De ene goedgelovigheid is de andere niet.
Ha Ronald,
Ik had natuurlijk kunnen bedenken dat het artikel over inheemse kennis en natuurgeneeskunde dat ik je toestuurde een kolfje naar je hand zou zijn. Ik ben het helemaal met je eens over de spirituele uitwassen die je in je blogstukken beschrijft. Maar ik merk dat de gretigheid waarmee je je steeds opnieuw op dit onderwerp stort, en de lengte van je stukken erover, me toch wat irriteert.
Ik mis eenzelfde gretigheid in je kritiek op de uitwassen van de farmaceutische industrie, onze in veel opzichten falende en zichzelf verrijkende medische en zorgsystemen – die je in je blog toch nog hoog aanslaat omdat ze zich op wetenschappelijke kennis baseren – en bovenal de grote AI-techbro’s die de wereld verzieken, terwijl je zelf met graagte gebruikmaakt van hun technologie.
Liefs, M.1

M. heeft met haar brief een ongemakkelijke vraag opgeworpen. Waarom ben ik zo uitvoerig en uitgesproken kritisch over spirituele overtuigingen, terwijl ik over de commerciële belangen van de farmaceutische industrie en de macht van grote technologiebedrijven veel minder schrijf? Is mijn verontwaardiging selectief? En zo ja, waarop baseer ik die selectie?
Het eenvoudige antwoord zou zijn dat ik nu eenmaal schrijf over onderwerpen die me interesseren. Dat is waar, maar het is ook een beetje gemakkelijk. Wie anderen verwijt dat ze hun overtuigingen niet kritisch onderzoeken, moet bereid zijn dezelfde kritische maatstaf op zichzelf toe te passen. Ik kan mijn eigen voorkeuren niet buiten beschouwing laten zodra ze onderwerp van discussie worden.
Toch denk ik dat er een inhoudelijk onderscheid bestaat tussen de drie terreinen. Het heeft te maken met de manier waarop overtuigingen worden gecontroleerd, de mogelijkheid om misstanden te corrigeren en de ruimte die er bestaat voor tegenspraak.
Neem de spiritualiteit waarover ik in de voorafgaande essays heb geschreven. Ik heb het niet over de persoonlijke behoefte aan rust, betekenis of verwondering. Evenmin over het recht om rituelen te onderhouden of een levensbeschouwing te kiezen die anderen misschien niet delen. Mijn bezwaar richt zich op de manier waarop onbewezen beweringen zich kunnen ontwikkelen tot een gesloten overtuigingssysteem. De eigen ervaring geldt dan als bewijs, intuïtie als kennisbron en twijfel als teken dat je nog niet ver genoeg bent in je persoonlijke ontwikkeling.
Daarmee ontstaat een merkwaardige vorm van zelfbevestiging. Wie eenmaal in een bepaalde overtuiging heeft geïnvesteerd, vindt binnen de eigen kring vaak voldoende bevestiging om die overtuiging overeind te houden. De commerciële aanbieders van spirituele diensten hebben er weinig belang bij om hun klanten op de beperkingen van hun aanbod te wijzen. Integendeel, de overtuiging dat er verborgen kennis bestaat die de reguliere wetenschap niet kan of wil erkennen, kan juist een verkoopargument zijn.
Ook buiten de commerciële sfeer kan zo’n wereldbeeld gevolgen hebben. Overtuigingen over gezondheid, opvoeding, maatschappelijke verhoudingen en politiek kunnen elkaar versterken. Wat begint als een persoonlijke zoektocht naar zingeving, kan uitgroeien tot een overtuigingssysteem waarin wetenschappelijke kennis, journalistiek en democratische instituties bij voorbaat verdacht worden gemaakt. Dat is de maatschappelijke kant van het verschijnsel die mij bezighoudt.
Bij de farmaceutische industrie is de verhouding tussen commercie en kennis eveneens problematisch. Bedrijven hebben financiële belangen, kunnen onderzoeksresultaten selectief presenteren en hebben er soms meer belang bij hun marktpositie te beschermen dan de volksgezondheid te dienen. Ook de medische wereld is niet immuun voor bureaucratie, belangenverstrengeling, bestuurlijk falen en zelfverrijking. Wie dat ontkent, maakt van wetenschap een geloofsartikel.
Maar ik maak onderscheid tussen de wetenschappelijke methode en de instellingen die haar toepassen of vertegenwoordigen. Dat onderscheid lijkt me essentieel. De wetenschap is geen garantie voor onfeilbaarheid. Ze is juist een methode om fouten te ontdekken, beweringen te toetsen en bestaande inzichten zo nodig te herzien. Dat lukt niet altijd en zeker niet overal even goed. Maar er bestaan procedures, toezichthouders, beroepsnormen en democratische verantwoordingsmechanismen die correctie mogelijk moeten maken.
