Blog

Een eerlijk antwoord van de PvdD

Waarom een fictieve camping met 150 diesels de natuurvergunning voor Buitenplaats Beekhuizen moet redden.

Nadat ik mijn zorgen over de ‘valse nulmeting’ bij Buitenplaats Beekhuizen had gedeeld met de Partij voor de Dieren in Rheden, ontving ik een opvallend openhartige reactie van Claudia van den Elsen. Waar veel politieke partijen zich verschuilen achter ambtelijk jargon, geeft Claudia een ontluisterend inkijkje in de “politieke houdgreep” waarin de raad zich bevindt. Ze schetst een beeld van een besluitvorming die in beton gegoten lijkt; een proces waarbij de werkelijkheid van het Natura 2000-gebied moet wijken voor een bureaucratische schijnvertoning.

Ziehier de kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart van de PvdD. Achter Niek Brunninkhuis staat een team van maatschappelijk betrokken inwoners. De Partij voor de Dieren is nieuw in de Rhedense politiek en bestaat uit nieuwe mensen. Van al deze kanditdaten durf ik te zeggen dat zij wél opkomen voor de belangen van de natuur.

Beste Ronald,

Ten eerste mijn excuses voor het zo laat reageren op je e-mail. We zijn druk bezig met campagne voeren en het is mij compleet ontschoten om te reageren op je mail. Doorgaans proberen we binnen drie werkdagen te reageren.

Ook voor ons is Buitenplaats Beekhuizen een redelijk nieuw en complex dossier. En ook bij ons kwam er een overduidelijk gevoel op, dat zaken op een twijfelachtige manier werden weerlegd en/of goedgepraat. Wij zijn allerminst tevreden hoe dit allemaal afgehandeld wordt, met een duidelijke toename van urgentie om dit dossier maar zo spoedig mogelijk te sluiten.

Ook het feit dat er maar twee scenario’s bestaan in deze zaak, bevreemd ons. Het is ofwel volledig toestaan wat de dames hebben ingezet, met na toch vele vragen vanuit de raad en bewoners, enige restricties, ofwel teruggaan naar een camping met 150 plaatsen, die volgens een vertegenwoordiger van PvdA/GL […] dan zullen uitmonden in 150 plekken voor vieze, op diesel rijdende campertjes, die de boel nog meer vervuilen!

Ik werd door een zittend raadslid op je blogs gewezen twee weken geleden en ik/wij denken niet dat je het verkeerd ziet. Allerminst. Helaas is onze inbreng momenteel minimaal. Ik heb wel de mogelijkheid genomen om in te spreken en de raad op andere gedachten te brengen, met nu blijkt, ook minimaal effect helaas. Alsof alles al in beton gegoten is.

Ik heb ook nog een poging via de Provinciale Staten gedaan met het indienen van een zienswijze vanuit de PvdD. Over ca. 5 weken zal Provinciale Staten een uitspraak doen inzake het afgeven van een natuurvergunning voor Buitenplaats Beekhuizen. Maar ons raadslid aldaar gaf al aan dat het overgrote merendeel voor het afgeven van de vergunning is.

En dit alles onder de zware wetgeving van Natura2000! Ik vind het werkelijk onvoorstelbaar dat dit kan gebeuren. 

Mijn mail komt hoogstwaarschijnlijk als mosterd na de maaltijd, maar ik/wij zijn heel blij met kritische mensen zoals jij, met oog en hart voor onze mooie natuur en haar bewoners, het milieu en die ook niet bang zijn om misstanden in de gemeenteraad aan te kaarten.

Het enige wat wij nu nog kunnen doen is de dames goed in de gaten houden en direct ageren als ze wederom de grenzen aan het oprekken c.q. aan het overschrijden zijn. Want ik denk dat er morgenavond hoogstens twee raadsleden tegen de ontwerpverklaring van geen bedenkingen zullen stemmen. Rosanna Huertas Mulckhuyse en met een beetje geluk, Theo Kooijmans.

Hopelijk heb ik je vragen enigszins kunnen beantwoorden, gezien ook onze ‘lekenstaat’, heb je nog verdere vragen of wil je op de mail reageren, graag.

Met vriendelijke groet,
Claudia
Partij voor de Dieren Rheden

Ik was geraakt door de eerlijkheid van Claudia, maar ook gesterkt in mijn vermoeden dat we hier te maken hebben met een vals dilemma. In mijn antwoord aan haar ga ik in op de retoriek die wordt gebruikt om dit dossier door de raad te loodsen en de noodzaak om, over de gemeentegrenzen heen, de vinger op de zere plek te blijven leggen.

Beste Claudia,

Hartelijk dank voor je uitgebreide en eerlijke reactie. Excuses zijn nergens voor nodig; ik begrijp heel goed dat de campagnetijd hectisch is en ik waardeer het des te meer dat je de tijd neemt om zo inhoudelijk te reageren.

