
Wie de ‘Stoeve-laarsjes’ past, trekke hen aan


Natuurlijk zal dit slinkse nest niet rusten voordat alle neuzen haar kant op wijzen. Het gaat niet goed met de opperbazen in de Boreale bossen van Teutholia. Blafhond Geert had teveel afscheiding na de laatste coupe. De hooghartige bloedhond Markusz liep een vette kluif mis en blaft nu al een toontje lager. De potsierlijke Teckel Thierry verliet zijn roedel overhaast en keerde terug met hangende pootjes, wat een slappe indruk maakte. Kettinghond Henk kan alleen het boerenerf bewaken en laat zijn oren teveel hangen naar, de niet minder voorspelbare, one-trick pony Van der Plas. De Eerdmanterriër tenslotte baalt dat zijn alfavrouwtje vaker wordt aangehaald door asielhoudster Jinek dan hij.

Nee, ik zal haar niet de hemel in prijzen want ik ken haar verder niet, maar dit is wat ik wel van haar weet:
1. Zij heeft de moed om de problemen te benoemen.
In het dossier Buitenplaats Beekhuizen stuitte ik op een muur van bureaucratisch gelul. Terwijl andere partijen meegaan in de technische rekensommetjes die op papier natuurwinst beloven, was het Beau Vroone die mijn bezwaren ondersteunde. Het getuigt van intellectuele eerlijkheid om te erkennen dat een administratieve stikstofreductie de natuur in de praktijk niet helpt. We hebben politici nodig die de fysieke realiteit van de Veluwezoom zwaarder laten wegen dan een juridisch sluitend document.

2. Zij toont betrokkenheid bij de directe leefomgeving (en kijkt dus ook over de gemeentegrenzen heen).
Natuur houdt niet op bij de gemeentegrens tussen Rheden en Arnhem. Waar veel raadsleden zich verschuilen achter hun eigen ‘tuintje’, toonde Beau Vroone zich bereid om over de grenzen heen te kijken. Door de Rhedense fractie te tippen over mijn boze emails en blogberichten, liet zij zien dat ecologische belangen en democratische transparantie een regionaal belang zijn. Dat is het type leiderschap dat de Veluwezoom nodig heeft.
3. Zij brengt de filosoof terug in de politieke arena.
Dat Beau een afgestudeerd filosofe is, zie ik als een aanzienlijk voordeel voor de lokale politiek. We moeten hiervoor terug naar het oude Griekenland, de bakermat van onze democratie. Voor figuren als Plato was de ‘filosoof-bestuurder’ het hoogste ideaal; niet uit arrogantie, maar omdat een filosoof getraind is om voorbij de waan van de dag te kijken. In de traditie van Socrates stelt een filosoof de ‘waarom-vraag’ die anderen vaak vergeten. In een tijd van snelle oneliners hebben we mensen nodig die logische drogredenen herkennen en die de ethische consequenties van beleid kunnen overzien voordat de eerste schop de grond in gaat.
4. Haar scriptie waarin zij patronen van onderdrukking doorziet, belooft veel goeds.
Haar masterscriptie over de ‘heks als anti-moeder’ is meer dan een historisch onderzoek; het is een analyse van hoe systemen van macht en uitsluiting werken. Door te laten zien hoe vrouwen historisch tot zondebok werden gemaakt zodra ze niet aan onmogelijke maatschappelijke normen voldeden, toont ze aan dat ze scherp is op systeemfouten. In de politiek betekent dit dat zij waarschijnlijk de eerste zal zijn die signaleert wanneer kwetsbare ‘groepen’ — of dat nu mensen, dieren of de natuur zelf zijn — onterecht in de hoek van ‘het probleem’ worden gedrukt. Haar focus op reproductieve rechten en de onzichtbare lasten van zorgwerk vertaalt zich direct naar een pleidooi voor een rechtvaardigere inrichting van onze Arnhemse samenleving.
En dus?
Politiek gaat voor mij om vertrouwen. Vertrouwen dat een volksvertegenwoordiger niet alleen de regels volgt, maar ook durft te zeggen wanneer die regels de werkelijkheid geweld aandoen. Beau Vroone heeft mij nu al bewezen over die scherpte en integriteit te beschikken. Wie hart heeft voor de natuur van de Veluwezoom en wie gelooft in een transparante democratie vindt in haar de juiste stem in de Arnhemse raad.

