Paul kwakelt hooghartige shit

Over de logica van de betweter, de wetten van de steekproef en waarom ‘iedereen’ het mis heeft.

M: Ken jij het ezelsbruggetje: Piet koopt hoge schoenen?

R: De beginletters verwijzen naar de grachten van Amsterdam, is het niet? Ben je dingen voor jezelf op een rijtje aan het zetten?

M: Nee. Iemand zei dat iedereen in Nederland dit kent, maar ik kende het niet. Dus nu doe ik een klein onderzoekje.

R: ‘Iedereen’ is een onhoudbare generalisatie in vrijwel elke bewering. Als je dat woord op die manier gebruikt, krijgt het direct iets denigrerends. Het wordt, volgens mij, vooral gebezigd door iemand met een beperkte kennis, die het weinige dat hij weet zo maximaal mogelijk wil uitbuiten om status te claimen.

M: Kan het ook gewoon zijn dat diegene er oprecht van overtuigd was dat dit tot de algemene kennis behoort? Misschien is dat ook zo en ben ik de enige die dit gemist heeft.

R: Als die persoon daarvan uitgaat, is hij onvoldoende doordrongen van de statistische werkelijkheid. Het woord ‘iedereen’ wordt hier misbruikt als retorische stijlfiguur. Trap er niet in; hij past een semantisch trucje toe om autoriteit te veinzen. Met dit persoonlijke onderzoekje buig je voor zijn imponeringsgedrag. Zo wek je de indruk dat het zinvol is om ongefundeerde claims te poneren. Ik zou de bewering simpelweg als deductief onjuist kwalificeren en er verder geen intellectuele energie aan verspillen.

M: Het staat nu 3-1. Mijn moeder en een vriendin kenden het ezelsbruggetje ook direct.

R: Wat de eindstand van je steekproef ook wordt, de omvang ervan is irrelevant. Je hebt de universele claim allang gefalsifieerd. Jouw uitzonderingspositie vormt het zwarte schaap dat de stelling dat ‘alle zwanen wit zijn’ eigenhandig slacht. Die ene stem van jou zegt logisch gezien genoeg. Wat ik je op het hart wil drukken is: vind jezelf belangrijk genoeg om de onhoudbaarheid van andermans borrelpraat in te zien, zonder dat je daar eerst een heel databestand voor aanlegt.

M: Wat maak jij er een gigantische big deal van! Ik vraag gewoon wat rond, ik ben geen wetenschappelijk onderzoek aan het optuigen. Ik was gewoon onzeker of ik een gat in mijn opvoeding had. Waarom moet alles bij jou altijd meteen veranderen in een intellectuele loopgravenoorlog?

R: Mag ik je vragen of er toevallig een man achter deze absolute stelling zat?

M: Het was Paul.

R: Ah. Paul laat weer eens van zich horen. Als ik het niet dacht.

M: Pfffff. Wat doet de persoon er nou toe? Waarom sleep je dat er in hemelsnaam bij?

R: Omdat de afzender in dit geval de hele lading dekt.

M: Begrijp je dat ik dit een enorm negatieve en vermoeiende benadering vind?

R: Niet echt, want ik neem het hier voor je op. Jij plooit je naar de arrogantie van iemand die zomaar wat roept. Je had, vind ik, wat geëmancipeerder en autonomer kunnen reageren op zijn stelligheid.

M: Dit heeft werkelijk ab-so-luut niets met emancipatie te maken! Ik vroeg me gewoon iets af en jij kaapt mijn onschuldige nieuwsgierigheid om je eigen vete met Paul uit te vechten. Je neemt het helemaal niet voor me op. Je vindt het maar niks hoe ik hiermee omga. Je kleineert me waar ik bij sta.

R: Paul gedraagt zich als het ultieme schoolvoorbeeld van een mansplainer.

M: En ondertussen wil jij mij even haarfijn uitleggen hoe ik had moeten reageren en wat ik moet voelen. Wie is hier nu eigenlijk de mansplainer?