Het is zowel een geruststelling als een zorg dat jullie mijn observaties delen. Een geruststelling, omdat het bevestigt dat mijn analyse van de ‘valse nulmeting’ en de ‘papieren referentiesituatie’ hout snijdt. Een zorg, omdat het beeld dat je schest — van een raad die lijkt vast te zitten in een voldongen feit — getuigt van een democratisch tekort bij een dossier met een dergelijke ecologische impact.

De redenering die je aanhaalt over de ‘150 vieze dieseltjes’ is een treffend voorbeeld van de retoriek die hier wordt gebruikt. Het presenteert een vals dilemma […] waarbij een vertegenwoordiger van de coalitie suggereert dat de enige keuze bestaat uit een overbevolkte camperplaats of de huidige expansieplannen. Dat een scenario gericht op volledig natuurherstel niet eens serieus is onderzocht, blijft de grote blinde vlek in dit dossier. Zoals Beau Vroone uit de Arnhemse fractie het treffend verwoordde: we hebben hier te maken met een ‘papieren werkelijkheid’. Een werkelijkheid die op papier stikstofwinst claimt, maar in de praktijk de druk op een kwetsbaar Natura 2000-gebied alleen maar verhoogt.

Ik heb veel respect voor het feit dat je hebt ingesproken en zelfs via de Provinciale Staten een zienswijze hebt ingediend. Dat het effect op de korte termijn minimaal lijkt en de uitspraak over de natuurvergunning over vijf weken wellicht niet de gehoopte uitkomst biedt, is frustrerend; het ontslaat ons echter niet van de plicht de vinger op de zere plek te blijven leggen.

Mijn blogs zijn bedoeld om deze mechanismen inzichtelijk te maken voor een breder publiek. Het is fijn om te weten dat ze ook binnen de fractie gelezen worden. Laten we contact houden over het vervolg, zeker wanneer de “dames” van de Buitenplaats de grenzen verder opzoeken.

Nogmaals dank voor jullie inzet voor de natuurwaarden van de Veluwezoom.

Met vriendelijke groet,

Ronald van Noorden

P.S. 1 Voor wie zich afvraagt wie er achter het huidige beleid schuilgaan: met ‘de dames’ waarnaar in de correspondentie wordt verwezen, worden Judith en Irene Stoevelaar bedoeld; zij zijn van Introvast. Het is hun visie die momenteel leidend is, ten koste van alternatieve scenario’s waarin natuurherstel het vertrekpunt zou zijn.

P.S. 2 Deze correspondentie heeft voor mij persoonlijk ook voor een politieke doorbraak gezorgd. Als inwoner van Arnhem is het voor mij nu volkomen helder op wie ik mijn stem ga uitbrengen bij de komende gemeenteraadsverkiezingen. Beau Vroone heeft met haar scherpe analyse en bereidheid om over de gemeentegrenzen heen te kijken, bewezen dat zij de stem van de natuur serieus neemt. Op dit blog volgt een uitgebreid en onderbouwd stemadvies.

Politiek gaat vaak over compromissen, maar wanneer een compromis wordt gebouwd op een fundament van administratieve fictie, verliest de democratie haar geloofwaardigheid. Het dossier Beekhuizen laat zien dat we niet langer genoegen mogen nemen met een natuur die alleen op papier floreert. De strijd voor de Veluwezoom stopt niet bij de uitspraak van de Provinciale Staten over vijf weken; die begint pas echt wanneer we de grenzen van de ‘papieren werkelijkheid’ blijven uitdagen.

De klok tikt richting 24 maart

Laten we ons als burgers geruisloos stoppen door een onmogelijk labyrint?

Mijn inbox is tegenwoordig zelden saai, maar dit bericht van Jan Keemink (voorzitter van Stichting Natuurbehoud Veluwezoom) trof me direct. Jan volgt het dossier Buitenplaats Beekhuizen al jaren op de voet. Terwijl het college zich opmaakt voor de raadsvergadering van 24 maart, viel hem iets op in de terminologie die daar wordt gebruikt. Een subtiel verschil in woorden, dat in de praktijk wel eens grote gevolgen zou kunnen hebben voor hoe we als burgers buitenspel worden gezet.

Is er sprake van een ontmoedigingsbeleid? De raad spreekt af dat de verklaring automatisch definitief wordt als er geen zienswijzen komen. Ze parkeren het dossier nu al bij het college, zodat ze er later niet meer publiekelijk over hoeven te debatteren. Alleen als een zienswijze specifiek over de “goede ruimtelijke ordening” gaat, móét het dossier terug naar de raad. Andere bezwaren worden door het apparaat van portefeuillehouder Hofman zelf ‘afgehandeld’.

Hoi Ronald,
 
Het viel mij op dat het gaat om een ‘verklaring van geen bedenkingen’ die de raad nu wil afgeven. Maar volgens mij zijn er bij de fracties juist heel veel bedenkingen, behalve misschien bij de VVD. Er wordt gehandeld alsof het om een verklaring van geen bezwaar gaat, maar dat is het niet. Eigenlijk kunnen ze die verklaring dus helemaal niet afgeven.

