een ‘Great Gatsby’-themafeest te organiseren – een roman die juist de leegheid en oppervlakkigheid van rijkdom ontleedt – op een moment dat het beleid van de regering rond voedselhulp voor de armsten van het land onderwerp is van felle publieke discussie.

Dit is niet zomaar smakeloosheid; het is een berekende verklaring van minachting. Dit spektakel onthult de kern van de hypocrisie van het Trump-fenomeen en legt zijn ‘populisme’ bloot als een goedkope oplichterij. We ontleden hoe dit evenement, en het kruiperige gedrag van figuren als Marco Rubio, een perfecte manifestatie vormt van een nieuw sektarisme dat een republiek heeft uitgehold tot een vergulde, intellectueel failliete persoonscultus.

Deze video is een satirische parodie en een intellectuele verkenning in de geest van Christopher Hitchens. Ze wordt niet onderschreven door de nalatenschap van Hitchens, noch door enige instelling of door Donald Trump. Alle argumenten worden gepresenteerd met het oog op debat en kritische analyse, in de stijl van een Oxfordse provocatie.’


Het verdient vermelding dat de video opent met een duidelijke disclaimer. Dat vind ik discreet en gepast: het getuigt van respect voor Hitchens’ nalatenschap en van transparantie tegenover de kijker. Daarmee wordt meteen duidelijk dat het hier om een satirische reconstructie in zijn geest gaat, niet om een poging om zijn stem letterlijk te doen herleven.

‘DISCLAIMER: Dit is een parodie en een door fans gemaakte inhoud. Het is niet verbonden met of goedgekeurd door Christopher Hitchens of zijn erfgenamen/familie. De video’s zijn geïnspireerd op zijn publieke uitspraken en ideeën, bedoeld voor educatieve, vermakelijke en satirische doeleinden, en gebruiken een gesynthetiseerde stem (AI-parodie) die niet aan Christopher Hitchens toebehoort. We gebruiken visuele lip-sync en nagesynchroniseerde vertelling om nieuwe, hypothetische dialogen en gedachte-experimenten te creëren.

Deze inhoud is NIET ECHT en bedoeld als karikatuur/satire om complexe ideeën toegankelijker en boeiender te maken voor kijkers. Ons doel is om intellectuele ideeën op een respectvolle manier te verkennen, zonder de intentie om iemand te misleiden tot het geloven dat deze inhoud authentiek is.

Deze AI-gegeneerde parodie van Christopher Hitchens is gemaakt voor educatieve discussie en culturele analyse. Ze bevat geen haat, geweld of enige vorm van echte politieke steun.’

En om af te sluiten: na de virtuele evocatie van Hitchens is het goed om nog even de echte stem van de man zelf te horen. Onderstaande video, getiteld “The Best of the Hitchslap”, is een compilatie van enkele van zijn scherpste momenten; verbaal, intellectueel en moreel. Wie Hitchens nog niet kent, zal in deze fragmenten zien wat hem tot zo’n uitzonderlijk denker maakte: zijn combinatie van belezenheid, ironie, morele ernst en een haast klassieke beheersing van de rede.

De term ‘Hitchslap’ is een speelse samentrekking van Hitchens en slap (klap), en verwijst naar de manier waarop hij zijn tegenstanders – met argument, geestigheid en precisie – van repliek diende. Het is geen fysieke klap, maar een retorische tik die meestal werd uitgedeeld met een glimlach en een onontkoombare logica.

P.S.
De AI-bewerkingen deden me even glimlachen bij de gedachte hoe geestig het zou zijn om onze Maarten van Rossem op vergelijkbare wijze te vereeuwigen. Zowel Hitchens als Van Rossem zijn uiteraard de laatsten die zoiets zelf ooit nodig of wenselijk zouden achten, maar als het met intelligentie, smaak en humor gebeurt, wat zou er dan op tegen zijn? Het risico blijft natuurlijk dat men zulke figuren woorden in de mond legt die niet de hunne zijn. Dat is precies waar respect en nuance het verschil maken tussen een eerbetoon en een karikatuur. Gelukkig kunnen we van Maarten van Rossem nog in levenden lijve genieten; zijn droogkomische scepsis behoeft (nog) geen digitale wederopstanding.

Pas op, ze tellen je lettergrepen!

