Pluk de vruchten, maar vermijd de spirituele wildgroei van het fabeltjesbos.
UUitgeverij Volt bracht in september De Spoorzoeker, de plek van de mens in het ecosysteem uit, een non-fictieboek van onderzoeksjournalist Janneke Juffermans. Afgelopen zaterdag publiceerde de Volkskrant een bewerkt hoofdstuk uit het boek. Daarin onderzoekt Juffermans een van de fundamentele vragen van deze tijd: als de mens onderdeel is van de natuur, waarom richten we onze eigen leefomgeving dan zo massaal te gronde? Zijn we als mensheid een misbaksel van de evolutie, of ligt onze vernietigende omgang met de aarde aan een specifieke culturele afslag?
Aanleiding voor haar onderzoek is het ongemak dat ze als westerse consument ervaart. Ze realiseert zich dat haar welvaart mede berust op ongelijkheid die zowel maatschappelijk als ecologisch wringt. Om te ontdekken hoe het anders kan, onderneemt ze een persoonlijke en journalistieke zoektocht langs gemeenschappen die een heel andere verhouding tot hun natuurlijke omgeving hebben ontwikkeld.

Zo bezoekt ze inheemse gemeenschappen in Suriname, waar ze zich verdiept in de wisselwerking tussen regenwoud, kolonialisme en ecologie, en trekt ze op met jagers-verzamelaars in Tanzania. In Ierland onderzoekt ze de oude natuurkennis die met de druïden wordt geassocieerd. In Zuid-Afrika volgt ze bushdoctors en stadsbewoners die de wilde natuur midden in een miljoenenstad omarmen. Over dat laatste gaat de voorpublicatie in de Volkskrant. Ook dichter bij huis zoekt ze naar sporen van een andere verhouding tot de natuur. Haar verblijf bij historische herbelevers (re-enactors) in Archeon Museumpark in Alphen aan den Rijn dient als spiegel voor onze historische breuk met de natuurlijke omgeving.
Het boek is kennelijk geen pleidooi voor doemdenken, maar voor het herontdekken van kennis en gebruiken die laten zien dat een wederkerige, respectvolle verhouding tussen mens en ecosysteem wel degelijk mogelijk is. Juffermans combineert antropologisch reisverslag, journalistieke analyse en persoonlijke reflectie tot een toegankelijk pleidooi voor ecologisch herstel.
Mijn eerste reactie is positief. De herwaardering van inheemse ecologische kennis is zonder meer toe te juichen. We zouden er zelfs verstandig aan doen die kennis veel serieuzer te nemen dan we tot dusver hebben gedaan. Eeuwenlange ervaring met de natuurlijke omgeving heeft bij allerlei gemeenschappen geleid tot een indrukwekkend repertoire aan praktische inzichten over planten, dieren, bodemgesteldheid, seizoenen en ecosystemen. Kennis die we niet alleen uit historisch respect, maar ook uit welbegrepen eigenbelang moeten bewaren en onderzoeken.
Maar er is een probleem. De herontdekking van oude natuurkennis gaat nogal eens gepaard met een herwaardering van de magische denkbeelden waarmee die kennis historisch verweven kan zijn. En daar begint mijn rationalistische ongemak.
Het hedendaagse wellness- en spiritualiteitsmilieu heeft namelijk een nogal opmerkelijke belangstelling ontwikkeld voor alles wat naar oerkennis, oude tradities en alternatieve verbondenheid met de natuur ruikt. Wellnesszwevers, kruidenheksjes, druïdediscipelen, bosbadcoaches, mindfulfreaks, aura-lezers, cacaoceremoniemeesters, frequentietherapeuten, kwantumcoaches, kristalfluisteraars en ander spiritueel gepeupel (hou me tegen, ik raak op drift!) eigenen zich deze kennis gretig toe. Eén reisschets over Kaapse bushdoctors of een beschouwing over inheemse wijsheid staat binnen de kortste keren als evangelie op de leestafel van de gemiddelde retraiteboerderij.
Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Het wordt er een zodra de belangstelling voor empirisch overdraagbare kennis ongemerkt overgaat in een kritiekloze omarming van het wereldbeeld waarin die kennis ooit was ingebed. Alsof we, om iets te kunnen leren van de botanische kennis van een gemeenschap, ook haar verklaringen over geesten, bezweringen en onzichtbare energieën moeten overnemen.