Het zou ook mooi staan in de Regiobode als persbericht of bij Studio Rheden.
 
Kun jij daar nog iets mee in jouw blog?
 
Groet, Jan

Jan’s observatie zette me aan het denken. Is de raad hier werkelijk zo onwetend, of zijn we getuige van een politiek schaakspel? Ik heb de officiële stukken van wethouder Paul Hofman (GroenLinks) erbij gepakt en deze laten spiegelen door een bekende met de nodige bestuursjuridische ervaring. Kijken we hier niet naar een normale procedure, of naar een zorgvuldig opgetuigde ‘fuik’? Ik besloot Jan mijn bevindingen terug te sturen met een vraag.

Dag Jan,

Dank voor je bericht. Ik heb de stukken voor de 24e nog eens goed doorgespit.

Je punt over de “verklaring van geen bedenkingen” (vvgb) is interessant. Ik heb het even voorgelegd aan een bekende uit het bestuursrecht (zie ook de annex onderaan). Juridisch gezien is die vvgb een nogal taai instrument: de raad geeft hiermee in feite alleen de ‘sleutel’ af om de procedure te starten.

Dit hoef ik jou niet te vertellen natuurlijk. Ik begrijp je mail vooral als een signaal over de politieke beeldvorming. We weten allebei dat de rij met bezwaarmakers op dit moment niet bepaald tot aan de Posbank staat. Juist omdat die massale weerstand vanuit de burger ontbreekt, wordt de rol van de media en de politieke fracties cruciaal.

Moet ik je suggestie voor mijn blog zo begrijpen dat je de druk op de ketel wilt houden bij de fracties die twijfelen? Als er vanuit de samenleving weinig ‘zienswijzen’ komen, is de enige weg om dit plan te stuiten een politieke weigering op basis van de “goede ruimtelijke ordening”.

Ik heb in de bijlage de juridische fijnmazigheid laten bevestigen door mijn bron (zie PS2). Het laat zien dat de raad zichzelf deels buitenspel zet als er geen zienswijzen komen (punt 6 van het besluit). Is dit precies waarom je de publiciteit zoekt? Om te voorkomen dat dit proces geruisloos naar een ‘automatische’ definitieve verklaring kabbelt?

Ik hoor graag of je wilt dat ik in mijn blog de nadruk leg op deze juridische ‘fuik’ waar de raad in dreigt te lopen, of waar zij zich graag toe laat verleiden in te lopen, als betreft het een zorgvuldig opgetuigd labyrint voor de argeloze burger (PS1).

Hartelijke groet,

Ronald

PS1: Als we uitgaan van ons vermoeden dat de raad het proces bewust ‘dichtgetimmerd’ heeft, dan krijgt jouw opmerking over de “verklaring van geen bedenkingen” een hele bittere bijsmaak. Ze handelen alsof het een hamerstuk is zonder enig bezwaar, terwijl de werkelijkheid buiten de raadszaal natuurlijk heel anders is. Door deze terminologie te gebruiken, creëren ze een papieren werkelijkheid waarin het lijkt alsof de raad unaniem achter het plan staat. De route naar een definitief besluit wordt voor de politici zo glad mogelijk gemaakt, terwijl de burger voor een labyrint staat; dit in de hoop dat niemand de moeite neemt om een zienswijze in te dienen. Ik wil in mijn blog de nadruk leggen op dit ‘politieke theater’. Het lijkt erop dat de raad (inclusief GroenLinks/PvdA) de burgerparticipatie degradeert tot een formaliteit die ze het liefst zo snel mogelijk afvinken.

PS2: Annex: Samenvatting advies inzake procedure VVGB Bovenallee 1

Naar aanleiding van de stukken voor de raadsvergadering van 24 maart 2026 heb ik een bevriende bestuursjurist om een duiding gevraagd van de term ‘verklaring van geen bedenkingen’ in deze context. Hieronder de kernpunten uit zijn reactie:

  1. Terminologie: De VVGB is een procedureel vereiste onder de Wabo (art. 2.27). Het afgeven van een ‘ontwerp-vvgb’ impliceert geen inhoudelijke instemming van alle fracties, maar is de juridische noodzaak om de vergunningaanvraag überhaupt in de terinzagelegging te krijgen.
  2. De ‘Automatische’ Vaststelling: Volgens punt 6 van het raadsbesluit wordt de verklaring na de termijn van zes weken automatisch definitief mits er geen zienswijzen zijn.
  3. Het Kantelpunt: Cruciaal zijn de punten 7 en 8. Indien er zienswijzen worden ingediend die betrekking hebben op het onderdeel ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, vervalt de automatische afgifte. De raad wordt dan wettelijk verplicht om het verzoek, inclusief de zienswijzen, opnieuw te beoordelen.
  4. Conclusie: Voor tegenstanders van het plan ligt de sleutel niet in het politieke debat vóór 24 maart, maar in de kwaliteit van de zienswijzen die tijdens de terinzagelegging worden ingediend. Alleen daarmee kan de raad juridisch gedwongen worden zijn ‘bedenkingen’ te verzilveren.”

