Mona, de parmantige show-poedel, heeft haar wonden gelikt en laat alle zogenaamde alfamannetjes nog even in het ongerede.
Natuurlijk zal dit slinkse nest niet rusten voordat alle neuzen haar kant op wijzen. Het gaat niet goed met de opperbazen in de Boreale bossen van Teutholia. Blafhond Geert had teveel afscheiding na de laatste coupe. De hooghartige bloedhond Markusz liep een vette kluif mis en blaft nu al een toontje lager. De potsierlijke Teckel Thierry verliet zijn roedel overhaast en keerde terug met hangende pootjes, wat een slappe indruk maakte. Kettinghond Henk kan alleen het boerenerf bewaken en laat zijn oren teveel hangen naar, de niet minder voorspelbare, one-trick pony Van der Plas. De Eerdmanterriër tenslotte baalt dat zijn alfavrouwtje vaker wordt aangehaald door asielhoudster Jinek dan hij.
Begin 2026 leek de politieke pikorde op rechts te wankelen. Zeven PVV-Kamerleden, onder leiding van Gidi Markuszower, scheidden zich af van Geert Wilders. Hun plan was even ambitieus als opportunistisch; ze maakten aanspraak op een ‘bruidsschat’ van ruim 1,3 miljoen euro uit de fractiereserves. Met dit kapitaal wilden zij een eigen machtsblok vormen en zelfs een strategische alliantie aangaan met de BBB van Mona Keijzer om het minderheidskabinet-Jetten over rechts te gijzelen. De werkelijkheid bleek echter hardvochtig voor de afsplitsers. Het presidium van de Tweede Kamer – waar hun voormalige alfa, Geert Wilders, zelf in meebesliste – stak een stokje voor de uitbetaling. Door hun vertrek juridisch te bestempelen als een ‘afscheiding’ in plaats van een ‘splitsing’, bleven de miljoenen in de kas van Wilders. De politieke isolatie werd compleet toen ook de flirt met de BBB mislukte; Mona Keijzer werd door haar eigen partij gepasseerd, mede vanwege haar geheime toenadering tot de groep. Wat restte was een roedel zonder tanden en zonder budget; gedwongen om met hangende pootjes terug te keren in de marge van het parlement. De likorde op rechts zal opnieuw moeten worden bevochten.
Nee, ik zal haar niet de hemel in prijzen want ik ken haar verder niet, maar dit is wat ik wel van haar weet:
1. Zij heeft de moed om de problemen te benoemen. In het dossier Buitenplaats Beekhuizen stuitte ik op een muur van bureaucratisch gelul. Terwijl andere partijen meegaan in de technische rekensommetjes die op papier natuurwinst beloven, was het Beau Vroone die mijn bezwaren ondersteunde. Het getuigt van intellectuele eerlijkheid om te erkennen dat een administratieve stikstofreductie de natuur in de praktijk niet helpt. We hebben politici nodig die de fysieke realiteit van de Veluwezoom zwaarder laten wegen dan een juridisch sluitend document.
2. Zij toont betrokkenheid bij de directe leefomgeving (en kijkt dus ook over de gemeentegrenzen heen). Natuur houdt niet op bij de gemeentegrens tussen Rheden en Arnhem. Waar veel raadsleden zich verschuilen achter hun eigen ‘tuintje’, toonde Beau Vroone zich bereid om over de grenzen heen te kijken. Door de Rhedense fractie te tippen over mijn boze emails en blogberichten, liet zij zien dat ecologische belangen en democratische transparantie een regionaal belang zijn. Dat is het type leiderschap dat de Veluwezoom nodig heeft.
3. Zij brengt de filosoof terug in de politieke arena. Dat Beau een afgestudeerd filosofe is, zie ik als een aanzienlijk voordeel voor de lokale politiek. We moeten hiervoor terug naar het oude Griekenland, de bakermat van onze democratie. Voor figuren als Plato was de ‘filosoof-bestuurder’ het hoogste ideaal; niet uit arrogantie, maar omdat een filosoof getraind is om voorbij de waan van de dag te kijken. In de traditie van Socrates stelt een filosoof de ‘waarom-vraag’ die anderen vaak vergeten. In een tijd van snelle oneliners hebben we mensen nodig die logische drogredenen herkennen en die de ethische consequenties van beleid kunnen overzien voordat de eerste schop de grond in gaat.
4. Haar scriptie waarin zij patronen van onderdrukking doorziet, belooft veel goeds. Haar masterscriptie over de ‘heks als anti-moeder’ is meer dan een historisch onderzoek; het is een analyse van hoe systemen van macht en uitsluiting werken. Door te laten zien hoe vrouwen historisch tot zondebok werden gemaakt zodra ze niet aan onmogelijke maatschappelijke normen voldeden, toont ze aan dat ze scherp is op systeemfouten. In de politiek betekent dit dat zij waarschijnlijk de eerste zal zijn die signaleert wanneer kwetsbare ‘groepen’ — of dat nu mensen, dieren of de natuur zelf zijn — onterecht in de hoek van ‘het probleem’ worden gedrukt. Haar focus op reproductieve rechten en de onzichtbare lasten van zorgwerk vertaalt zich direct naar een pleidooi voor een rechtvaardigere inrichting van onze Arnhemse samenleving.
