De mannen in het zwart

Een typisch geval van overalertheid.

Het verhaal is rond. Het raadsel was banaal. De man in het zwart heeft ook bij mij aangebeld, zoals bij andere huurhuizen in mijn straat. Hij kwam slechts op asbest controleren. Hij werkte voor de woningcorporatie. Dat hij ook nu weer geheel in het zwart was gekleed – net als toen ik hem voor de boeman aanzag die hij niet bleek te zijn – maakte het verhaal van zo’n twee weken daarvoor iets aannemelijker. Hoewel nog steeds onvergeeflijk. Want het berustte op een misverstand.

Mijn vergissing ontstond nadat ik als nieuwe bewoner was toegevoegd aan de straatapp. Daar verscheen een waarschuwing: ‘Ter info: er is een oplichter actief in de Irenestraat en Beatrixstraat. Hij belt aan in zwarte werkkleding, beweert dat hij Theunissen heet en dakreparaties uitvoert. Hij zegt schade te hebben gezien, vraagt om een aanbetaling voor materiaal bij de Praxis en verdwijnt vervolgens. Zijn gegevens kloppen niet: G. Teunissen Klusbedrijf Kvk 09160841: niet bestaand. Telefoonnummer 06-16862856: onjuist.’

Het toeval wilde dat ik, toen ik nog volop aan het verhuizen was, door een man werd aangesproken op straat. Ik kan mij niets van zijn uiterlijk herinneren, alleen maar dat hij niet in het zwart was gekleed. Toch vond ik dat ik mijn nieuwe whatsapp-vrienden op de hoogte moest stellen van wat ik wel wist: ‘Die man sprak ook mij aan over een losliggende loodflap. Maar wat ik niet begrijp: toen hij die aanwees, meende ik die echt los te zien liggen. Had hij dat dan zelf gedaan, toen hij bijvoorbeeld voor iets anders op het dak was? Saboteert hij de boel? (Ik heb overigens geen gebruik gemaakt van zijn diensten.)’

Buurman R. antwoordde: ‘Dat doet hij dus inderdaad.’ En ik: ‘Wat? Rukt hij dat gewoon los? Maar dat moet gebeurd zijn toen ik hier nog niet woonde. Dan ligt dat ding daar los en móet ik dus wel iemand laten komen! Da’s gewoon vernieling.’ Een andere buur nuanceerde het: ‘Hij gaat eerst met een dakpan het dak op, maakt dan een loodflap los en vraagt daarna om geld. In jouw geval vermoed ik dat het lood al wat oud is en misschien al wat los of scheef zat. Dat maakt het makkelijker voor hem, dan hoeft hij niet eerst het dak op.’

Ik wilde graag kwijt dat ik, in mijn ogen, best verstandig had gereageerd. Ik had tegen de ‘losliggende-loodflap-man’ gezegd: “Oh, daar moet ik de woningbouwvereniging dan even naar laten kijken.” Dat leek me voor een oplichter niet interessant meer. Ik dacht er verder niet bij na, behalve dat het me geruststelde dat ik als huurder gewoon melding kon doen bij Volkshuisvesting. Die sturen wel iemand, dacht ik. Men had trouwens ook de wijkagenten ingeschakeld. Die schreven dat ze op de hoogte waren van deze man, en dat het goed was dat we alert bleven.

Daarna werd het stil. Totdat ik, twee weken later, een man in het zwart bij mijn buurvrouw zag aanbellen. In de straatapp schreef ik: ‘Zou iemand mij even willen dm’en of bellen over de man in het zwart waarover hier een discussie was losgebarsten? Ik wil geen valse beschuldiging uiten, maar iets verifiëren. Het gaat om het bezoek van een asbestcontroleur. Niet bij mij, maar bij iemand die niet op deze app zit en dus niet op de hoogte is. Ik hoop dat ik spoken zie, maar toch…’ (P.S. Ik heb het nummer van de wijkagent gebeld, maar krijg geen gehoor. Ik wil niet iemand zijn die moord en brand schreeuwt zonder reële aanleiding. Maar die is er wel naar mijn gevoel.)

De les voor mij: ik had beter moeten doorvragen. Mijn oude buurvrouw is bepaald niet gek. Alertheid is mooi, maar bemoeizucht niet. Ik moest het schaamrood op mijn kaken er even uitwandelen. Ik belde mijn zus. “Het is echt niet zo raar dat je dit verkeerd hebt ingeschat, gezien wat er tegenwoordig allemaal gebeurt,” troostte zij mij. Ik pakte dit gretig op: “Ja, de wereld zit vol oplichters, en Arnhem heeft wat dat betreft best een reputatie. Maar in plaats van de straat op te rennen, had ik iets langer met de buurvrouw moeten praten.”

Ik had bij haar aangebeld, maar liep direct door om de nummerplaat van de man te noteren. Toen ze opendeed, riep ik van een afstand: “Is hij op het dak geweest?” Waarop ze antwoordde: “Nee, hij is de asbestcontroleur.” Ik dacht toen: ook niet in orde, en sprak andere buren aan. Pas later vertelde ze mij dat hij gewoon van de woningcorporatie was.