Na het lezen van deze correspondentie rest de vraag: laten we ons als burgers geruisloos opsluiten in een labyrint dat ontworpen is om ons te laten verdwalen, of eisen we dat de ‘bedenkingen’ die er wel degelijk zijn, ook daadwerkelijk gehoord worden? De klok tikt richting 24 maart.

We kijken anders naar hetzelfde

Stel je voor: een leven voorbij het oordeel, bevrijd van de opgelegde werkelijkheid.

Beste heer Rosenberg, ik begrijp nu dat u twee typen ogen onderscheidt bij mensen die onderzoek doen naar de authenticiteit van schilderijen: ogen die kijken met louter kennis van zaken, en de gezichtsorganen van de zogenaamde experts met dollartekens in hun blik.

Een combinatie van de twee is ook mogelijk: de halfkritische visie van geldbeluste connaisseurs. Die zouden het u moeilijk kunnen maken, maar nee, al deze mensen heeft u buitengesloten; zij doen u geen kwaad meer.

Sommigen van uw dierbaren, zo vertelde u, begonnen ook al raar te kijken. Pure afgunst. Zij waren van mening dat u een economisch belang hebt bij het bepalen van echt of nep. Dat noemde u blikvernauwing. Ook hen wees u de deur.

U bent geen charlatan maar een lichtmeester en een scherpslijper. U werd van jongsaf omringd door kunst. Toeval en gevoel voor schoonheid hebben u belast met iets enorms; iets onhandelbaars. U beweert een Rembrandt te bezitten.

Helaas voor u kunt u niet om de ‘toeschrijvingsautoriteiten’ heen. Dat zijn mensen – in uw woorden – die in geen enkele eerder genoemde categorie passen. Ze zijn verbonden aan musea en hebben het aureool van wetenschappelijkheid en objectiviteit.

Die trekt u niet in twijfel, maar de ware experts werken niet belangeloos. Ze willen geen onderzoek verrichten zolang u uw doek niet op voorhand in bruikleen geeft (mocht deze als echt worden aangemerkt).

Ziedaar de patstelling. U bent een noodgedwongen eigenaar en een actief conflictvermijder. U werkt nauwkeurig als het om uw hobby gaat (het vervaardigen van lenzen), maar u wilt zichzelf niet creatief noemen. Vervalsen bijvoorbeeld, u zou niet weten hoe dat moet. U heeft het werk verworven. Zoals je talent erft. De toedracht blijft vaag maar schijnt de garantie van echtheid te impliceren. Kun je daarmee volstaan?

Je zult het maar zijn: de bezitter van een Rembrandt. Het schilderij hangt in uw slaapkamer naast uw vroegere werkplaats. Het wil onderzocht worden; het verlangt naar ogen die het definitieve onderscheid maken, niet naar de blikken van simpele museumbezoekers. Toch zal het langs talloze beschouwers en commentatoren moeten, wil het werkelijkheidsgehalte ervan worden bepaald.

Ik weet niet goed waarom u zoveel vertrouwen in mij stelde. Omdat ik maar een postbode ben? Of juist omdat ik uw briefgeheimen bewaak? Dacht u dat ik zou zwijgen voor het overige? Maar ik ben een schrijver, meneer Rosenberg, ik ben eerst en vooral een schrijver; ook ik maak aanspraak op mijn eigen stukje originaliteit tegenover de rest van de wereld.

Ik herken de neiging dat je wilt pronken met iets en het wilt verstoppen. Je vindt dat het recht heeft op aandacht. Je doet alles en toch weer niets om vakkundige blikken op je werk te vestigen.

Ik weet wat het is: u wilt vragen uit de weg gaan. Maar u ervaart ook eenzaamheid. Duur bezit schept grote verantwoordelijkheid, drijft je weg van de meute. Vage herkomst verlangt een verklaring. En daarna nog één. Zo reageert een omgeving die zelf niet veel kan.

Er heerst totaal geen angst dat het oordeel uiteindelijk “nep” zal zijn. Dat zou ons eerder helpen. Het zou de bevrijding inluiden. Het werk wordt er niet lelijker van. Stel je voor: eindelijk bevrijd te worden van het predikaat van echtheid door een menigte die zelf geen grootsheid ervaart.

Niet uit zichzelf, nooit in de slaapkamer.

De val naar het alledaagse

Over de kunst van het noodzakelijk kwaad.