Nadat ik mijn zorgen over de ‘valse nulmeting’ bij Buitenplaats Beekhuizen had gedeeld met de Partij voor de Dieren in Rheden, ontving ik een opvallend openhartige reactie van Claudia van den Elsen. Waar veel politieke partijen zich verschuilen achter ambtelijk jargon, geeft Claudia een ontluisterend inkijkje in de “politieke houdgreep” waarin de raad zich bevindt. Ze schetst een beeld van een besluitvorming die in beton gegoten lijkt; een proces waarbij de werkelijkheid van het Natura 2000-gebied moet wijken voor een bureaucratische schijnvertoning.

Beste Ronald,
Ten eerste mijn excuses voor het zo laat reageren op je e-mail. We zijn druk bezig met campagne voeren en het is mij compleet ontschoten om te reageren op je mail. Doorgaans proberen we binnen drie werkdagen te reageren.
Ook voor ons is Buitenplaats Beekhuizen een redelijk nieuw en complex dossier. En ook bij ons kwam er een overduidelijk gevoel op, dat zaken op een twijfelachtige manier werden weerlegd en/of goedgepraat. Wij zijn allerminst tevreden hoe dit allemaal afgehandeld wordt, met een duidelijke toename van urgentie om dit dossier maar zo spoedig mogelijk te sluiten.
Ook het feit dat er maar twee scenario’s bestaan in deze zaak, bevreemd ons. Het is ofwel volledig toestaan wat de dames hebben ingezet, met na toch vele vragen vanuit de raad en bewoners, enige restricties, ofwel teruggaan naar een camping met 150 plaatsen, die volgens een vertegenwoordiger van PvdA/GL […] dan zullen uitmonden in 150 plekken voor vieze, op diesel rijdende campertjes, die de boel nog meer vervuilen!
Ik werd door een zittend raadslid op je blogs gewezen twee weken geleden en ik/wij denken niet dat je het verkeerd ziet. Allerminst. Helaas is onze inbreng momenteel minimaal. Ik heb wel de mogelijkheid genomen om in te spreken en de raad op andere gedachten te brengen, met nu blijkt, ook minimaal effect helaas. Alsof alles al in beton gegoten is.
Ik heb ook nog een poging via de Provinciale Staten gedaan met het indienen van een zienswijze vanuit de PvdD. Over ca. 5 weken zal Provinciale Staten een uitspraak doen inzake het afgeven van een natuurvergunning voor Buitenplaats Beekhuizen. Maar ons raadslid aldaar gaf al aan dat het overgrote merendeel voor het afgeven van de vergunning is.
En dit alles onder de zware wetgeving van Natura2000! Ik vind het werkelijk onvoorstelbaar dat dit kan gebeuren.
Mijn mail komt hoogstwaarschijnlijk als mosterd na de maaltijd, maar ik/wij zijn heel blij met kritische mensen zoals jij, met oog en hart voor onze mooie natuur en haar bewoners, het milieu en die ook niet bang zijn om misstanden in de gemeenteraad aan te kaarten.
Het enige wat wij nu nog kunnen doen is de dames goed in de gaten houden en direct ageren als ze wederom de grenzen aan het oprekken c.q. aan het overschrijden zijn. Want ik denk dat er morgenavond hoogstens twee raadsleden tegen de ontwerpverklaring van geen bedenkingen zullen stemmen. Rosanna Huertas Mulckhuyse en met een beetje geluk, Theo Kooijmans.
Hopelijk heb ik je vragen enigszins kunnen beantwoorden, gezien ook onze ‘lekenstaat’, heb je nog verdere vragen of wil je op de mail reageren, graag.
Met vriendelijke groet,
Claudia
Partij voor de Dieren Rheden
Ik was geraakt door de eerlijkheid van Claudia, maar ook gesterkt in mijn vermoeden dat we hier te maken hebben met een vals dilemma. In mijn antwoord aan haar ga ik in op de retoriek die wordt gebruikt om dit dossier door de raad te loodsen en de noodzaak om, over de gemeentegrenzen heen, de vinger op de zere plek te blijven leggen.
