De romantiek van het primitieve

Waarom we inheemse wijsheid graag omarmen, maar haar liever niet begrijpen.

Er bestaat een merkwaardige vorm van bewondering die bij nadere beschouwing verdacht veel wegheeft van minachting. Ze manifesteert zich wanneer westerse stedelingen zich vol enthousiasme verdiepen in de levenswijze van inheemse gemeenschappen, oude natuurreligies en traditionele geneeswijzen. Ze spreken dan met ontzag over de wijsheid van volkeren die nog in harmonie met de natuur zouden leven, over hun intuïtieve verbondenheid met het landschap en over inzichten die onze rationele beschaving onderweg zou zijn kwijtgeraakt.

Het klinkt respectvol. Toch zit er iets ongemakkelijks in deze verering. Want wat bewonderen we eigenlijk? De kennis die deze gemeenschappen door generatieslange ervaring hebben opgebouwd, of het romantische beeld dat wij ervan hebben gemaakt?

De belangstelling voor inheemse kennis is op zichzelf begrijpelijk. Wie generaties lang in een bepaald landschap leeft, ontwikkelt een grondige vertrouwdheid met de plaatselijke flora, fauna, bodemgesteldheid en klimatologische omstandigheden. Dat levert kennis op die niet noodzakelijk in wetenschappelijke publicaties is vastgelegd, maar daarom nog niet minder waardevol is. Integendeel. De moderne wetenschap kan veel leren van mensen die hun natuurlijke omgeving op een andere manier observeren en benutten.

Maar zodra die kennis wordt ontdekt door het westerse spiritualiteitsmilieu, lijkt er iets te gebeuren. De praktische deskundigheid verdwijnt naar de achtergrond en maakt plaats voor een verhaal over een verloren gegane verbondenheid. De inheemse mens wordt opgevoerd als iemand die nog weet wat wij allang vergeten zijn: hoe je naar bomen luistert, hoe je de energie van een landschap ervaart en hoe je je als mens opnieuw kunt afstemmen op de natuurlijke kringloop.

Daarmee wordt hij niet zozeer als mens met specifieke kennis en ervaringen beschouwd, maar als vertegenwoordiger van een verloren gewaand stadium van menselijke ontwikkeling. Hij krijgt een rol toebedeeld in het zelfbeeld van de moderne westerling: die van de authentieke natuurmens die ons kan vertellen hoe we weer heel kunnen worden.

Dat is nogal een merkwaardige vorm van waardering. We projecteren onze eigen verlangens op mensen die we nauwelijks kennen en maken hun levenswijze tot een antwoord op onze eigen existentiële onvrede. De inheemse gemeenschap wordt daarmee een soort spirituele leverancier, een bron van authenticiteit waaraan de moderne consument zich kan laven.

Het is bovendien een nogal selectieve bewondering. We zijn vooral geïnteresseerd in de aspecten die passen bij onze behoefte aan eenvoud, verbondenheid en zingeving. De minder romantische kanten van het bestaan blijven doorgaans buiten beeld. De dagelijkse arbeid, de onderlinge conflicten, de sociale hiërarchieën, de religieuze verplichtingen, de praktische beperkingen en de onzekerheden die bij ieder menselijk bestaan horen, krijgen aanzienlijk minder aandacht. De natuurmens die in harmonie leeft met zijn omgeving is nu eenmaal een aantrekkelijker figuur dan iemand die gewoon probeert de dag door te komen.

In die zin is de romantisering van inheemse culturen een voortzetting van een oude westerse traditie. Al sinds de achttiende eeuw koestert Europa het idee van de nobele wilde: de mens die nog niet door de beschaving is bedorven en daardoor dichter bij zijn natuurlijke oorsprong zou staan. De filosoof Jean-Jacques Rousseau wordt vaak met die gedachte geassocieerd, al is de populaire voorstelling van zijn ideeën een stuk eenvoudiger dan zijn werkelijke filosofische positie.

De aantrekkingskracht van dit beeld is begrijpelijk. Wie ontevreden is over de uitwassen van de eigen samenleving, kan zich gemakkelijk voorstellen dat elders nog een zuiverder vorm van menselijk bestaan mogelijk is. De ander wordt dan het spiegelbeeld van alles wat we in onszelf zijn kwijtgeraakt. Maar dat zegt uiteindelijk meer over onze eigen verlangens dan over de mensen die we op een voetstuk plaatsen.

Hetzelfde mechanisme zien we bij de belangstelling voor oude geneeswijzen. De westerse consument ontdekt dat bepaalde planten al eeuwenlang worden gebruikt bij uiteenlopende lichamelijke klachten en ervaart dat als een onthulling. Alsof de reguliere geneeskunde tot voor kort niet wist dat planten biologisch actieve stoffen kunnen bevatten. De traditionele genezer wordt vervolgens voorgesteld als hoeder van een vergeten wetenschap, terwijl de moderne farmacoloog kennelijk vooral wordt gezien als iemand die de natuur uit elkaar haalt en haar bezieling over het hoofd ziet.