En dus? Politiek gaat voor mij om vertrouwen. Vertrouwen dat een volksvertegenwoordiger niet alleen de regels volgt, maar ook durft te zeggen wanneer die regels de werkelijkheid geweld aandoen. Beau Vroone heeft mij nu al bewezen over die scherpte en integriteit te beschikken. Wie hart heeft voor de natuur van de Veluwezoom en wie gelooft in een transparante democratie vindt in haar de juiste stem in de Arnhemse raad.
Een vriendschappelijke interventie voerde mij terug naar de onvervalste versie van een vaderlands verhaal.
Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.
Normaal nu. Na een natsukashii navigeerde ik ontnuchterd van Nippon naar Nederland.
Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.
Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.
Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.
Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.
Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.
Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.
Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.
Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):
Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen. Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.
Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.
Dejima is kleinschalig, museaal en historisch accuraat. Met zijn houten pakhuizen en woningen lijkt het exact op het kunstmatige eilandje in het centrum van Nagasaki dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. In Dejima voel je de geschiedenis van eenzame Nederlandse koopmannen die jarenlang op een houten vlonder naar de zee staarden. Dat is een speciaal soort melancholie dat mijn personage in zijn rol van vertaler goed kan uitstralen. (Voor deze fotobewerking heb ik, met impliciete toestemming, een foto van de Japanse beroemdheid Tsuji Hitonari gebruikt. Dat leek me om meer dan één reden een uitstekende match. Zie onder.)
Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.
Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.
Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.
Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.
Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.
Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.
Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.
De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.
Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?
De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.
In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.
De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.
Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.
Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.
Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.
Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.
Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).
Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.
De pijn van de geforceerde grap ging het genot van de verwondering overheersen.
Toegegeven: er zijn weinig mensen die complexe materie zo elegant en bezield kunnen uitleggen als Brian Cox. Of hij nu de wetten van de thermodynamica ontrafelt of de grootsheid van de kosmos duidt, hij heeft het zeldzame talent om het onbegrijpelijke tastbaar te maken. Dankzij zijn documentaires en andere uitzendingen ben ik talloze malen wijzer geworden over zaken die voorheen als abstracte mist in mijn hoofd hingen. Mijn waardering voor zijn vakmanschap is dan ook grenzeloos.
Presentatoren Brian Cox en Robin Ince: Een duo dat de wetenschap viert, maar in hun podcast vaak moet opboksen tegen de stroeve dynamiek van de geforceerde komische noot. Omdat de show wordt opgenomen voor een live publiek, komt een misplaatste of slecht getimede grap extra hard aan en wordt de ongemakkelijkheid voor de luisteraar direct en pijnlijk hoorbaar.
Met die instelling begon ik drie jaar geleden ook aan de populaire BBC-podcast The Infinite Monkey Cage. De basis is solide: Brian Cox als de wetenschappelijke rots in de branding, geflankeerd door mede-presentator Robin Ince die de boel met zijn enthousiaste chaos aan elkaar breit. Maar daar stopt het niet. Het format schrijft voor dat er naast twee wetenschappers ook steevast een derde gast aanschuift: een ingehuurde komiek.
Juist bij die extra gast wringt voor mij nu de schoen. Waar de wetenschappers praten vanuit hun professie en passie — zij mogen immers uitleggen waar ze dagelijks mee bezig zijn — bevindt de uitgenodigde komiek zich in een onmogelijke positie. Terwijl de experts een boeiend betoog houden, moet deze derde gast voor de komische noot zorgen.
Het resultaat? Een vorm van humor op commando die ik vaak als pijnlijk ervaar. Het lijkt me ontzettend moeilijk om zonder voorbereiding een gevatte grap te maken over complexe materie waar je wellicht weinig affiniteit mee hebt. Dat lukt dan ook vaak niet. Voor mij voelt deze gast regelmatig als een vijfde wiel aan de wagen; iemand die erbij zit omdat het format dat eist, niet omdat het de inhoud verrijkt.
Als luisteraar lijd ik onder die ongemakkelijkheid. Op de momenten dat een wetenschapper een diepgaand inzicht deelt, wordt de stroom vaak onderbroken door een geforceerde kwinkslag die de plank misslaat. Hoewel we ons in het land van de Britse humor bevinden, zijn de grappen op deze momenten vaak niet raak.
Ik merkte dat ik met kromme tenen zat te luisteren. In plaats van op te gaan in de fascinerende feiten, was ik onbewust aan het wachten op het volgende ongemakkelijke moment van de ‘grappenmaker van dienst’. Die stroefheid begon de wetenschappelijke inhoud te overschaduwen.
Plaatsvervangende schaamte is helaas geen goede luistermotivatie. Hoezeer ik de helderheid van Brian Cox ook bewonder, de geforceerdheid van de interactie werd me te veel. Ik ben uiteindelijk opgehouden met luisteren. De wetenschap blijft me fascineren, en ik zal de uitleg van Cox overal blijven volgen waar hij de ruimte krijgt om te schitteren; maar dan wel het liefst in een setting waar de feiten voor zich mogen spreken, zonder de verplichte en vaak misplaatste humor van een worstelende tussenpersoon.