Een mooi voorbeeld van die neiging zagen we enkele jaren geleden bij de popularisering van het ondergrondse netwerk waarmee bomen met elkaar in verbinding staan. Bomen kunnen via zogenoemde mycorrhizanetwerken, gevormd door schimmeldraden rond en tussen hun wortels, stoffen uitwisselen. Dat is een fascinerend biologisch verschijnsel, dat volop wetenschappelijke belangstelling verdient. Over de precieze omvang, functie en betekenis van die uitwisseling bestaat overigens nog discussie. Maar een deel van de spirituele goegemeente nam het woord ‘communiceren’ nogal letterlijk. Er ontstond een voorstelling van zaken waarin bomen ondergronds met elkaar overlegden, elkaar waarschuwden, ondersteunden en kennelijk zelfs een soort collectief bewustzijn deelden. Voor het holistische gilde is babbelende vegetatie immers absoluut niet buitensporig.
Hier zien we hoe een interessante wetenschappelijke ontdekking wordt ingepast in een bestaand spiritueel wereldbeeld. De feitelijke waarneming is welkom, maar krijgt vervolgens een betekenis die het onderzoek helemaal niet noodzakelijkerwijs ondersteunt. Een biologisch netwerk wordt een bewijs voor een allesomvattende verbondenheid, waarbij de wetenschappelijke bevinding vooral dient als legitimatie voor een overtuiging die er al was.
Hetzelfde mechanisme zie ik bij de toe-eigening van traditionele geneeswijzen. Menige verlichte geest binnen de westerse spirituele elite spint gretig garen bij de kennis van inheemse gemeenschappen, maar maakt daarbij opvallend weinig onderscheid tussen de praktische kennis die daar is opgebouwd en de magische verklaringen die er soms mee samengaan. Dat traditionele kennis waardevol kan zijn, staat voor mij buiten kijf. Dat iedere traditionele opvatting daarom ook waardevol zou zijn, is een heel andere kwestie.
Neem de rituele handelingen die in bepaalde traditionele geneeswijzen een rol spelen. Het angstvallig vermijden van je eigen schaduw wanneer je een emotioneel instabiele plant benadert, of het offeren van een hoofdhaar bij de wortels om de ‘spirit’ gunstig te stemmen. Zulke gebruiken kunnen binnen een culturele traditie een betekenis hebben die we niet zomaar terzijde moeten schuiven. Maar als het gaat om de vraag of ze bijdragen aan de geneeskrachtige werking van een plant, is er toch een andere maatstaf nodig dan culturele overlevering of persoonlijke overtuiging.
Dat de medische wetenschap zich ondertussen op eigen wetenschappelijke gronden verdiept in de farmacologische mogelijkheden van planten, wordt in het alternatieve circuit nogal eens over het hoofd gezien. Onderzoekers bestuderen bijvoorbeeld Zuid-Afrikaanse planten als kankerbossie (Sutherlandia frutescens) en pepperbark tree (Warburgia salutaris) op biologisch actieve bestanddelen en mogelijke therapeutische toepassingen. Bij het kankerbossie zijn in laboratoriumonderzoeken aanwijzingen gevonden voor interessante biologische effecten, waaronder mogelijke antitumorale eigenschappen. Een bewezen werkzaamheid tegen kanker bij mensen is daarmee echter nog lang niet aangetoond. Ook de pepperbark tree bevat stoffen die farmacologisch onderzoek verdienen, maar dat maakt de plant nog niet tot een bewezen geneesmiddel tegen diabetes.
Precies daar zit het verschil. De wetenschap onderzoekt, toetst, vergelijkt en probeert vast te stellen welke stoffen daadwerkelijk werkzaam zijn, onder welke omstandigheden en met welke risico’s. Dat is iets anders dan een plant geneeskracht toeschrijven omdat een traditionele genezer haar al generaties lang gebruikt, of omdat iemand tijdens een retraite een bijzondere energie meent te ervaren.
De moderne farmacie heeft trouwens nooit op een spirituele ommekeer gewacht om de natuur als bron van geneesmiddelen te ontdekken. De reguliere geneeskunde en de farmaceutische industrie hebben zich al eeuwenlang verdiept in de biologische eigenschappen van planten en andere natuurlijke stoffen. Soms vormde traditionele kennis daarbij het vertrekpunt, soms kwam de belangstelling voort uit zelfstandig wetenschappelijk onderzoek. In beide gevallen is het de toetsing van de veronderstelde werking die uiteindelijk bepaalt of een stof medisch bruikbaar is.