Collega Titus Schulz woont in de wijk waar ik de post bezorg. Voor de argeloze voorbijganger is hij een bewoner als ieder ander; Titus is echter opgeleid aan de kunstacademie in Arnhem en de ontwerper van de ‘Merwede’, een lettertype dat hij ooit met precisie heeft vormgegeven. Net als ik beschouwt hij zijn huidige beroep vooral als een noodzakelijk kwaad. Toen hij mij onlangs een overzicht stuurde van de boekomslagen die hij in de loop der jaren heeft ontworpen, was ik zo onder de indruk dat ik besloot hem een brief te schrijven. Het is een reactie op zijn vakmanschap, geschreven vanuit de ironische wetenschap dat hij nu uitkijkt op een plek waar de geschiedenis van het grafische ambacht nog in de muren zit, terwijl ik daar nu de drempels afloop met een tas vol post. De brief volgt hieronder:

De visuele ziel van het verhaal: drie authentieke omslagontwerpen van Titus Schulz.

Beste Titus,

Ik ben zeer onder de indruk. Ik weet niet of het de verlokking is van de omslagen die jij hebt ontworpen of de inhoud van de teksten op de achterflap, maar sommigen maken mij nieuwsgierig naar de inhoud. Veel mensen onderschatten of gaan voorbij aan de schoonheid van het boekontwerp; ik vermoed omdat het louter als een ambacht wordt beschouwd dat nu eenmaal ten dienste moet staan van de verkoopbaarheid, in plaats van te worden gezien als de visuele ziel van het verhaal. Neem nu de volgende omslagen die je me stuurde:

‘De man die in 70 het kruis overleefde’ van Frans Vermeiren. Die drie verticale banen met de kruisigingsscène dwingen je bijna om tussen de regels door te kijken. Zelf geloof ik niet dat Jezus ooit heeft bestaan, maar als je het toch over zijn kruisigingsjaar moet hebben — dat door de schrijver bijna veertig jaar de toekomst in wordt geduwd — is het verstandig dat zo’n beladen onderwerp strak wordt gekaderd. Of neem ‘De Muur van Mussert’; die zware, zwarte balken die de titel bijna gevangen nemen geven direct dat beklemmende gevoel van die beladen plek in Lunteren. Je voelt de geschiedenis in de typografie. Ik ben een verwoed wandelaar en kwam daar toevallig terecht nadat ik het hoogste punt van Nederland had bezocht. Hoe anders dan op jouw voorkaft ziet die Lunterse ‘klaagwand’ er nu uit.

En dan die eenakter, ‘Kafka’s Harem’. De manier waarop je de titel in verschillende talen en kleuren over elkaar hebt gezet, vangt precies de absurdistische, koortsvallige sfeer die zo eigen is aan Kafka. Het contrast met het technisch bijna abstracte ‘Wiskunde in je vingers’; waar de formule

op de cover de spot lijkt te drijven met de ernst van het vak, laat zien hoe breed je palet is. Zelfs een biografie over de componist Robert de Roos, ‘Wanhoop niet!’, krijgt door jouw kleurkeuze een waardigheid die nieuwsgierig maakt naar de man achter de muziek.

Het is eigenlijk een gotspe, Titus. Terwijl wij in de Arnhemse regen lopen te hannesen met postelastiekjes en verkeerd geadresseerde enveloppen, heb jij een portfolio dat de intellectuele ruggengraat van menig boekenkast vormt. Je hebt de ‘Merwede’ als een veelzijdig nieuw lettertype ontworpen om structuur te geven aan taal, maar nu struikel ik over de drempels van jouw Van Verschuerenstraat waar ooit de persen van Thieme draaiden om jouw ontwerpen tot leven te wekken. Dat laatste is een aanname; ik weet eerlijk gezegd niet meer of het Thieme was waar jij zei gewerkt te hebben. Nou goed, je woont nu in ieder geval tegenover dat industriële erfgoed dat inmiddels is getransformeerd tot het wooncomplex Thiemehof.

Zijn we hard gevallen of bedrijven we kunst door de bedrijven heen?

Mijn superieure lijden (2)

Een vriendschappelijke interventie voerde mij terug naar de onvervalste versie van een vaderlands verhaal.

Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Normaal nu. Na een natsukashii navigeerde ik ontnuchterd van Nippon naar Nederland.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.

Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):

Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen.
Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.

Mijn superieure lijden (1)

Adana wa ‘Kawaii Karimero’ desu.

Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Dejima is kleinschalig, museaal en historisch accuraat. Met zijn houten pakhuizen en woningen lijkt het exact op het kunstmatige eilandje in het centrum van Nagasaki dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. In Dejima voel je de geschiedenis van eenzame Nederlandse koopmannen die jarenlang op een houten vlonder naar de zee staarden. Dat is een speciaal soort melancholie dat mijn personage in zijn rol van vertaler goed kan uitstralen. (Voor deze fotobewerking heb ik, met impliciete toestemming, een foto van de Japanse beroemdheid Tsuji Hitonari gebruikt. Dat leek me om meer dan één reden een uitstekende match. Zie onder.)

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.

De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.

Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?

De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.

In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.

De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.

Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.

Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.

Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.

Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.

Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).

Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

De gepaste schoenfase

Na de teen-condooms leek het nu weer even: hoge hakken, echte liefde.