Als de kip zonder kop haar haat preekt, vos let op je passies.

Het anti-intellectualisme viert hoogtij. Wie verstand heeft van complexe zaken en dat laat blijken, wekt tegenwoordig méér wantrouwen dan respect. Of, zoals Ilja Leonard Pfeijffer onlangs schreef: ‘Niets roept zoveel haat op bij het electoraat als deskundigheid.’¹ Het is een pijnlijke constatering: intellect en kennis lijken een belemmering, geen voordeel.

Verstand onder vuur. Wanneer kennis haat oproept. Ilja Leonard Pfeijffer in De Morgen.

Het is een fenomeen dat Richard Hofstadter in Anti-Intellectualism in American Life² al decennia geleden analyseerde. Mensen voelen zich bedreigd door expertise; kennis wordt verdacht en intellectueel debat bespot. Recente studies, zoals die van Morgan Marietta³, tonen dat dit anti-intellectualisme ook hedendaagse politiek kleurt. Het is geen louter ideologische kwestie: het heeft concrete gevolgen voor beleid en samenleving. Matthew Motta⁴ beschrijft hoe wantrouwen tegenover experts de aanpak van klimaat, economie en volksgezondheid ondermijnt.

Ook in Europa, zoals Eric Fassin⁵ laat zien, manifesteert dit zich op subtiele manieren: culturele en politieke spanningen voeden een afkeer van wie meer weet. Het is een paradox: in een tijd van complexe vraagstukken worden juist kennis en kritisch denken het meest gemeden. Hoe herstellen we het vertrouwen in verstand, wanneer expertise zo vaak wordt bespot? Misschien begint het klein: nieuwsgierig blijven, uitleggen en het durven erkennen van feiten, ook als ze ongemakkelijk zijn. Want juist kennis, en niet oppervlakkige instincten, kan ons leiden door de ingewikkelde tijden die ons te wachten staan.

Het tijdperk van anti-intellectualisme is aangebroken, waarin deskundigheid een last lijkt of zelfs een gevaar voor je leven. Sander Donkers in de Volkskrant.

Bronnen:

  1. Pfeijffer, Ilja Leonard. “Niets roept zoveel haat op bij het electoraat als … deskundigheid.” De Morgen, 2 november 2025. Link
  2. Hofstadter, Richard. Anti-Intellectualism in American Life. New York: Knopf, 1963.
  3. Marietta, Morgan. Intellectualism, Anti-Intellectualism, and Epistemic Hubris in Red and Blue America. Cambridge University Press, 2021.
  4. Motta, Matthew. Anti-Intellectualism and Its Pernicious Policy Consequences. Oxford University Press, 2024.
  5. Fassin, Eric. State Anti-Intellectualism and the Politics of Gender and Race. Amsterdam University Press, 2024.

Collateral Damage

Op zoek naar contact met De Connectie.

Er staat een groot kantorencomplex aan de Eusebiusbuitensingel. Deze singel bevindt zich in het historisch beladen gebied rondom een brug die beroemd werd bij de Slag om Arnhem. Het primaire doel van de geallieerde bombardementen was die Rijnbrug zelf te treffen, zodat de Duitsers deze niet konden gebruiken of verdedigen. Een primair doel heeft echter vaak een secundair effect. In dit geval betekende dit dat de directe omgeving onvermijdelijk beschadigd raakte door de onnauwkeurigheid van de bombardementen.

Aan de achterkant van het ‘sfeervolle’ gebouw bevindt zich een ‘expeditiehof’ met één deur waarachter ik ook al niet moest zijn. De schimmige bureaucratie van de ambtenarij bezit een kantoorlogica die de brandstof lijkt te vormen voor het soort van misverstanden waar je vaak tegen aanloopt bij deze instanties.

Bekijk het kantorencomplex en je ziet causale verbanden. Het gevolg van de bijwerkingen en uitwerkingen van goedbedoelde aanvallen was een zwaargetroffen terrein dat na de oorlog werd platgebulldozerd. Dit braakliggende perceel vroeg om bebouwing. Die bouwdrang leidde tot een architectonisch gedrocht. In dat gedrocht werken nu gemeente-ambtenaren met een sick-building-sydrome. Het is handig om dit in je op te slaan als je als postbode een pakketje bij de balie gaat afgeven dat niet door de brievenbussen 49, 51 of 53 buiten past.

