Opmaakfoutjes

Onafhankelijkheid, machtsuitoefening en meeloopgedrag.

Soms wil je een eerder geplaatst blogbericht herschrijven en opnieuw delen, omdat uit de reacties blijkt dat je bedoelingen niet duidelijk genoeg zijn overgekomen. In dit geval gaat het mij om een fundamenteel onderscheid tussen drie vormen van onwaarachtigheid. Niet elke vorm van misleiding is namelijk even verwerpelijk. Er bestaat een verschil tussen een leugentje om bestwil in dienst van de kunst, tussen verdraaiing als instrument van de macht, en tussen het schaamteloos meebuigen uit carrière-overwegingen. Anders gezegd: ik wil de spanning onderzoeken tussen onafhankelijke fictie, manipulerend beleid en volgzaam spreekbuisgedrag. Drie houdingen, drie motivaties: creatieve vrijheid, machtshandhaving en meeloperij.

In het vervolg laat ik drie voorbeelden zien, elk met een eigen soort ‘onwaarheid’. En ik nodig de lezer uit om zich af te vragen: welke van deze drie verdient eigenlijk de meeste afkeuring? Ter illustratie geef ik drie voorbeelden – drie ‘exhibits’ – elk belichamend een ander type onwaarachtigheid: artistieke fictie, politieke vervalsing en ideologische meeloopretoriek. De verschillen zijn soms subtiel, de uitwerking niet. Wat begint als spel of stijlkeuze, kan eindigen als massale misleiding. De vraag die daarbij steeds terugkomt, is: wanneer wordt onwaarachtigheid werkelijk kwalijk?

Exhibit Nr. 1: Een boekcover. Van een boek dat ik zogenaamd schreef. In werkelijkheid is het een mockup, laten we zeggen een oefening in zelfpromotie, over een window dresser met literaire aspiraties. Dan hebben we het over tweedegraads onechtheid. De inhoud bestaat niet. De buitenkant wel. Vorm zonder inhoud: een klassieker.

Exhibit Nr. 2: Het MAHA-rapport, dat onlangs werd gepresenteerd door minister van Volksgezondheid Robert F. Kennedy Jr. en zijn commissie. Make America Healthy Again heet het. Een pleidooi voor de gezondheid van kinderen, gebaseerd op studies die, oeps, niet bestaan of verkeerd geciteerd blijken te zijn. Gelukkig kun je zulke onwaarheden eenvoudig corrigeren door het rapport gewoon een beetje aan te passen. Beetje kneden, beetje bijsturen en de regering Trump sukkelt in al z’n leugenachtigheid voort tot het zoveelste schandaal.

Exhibit Nr. 3: Karoline Leavitt, Trump-woordvoerster, die het hele MAHA-debacle afdeed als ‘opmaakfoutjes’. Alsof het ontbreken van bewijs slechts een kwestie is van verkeerd geplaatste voetnoten.

Dus ik vraag u: wat is de érgste vorm van onechtheid? De fictieve façade van een verzonnen boek? De inhoudelijke vervalsing van een beleidsrapport? Of de bagatelliserende retoriek die alles reduceert tot een “formatting issue”? De lezer mag het zeggen. Maar lees eerst nog even mijn toelichting op alle drie de gevallen.

Laat ik, voordat men mij de maat neemt, direct schuld bekennen en Exhibit Nr. 1 persoonlijk verduidelijken (en verdedigen). Ja, ik heb een boekcover gefabriceerd van een boek dat niet bestaat. En nee, ik zie daar ethisch geen enkel bezwaar in. Integendeel: het is artistieke vrijheid, zelfexpressie, misschien zelfs een mild gebaar richting de denkbeeldige lezer die dit werk ooit had kunnen lezen. Geen misleiding, maar een spel. Geen oplichterij, maar een knipoog. Wat ik mezelf wél aanreken, is de opmaakfout. De titel valt weg tegen de achtergrond. Onleesbaar. Dát is pas schandalig. Dáár had een commissie zich over moeten buigen. Als we dingen verzinnen, laat het er dan op z’n minst goed uitzien.

Dan Exhibit Nr. 2: het MAHA-rapport. Een document dat pretendeert de gezondheid van Amerikaanse kinderen te beschermen, maar zich baseert op studies die niet bestaan, foutief geciteerd zijn of simpelweg uit de lucht komen vallen als engelen die te veel ivermectine hebben geslikt. Het werd plechtig gepresenteerd door minister Robert F. Kennedy Jr., die kennelijk zijn roeping als kwakzalver in marmeren zalen heeft gevonden. En ja, ik weet het, Kennedy is geen Trump, maar de geur is dezelfde: die van gladgestreken pseudowetenschap, netjes verpakt in patriotisme, met een strikje van “wij maken ons zorgen.” Het is niet eens subtiel meer. De waarheid wordt hier niet per ongeluk overgeslagen, ze is met opzet van het schoolplein gestuurd.