Ik had mij het hoofd op hol laten brengen door overalertheid en een te snelle aanname.

Een kleine opening

De vrijpostigheid van een contraspionne.

De vlieg op haar muur leek een vreemde vermomming van steeds iemand anders. Door de sleutelgaten gluurden ook nooit dezelfden. Het aflosschema van de wisselende wachten viel niet te achterhalen. Alleen de postbode buiten veranderde alleen maar van pet. Hij had vier varianten. De man liep aangenaam snel. Hij ‘deed’ haar hele straat in minder dan acht minuten. Hij was zo weer verdwenen.

Wijkbewoners vonden dat ze iemand bij haar langs moesten sturen. De beheerder van de buurtapp belde het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag van de GGD. Ook Veilig Thuis werd ingeschakeld en iemand bezocht het Wmo-loket van de gemeente. Er waren meer ogen op haar gericht dan ze al vermoedde. “Verraders”, riep ze. De façade van haar kluizenaarswoning liet voor het eerst wat geluid door.

Ze deed niet open. Eén keer probeerde een hulpverleenster met haar te praten door de brievenbus. Dat vond toevallig plaats toen ook de postbode er gebruik van wilde maken. Ze hoorde hem “neem me niet kwalijk” zeggen. Er viel een onbelangrijke brief op de mat. Ze had zijn stem gehoord, dat vond ze spannend. Hij droeg die dag een nieuwe pet. Ze noteerde ‘beetje schor’ in haar logboek. En: ‘Nieuwe flat cap. Flessengroen’.

Meer wilde ze niet van hem weten. Van haar hoefde niemand iets te begrijpen, ook hij niet, en vooral niet dat zij deed aan contraspionage. De doucheruimte boven haar voordeur was de enige veilige plek in huis. Die had ze hermetisch afgeplakt. Zelfs de douche kon ze niet meer gebruiken. Ze bekeek de buitenwereld door een kiertje: een tochtstreepje in haar tuimelraam. Zodoende kende ze de bezorgtijd van de postbode. Hij was behoorlijk stipt.

Op een dag week hij af van zijn routine. Hij had een brief bij haar in de bus gedaan maar weifelde. Hij wilde doorlopen maar keerde terug op zijn schreden. Hij belde bij haar aan. Zij herkende zijn verwarring. Daarom hield niets haar ditmaal tegen. Ze deed vrij onbevangen open. “Sorry” zei hij “ik geloof dat ik een verkeerde brief in uw bus heb gegooid. Voor 20, niet voor 18.” Hij had gelijk. Hij had zijn fout snel ingezien, maar was toch te laat geweest met corrigeren.

“Kan gebeuren” zei zij, en daarna: “vergissen is menselijk.” Toen, alsof ze helemaal los ging, kwam er zowaar nog een derde opmerking uit haar mond: “En ik maar denken dat u een robot was.” Hij keek verbaasd, maar moest wel lachen. Nog bijkomend van haar schrik, om haar vrijpostigheid, vond ze zichzelf best grappig. Na twee clichés en maanden van stilte, had ze iets leuks gezegd. Ze gaf hem de brief terug en duwde de deur heel langzaam in het slot.

Alweer een enquête?

Weg met de klanttevredenheidsonderzoeken!

Je kent het vast: je hebt net iets besteld, betaald of geregeld, je kunt eindelijk weer een beetje tot rust komen, en pling! daar is-ie hoor: de email of het appje met de vraag ‘Hoe tevreden bent u over onze service?’ Nou, tot een paar seconden geleden wás ik nog best tevreden, bedankt, maar nu vrees ik dat ik toch iets heb opgelopen. De enige mening die ik nog kwijt wil, is dat ik vind, dat we dit uitwisselingsmoment veel te lang hebben opgerekt.

Hoe tevreden bent u over uw ervaring met ons? Hoe waardeert u onze dienstverlening? Hoe ervaart u de kwaliteit van onze service? In hoeverre voldeed onze dienstverlening aan uw verwachtingen? Kunt u op een schaal van 1 t/m 10 aangeven hoe uw ervaring met ons is geweest? We horen graag hoe uw ervaring was, zodat we kunnen blijven verbeteren. Welke momenten maakten uw reis met ons bijzonder (of juist minder prettig)? Als u uw beleving met één woord zou moeten omschrijven, welk woord zou dat zijn? STOP: NORMALE MENSEN LOPEN OF LIGGEN ELKAAR TOCH OOK NIET CONSTANT TE BEVRAGEN?