Een ernstig geval van keuzestress, dat sommigen zouden bestempelen als een luxeprobleem, leidde tot het volgende berichtje van een vriendin vanuit een chique winkel in Utrecht: ‘Totaal ander onderwerp nu, en ik weet dat er veel ergere dilemma’s bestaan, maar waarom zijn er zo veel lelijke schoenen?’

Ik wist dat zij niets zou hebben aan mijn antwoord, maar ik zat nog in de fase van ad rem willen zijn, dus schreef ik, ook vanuit een winkel: ‘Hoe duurder de schoen, hoe groter de kans dat hij eruitziet alsof hij is samengesteld uit restafval van een orthopedische kliniek en een legodoos. Men noemt dit “avant-garde”, maar wij weten wel beter: het is gewoon een sociaal experiment om te zien hoe ver mensen gaan voor een merklogo.’

Omdat ik precies wist wat ik nodig had in de zaak waar ik was – ik bevond mij in de wachtrij van een apotheek – en ik dus tijd genoeg had, maar ook omdat mijn gevoel voor humor nog niet afdoende was aangetoond, liet ik hierop volgen: ‘Ik kan trouwens ook wel een voordeel bedenken. Lelijk schoeisel vormt eigenlijk een beveiligingssysteem. Niemand gaat je overvallen voor een paar patta’s dat eruitziet als twee opgeblazen vissen of Crocs met nepbont.’

Mmm, alweer te matig misschien om echt leuk te lijken, dus waarschijnlijk zouden er nog meer te snel geconstrueerde antwoorden volgen. Eigenlijk demonstreerde ik hiermee precies de reden waarom er overproductie is in de mode-industrie; de kwantiteit moet een soort van sporadische kwaliteit waarborgen. Maar wacht, nu had ik plotseling een hele persoonlijke associatie.

Ik moest opeens aan Elisabeth denken. Wat had ik haar Vibran FiveFingers leuk gevonden. Koddig, guitig, aandoenlijk en schalks, dat waren de woorden die ik aanvankelijk voor haar en haar teenschoenen bedacht. Wat ik er ook zo geweldig aan vond, was dat de dingen zolen van niks bezaten. Elisabeth en ik waren even groot. Ik flaneerde graag met haar.

Toch zou mijn vertedering snel verdwijnen. De afspraak om te gaan hardlopen kreeg een flinke knauw bij haar voordeur, die open en dichtging als ik haar ophaalde. Ik was altijd precies op tijd of net iets te vroeg. Zij was nooit klaar, moest nog van alles doen. Ze duwde me een Duitstalig boek in handen. Zo kon ik de tijd in haar portiek met Goethe doden of een andere ‘echte’ schrijver. Haar schoentjes mochten ook niet naar binnen. Die stonden daar ‘ganz alleinig und barfüßerisch’ voor de dorpel. Zolang zij er zelf niet in zat vond ik ze best bizar.

Ik begrijp niet waarom ze mij zo rigoureus buitensloot. Het leidde er toe dat ik, zittend op de harde rand van een plantenbak, steeds luider ging voordragen. Op een gegeven moment begon mijn gereciteer qua luidheid op de toespraken van Hitler of Goebbels te lijken. Dat vond ze helemaal niet erg. Het enige compliment dat ze mij ooit heeft gegeven is dat ik sprak met een “geloofwaardig hoogduits” accent. En zij kon het weten want ze had het gestudeerd.

Het contact met haar is verbroken. Dat kwam niet door haar schoeisel maar toch: in het bos liep het fout met de voethandschoenen die de natuurlijke bewegingen moesten simuleren. Ze kon het parcours, dat harde en zachte stukken bevatte, alsook passages met wortels en modderige delen, nooit ononderbroken voltooien. De grond bleek ongeschikt, de zolen te dun, haar voeten te gevoelig. Het werd haar allemaal te moeilijk. Waarom kon ik geen route uitstippelen met alleen maar zachte paden?

De basis viel weg. We haalden elkaar uit ons normale ritme. Dat placht liefde ook te doen, maar onze verstoringen bleken niet liefdevol. De vriendin in Utrecht had inmiddels een knoop doorgehakt; ze stuurde een foto van haar aankoop. Ik kon niet zeggen dat ik haar keuze reuze vond. Te hoge hakken misschien. Maar geen probleem uiteraard. Als zij ze aan had, zou alles goedkomen. In die schoenfase zaten we nog.

Uit hun stekker; kortsluiting in Arnhem

Hoe een poging tot cultuurbehoud ontaardde in museumroof.

Speciaal voor de opening van de expositie Bakudengar (Luister naar elkaar) was in een van de grootste zalen van Museum Arnhem een tijdelijk podium opgetrokken, gedrapeerd met een prachtig batikachtig doek. Daarvoor zaten muzikanten met een koloniale achtergrond die gamelanmuziek ten gehore gingen brengen. We zouden getrakteerd worden op een traditioneel welkomslied.