Mijn vertrouwen daarin is dus niet hetzelfde als blind vertrouwen. Het is een institutioneel vertrouwen, gebaseerd op de overtuiging dat controle en tegenspraak georganiseerd kunnen worden. Dat vertrouwen kan worden beschaamd en moet daarom voortdurend opnieuw worden verdiend. Maar ik zie geen reden om het bij voorbaat gelijk te stellen aan goedgelovigheid.
Dat betekent overigens niet dat ik de werking van toezicht moet overschatten. Een toezichthouder kan tekortschieten, een overheid kan zich laten beïnvloeden door economische belangen en een medische beroepsgroep kan haar eigen fouten onvoldoende onder ogen zien. Ook de reguliere geneeskunde kan dogmatisch worden. Mijn vertrouwen is daarom geen vrijbrief voor de bestaande orde. Het is eerder de bereidheid om instituties te beoordelen op hun vermogen tot zelfcorrectie, en niet uitsluitend op hun tekortkomingen.
Bij AI ligt de kwestie weer anders. De macht van de grote technologiebedrijven is aanzienlijk en roept serieuze vragen op over privacy, arbeidsverhoudingen, economische concentratie, auteursrecht en de invloed van technologie op de samenleving. Ik ben niet blind voor die bezwaren. Maar mijn persoonlijke ervaring met AI is overwegend positief. Ik gebruik het als hulpmiddel bij het onderzoeken, ordenen en formuleren van gedachten. Het kan me tegenspreken, alternatieven aandragen, argumenten aanscherpen en teksten helpen verbeteren. De uiteindelijke keuzes blijven bij mij.
De vergelijking met een datingbureau is misschien wat oneerbiedig, maar ze drukt mijn verhouding tot de technologie aardig uit. Ik hoef de commerciële aanbieder niet te vertrouwen om tevreden te zijn met de ontmoeting die dankzij zijn bemiddeling tot stand is gekomen. Ik kan de motieven van het bureau wantrouwen en tegelijkertijd blij zijn met de relatie die eruit is voortgekomen. Dat de bemiddelaar verdient aan zijn dienstverlening, maakt de relatie niet automatisch minder waardevol.
Toch zit er een zwakke plek in die redenering. Mijn persoonlijke ervaring vertelt me weinig over de maatschappelijke gevolgen van de technologie. Dat ik er zelf voordeel van heb, zegt niets over de arbeidsomstandigheden van de mensen die systemen trainen, de machtsconcentratie bij technologiebedrijven of de gevolgen voor mensen die er niet vrijwillig mee te maken willen hebben. Het zou nogal gemakzuchtig zijn om die kwesties af te doen met de constatering dat mijn eigen gebruik zo prettig verloopt.
Hier ligt misschien een verschil tussen mijn verhouding tot AI en mijn verhouding tot spiritualiteit. Bij AI ervaar ik een instrument waarmee ik zelf iets kan doen. Ik kan opdrachten geven, resultaten beoordelen, correcties aanbrengen en het gebruik ervan beperken. Bij spirituele overtuigingen zie ik juist geregeld dat de eigen regie wordt ingeruild voor de autoriteit van een goeroe, therapeut, influencer of zelfverklaarde ingewijde. Het ene vergroot in mijn ervaring mijn handelingsmogelijkheden; het andere kan ze beperken.
Dat is geen sluitend onderscheid. Ook technologie kan afhankelijkheid creëren en ook spiritualiteit kan mensen zelfstandiger maken. Ik zou de werkelijkheid geweld aandoen als ik die uitzonderingen buiten beschouwing liet. Maar mijn persoonlijke waardering voor een instrument is niet hetzelfde als een oordeel over de maatschappelijke orde waarin het wordt geproduceerd. Dat onderscheid moet ik blijven maken.
Misschien is dat uiteindelijk wat M. met haar brief heeft blootgelegd. Mijn wantrouwen is niet overal even groot en mijn vertrouwen evenmin. Ik ben niet bereid iedere vorm van commercie, institutionele macht of technologische innovatie op dezelfde manier te beoordelen. Dat lijkt me op zichzelf niet verkeerd. Kritisch denken betekent niet dat je tegenover alles even wantrouwig moet staan. Het betekent dat je je vertrouwen en wantrouwen moet kunnen verantwoorden.