Op het pakketje staat trouwens een huisnummer dat niet correspondeert met één van die buitengleuven. Dat is ook de reden dat de dame aan de balie het weigert aan te nemen. Ik heb het gebouw dan al drie keer omcirkeld. Er is nergens een brievenbus voor nummer 15. Dat wil niet zeggen dat de geadresseerde, genaamd De Connectie, een verzonnen onderneming is. Integendeel; de dame aan de balie kan bevestigen dat De Connectie zich in het gebouw bevindt waarvan zij de baliemedewerkster is. Ze kan echter geen pakketje aannemen met een nummer dat niet bestaat.

Waar ik dan wel moet zijn? Dat krijgt ze niet goed uitgelegd. Ik besluit het gebouw nog eenmaal te omcirkelen. Aan de achterkant zie ik duidelijk De Connectie als logo op een gevel staan. Toevallig houden een paar medewerkers buiten pauze. Ik betrek ze bij mijn zoektocht. Ze reageren alleraardigst en kijken met mij mee. Ze komen er voor het eerst in hun carrière achter dat hun organisatie geen brievenbus bevat. Ergens voorbij een slagboom, op een binnenruimte die niet bestemd is voor onbevoegden, bevindt zich wel een deur waarboven expeditie staat.

Om hier iemand te spreken te krijgen, moet je een huisnummer invoeren en op een belsymbooltje drukken. 15 geeft geen soelaas. Dan maar een nummer van één van de brievenbussen die ik ken. Ik probeer 51 en krijg zowaar de vrouw van de balie te spreken. Ze herhaalt dat ik verkeerd zit maar er gaat wel een deur open. Binnen zie ik iets dat lijkt op een expeditieruimte. Een medewerker zegt dat ik post voor nummer 15 op de nummers 53 of 51 kan bezorgen. Ik zeg dat ik dat absoluut gedaan zou hebben als het buspakketje door de gleuf had gepast. In zo’n geval, adviseert hij, moet ik het maar bij de balie aldaar afgeven.

We zijn rond. Ik was nooit een fan van consumentenprogramma’s waarin je zag hoe mensen van het kastje naar de muur werden gestuurd. De triviale kleinzieligheid van bijvoorbeeld ‘Ook dat nog’ leek mij schadelijker voor kijkers dan het onrecht dat kopers was aangedaan. Die mensen hadden gewoon de oorlog niet meegemaakt. Ik wil niet beweren dat het verstandig is om dingen in verband te brengen met de oorlog, maar het kan handig zijn, voor het laten afvloeien van opwinding, om de oorzaak van een misverstand in een ver, en ingrijpend (dus minder pietluttig) verleden te plaatsen. Ik overweeg om terug te keren naar de balie en het pakje als een oefengranaat, over het hoofd van de dame, de werkruimte in te smijten.

Maar nee; ik plak een stickertje op het pakje met een kruisje bij zowel ‘geen brievenbus’ als bij ‘geweigerd’. Wij postbodes hebben altijd een rolletje met dat soort van plakkertjes in ons noodpakket. Eigenlijk weet ik al wat er gaat gebeuren: de collega die morgen deze wijk heeft, zal voor precies hetzelfde dilemma staan. Twee kruisjes op één stickertje, dat kan niet. Er mag altijd maar één reden worden opgegeven. Het pakketje gaat dus gewoon terug in het systeem. Vergeet niet dat PostNL nog met één been in de regeltjesjungle van de ambtenarij staat. Muggenzifterij is een ware kunstvorm geworden. En bovendien: is kleingeestigheid uiteindelijk niet wat iedereen bestaansrecht geeft?

Vandaag gedroeg ik mij postbode-onwaardig.

Als je meer dan één reden opgeeft, wordt je klacht niet erkend en zal het pakketje gewoon weer terug in het systeem gaan, ook al was de afwezigheid van een bus en een weigering precies wat er gebeurde.

Postscriptum
Een collega zei: “Ik zou je oplossing oncollegiaal vinden, als je me niet persoonlijk had ingelicht. Ik zal mij morgen bij die balie van mijn liefste kant laten zien. Het is de toon die de muziek maakt, Ronald.”