De nieuwe vleugel van Museum Arnhem steekt vijftien meter uit over de stuwwal, waardoor bezoekers ‘zwevend boven de bomen’ van een weids uitzicht over de omgeving genieten. Ze is betegeld met 82.000 unieke, met de hand vervaardigde tegels. Het bijzondere kleurverloop van de tegels op de gevel, van aardse tinten aan de walkant tot ijsblauw aan de zijde richting de rivier, symboliseert de locatie van het museum op de door een gletsjer ontstane stuwwal (een idee van Benthem Crouwel Architects). Over glad ijs gesproken: gauwdiefjes hebben niets aan deze doodlopende gang.

De muziek zwol aan, begeleid door de zang van een dame op leeftijd. Laat ik haar stem, met alle respect voor de traditie, ‘karaktervol’ noemen. Of, voor de minder spiritueel ingestelde luisteraar zoals ik, die er maar niet ‘in’ kon komen: een tikkeltje gammel.

Ik bleef mijzelf wijsmaken dat authenticiteit nu eenmaal schuurt en dat het niet aan de zangeres lag dat ik was afgeleid. Een zeldzaam moment van zelfkennis, want de realiteit gaf me direct gelijk. Mijn concentratie werd namelijk niet op de proef gesteld door de zangkunst, maar door een nabijstaande video-installatie. Onder het scherm daarvan hing een dozijn koptelefoons aan haakjes, waaruit het schelle geluid ontsnapte van een koloniale film die daarboven werd vertoond.

In verband met de muziekuitvoering stonden wij, het halvemaanvormige publiek, met onze rug naar deze auditieve stoorzender. In een straal van zo’n tien meter hielp het gekrijs uit de schelpen elk greintje cultuurbeleving vakkundig om zeep. Omdat de video in een eeuwige loop werd gevangen, was er geen hoop op een natuurlijke dood van het geluid. Ik besloot dat er een interventie moest plaatsvinden; voor de wetenschap, voor de kunst, maar vooral voor mijn eigen gemoedsrust die maar niet van de grond wilde komen.

Blij dat ik weer eens mijn eigen voorstelling binnen de voorstelling op mocht voeren, dook ik met de lenigheid van een ervaren saboteur achter de installatie. Daar vond ik de voedingskabel in een stekkerhuls. Ik hoefde ze alleen maar uit elkaar te trekken. Missie geslaagd, zo vermoedde ik. Toen ik echter met een triomfantelijke blik achter het scherm vandaan kwam, bleek de techniek mij te slim af te zijn geweest. Het beeld was weg, maar de koptelefoontjes schalden onverstoorbaar verder.

Tijd voor plan B, bedacht ik, toen ik, terug in de luistersikkel, op adem was gekomen. Gelukkig leven we in een tijd waarin koptelefoons niet meer met draden aan de geluidsbron vastzitten. Ik begon ze één voor één van hun haakjes te bevrijden, in de hoop dat ze buiten het bereik van de zender hun irritante relaas zouden staken.

Terwijl ik met een tros van die dingen om mijn armen de nieuwe vleugel van het museum inschoot – een gang die ver over de Arnhemse stuwwal uitsteekt en eindigt bij een enorm raam met uitzicht over de Rijn – verstierf inderdaad het geluid. De draadloze verbinding had haar grens bereikt.

Dat werd voor mij helaas ook het einde van het liedje. Een suppoost had mij in het vizier gekregen. En daarna nog één, die draadloos verbonden bleek met de eerste via diens alarmknop. In de ogen van de beveiliging was ik niet de redder van de gamelan-akoestiek, maar de man die op klaarlichte dag de audio-inventaris probeerde te ontvreemden.

Terwijl de oude dame haar wankele noten over de menigte uitstrooide, werd ik naar een kamertje geleid waar het doodstil was.

De blinde vlekken van de Rhedense raad

Over een vals referentiepunt en het meten met twee maten rond Buitenplaats Beekhuizen.

In mijn vorige bericht over de uitbreidingsplannen van Buitenplaats Beekhuizen meende ik de vinger op de zere plek te hebben gelegd: de nulmeting. De wethouder en de raad lijken bij hun beoordeling uit te gaan van een verkeerde basislijn. Ze kijken naar de situatie zoals die er nu bij ligt — inclusief de twijfelachtige uitbreidingen die al ‘stiekem’ zijn neergezet — en noemen elke minimale aanpassing vanaf dat stadium ‘winst’. Maar wie de natuur als maatstaf neemt, ziet dat dit een vals vertrekpunt is. Het lijkt een rekentruc om achteruitgang als vooruitgang te verkopen.

Hoe kan het dat een mapje, dat veel lichter is, de weegschaal toch doet doorslaan? Omdat er een onzichtbare kracht op duwt: de ‘politieke onwil’. Ze wordt hier symbolisch vormgegeven als een hand ‘van boven’ die een valse balans creëert.