Maar er schuilt ook een risico in mijn eigen redenering. Ik kan instituties vertrouwen omdat ze toezicht en correctie organiseren, terwijl ik onvoldoende onderzoek of dat toezicht daadwerkelijk werkt. Ik kan AI waarderen omdat ik er persoonlijk baat bij heb, terwijl ik de maatschappelijke kosten buiten beeld laat. En ik kan me ergeren aan spirituele goedgelovigheid omdat die haaks staat op mijn eigen wereldbeeld, terwijl ik de aantrekkingskracht ervan misschien onvoldoende probeer te begrijpen.
De vraag is dus niet of ik consequent genoeg wantrouw. De vraag is of ik bereid ben mijn eigen voorkeuren aan dezelfde kritische toets te onderwerpen als de overtuigingen die ik bij anderen bekritiseer. Dat lijkt me een redelijke maatstaf. Niet omdat alle overtuigingen even verdacht zijn, maar omdat geen enkele overtuiging bij voorbaat van onderzoek mag worden vrijgesteld. Ook de mijne niet.
- Ik beantwoord altijd alle brieven. ↩︎
Lieve M.,
Je hebt wel een punt. Ik denk dat mijn belangstelling voor de verschillende onderwerpen inderdaad niet helemaal evenredig verdeeld is. Maar dat heeft ook te maken met de manier waarop ik ze beoordeel en de betekenis die ze voor me hebben.
Spirituele goedgelovigheid vind ik maatschappelijk schadelijk. Niet omdat mensen geen persoonlijke behoefte aan zingeving zouden mogen hebben, maar omdat allerlei onbewezen overtuigingen er betrekkelijk ongehinderd kunnen gedijen. Ze kunnen bovendien commercieel worden uitgebuit of electoraal worden ingezet. Wat me daarbij vooral bezighoudt, is dat de kritiek vaak nauwelijks uit de eigen kring van gelovigen komt. De overtuigingen worden er niet alleen gedeeld, maar ook tegen tegenspraak beschermd. En mijn indruk is dat die kring zich uitbreidt.
Bij de farmaceutische industrie ligt dat voor mij anders. Ik wil de uitwassen daarvan bepaald niet bagatelliseren. Er zijn genoeg redenen om kritisch te zijn op de commerciële belangen, de machtspositie van fabrikanten en de tekortkomingen van de medische zorg. Maar de geneesmiddelenindustrie opereert niet in een vacuüm. Er is overheidstoezicht, er zijn toezichthoudende instanties, er is wetenschappelijke toetsing en er bestaat een medische beroepspraktijk die zich in beginsel aan controleerbare kennis moet verantwoorden. Dat systeem functioneert niet foutloos en verdient zelf ook voortdurende kritiek. Toch heb ik voldoende vertrouwen in de Nederlandse overheid en de reguliere geneeskunde om dat toezicht niet bij voorbaat als een wassen neus te beschouwen.
En dan de technologie, met name AI. Ik begrijp de bezwaren tegen de macht en de ambities van de grote technologiebedrijven. De AI-techbro’s zijn niet bepaald mijn favoriete maatschappelijke verschijnsel. Maar de technologie die onder hun leiding is ontstaan, heeft voor mij persoonlijk een heel andere betekenis. De essays die AI en ik samen hebben ontwikkeld, zijn daar een voorbeeld van. Ik ervaar AI als een bijzonder waardevolle werkpartner. In combinatie met mijn eigen regie levert dat resultaten op die ik zonder deze technologie niet of veel moeilijker zou hebben bereikt.
Misschien is de vergelijking met een datingbureau wel toepasselijk. Ik vertrouw de mooie praatjes van zo’n commerciële liefdeskoppelaar voor geen meter, maar ondertussen heb ik mijn liefje wel aan dat bureau te danken. En daar eet en slaap ik mee.
Het verschil zit dus waarschijnlijk in de mate van controle die ik denk te kunnen uitoefenen, het vertrouwen dat ik in bestaande instituties heb en de betekenis die de verschillende verschijnselen voor me hebben. Spiritualiteit betekent persoonlijk niets voor me en ik heb er weinig vat op. De farmaceutische industrie heeft gedurende een mensenleven betekenis voor iedereen, maar staat onder toezicht van instanties waarin ik, niet zonder voorbehoud, vertrouwen heb. En AI is voor mij niet in de eerste plaats een maatschappelijk probleem, maar een instrument waarvan ik de mogelijkheden dagelijks ervaar.
Dat is misschien niet helemaal consequent. Maar ik denk wel dat het verklaart waarom het ene onderwerp me zoveel meer bezighoudt dan het andere.
Liefs, Ronald