Het lijkt tegenwoordig alsof geen transactie meer compleet is zonder een digitaal kruisverhoor. Of ik nu een treinkaartje koop, een tandartsafspraak maak of een overnachting boek: het echte product is niet de dienst zelf, het gaat de ‘klantbemiddelaars’ om de enquête erna. Bedrijven willen niet alleen mijn geld, maar ook mijn emoties, in overzichtelijke vakjes van één tot en met tien. En vaak begint de ‘Customer Experience Survey’ niet (pas) na de ontvangst van het pakket, het ondernemen van de reis of het verblijf in het hotel (een dergelijke feedbackronde volgt ook, maar later). Nee, de primaire tevredenheidspeiling is gericht op het koop-, afspraak- of boekingproces zelf! Hoe was dat onvermijdelijke gedoe (niet hun woord) mij bevallen?

Wat moet ik met zo’n vraag als: ‘Zou u ons aanbevelen bij vrienden en familie?’ Verwacht men dat ik tijdens een verjaardagsfeest enthousiast uitroep: “Wat een gezellige avond; wisten jullie trouwens dat de klantenservice van mijn internetprovider echt een 9,3 waard is?” En dan de toon van die aansporingen: quasi-persoonlijk, met een vleugje chantage. ‘Uw mening is belangrijk voor ons!’ Nee hoor, mijn mening is helemaal niet belangrijk. Anders had ik niet eerst in de wacht gestaan om mijn tevredenheid te laten peilen. Want, geloof me, dat overkwam mij ook nog: dat ik moest wachten toen ik eindelijk om was om mij onbezoldigd te laten ondervragen.

We weten allemaal dat niemand die testresultaten met een oprechte klantinteresse leest. Ze verdwijnen in een spreadsheet-hel, waar ze worden omgezet in kleurrijke cirkel- en staafdiagrammen waarmee managers elkaar geruststellen dat alles prima gaat met het bedrijf. Totdat ze een daling zien van 0,3 procentpunt; dan volgt er een werksessie met post-its over ‘klantbeleving’ en ‘persoonlijk contact’. Misschien is dat wel het wrangste: klanttevredenheidsonderzoeken zijn het tegenovergestelde van persoonlijk contact. Ze doen alsof ze luisteren, maar het is ‘algoritmisch luisteren’ in het belang van een daarop volgend algoritme dat nog precieser berekent waarmee ze je daarna kunnen lastigvallen.

Een automatisch knikje, een digitaal ‘aha’, en vervolgens: niets waaraan jij als klant echt iets hebt. Want natuurlijk zit de berekening er volkomen naast. Nee hoor, ik hoef geen terugkoppeling van dit ongevraagde onderzoek, ik wens geen gerichte advertenties, ik zoek geen product in de lijn van wat ik eerder heb besteld. Laat me gewoon een eenmalige, anonieme klant zijn. Ik belief geen relatie met uw bedrijf, geen evaluatie van mijn gevoelens na iedere aankoop. Soms wil ik gewoon iets aanschaffen zonder dat iemand achteraf vraagt hoe ik me daarbij voelde. Weg met de klanttevredenheidsonderzoeken. Stop met die service-evaluaties. Ik ben geen ‘stakeholder’ in uw belangennetwerk.

Ik heb betaald voor wat ik ontving; daarin school alle tevredenheid die ik tot uitdrukking wilde brengen.

Lieuwe spreekt

Zonen die over hun dode vaders vertellen maken me huilerig op een bijna gênante manier.

Vandaag belandde ik bij toeval in een documentaire over de zoon van Theo van Gogh. Lieuwe is een jongen die in tegenstelling tot zijn vader eigenlijk niet in de belangstelling wil staan. Hij verzet zich daarom aanvankelijk tegen een interview dat de voormalige assistente van Theo met hem wil voeren. Voor haar besluit hij een uitzondering te maken; zij loopt tenslotte ook nog steeds met haar verdriet rond om de moord op een opmerkelijk man.

Gedurende een groot aantal dagen trekken zij samen op. Eigenlijk doet de voormalige assistente met Lieuwe precies hetzelfde als wat zij vroeger met Theo deed. Ze bezoeken dezelfde plaatsen. Ik vermeld de dingen die me vooral zijn bijgebleven in dit interview hier puntsgewijs.   

  1. Lieuwe heeft er lang aan gedacht om een kaartje naar de moordenaar van zijn vader te sturen in de gevangenis: ‘Kijk, ik leef een gelukkig leven terwijl jij aan het rotten bent in de gevangenis. Je zit een levenslange gevangenisstraf uit. De politieman die indertijd de keuze had om je dood te schieten of in je been, heeft een goede beslissing genomen. Jou doodschieten zou een gunst geweest zijn. Nu word je dagelijks gedwongen om na te denken over je daad.’ Zoiets. Het is er tot nu toe niet van gekomen om het kaartje te schrijven. Maar dat inwrijverige, jezus, hoe begrijp ik dat.
  2. Lieuwe ging boos naar bed op de laatste dag dat hij samen met zijn vader was. Daarover lijkt hij totaal geen spijt te hebben en dat zegt iets over de relatie die hij met zijn vader had. Hij lijkt te beseffen dat dit soort van kleine huiselijke conflicten geen invloed hadden op de overkoepelende liefde die de mannen voor elkaar voelden. Ze kibbelden wel vaker en ze hielden toch wel van elkaar. Herkenbaar.
  3. Lieuwe bezoekt een tatoeagestudio waar hij wel vaker een tatoeage heeft laten zeggen. Hij laat weten dat zijn vader tegen het zetten van zo’n tatoeage was.
  4. Wat me enorm ontroerde was de volgende uitspraak van Lieuwe: “Elke keer dat ik me scheer is het nog steeds zo dat ik een wond heb. Op die momenten denk ik: ik had een vader nodig.” Ok, hoe vaak scheert een man zich? Ik constateer dat hij nog iedere dag aan zijn vader denkt. 
  5. “[Ik mis] de zondagen samen als we films op tv keken. Zijn buik was een zachte poef waar ik mijn hoofd op kon leggen.” 
     