R: Dit is geen uitleggen, ik formuleer slechts een wens over hoe je je eigen autonomie kunt beschermen. Bovendien doe ik dat zonder enig gevoel van patriarchale of intellectuele superioriteit. Daarnaast pas ik simpelweg wat elementaire logica toe: als jij – en jij alleen, te midden van duizend anderen – nog nooit van het ezelsbruggetje hebt gehoord, maakt dat de stelling dat ‘iedereen’ het kent logisch onhoudbaar. Dat is geen mening, dat is een feit.

M: Nu doe je het wéér! Je verpakt je betweterigheid in een theoretische mal om je gelijk te halen!

R: Ik geef juist aan dat jouw individuele stem afdoende is; dat jij het als persoon meer dan waard bent om die claim direct te verwerpen, wat jou in feite superieur maakt aan de waardeloze stellingnemer. Ik hoop simpelweg dat mensen die mij lief zijn niet buigen voor iemand die ten onrechte stellig is.

M: Zoals jij nu doet bedoel je?

R: Als ik me ten onrechte stellig uitlaat over een falsifieerbare zaak, hoop ik net zozeer dat mensen mij met argumenten corrigeren. Maar in dit specifieke geval stel ik louter vast dat iemand een onhoudbare stelling lanceert. En roep ik jou op, als vriend, om die onzin met gepast disrespect te behandelen.

M: Jouw hele reactie is volkomen misplaatst. Waarom moet je altijd zo rücksichtslos arrogant en drammerig zijn als je denkt dat je de logica aan je zijde hebt? Ik vind het zo ontzettend onnodig en kwetsend.

R: Dat is jouw perceptie, en die staat je vrij. Arrogantie en drammerigheid zijn echter psychologische kwalificaties; iets wezenlijk anders dan analytische stelligheid, waaraan ik me in deze niet schuldig maak. Je vindt me een arrogante zak. Dat kan. Dat aanvaard ik als de prijs voor de waarheid.

M: Je bent er zo heilig van overtuigd dat je de waarheid in pacht hebt. Dat is exact dezelfde stelligheid waar je Paul van beschuldigt.

R: Dat jij dat zo ervaart, maakt het onaanvechtbaar; een subjectief gevoel onttrekt zich immers per definitie aan de logica. Maar epistemologische stelligheid en psychologische zelfovertuiging zijn twee volstrekt verschillende grootheden.

M: Wat een schitterend theoretisch rookgordijn. Dus omdat jij Pauls uitspraak epistemologisch noemt, en die van jou niet, is jouw betweterigheid heilig?

R: Nou heilig; in ieder geval van kritiek ontheven. Stelligheid is een eigenschap van de gedane bewering; zelfovertuiging is een karaktertrek van de persoon. Waar die eerste vorm van overtuigingskracht expliciet uitdaagt tot inhoudelijk verzet en tegenargumenten, blijft de tweede variant volstrekt immuun voor de rede. Stelligheid kun je direct aanvechten door feitelijk aan te tonen dat de claim onterecht is. Zelfovertuiging biedt die opening niet; die laat zich door geen enkel rationeel argument bestrijden. Kortom: stelligheid is falsifieerbaar, zelfovertuiging is hooguit laakbaar. Jij falsifieerde Pauls stelling met één adequate, goudeerlijke reactie. Het enige wat ik wilde aangeven, was: dat volstond, daar had je het bij kunnen laten. Niet dat ik je daartoe kon verplichten, dat zou immers pas echt autoritair en arrogant zijn. Maar omwille van de intellectuele hygiëne richting de vertolker van het misplaatste aplomb, had ik het simpelweg wenselijk gevonden.

M: Prachtig geformuleerd hoor. Maar onderaan de streep zit ik hier met een vriend die zich gedraagt als een arrogante zak, puur omdat hij me wilde beschermen tegen Paul. Het is fascinerend: jij kunt het op zo’n manier voor me opnemen dat ik je na afloop een enorme lul vind. Schiet mij maar lek.