Beste Claudia,
Hartelijk dank voor je uitgebreide en eerlijke reactie. Excuses zijn nergens voor nodig; ik begrijp heel goed dat de campagnetijd hectisch is en ik waardeer het des te meer dat je de tijd neemt om zo inhoudelijk te reageren.
Het is zowel een geruststelling als een zorg dat jullie mijn observaties delen. Een geruststelling, omdat het bevestigt dat mijn analyse van de ‘valse nulmeting’ en de ‘papieren referentiesituatie’ hout snijdt. Een zorg, omdat het beeld dat je schest — van een raad die lijkt vast te zitten in een voldongen feit — getuigt van een democratisch tekort bij een dossier met een dergelijke ecologische impact.
De redenering die je aanhaalt over de ‘150 vieze dieseltjes’ is een treffend voorbeeld van de retoriek die hier wordt gebruikt. Het presenteert een vals dilemma […] waarbij een vertegenwoordiger van de coalitie suggereert dat de enige keuze bestaat uit een overbevolkte camperplaats of de huidige expansieplannen. Dat een scenario gericht op volledig natuurherstel niet eens serieus is onderzocht, blijft de grote blinde vlek in dit dossier. Zoals Beau Vroone uit de Arnhemse fractie het treffend verwoordde: we hebben hier te maken met een ‘papieren werkelijkheid’. Een werkelijkheid die op papier stikstofwinst claimt, maar in de praktijk de druk op een kwetsbaar Natura 2000-gebied alleen maar verhoogt.
Ik heb veel respect voor het feit dat je hebt ingesproken en zelfs via de Provinciale Staten een zienswijze hebt ingediend. Dat het effect op de korte termijn minimaal lijkt en de uitspraak over de natuurvergunning over vijf weken wellicht niet de gehoopte uitkomst biedt, is frustrerend; het ontslaat ons echter niet van de plicht de vinger op de zere plek te blijven leggen.
Mijn blogs zijn bedoeld om deze mechanismen inzichtelijk te maken voor een breder publiek. Het is fijn om te weten dat ze ook binnen de fractie gelezen worden. Laten we contact houden over het vervolg, zeker wanneer de “dames” van de Buitenplaats de grenzen verder opzoeken.
Nogmaals dank voor jullie inzet voor de natuurwaarden van de Veluwezoom.
Met vriendelijke groet,
Ronald van Noorden
P.S. 1 Voor wie zich afvraagt wie er achter het huidige beleid schuilgaan: met ‘de dames’ waarnaar in de correspondentie wordt verwezen, worden Judith en Irene Stoevelaar bedoeld; zij zijn van Introvast. Het is hun visie die momenteel leidend is, ten koste van alternatieve scenario’s waarin natuurherstel het vertrekpunt zou zijn.
P.S. 2 Deze correspondentie heeft voor mij persoonlijk ook voor een politieke doorbraak gezorgd. Als inwoner van Arnhem is het voor mij nu volkomen helder op wie ik mijn stem ga uitbrengen bij de komende gemeenteraadsverkiezingen. Beau Vroone heeft met haar scherpe analyse en bereidheid om over de gemeentegrenzen heen te kijken, bewezen dat zij de stem van de natuur serieus neemt. Op dit blog volgt een uitgebreid en onderbouwd stemadvies.
Politiek gaat vaak over compromissen, maar wanneer een compromis wordt gebouwd op een fundament van administratieve fictie, verliest de democratie haar geloofwaardigheid. Het dossier Beekhuizen laat zien dat we niet langer genoegen mogen nemen met een natuur die alleen op papier floreert. De strijd voor de Veluwezoom stopt niet bij de uitspraak van de Provinciale Staten over vijf weken; die begint pas echt wanneer we de grenzen van de ‘papieren werkelijkheid’ blijven uitdagen.
Mijn inbox is tegenwoordig zelden saai, maar dit bericht van Jan Keemink (voorzitter van Stichting Natuurbehoud Veluwezoom) trof me direct. Jan volgt het dossier Buitenplaats Beekhuizen al jaren op de voet. Terwijl het college zich opmaakt voor de raadsvergadering van 24 maart, viel hem iets op in de terminologie die daar wordt gebruikt. Een subtiel verschil in woorden, dat in de praktijk wel eens grote gevolgen zou kunnen hebben voor hoe we als burgers buitenspel worden gezet.