De verboden parade die niet viel te stoppen

Hoe Boedapest opstond tegen Orbáns dreiging, met steun uit Europa.

Budapest Pride lijkt vandaag zonder geweld te zijn verlopen. Dat is op zichzelf al een overwinning, want de mars vond plaats ondanks een officieel verbod van de Hongaarse regering, dat deelname strafbaar stelt met een boete van 500 euro en mogelijk zelfs gevangenisstraffen voor de organisatoren. Er werd gedreigd met het gebruik van technologie voor gezichtsherkenning, waardoor deelnemers later alsnog in conflict kunnen raken met het bewind. Toch stroomden duizenden mensen de straten op; niet alleen queer Hongaren, maar ook bondgenoten, gezinnen, mensen met een beperking, en opvallend veel buitenlandse afgevaardigden.

Dat de Pride uiteindelijk zonder ingrijpen kon doorgaan, had volgens mij niets met tolerantie te maken, maar met berekening. Orbán weet dat harde repressie tegen de aanwezige Europarlementariërs, ambassadeurs en buitenlandse delegaties tot internationale ophef en diplomatieke schade zou leiden. Tegelijk ziet hij zijn machtsbasis afbrokkelen: in de peilingen verliest hij terrein aan Péter Magyar, en hij kan zich geen nieuw conflict veroorloven dat de Europese subsidiepotten in gevaar brengt. Angst voor gezichtsverlies en verlies van macht hield hem dit keer tegen.

Dat laatste zal vermoedelijk een doorslaggevende factor zijn geweest. Tientallen Europarlementariërs, diplomaten, en ook de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema waren zichtbaar aanwezig. Hun aanwezigheid maakte het voor de regering Orbán uiterst onaantrekkelijk om met harde hand in te grijpen: geweld tegen demonstranten zou niet alleen het Hongaarse imago internationaal verder beschadigen, maar ook diplomatieke incidenten kunnen veroorzaken. Zo werd een poging tot onderdrukking, ironisch genoeg, door internationale solidariteit geneutraliseerd.

De Pride begon ooit als een protest, niet als een feestje. In 1969 weigerden trans vrouwen, lesbiennes, en andere queer personen in New York zich nog langer te onderwerpen aan politiegeweld en discriminatie. De Stonewall-rellen markeerden het begin van de moderne lhbtq+-beweging, een strijd om gelijke rechten die nog steeds niet ten einde is. In Boedapest anno 2025 is het datzelfde vuur van verzet dat de Pride levend houdt.

Maar de context is grimmiger dan ooit. Premier Viktor Orbán regeert al vijftien jaar met ijzeren hand. Zijn regime is doordrenkt van nationalistisch conservatisme en een cynisch gebruik van culturele vijandbeelden. Lhbtq+-rechten zijn daarin een dankbaar doelwit geworden. De beruchte ‘kinderbeschermingswet’ verbiedt alle uitingen van queer-identiteit voor minderjarigen en stelt het gelijk aan schadelijke propaganda; een echo van het donkerste verleden van Europa. De wet biedt geen bescherming, maar een legitimatie voor onderdrukking.

Dat een meerderheid van de Nederlandse Tweede Kamer in mei opriep tot een kabinetsdelegatie bij de Pride, getuigt van de juiste reflex. Het was een signaal: mensenrechten zijn grensoverschrijdend. Maar niet iedereen ging hierin mee; de PVV stemde tegen. Partijleider Geert Wilders, die warme banden onderhoudt met Orbán, weigerde zich uit te spreken tegen een wet die de vrijheid van meningsuiting en vereniging ondermijnt en queer Hongaren tot tweederangsburgers maakt. Dat is geen conservatisme, dat is collaboratie met een repressief systeem en geeft aan waar hij zelf heen zou willen.

Het contrast met burgemeester Femke Halsema kon vandaag niet groter zijn. Door naar Boedapest af te reizen, ondanks een dreigend reisadvies, betoonde ze niet alleen solidariteit met de lokale queer gemeenschap, maar ook met de burgemeester van Boedapest, Gergely Karácsony. Hij noemde de Pride een “gemeenschappelijk feest van vrijheid” en onttrok het evenement aan het demonstratierecht door het als gemeentelijk programma te labelen. In zijn woorden wonen er in Boedapest “geen eerste- en tweederangsburgers”.