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






You brought some joy inside my tears

Maar helaas gaat morele beoordeling de discussie over een sportprestatie domineren.

In de NRC stond een artikel van Anne Buunk en Sara Khosdelazad. Ik plaats het hier (met impliciete toestemming) omdat ik er iets over kwijt moet.

Na Jutta Leerdams olympische goud op de 1.000 meter volgden reacties die we de laatste tijd steeds vaker zien in progressieve kringen. Terwijl de schaatsster haar sportieve hoogtepunt beleefde, verschoof de publiekelijke aandacht razendsnel van het ijs naar haar morele status. De kern van de kritiek: wie haar sportprestatie bewondert, valideert indirect de omstreden uitspraken van haar Amerikaanse partner, Jake Paul.

Zo werd het bejubelen van Leerdams eigengereidheid door Marijn de Vries in haar NRC-column door critici afgedaan als ‘wit feminisme’. En Ruby Sanders stelde op OneWorld zelfs dat wie Leerdam een podium biedt, bijdraagt aan de normalisering van een fascistisch wereldbeeld. Sport en privéleven zijn volgens haar onlosmakelijk verbonden: alles is politiek.

Jake Paul staat inderdaad voor alles waar progressieve mensen, waar wij onszelf ook toe rekenen, tegen in opstand komen. Maar de felle kritiek op Leerdam, en met name op de mensen die haar toejuichen, legt een dieper probleem bloot. Het is een voorbeeld van een vorm van hedendaags activisme waarin morele zuiverheid belangrijker lijkt geworden dan maatschappelijke verandering.

In haar boek Actie! (2026) noemt politiek filosoof Nori Spauwen dit fenomeen treffend „moreel purisme”. Bij de morele purist wordt de focus op perfectie zo dwingend, dat het een verstikkende werking heeft. Morele paspoorten worden gecontroleerd en wie ook maar één millimeter afwijkt van de ‘ideale’ koers, is de vijand. Dit mechanisme beperkt zich allerminst tot de schaatsbaan.

We zien hetzelfde wanneer klimaatactivisten worden afgeserveerd omdat ze één keer in een vliegtuig zijn gestapt, of wanneer iemand wordt veroordeeld om een ongelukkige woordkeuze in een verder vlijmscherp betoog. In plaats van de pijlen te richten op systemische ongelijkheid, keert de beweging naar binnen. In de ergste vorm leidt dit morele purisme tot een vorm van superiorisme: de eigen standpunten zijn de enige juiste en staan nooit ter discussie.

Dit purisme is uitputtend, ineffectief en vertraagt daadwerkelijke verandering. Een beweging die alleen nog uit de ‘moreel volmaakten’ mag bestaan, krimpt per definitie tot een machteloze splintergroep. We maken de drempel om mee te doen zo verstikkend hoog, dat veel bondgenoten zich niet meer durven uit te spreken uit angst voor publieke terechtwijzing.

Bovendien is het micromanagen van elkaars leven niet alleen ineffectief, het is ook vreselijk saai. Activisme zonder humor, satire en relativering verliest aantrekkingskracht. Terwijl we elkaar de tent uitvechten over de vraag of een gouden medaille wel ‘zuiver’ genoeg is, lachen de werkelijke aanjagers van ongelijkheid in hun vuistje. Elke minuut die we besteden aan deze interne zuiverheid, is een minuut waarin de werkelijke ongelijkheid blijft bestaan.

Het is bovendien ironisch dat juist zij die strijden voor de autonomie van de vrouw, Leerdam nu reduceren tot een verlengstuk van haar partner. Door haar succes volledig te laten samenvallen met het wereldbeeld van de man aan haar zijde, ontnemen we haar precies waar het feminisme voor vecht: een eigen identiteit en moreel gewicht, los van haar privéleven. Het is wrang dat we uitgerekend op het moment van haar grootste sportieve succes een moreel tribunaal over haar privéleven openen.