Onschuldige opmaaklol

Dit is geen op zichzelf staand incident. We hebben het over een politieke cultuur waarin orkanen met viltstift worden bijgetekend (Sharpiegate), waarin een pandemie “onder controle” was terwijl mensen stierven bij tienduizenden, waarin de verkiezingsuitslagen als fraude werden bestempeld omdat men simpelweg verloor (de lijst van voorvallen is veel langer*). En nu dus dit: een rapport over kinderen dat kinderen gebruikt om onwaarheden te verspreiden. Het zou tragisch zijn als het niet zo misselijkmakend was. Want ergens houdt het een keer op; al was het maar omdat de waarheid uiteindelijk altijd bovendrijft.

Exhibit Nr. 3 brengt ons bij Karoline Leavitt, Trumpwoordvoerster oftewel: wandelend spreekbuismeubelstuk van het post-truth tijdperk. In haar reactie op de ophef rond het MAHA-rapport sprak ze over “formatting issues,” alsof de afwezigheid van wetenschappelijke onderbouwing te herleiden was tot een slordig geplakte paginanummering of een vergeten regelafstand. Leavitt heeft zich ontwikkeld tot wat men in journalistieke kringen een ‘geselecteerde echo’ noemt. Er zijn stemmen die haar omschrijven als ‘a well-groomed amplifier of autocratic nonsense,’ of als ‘de spindoctor die vergeten is dat je soms ook een patiënt moet genezen, niet alleen symptomen verhullen.’

Waarom kiest iemand zo radicaal voor de rol van reclamelakei of blindvolger in een regime dat z’n eigen leugens niet eens meer fatsoenlijk hoeft te verpakken? Heeft het te maken met macht, met carrière, met ideologische driften die nog niet door de realiteit zijn ingehaald? Of is het gewoon makkelijker om op een zinkend schip de purser te blijven, zolang het buffet openblijft? Hoe dan ook: als “formatting issues” de samenvatting wordt van vier jaar presidentschap, dan weet je dat de inhoud al lang van de pagina’s is gewist.

Gelukkig is er de kunst. Kleinkunst in dit geval, want wie werkelijk wil begrijpen wie Leavitt is, hoeft alleen maar te kijken naar comédienne Lisandra Vazquez, die haar met zoveel verve, spot en precisie persifleert dat je soms vergeet dat je niet naar Leavitt zelf kijkt. En daarmee zijn we weer terug bij exhibit Nr. 1: de kunstmatige representatie, de uitvergroting, de fictionele façade. Want anders dan bij Leavitt is het bij Vazquez tenminste opzettelijk ironisch. Je kunt in al je onechtheid dus gewoon ook eerlijk zijn.

Karoline Leavitt versus Lisandra Vazquez


Misschien draait het uiteindelijk niet om de leugen zelf, maar om de context waarin ze wordt verteld. In de kunst knipoogt ze naar de waarheid, in de politiek maskeert ze haar, en in de propaganda vermomt ze zich als deugdzame bezorgdheid. En wie daarin meegaat, doet dat soms uit overtuiging, soms uit opportunisme. Maar zeg nu zelf: welke van de drie roept de meeste weerzin op? Niet elke vorm van onwaarachtigheid is even schadelijk, maar allemaal zeggen ze iets over de verhoudingen waarin ze ontstaan. De kunstenaar kiest voor illusie om vrijheid te winnen. De machthebber kiest voor vervalsing om die vrijheid in te perken. En de meeloper kiest voor gemak, carrière, of simpelweg overleving (‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’). De vraag is niet alleen welke vorm het ergst is, maar ook: welke laten we ongemoeid? Kunst mag misleiden, zolang ze er eerlijk over is. Macht verdraait, omdat ze zich onkwetsbaar waant. En wie dat met droge ogen verdedigt als ‘opmaakfoutjes’, maakt van ironie een rookgordijn. Misschien is dat wel de grootste onwaarachtigheid: doen alsof je niets te verbergen hebt, terwijl je niets te vertellen hebt.

*Een beknopte lijst van waarheidsovertredingen en realiteitsvervorming onder de Trump Administration:

De aanval op de Capitol (6 januari 2021)
– Een poging tot staatsgreep gevoed door fabels. De bestorming van de waarheid in real time.

Sharpiegate (2019)
– Toen Trump een orkaanvoorspelling eigenhandig “corrigeerde” met een viltstift om zijn eerdere uitspraak te staven. Klimaatwetenschap, maar dan als kleurplaat.

“We have it totally under control” (januari 2020)
– Over COVID-19, vlak voordat tienduizenden Amerikanen stierven en ziekenhuizen overspoeld werden. Vrede op aarde, met ventilatoren.

Bleachgate (april 2020)
– Trump suggereerde dat ontsmettingsmiddel misschien ingespoten kon worden bij mensen om het virus te doden. De wetenschap haalde diep adem (en nam afstand).