Dat Halsema, net als haar voorgangster Simone Kukenheim in Istanbul, het lef toont om fysieke aanwezigheid in te zetten als bescherming, is een daad van stille diplomatie en groot moreel gewicht. Niet met een schreeuw, maar door schouder-aan-schouder te staan.

Orbán lijkt de controle te verliezen. Zijn angstcampagne heeft averechts gewerkt. De Pride is uitgegroeid tot een nationaal symbool van verzet tegen autoritair bestuur. Zelfs niet-queer Hongaren sluiten zich aan, niet omdat ze zelf onder de wet vallen, maar omdat ze voelen dat dit hen allemaal raakt. Orbán is steeds kleinzieliger en machtshongeriger geworden; een leider die burgers verdeelt, angsten exploiteert, en de Europese waarden waarop hij ooit aanspraak maakte, met voeten treedt.

Vandaag heeft de Pride hem overtroffen. Niet in volume, maar in morele helderheid. De regenboog, die ooit begon als symbool van hoop in stormachtige tijden, is in Boedapest opnieuw gaan schijnen; als teken van moed, solidariteit en een langzaam opkomend nieuw Hongarije.

De stuka-piloot die niet stuk wilde

Een overlevingskunstenaar aan de verkeerde kant van het verleden.

Fragment nummer 2 uit van de brievenroman: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Na onze eerdere brieven, die me op een dieper niveau hebben geraakt dan ik had voorzien, merk ik dat mijn aandacht – misschien zelfs mijn waakzaamheid – is blijven hangen bij bepaalde historische figuren. In de context van onze gesprekken en jouw werk, kwam ik onlangs de naam tegen van iemand die ik nog niet kende: Hans-Ulrich Rudel.

Drie verschillende uitgaven van Mein Kriegstagebuch, het oorlogsdagboek van Hans-Ulrich Rudel, dat nog altijd populair is in ultra-rechtse kringen. Het geldt als lectuur onder deze hedendaagse populistische en neo-fascistische bewegingen om de verkeerde redenen. Onder hen wordt Rudel helaas als een cultheld beschouwd. Zij menen in zijn militarisme en onbuigzaamheid een ‘voorbeeld’ te zien. Het zou mooi zijn indien er een biografie verscheen die leesbaar was voor historisch geïnteresseerden die niet gecharmeerd zijn van autoritaire ideologieën maar zuiver het verhaal van het veelbewogen leven van Rudel als een historisch verslag willen overzien.

Gezien je historische kennis en je professionele inzet bij het blootleggen van hedendaagse extremistische netwerken, ga ik ervan uit dat deze naam je bekend is. Toch wil ik hem graag met je bespreken, misschien juist omdat ik benieuwd ben naar jouw blik, die steeds zo zorgvuldig en genuanceerd is.

Zoals je wellicht weet, was Rudel een van de meest onderscheiden soldaten van het Derde Rijk; door Hitler persoonlijk zelfs geëerd met het enige bestaande exemplaar van het Gouden Ridderkruis met Eikenloof, Zwaarden en Briljanten. Hij vloog duizenden missies, vernietigde honderden Sovjettanks, en werd ondanks zware verwondingen telkens weer ingezet. Zijn militaire dossier leest als een bizarre heldenepiek, waarin uithoudingsvermogen, fanatisme en loyaliteit op een griezelige manier samenkomen.

Wat me echter vooral trof – en waarover ik graag jouw visie zou horen – is Rudels rol ná de oorlog. Zijn onverbloemde nationaal-socialistische overtuigingen, zijn contacten met andere oud-nazi’s in Latijns-Amerika, en zijn publicaties waarin hij de nazi-ideologie geen strobreed in de weg legde, maken hem tot een van de beruchtste representanten van het naoorlogse revanchisme.

Zijn oorlogsdagboek, Mein Kriegstagebuch, is in sommige kringen haast een cultboek geworden. Het is opmerkelijk hoe open hij daarin spreekt, niet alleen over zijn militaire successen, maar ook over zijn ideologische overtuiging, die hij na de oorlog nauwelijks heeft afgezworen. Dat maakt het tot een beklemmend document: een combinatie van frontverslag, heldenverering en onverholen apologetiek.

Een stripalbum waarin Rudel wordt opgevoerd als een held van de tegenpartij.

Wat me bezig blijft houden – en ik zeg dit met de voorzichtigheid die onze briefwisseling inmiddels kenmerkt – is hoe deze figuren een zekere aantrekkingskracht blijven uitoefenen op mensen. Niet vanwege hun moorddadige ideeën, hoop ik, maar vanwege het aura van ‘kracht’, ‘trouw’ of ‘prestatie’ dat hen wordt toegeschreven. Hoe zie jij dat? Hoe duid je zo’n fascinatie in het licht van je werk?