De strijd voor gelijkheid en inclusiviteit is geen wedstrijd in wie het meest vlekkeloos leeft. Echte verandering ontstaat niet door individuele morele perfectie, maar door de bereidheid om ondanks onze tekortkomingen de handen ineen te slaan. In een complexe wereld zijn fouten onvermijdelijk; de focus moet dan ook verschuiven van het obsessief bestraffen van elke misstap naar het vermogen om te leren en weer samen door te gaan.

In een tijd waarin alles direct op scherp wordt gesteld, is een beetje mildheid juist heel krachtig. Het geeft ons de ruimte om de groep weer groter te maken, in plaats van iedereen af te serveren die niet precies jouw route volgt. Laten we onze energie daarom inzetten waar ze thuishoort: bij het bestrijden van ongelijkheid zelf, voordat iedereen is afgehaakt.

Anne Buunk is klinisch neuropsycholoog in het Universitair Medisch Centrum in Groningen. Ze is actief als Dolle Mina. Sara Khosdelazad is psycholoog in opleiding en onderzoeker. Ze is actief als Dolle Mina.

Ik ben het eens met de schrijfsters. Ik wilde een voorbeeld geven van een andere schaatster: Joy Beune. Zij verdiende wat bij door bloot in de Playboy te verschijnen. Moreel hoog in de boom zittende mensen vielen over haar heen; ook een soort van moreel purisme.

Inhoudelijk is dat naar mijn mening een vergelijkbaar voorbeeld, al zitten er ook verschillen tussen beide situaties. Als je kijkt naar het mechanisme dat de auteurs beschrijven, zit de overeenkomst vooral in de manier waarop morele beoordeling het gesprek over een sportprestatie of autonomie overneemt.

In het NRC-stuk gaat het bij Jutta Leerdam om kritiek die indirect via haar partner Jake Paul loopt: bewondering voor haar sportieve succes zou volgens critici impliciet diens politieke of maatschappelijke standpunten legitimeren. Columnisten zoals Marijn de Vries en stemmen in media als OneWorld (waaronder Ruby Sanders) werden onderdeel van die discussie. De auteurs koppelen dat aan wat filosoof Nori Spauwen “moreel purisme” noemt: de neiging om mensen langs een morele meetlat te leggen die nauwelijks afwijking toestaat.

Bij Joy Beune zie je een vergelijkbaar patroon wanneer haar keuze om naakt in Playboy te verschijnen leidde tot morele verontwaardiging: de discussie verschoof van haar sportprestaties naar haar persoonlijke keuzes. Critici koppelden haar handelen aan bredere morele of ideologische oordelen (“dit schaadt vrouwen”, “dit is niet feministisch”, enzovoort). Haar autonomie als individu kwam onder druk te staan doordat anderen bepaalden wat een “juiste” keuze zou zijn. Dat lijkt sterk op wat de NRC-auteurs beschrijven: een vorm van activisme waarbij persoonlijke morele zuiverheid centraal komt te staan, soms meer dan structurele kwesties.

Er zijn ook verschillen: bij Leerdam gaat de kritiek over associatie met een partner en diens ideeën. Bij Beune ging het om haar eigen keuze over seksualiteit en zelfpresentatie. Ironisch genoeg raakt dat tweede voorbeeld misschien nóg directer aan feministische autonomie: de vraag wie bepaalt wat een vrouw met haar lichaam mag doen.

Als je het abstract maakt, draait het in beide gevallen om hetzelfde spanningsveld: wordt iemand beoordeeld op haar prestaties en eigen handelen, of op een moreel totaalplaatje dat anderen samenstellen? Dat is de kernovereenkomst: het risico dat morele toetsing omslaat in sociale disciplinering, waardoor ruimte voor nuance, humor of individuele vrijheid kleiner wordt.

Ik vind dat een irritant fenomeen en wilde erop reageren met een provocatie. Vandaar mijn posting.