Een bekend voorbeeld is paclitaxel, oorspronkelijk geïsoleerd uit de schors van de Pacifische taxus (Taxus brevifolia). Dit geneesmiddel, bekend onder de merknaam Taxol, behoort tot de chemotherapeutica en wordt ingezet bij de behandeling van verschillende vormen van kanker. Het is een treffend voorbeeld van wat natuuronderzoek en farmacologisch onderzoek kunnen opleveren. Niet omdat de taxusboom een geheimzinnige levensenergie overdraagt, maar omdat onderzoekers een biologisch actieve stof hebben geïdentificeerd en de werking ervan hebben kunnen vaststellen.
Het is dus nogal een historische gotspe wanneer hedendaagse westerse alternatievelingen doen alsof ze met hun belangstelling voor natuurgeneeskunde het warm water opnieuw hebben uitgevonden. De natuur is voor de geneeskunde nooit een vergeten terrein geweest. De farmacie zoekt al heel lang naar biologisch werkzame stoffen in planten, schimmels en andere organismen. Ze doet dat niet om een verloren gegane spirituele verbondenheid te herstellen, maar om ziekten te kunnen behandelen en mensenlevens te redden.
Dat neemt niet weg dat traditionele kennis daarbij van grote betekenis kan zijn. Juist de ervaring van gemeenschappen die generaties lang met hun natuurlijke omgeving hebben geleefd, kan onderzoekers op interessante sporen brengen. Het zou dan ook buitengewoon onverstandig zijn die kennis te negeren of te laten verdwijnen. Maar we hoeven niet het volledige wereldbeeld van onze voorouders over te nemen om iets van hun kennis te kunnen leren. We kunnen de bruikbare inzichten behouden en tegelijkertijd de verklaringen kritisch onderzoeken.
Goed naar de natuur kijken is essentieel. Het benutten van haar biologische apotheek is niets minder dan levensnoodzakelijk. Maar laten we alstublieft niet doen alsof dat inzicht pas is komen aanwaaien met de nieuwste generatie retraitetrommelaars. De echte uitdaging is dat we moeten voorkomen dat de natuur definitief wordt vernietigd, inclusief alle nog onontdekte stoffen en biologische mogelijkheden die daarin besloten liggen. We moeten de mondiale biodiversiteit met hand en tand verdedigen, kwetsbare ecosystemen beschermen en het regenwoud behouden. Als het moet maar samen met de zweefsector; het doel heiligt in dit geval immers de middelen.
Maar al die rituelen en magische verklaringen eromheen? Zijn we dan niet wijzer geworden van onze eigen secularisatie? We hebben ons in het Westen na eeuwenlang zwoegen en strijden met moeite ontworsteld aan de greep van onze kerken, pastoors en dogmatische geloofssystemen. Dat betekende niet dat daarmee alle vormen van magisch denken verdwenen, maar wel dat we steeds meer ruimte hebben gemaakt voor een wereldbeeld waarin beweringen niet langer op gezag, overlevering of bovennatuurlijke openbaring worden aanvaard. We hebben geleerd dat twijfel, onderzoek en toetsing betere instrumenten zijn om de werkelijkheid te begrijpen.
Moeten we die opgebouwde rationaliteit nu weer inwisselen voor het angstig vermijden van plantenschaduwen, het offeren van hoofdhaar bij wortels en ander georakel over ‘essenties’ en het derde oog? Natuurlijk mogen mensen rituelen koesteren vanwege hun culturele, sociale of persoonlijke betekenis. Daar is weinig tegen. Maar zodra zulke handelingen worden gepresenteerd als noodzakelijke voorwaarden voor de werking van de natuur, of als alternatieve verklaringen voor verschijnselen die we wetenschappelijk kunnen onderzoeken, is scepsis op zijn plaats.
Het zou een merkwaardige uitkomst zijn wanneer onze zoektocht naar een betere verhouding tot de natuur ons opnieuw afhankelijk maakt van magische verklaringen. We hoeven de wereld niet opnieuw te bezielen om haar te leren respecteren. Evenmin hoeven we onze kritische vermogens uit te schakelen om open te staan voor kennis die buiten onze eigen culturele traditie is ontstaan.
De natuur verdient ons diepe respect én onze bescherming. Niet omdat we haar geheime boodschappen kunnen verstaan, haar geesten gunstig kunnen stemmen of haar energieën kunnen aanvoelen, maar omdat we er zelf onlosmakelijk deel van uitmaken en afhankelijk zijn van de ecosystemen die ons in leven houden. Dat besef is al indrukwekkend genoeg. Daar hebben we geen derde oog voor nodig, alleen onze beide benen stevig op de grond en ons verstand op scherp.