Ik schrijf je dit niet vanuit sensatiezucht, maar uit een oprechte behoefte om te begrijpen hoe zulke verhalen blijven circuleren. En misschien ook om te toetsen waar bij jou de grenzen liggen tussen onderzoek, interesse, en morele afschuw; grenzen die jij eerder zo helder hebt kunnen markeren, en waarvan ik hoop dat je me opnieuw iets wilt uitleggen.

Met mijn warme groet, en in verbondenheid,
Onno van Dorreland

Lieve Onno,

Wat een merkwaardig toeval; of misschien moet ik zeggen: wat een onvermijdelijkheid in het grote archief dat onze herinneringen blijken te zijn. Want ja, ik ken hem, die Hans-Ulrich Rudel. En ik moet je bekennen dat ik mij, na jouw verwijzing, opnieuw in zijn levensloop heb verdiept. Dat wil zeggen: ik heb mij laten onderdompelen in wat gerust een mengeling van walging en bewondering genoemd mag worden.

Van eenvoudig Fahnenjunker (heerlijk, die barokke Duitse rangaanduidingen die ergens tussen opera en kazerne in hangen) tot succesvol Stukadoor. Je begrijpt mijn woordspeling, want hij was natuurlijk die gevreesde Stuka-piloot, specialist in het ‘pleisteren’ van Sovjettanks met bommen. En na een obligaat ‘Wir haben es nicht gewusst’ krijgsgevangene gespeeld te hebben — zijn militaire carrière eindigend met letterlijk geknakte vleugels want hij werd mank — bleef hij figuurlijk met zijn hoofd in de wolken, in de ideologische contreien van Argentinië.

Een man dus, die duidelijk zijn verdiende straf is ontlopen. Of beter gezegd: hem handig ontweken heeft, met een flair die ik met tegenzin als geniaal moet typeren. Ik denk dat zijn grote intelligentie hem meermaals uit penibele situaties heeft gered. Hij moet een listige piloot zijn geweest met een groot strategisch overzicht, een mensenkenner in zijn omgang met Hitler (die hij kennelijk met een zekere intimiteit ontmoette), een indrukwekkende, slinkse overste in zijn contact met de geallieerden, en een taaie overlever toen hij besloot te emigreren naar oorden waar de morele temperatuur milder was voor lieden van zijn soort.

Hij bleef zijn principes trouw, maar het waren niet de meest gezonde principes. Hij was, kortom, een rotzak die op onverklaarbare wijze respect afdwong. Al deze woorden zijn van mij. Wat mij nu intrigeert: is er ooit een fatsoenlijke biografie aan hem gewijd? Iemand die hem niet als held, maar als symptoom heeft durven beschrijven? Jij vraagt je dit ook af dus ik zal er verder onderzoek naar doen.

Ik steek niet graag de loftrompet af over iemand die tot het tegenkamp behoort, maar ik geloof dat ik moet constateren — met al mijn afkeer paraat — dat hij zonder meer de ‘beste’ soldaat was die de Tweede Wereldoorlog heeft voortgebracht. In de zin van: effectief, trouw, meedogenloos, onaantastbaar en ideologisch consistent tot in het graf. Het is een akelige gedachte. Maar de waarheid is zelden zacht.

Hartelijks,
Gertrud Wiesenthal

De neiging om Rudel als een held neer te zetten, ook aan geallieerde zijde, is groot; een neiging die zelden stil lijkt te staan bij zijn onverminderde trouw aan het nazisme.
Dat Rudel, een overtuigde nazi tot ver na de oorlog, nog steeds als luchtvaartheld wordt gevierd — ook door zijn voormalige tegenstanders — zegt meer over onze fascinatie voor moed dan over ons historisch besef.
De heldenstatus die Rudel ten deel valt, zelfs buiten nazi-gezinde kringen, roept vragen op over de scheiding die men meent te kunnen maken tussen technische bekwaamheid en moreel failliet.

Mijn laatste niet geplaatste bijdrage

Een stap te ver van een meeliftende, empathisch geïnfecteerde reisparasiet op Polarsteps?

Wat een reis! Ik heb genoten van elke bocht in het parcours en elke pleisterplaats. Van de stille ochtenden in Umbrië tot de levendige plekken aan de kust. Van de Adriatische zeelucht tot de Tyrreense zonsondergangen en alle onderkomens daartussen. Het vloeibare licht, de espresso en de sprankelende wijnen, de heuvels, de groengele citrusgloed van de middag…ik draag ze mee in m’n rugzak vol herinneringen. We hadden geen betere route kunnen kiezen. De wagen heeft het goed gehouden, maar wat wil je: mijn bijrijders deden het fantastisch. Ik zou het zó weer doen.

“Ho, stop” grijpt de – altijd over mijn rug meelezende – psychiatrische verkeersleidster plotseling in: “Het tonen van actieve betrokkenheid en inlevingsvermogen heeft een problematisch kantje gekregen. Nu moet je uitstappen, of liever: uittreden!”. 