Hoi Ronald,
Het viel mij op dat het gaat om een ‘verklaring van geen bedenkingen’ die de raad nu wil afgeven. Maar volgens mij zijn er bij de fracties juist heel veel bedenkingen, behalve misschien bij de VVD. Er wordt gehandeld alsof het om een verklaring van geen bezwaar gaat, maar dat is het niet. Eigenlijk kunnen ze die verklaring dus helemaal niet afgeven.
Het zou ook mooi staan in de Regiobode als persbericht of bij Studio Rheden.
Kun jij daar nog iets mee in jouw blog?
Groet, Jan
Jan’s observatie zette me aan het denken. Is de raad hier werkelijk zo onwetend, of zijn we getuige van een politiek schaakspel? Ik heb de officiële stukken van wethouder Paul Hofman (GroenLinks) erbij gepakt en deze laten spiegelen door een bekende met de nodige bestuursjuridische ervaring. Kijken we hier niet naar een normale procedure, of naar een zorgvuldig opgetuigde ‘fuik’? Ik besloot Jan mijn bevindingen terug te sturen met een vraag.
Dag Jan,
Dank voor je bericht. Ik heb de stukken voor de 24e nog eens goed doorgespit.
Je punt over de “verklaring van geen bedenkingen” (vvgb) is interessant. Ik heb het even voorgelegd aan een bekende uit het bestuursrecht (zie ook de annex onderaan). Juridisch gezien is die vvgb een nogal taai instrument: de raad geeft hiermee in feite alleen de ‘sleutel’ af om de procedure te starten.
Dit hoef ik jou niet te vertellen natuurlijk. Ik begrijp je mail vooral als een signaal over de politieke beeldvorming. We weten allebei dat de rij met bezwaarmakers op dit moment niet bepaald tot aan de Posbank staat. Juist omdat die massale weerstand vanuit de burger ontbreekt, wordt de rol van de media en de politieke fracties cruciaal.
Moet ik je suggestie voor mijn blog zo begrijpen dat je de druk op de ketel wilt houden bij de fracties die twijfelen? Als er vanuit de samenleving weinig ‘zienswijzen’ komen, is de enige weg om dit plan te stuiten een politieke weigering op basis van de “goede ruimtelijke ordening”.
Ik heb in de bijlage de juridische fijnmazigheid laten bevestigen door mijn bron (zie PS2). Het laat zien dat de raad zichzelf deels buitenspel zet als er geen zienswijzen komen (punt 6 van het besluit). Is dit precies waarom je de publiciteit zoekt? Om te voorkomen dat dit proces geruisloos naar een ‘automatische’ definitieve verklaring kabbelt?
Ik hoor graag of je wilt dat ik in mijn blog de nadruk leg op deze juridische ‘fuik’ waar de raad in dreigt te lopen, of waar zij zich graag toe laat verleiden in te lopen, als betreft het een zorgvuldig opgetuigd labyrint voor de argeloze burger (PS1).
Hartelijke groet,
Ronald
PS1: Als we uitgaan van ons vermoeden dat de raad het proces bewust ‘dichtgetimmerd’ heeft, dan krijgt jouw opmerking over de “verklaring van geen bedenkingen” een hele bittere bijsmaak. Ze handelen alsof het een hamerstuk is zonder enig bezwaar, terwijl de werkelijkheid buiten de raadszaal natuurlijk heel anders is. Door deze terminologie te gebruiken, creëren ze een papieren werkelijkheid waarin het lijkt alsof de raad unaniem achter het plan staat. De route naar een definitief besluit wordt voor de politici zo glad mogelijk gemaakt, terwijl de burger voor een labyrint staat; dit in de hoop dat niemand de moeite neemt om een zienswijze in te dienen. Ik wil in mijn blog de nadruk leggen op dit ‘politieke theater’. Het lijkt erop dat de raad (inclusief GroenLinks/PvdA) de burgerparticipatie degradeert tot een formaliteit die ze het liefst zo snel mogelijk afvinken.