Waar ik me richtte op de inhoudelijke weeffout in de plannen, legt Annelies van Vliet de vinger op een procesmatige inconsistentie. In haar nieuwste brief aan de gemeente – die zij zo goed was met mij te delen – stelt zij de vraag waarover elke controlerende politicus zich achter de oren zou moeten krabben: waarom gelden de regels die de raad voor elk ander dossier hanteert, plotseling niet voor Beekhuizen? Hieronder de integrale tekst van haar analyse:

De keuze is niet reuze

De gemeenteraad van Rheden heeft zich de afgelopen jaren graag gepresenteerd als kritisch controleur van het college. Bij vrijwel elk spraakmakend dossier werd het college teruggestuurd naar de tekentafel met de opdracht om méér scenario’s uit te werken. Dat gebeurde bij het afsluiten van de Posbank, bij het vuurwerkverbod en bij het dossier rond houtstook. Steeds weer klonk vanuit de raad dat er eerst verschillende opties op tafel moesten komen voordat een besluit kon worden genomen.

Opvallend genoeg lijkt dat principe niet te gelden bij het dossier rond de uitbreiding van Buitenplaats Beekhuizen. Daar wordt slechts één scenario uitgewerkt. Alternatieven ontbreken. Geen varianten, geen verschillende ruimtelijke of beleidsmatige opties – alleen het voorstel zoals het er nu ligt.

Dat roept een eenvoudige maar wezenlijke vraag op: waarom vindt de raad het hier blijkbaar wél voldoende om met één scenario genoegen te nemen?

Juist bij een ontwikkeling in een kwetsbaar natuurgebied zou je verwachten dat de raad dezelfde zorgvuldigheid eist als in andere dossiers. Dat betekent: verschillende scenario’s naast elkaar leggen, de (financiële!) gevolgen vergelijken en pas daarna een afgewogen keuze maken.

Als de raad in andere dossiers keer op keer benadrukt dat besluitvorming beter wordt van meerdere opties, waarom wordt dat principe hier dan losgelaten?

Consistent bestuur vraagt om gelijke maatstaven. Anders ontstaat al snel de indruk dat het principe van “meer scenario’s” alleen wordt toegepast wanneer het politiek handig is.

En dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Annelies van Vliet

Ik heb deze tekst met veel genoegen gelezen. Wat Annelies hier doet, is de raad herinneren aan de eigen retoriek. Of het nu gaat om de afsluiting van de Posbank, het vuurwerkverbod of het dossier houtstook: de raad van Rheden profileert zich de laatste jaren als de ‘kampioen van de scenario’s’. Geen besluit zonder alternatieven op tafel.

Behalve bij Beekhuizen. Daar ligt maar één scenario. Geen varianten, geen ‘natuur-eerst’-optie, geen kleinschaliger alternatief. Alleen het plan van de ontwikkelaar. Dat komt heel inconsistent over. Waarom is haar brief zo sterk? Een paar punten die mij opvallen:

  • De bewijslast: Door drie concrete dossiers te noemen waar de raad wél om scenario’s vroeg, dwingt ze de politiek in de verdediging. Zij moeten nu gaan uitleggen waarom Beekhuizen zo ‘uniek’ is dat hun eigen principes hier niet gelden. Dat is een nagenoeg onmogelijke positie.
  • De stem van het gezond verstand: Ze schrijft “als gewone kiezer” die het “echt niet snapt”. Dat is slimme framing. Ze stelt zich niet op als activist, maar als de stem van de logica. De suggestie is helder: als zij het niet meer volgt, is de raad de burger definitief kwijt.
  • Het financiële haakje: Met de toevoeging “(financiële!)” raakt ze een gevoelige snaar. Zonder alternatieven is er immers geen enkel zicht op of dit wel de meest doelmatige besteding van publieke middelen en ruimte is.
  • De uitsmijter: De zin “Consistent bestuur vraagt om gelijke maatstaven” is de genadeslag. Ze trekt het dossier weg uit de emotie van natuurbeheer en tilt het naar het niveau van bestuurlijke zuiverheid en integriteit.

Door de zorgvuldigheid die de raad elders eist nu naast de laksheid bij Beekhuizen te leggen, laat Annelies zien dat er sprake is van meten met twee maten. Als je bij een kwetsbaar natuurgebied – nota bene een Natura 2000-gebied – genoegen neemt met slechts één uitgewerkt scenario, dan is je rol als ‘kritisch controleur’ niets meer dan een gelegenheidsargument. Haar punt over de “tekentafel” staat dan ook als een huis.

De optelsom is pijnlijk: de raad hanteert een foutief referentiepunt (inhoud) én weigert alternatieve scenario’s te onderzoeken (proces). Het begint er steeds meer op te lijken dat de uitkomst al vaststaat en dat de democratische weg eromheen slechts hinderlijke ruis is.

Annelies houdt de politiek in een hoffelijke, maar ijzersterke houtgreep. Ze stelt terecht de vraag: “Dat kan toch niet de bedoeling zijn?” Ik ben benieuwd of de raad, nu de verkiezingen voor de deur staan, het lef heeft om alsnog wezenlijke beleidsvarianten en/of alternatieve afwegingen af te dwingen. Of blijft het bij dit ene, al uitgestippelde pad?