Deze goedbedoelende behandelaar zegt dat het goed is om mee te leven, maar dat ik me de reis iets te veel heb eigen gemaakt. Ik noem het ‘betrokkenheid’, zij noemt het ‘dissociatie’. Ik schijn deze vakantie enorm geïnternaliseerd te hebben (om even een andere term uit haar therapeutenidioom te gebruiken), dus raadt ze me aan om nu discreet afstand te nemen. “Dat zou ook prettiger zijn voor de familieleden”, schat ze in. Er zit een grens tussen empathie en identiteitsvervaging en daar ben ik kennelijk overheen gereden in mijn comfortabele ‘bolide’, zoals ik die prachtige vierwieler – ook niet voor niets! – steeds aanduidde.

“Zullen we het in stapjes doen?”, stelt ze voor. De ‘incorporatie’ van deze reis zelf ging in fasen, dus ook het ‘uit deze illusie stappen’ mag geleidelijk. Vanmorgen stond ik met haar voor de spiegel en leerde ik ‘arrivederci’ zeggen. Daarna hebben we een denkbeeldige tent opgezet. Ik kampeer vanavond alleen op een trekkersveldje in de schaduw van de scheve toren van Pisa, terwijl mijn zus en mijn zwager in hun BMW naar huis zoeven. De behandeling is inmiddels geïntensiveerd en wordt waarschijnlijk opgeschaald tot het niveau van toen ik 40 jaar geleden in therapie ging. (Over met geld smijten gesproken!)

Zeg nu zelf lezer: heb ik mij te zeer vereenzelvigd, mij verloren in andermans ervaringen, mij geïdentificeerd met iets dat niet van mij was? Spreken wij hier inderdaad van ‘psychische projectie’, ‘interne corporatie van andermans beleving’? Ben ik verworden tot een reisparasiet? Bedrijf ik zielstoerisme? Heb ik mij genesteld in andermans hotelslofjes en (steeds strakker zittende) bikini? Boekte ik een mentale vakantie op andersmans kosten?  

Of was ik gewoon een grappige broer met een opmerkelijk schrijftalent? 

Nooit goed van de grond gekomen

Ze trouwde met een jongen in de verpakking van een man.

Een thema, een diepe duik, talloze invalshoeken; Cover Story Magazine blijft trouw aan zijn naam en opzet. Elk nummer staat volledig in het teken van één onderwerp, dat van voor tot achter wordt verkend, ontleed en soms ook voorzichtig opgetild uit de schaduw. In deze meimaand buigen we ons over een fenomeen dat op het eerste gezicht onschuldig aandoet, zelfs charmant: Het Peter Pan syndroom.

Voor wie de term vaag bekend voorkomt uit de psychologie of de popcultuur: het Peter Pan syndroom verwijst naar volwassenen – doorgaans mannen – die weigeren volwassen verantwoordelijkheden op zich te nemen. Ze blijven hangen in een jeugdige levensstijl, mijden engagement, en worstelen met het idee van ouder worden. Dat lijkt misschien een detail, een eigenaardigheid zelfs, maar de realiteit is vaak schrijnender.

Psycholoog en gedragswetenschapper prof. dr. Malcolm D. Harrow, gespecialiseerd in volwassenontwikkeling en relationele dynamieken, gaat vanaf pagina 15 diep in op het fenomeen. Met scherpe analyses en voorbeelden uit zijn praktijk laat hij zien hoe het syndroom niet alleen de persoon zelf beïnvloedt, maar ook zijn of haar omgeving.

Een schrijnend én herkenbaar verhaal komt van Maaike en Jens van Zalinge, een echtpaar uit Deventer dat op het eerste gezicht gelukkig getrouwd is. Toch knaagt er iets. Jens is grappig, creatief, zorgeloos; precies dat wat Maaike ooit aantrok. Maar inmiddels is zij 62, moeder van twee volwassen kinderen, en zoekt ze houvast in de toekomst. Jens leeft nog steeds met één voet in Neverland. De ironie van de coverquote is sprekend: “Mijn ouders juichten toen ik iemand van mijn eigen leeftijd ontmoette. Maar Peter Pan is geen ideale partner, zodra je klaar bent om Neverland te verlaten.”

Hun verhaal leest als een liefdesverklaring en een waarschuwing tegelijk. Het illustreert hoe lastig het is om samen te leven met iemand die weigert de sprong naar volwassenheid te maken, hoe charmant en liefdevol hij ook is.

Uitgeverij Cum Suis is trots op deze editie van alweer de negende jaargang in opdracht van Cover Story Magazine en tevreden met de rijke schakering aan invalshoeken die dit themanummer biedt. Een magazine dat niet alleen leest als een dossier, maar ook als een spiegel en soms: een wake-up call.

Houd van je buren maar haal de heg niet weg

Recensie van een roman in voortdurende transitie.