Daarbij wordt een nogal ongemakkelijke tegenstelling geconstrueerd. Aan de ene kant staat de rationele westerse mens, die de natuur zou onderwerpen aan zijn technische en economische behoeften. Aan de andere kant staat de inheemse mens, die de natuur respecteert en haar als een levend geheel ervaart. De eerste zou zijn verstand hebben ontwikkeld ten koste van zijn gevoel; de tweede zou beide nog in evenwicht hebben.

Maar waarom zouden die eigenschappen elkaar uitsluiten? Waarom zou iemand die de natuur zorgvuldig observeert en empirische kennis verzamelt niet tegelijkertijd een emotionele, culturele of religieuze band met zijn omgeving kunnen hebben? En waarom zouden wij die band alleen kunnen waarderen wanneer we er een spirituele dimensie aan toekennen?

Hier dreigt een vorm van culturele bevoogding die zich juist als haar tegendeel presenteert. We menen andere culturen te respecteren, maar laten ze niet toe om gewoon zichzelf te zijn. We maken ze tot dragers van een wijsheid die we zelf nodig denken te hebben. Hun kennis wordt niet op haar eigen merites beoordeeld, maar krijgt een bijna sacrale status. Kritische vragen worden dan al gauw beschouwd als uitingen van westerse arrogantie.

Dat is een merkwaardige omkering. Wetenschappelijke toetsing wordt niet langer gezien als een manier om kennis serieus te nemen, maar als een vorm van culturele overheersing. Alsof het onderzoeken van de werking van een traditioneel geneesmiddel een aantasting zou zijn van de cultuur waarin het wordt gebruikt. Alsof respect voor een gemeenschap betekent dat we haar opvattingen niet kritisch mogen onderzoeken.

Het tegendeel lijkt me waar. Wie de kennis van een andere cultuur werkelijk serieus neemt, doet er juist goed aan die zorgvuldig te onderzoeken. Niet om haar te onderwerpen aan een vooraf vastgestelde westerse maatstaf, maar om te achterhalen wat ze waard is, hoe ze is ontstaan en onder welke omstandigheden ze bruikbaar kan zijn. Dat vereist nieuwsgierigheid én scepsis. Het ene hoeft het andere niet uit te sluiten.

Er zit nog een andere paradox in de hedendaagse belangstelling voor inheemse wijsheid. De mensen die zich het nadrukkelijkst afzetten tegen de westerse consumptiemaatschappij, maken van die wijsheid soms zelf een consumptieartikel. Een weekendje sjamanisme, een bosbad, een cacaoceremonie, een kennismaking met plantaardige remedies of een retraite met een druïdisch tintje: het zijn allemaal producten geworden binnen een markt die authenticiteit, verbondenheid en innerlijke rust verkoopt.

De ironie is dat de veronderstelde ontsnapping aan de consumptiemaatschappij daarmee zelf een consumptieproduct wordt. De moderne mens koopt zich een beetje oergevoel, bij voorkeur in een omgeving waar de sanitaire voorzieningen op orde zijn en de terugreis met de auto al is geregeld.

Dat hoeft niet allemaal kwaadwillend of zelfs maar bewust te gebeuren. Mensen zoeken naar betekenis, houvast en ervaringen die hun dagelijkse bestaan overstijgen. De belangstelling voor rituelen en oude tradities kan daar een uitdrukking van zijn. Maar het is goed om te beseffen dat we daarmee niet noodzakelijkerwijs dichter bij de oorspronkelijke betekenis van die tradities komen. Soms construeren we vooral een nieuwe betekenis die aansluit bij onze eigen behoeften.

Misschien is dat wel de belangrijkste reden om voorzichtig te zijn met de romantisering van het primitieve. We moeten oppassen dat we andere culturen niet reduceren tot een therapeutisch hulpmiddel voor onze eigen beschavingsmoeheid. Hun kennis verdient belangstelling, hun geschiedenis verdient erkenning en hun leefomgeving verdient bescherming. Maar ze hoeven niet te voldoen aan onze behoefte aan een verloren paradijs.

De natuur is bovendien niet afhankelijk van onze spirituele verbeelding om respect te verdienen. Ze hoeft geen bewustzijn te hebben, geen boodschappen te versturen en geen verborgen energieën uit te wisselen om bescherming waard te zijn. De ecosystemen waarvan we afhankelijk zijn, hebben hun eigen biologische samenhang en kwetsbaarheid. Dat is al reden genoeg om er zorgvuldig mee om te gaan.

Misschien moeten we daarom eens ophouden de inheemse mens te bewonderen omdat hij nog zou beschikken over een geheim dat wij zijn kwijtgeraakt. We kunnen beter proberen te begrijpen wat hij daadwerkelijk weet, hoe hij die kennis heeft verworven en wat wij daarvan kunnen leren. Dat is minder romantisch, maar waarschijnlijk een stuk respectvoller.

Wie werkelijk iets van een andere cultuur wil leren, moet haar niet eerst tot sprookje maken.