PS2: Annex: Samenvatting advies inzake procedure VVGB Bovenallee 1
Naar aanleiding van de stukken voor de raadsvergadering van 24 maart 2026 heb ik een bevriende bestuursjurist om een duiding gevraagd van de term ‘verklaring van geen bedenkingen’ in deze context. Hieronder de kernpunten uit zijn reactie:
Na het lezen van deze correspondentie rest de vraag: laten we ons als burgers geruisloos opsluiten in een labyrint dat ontworpen is om ons te laten verdwalen, of eisen we dat de ‘bedenkingen’ die er wel degelijk zijn, ook daadwerkelijk gehoord worden? De klok tikt richting 24 maart.
Beste heer Rosenberg, ik begrijp nu dat u twee typen ogen onderscheidt bij mensen die onderzoek doen naar de authenticiteit van schilderijen: ogen die kijken met louter kennis van zaken, en de gezichtsorganen van de zogenaamde experts met dollartekens in hun blik.
Een combinatie van de twee is ook mogelijk: de halfkritische visie van geldbeluste connaisseurs. Die zouden het u moeilijk kunnen maken, maar nee, al deze mensen heeft u buitengesloten; zij doen u geen kwaad meer.

Sommigen van uw dierbaren, zo vertelde u, begonnen ook al raar te kijken. Pure afgunst. Zij waren van mening dat u een economisch belang hebt bij het bepalen van echt of nep. Dat noemde u blikvernauwing. Ook hen wees u de deur.
U bent geen charlatan maar een lichtmeester en een scherpslijper. U werd van jongsaf omringd door kunst. Toeval en gevoel voor schoonheid hebben u belast met iets enorms; iets onhandelbaars. U beweert een Rembrandt te bezitten.
Helaas voor u kunt u niet om de ‘toeschrijvingsautoriteiten’ heen. Dat zijn mensen – in uw woorden – die in geen enkele eerder genoemde categorie passen. Ze zijn verbonden aan musea en hebben het aureool van wetenschappelijkheid en objectiviteit.
Die trekt u niet in twijfel, maar de ware experts werken niet belangeloos. Ze willen geen onderzoek verrichten zolang u uw doek niet op voorhand in bruikleen geeft (mocht deze als echt worden aangemerkt).
Ziedaar de patstelling. U bent een noodgedwongen eigenaar en een actief conflictvermijder. U werkt nauwkeurig als het om uw hobby gaat (het vervaardigen van lenzen), maar u wilt zichzelf niet creatief noemen. Vervalsen bijvoorbeeld, u zou niet weten hoe dat moet. U heeft het werk verworven. Zoals je talent erft. De toedracht blijft vaag maar schijnt de garantie van echtheid te impliceren. Kun je daarmee volstaan?
Je zult het maar zijn: de bezitter van een Rembrandt. Het schilderij hangt in uw slaapkamer naast uw vroegere werkplaats. Het wil onderzocht worden; het verlangt naar ogen die het definitieve onderscheid maken, niet naar de blikken van simpele museumbezoekers. Toch zal het langs talloze beschouwers en commentatoren moeten, wil het werkelijkheidsgehalte ervan worden bepaald.
Ik weet niet goed waarom u zoveel vertrouwen in mij stelde. Omdat ik maar een postbode ben? Of juist omdat ik uw briefgeheimen bewaak? Dacht u dat ik zou zwijgen voor het overige? Maar ik ben een schrijver, meneer Rosenberg, ik ben eerst en vooral een schrijver; ook ik maak aanspraak op mijn eigen stukje originaliteit tegenover de rest van de wereld.
Ik herken de neiging dat je wilt pronken met iets en het wilt verstoppen. Je vindt dat het recht heeft op aandacht. Je doet alles en toch weer niets om vakkundige blikken op je werk te vestigen.
Ik weet wat het is: u wilt vragen uit de weg gaan. Maar u ervaart ook eenzaamheid. Duur bezit schept grote verantwoordelijkheid, drijft je weg van de meute. Vage herkomst verlangt een verklaring. En daarna nog één. Zo reageert een omgeving die zelf niet veel kan.
Er heerst totaal geen angst dat het oordeel uiteindelijk “nep” zal zijn. Dat zou ons eerder helpen. Het zou de bevrijding inluiden. Het werk wordt er niet lelijker van. Stel je voor: eindelijk bevrijd te worden van het predikaat van echtheid door een menigte die zelf geen grootsheid ervaart.