In de roman Houd van je buren maar haal de heg niet weg worden kleine menselijke drama’s gevangen. Vanuit het perspectief van een geamuseerd maar door schade en schande wijs geworden Einzelgänger – die luistert naar de naam Victor Weemans – ontvouwt zich een verhaal over nabijheid, verleiding, trouw en de dunne grens tussen bewondering en sarcasme.

Victor, een mislukt idealist op het gebied van de liefde, kijkt met een mengeling van ironie en oprechte verbazing naar zijn buren aan de andere kant van de heg: de ogenschijnlijk harmonieuze Nadine en haar echtgenoot Diederik, een man met een licht onbeholpen intellectuele uitstraling. Terwijl Victor door zijn eigen ervaringen – stukgelopen relaties, overspel en een diepgeworteld cynisme – geen illusies meer koestert over de houdbaarheid van romantische verbondenheid, bewondert hij tegelijkertijd de serene vanzelfsprekendheid waarmee zijn buren hun huwelijk lijken te bewaren.

Nadine stuurt hem regelmatig appjes met adviezen, als een vriendelijke, maar licht anachronistische gids, in een wereld die Victor allang achter zich heeft gelaten. Zij spreekt over trouw, over het belang van een frisse blik en het voorkomen van relationele luiheid. Victor, de geboren twijfelaar, vraagt zich af hoeveel daarvan werkelijk op zuiverheid berust en hoeveel op bewuste blindheid voor elkaars misstappen. Hij twijfelt niet zozeer aan hun liefde, maar wel aan de mythes die mensen nodig hebben om zichzelf daarin staande te houden.

De hoofdfiguur wordt mild maar genadeloos geschetst: Victor is niet enkel een rancuneuze buitenstaander, maar ook iemand die zijn eigen aandeel in eerdere mislukkingen onder ogen ziet. Zonder zichzelf te sparen – hij bekent bijvoorbeeld zonder omhaal een affaire te hebben gehad met de vrouw van een vriend – probeert hij zijn rol te vinden als ‘hofnar’ in het leven van Nadine en Diederik: degene die alles mag zeggen zolang hij niet te ver gaat. Maar hij weet: narren zijn nooit echt veilig.

Het boek ontleent zijn kracht aan de licht ironische, maar nooit bittermakende toon waarin de personages tot leven komen. De onderhuidse melancholie geeft de luchtige passages extra reliëf. Het verhaal is beeldend en levendig opgebouwd, met een scherp oor voor het ritme van de gedachtegang van een man die zichzelf bij vlagen serieus neemt, maar tegelijk beseft dat zijn waarheden net zo feilbaar zijn als die van zijn buren. De roman weet de banaliteit én de schoonheid van menselijke relaties treffend uit te lichten. Grote drama’s of onwaarschijnlijke wendingen blijven uit; het drama schuilt in het kleine, het alledaagse. In het onuitgesproken weten dat achter elke heg, hoe zorgvuldig ook gesnoeid, verhalen schuilgaan die nooit volledig verteld zullen worden.

Toch is Houd van je buren maar haal de heg niet weg niet helemaal verstoken van dramatiek. Onder de ogenschijnlijke kneuterigheid sluimert spanning, die op een bepaald moment een onschuldige grens overschrijdt. Een kleine, bijna achteloze daad — een misplaatste grap, een onverwachte bekentenis — brengt de vriendschap tussen de buren aan het wankelen. Wat volgt is geen schreeuwende breuk, maar een pijnlijke verschuiving, een stille verwijdering, die des te schrijnender is omdat niemand haar hardop durft te benoemen.

Het boek laat zien dat niet alleen grootse daden, maar vooral kleine misstappen ons leven tekenen. De fragiele balans waarop menselijke verbondenheid rust wordt scherp verbeeld, alsook hoe eenvoudig het is om, zelfs zonder kwade wil, die balans voorgoed te verstoren. Juist door grote drama’s te mijden, voelt de ingehouden ontwrichting des te wranger en echter.

Houd van je buren maar haal de heg niet weg is een ode aan de menselijke halfslachtigheid, verpakt in een luchtig maar trefzeker verhaal, een stille triomf voor wie houdt van romans die evenveel begrip tonen voor de drang naar trouw als voor de onontkoombare neiging tot falen.

Het gedicht ‘verdronken land’.

Uit: Het Eenmansimperium

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.
Felipe IV a Caballo (1635-36), Diego Velázquez. (Museo del Prado / WWF). Het Prado Museum en het WWF plaatsten een nieuwe voorstelling van een klassiek schilderij naast het oude om ons op een originele manier op de ernst van klimaatopwarming (en dus van zeespiegelstijging) te wijzen. Over elkaar heen geprojecteerd is het effect zo mogelijk nog dramatischer, vind ik. (Met permissie) Ik zou kunst die esthetisch blijft maar ook begaan is met maatschappelijke vraagstukken, als de hoogste vorm van artistieke expressie willen bestempelen.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Je zou er bijna van gaan drinken!

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen.

Verdronken Land

Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

Schrijver: Ronald van Noorden ©Cum Suis 2015