Niet uit zichzelf, nooit in de slaapkamer.
Collega Titus Schulz woont in de wijk waar ik de post bezorg. Voor de argeloze voorbijganger is hij een bewoner als ieder ander; Titus is echter opgeleid aan de kunstacademie in Arnhem en de ontwerper van de ‘Merwede’, een lettertype dat hij ooit met precisie heeft vormgegeven. Net als ik beschouwt hij zijn huidige beroep vooral als een noodzakelijk kwaad. Toen hij mij onlangs een overzicht stuurde van de boekomslagen die hij in de loop der jaren heeft ontworpen, was ik zo onder de indruk dat ik besloot hem een brief te schrijven. Het is een reactie op zijn vakmanschap, geschreven vanuit de ironische wetenschap dat hij nu uitkijkt op een plek waar de geschiedenis van het grafische ambacht nog in de muren zit, terwijl ik daar nu de drempels afloop met een tas vol post. De brief volgt hieronder:

Beste Titus,
Ik ben zeer onder de indruk. Ik weet niet of het de verlokking is van de omslagen die jij hebt ontworpen of de inhoud van de teksten op de achterflap, maar sommigen maken mij nieuwsgierig naar de inhoud. Veel mensen onderschatten of gaan voorbij aan de schoonheid van het boekontwerp; ik vermoed omdat het louter als een ambacht wordt beschouwd dat nu eenmaal ten dienste moet staan van de verkoopbaarheid, in plaats van te worden gezien als de visuele ziel van het verhaal. Neem nu de volgende omslagen die je me stuurde:
‘De man die in 70 het kruis overleefde’ van Frans Vermeiren. Die drie verticale banen met de kruisigingsscène dwingen je bijna om tussen de regels door te kijken. Zelf geloof ik niet dat Jezus ooit heeft bestaan, maar als je het toch over zijn kruisigingsjaar moet hebben — dat door de schrijver bijna veertig jaar de toekomst in wordt geduwd — is het verstandig dat zo’n beladen onderwerp strak wordt gekaderd. Of neem ‘De Muur van Mussert’; die zware, zwarte balken die de titel bijna gevangen nemen geven direct dat beklemmende gevoel van die beladen plek in Lunteren. Je voelt de geschiedenis in de typografie. Ik ben een verwoed wandelaar en kwam daar toevallig terecht nadat ik het hoogste punt van Nederland had bezocht. Hoe anders dan op jouw voorkaft ziet die Lunterse ‘klaagwand’ er nu uit.
En dan die eenakter, ‘Kafka’s Harem’. De manier waarop je de titel in verschillende talen en kleuren over elkaar hebt gezet, vangt precies de absurdistische, koortsvallige sfeer die zo eigen is aan Kafka. Het contrast met het technisch bijna abstracte ‘Wiskunde in je vingers’; waar de formule

op de cover de spot lijkt te drijven met de ernst van het vak, laat zien hoe breed je palet is. Zelfs een biografie over de componist Robert de Roos, ‘Wanhoop niet!’, krijgt door jouw kleurkeuze een waardigheid die nieuwsgierig maakt naar de man achter de muziek.
Het is eigenlijk een gotspe, Titus. Terwijl wij in de Arnhemse regen lopen te hannesen met postelastiekjes en verkeerd geadresseerde enveloppen, heb jij een portfolio dat de intellectuele ruggengraat van menig boekenkast vormt. Je hebt de ‘Merwede’ als een veelzijdig nieuw lettertype ontworpen om structuur te geven aan taal, maar nu struikel ik over de drempels van jouw Van Verschuerenstraat waar ooit de persen van Thieme draaiden om jouw ontwerpen tot leven te wekken. Dat laatste is een aanname; ik weet eerlijk gezegd niet meer of het Thieme was waar jij zei gewerkt te hebben. Nou goed, je woont nu in ieder geval tegenover dat industriële erfgoed dat inmiddels is getransformeerd tot het wooncomplex Thiemehof.
Zijn we hard gevallen of bedrijven we kunst door de bedrijven heen?

Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.
Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.
Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.
Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.
Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.
Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.
Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.
Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):
Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen.
Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.
Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.
Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.
Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.
Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.
Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.
Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.
Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.
De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.
Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?
De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.
In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.
De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.
Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.
Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.
Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.
Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.
Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).
Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.