De herhaaldelijke bewering dat de verkiezingen van 2020 “gestolen” zijn
– Omdat verliezen simpelweg geen optie was. Rechters, hertellingen, en zelfs Trumps eigen kiescommissie vonden géén bewijs, maar het narratief bleef.

Charlottesville (“very fine people on both sides”, 2017)
– Over een neonazi-optocht waarbij een vrouw werd doodgereden. Een “gebalanceerde” kijk op haat, zogezegd.

De familiegesponsorde regeringsaanpak
– Jared Kushner kreeg het Midden-Oosten, Ivanka “empowerde” vrouwen, en Eric en Don Jr. mochten de tweets op smaak brengen. Diplomatie als familiebedrijf.

De immigratieban (“Muslim ban”, 2017)
– Een presidentieel decreet dat niet alleen moreel omstreden was, maar ook juridisch werd teruggefloten — meerdere keren.

Kinderen in kooien (2018)
– Migrantenkinderen gescheiden van hun ouders aan de grens. Later gepresenteerd als “een humanitaire maatregel.”

Altering hurricane maps vs. altering medical reports
– Van Sharpiegate tot MAHA-rapport: het patroon blijft gelijk. Eerst de waarheid, dan het potlood.

Alternative facts (2017)
– Kellyanne Conway verdedigde leugens over de inauguratie-opkomst met deze Orwelliaanse term. Waarheid? Keuzeoptie.

De beautytreatment van dictators
– Kim Jong-un was “a smart cookie”, Poetin “a strong leader”, en Mohammed bin Salman “maybe did it, maybe didn’t” (over de moord op Khashoggi). Realpolitik als fanclub.

Het weer opzeggen van het Klimaatakkoord van Parijs (2017)
– “Ik ben president van Pittsburgh, niet van Parijs.” Vervuilen met vlagvertoon.

De verheerlijking van hydroxychloroquine (2020)
– Naar eigen zeggen nam hij het zelf ook. Het hielp tegen malaria, niet tegen feiten.

Het uit de WHO stappen midden in een pandemie (2020)
– De logica: als je je oren dichtdoet, bestaat het virus niet.

Het Clinton-obsessie-circus
– “Lock her up” als standaard refrein, nog jaren na de verkiezingen. Alsof hij ’s nachts wakker werd van e-mails.

De Bible photo-op (2020)
– Protesten tegen politiegeweld werden hardhandig uiteengedreven, zodat Trump met een Bijbel (op z’n kop) op de foto kon voor een kerk. Religie als rekwisiet.

Het ontslag van inspecteurs-generaal en ambtenaren
– Onafhankelijke toezichthouders werden massaal aan de kant gezet. Controlemechanismen? Te negatief.

De mislukte coronatest-infrastructuur
– “Iedereen die een test wil, kan er een krijgen.” Spoiler: dat was niet zo. Tenzij je NBA speelde.

De ‘perfecte’ telefoontjes
– Naar Oekraïne (2020), waarin hij Zelensky onder druk zette om compromitterende info over Biden te vinden. Dat leidde tot de eerste impeachment. “Perfect” volgens Trump zelf. Zwart-wit, volgens iedereen met een geweten.

Het laten verdwijnen van het vertaalteam voor pandemieën (2018)
– In 2018 werd het pandemieteam bij de National Security Council ontbonden. Want wat kon er gebeuren?

Covfefe (2017)
– De legendarische onafgemaakte tweet. De eerste officiële presidentiële typo die tot filosofisch debat leidde.

De injectie van politiek in onafhankelijke instellingen
– FBI, CDC, FDA: alles werd politiek gereviseerd. Het ministerie van Volksgezondheid als verkiezingsinstrument.

De geheime belastingaangiftes
– Hij zou ze “binnenkort” vrijgeven. Spoiler: dat gebeurde pas via gerechtelijke dwang, en ze lieten zien dat hij nauwelijks belasting betaalde. Great businessman.

Trump University
– Technisch van vóór zijn presidentschap, maar in toon volledig op één lijn: een “universiteit” die vooral leergeld vroeg. Letterlijk.

Het voortdurend herhalen van leugens tot ze waar lijken
– Volgens The Washington Post meer dan 30.000 feitelijke onjuistheden in vier jaar tijd. Een gemiddelde van 21 per dag. Productiviteit in post-truth.

Het benoemen van rechters die het systeem langdurig conservatief verankeren
– Waaronder drie Hooggerechtshofrechters, mede verantwoordelijk voor de afschaffing van Roe v. Wade. Geen leugen, maar wel een blijvend gevolg van een man die zwoer bij chaos.

De wall die nooit kwam (of werd betaald door Mexico)
– De Grote Muur bleef steken in een paar honderd mijl hekwerk. Betaald door de Amerikaanse belastingbetaler.

De demonisering van de pers (“Enemy of the people”)
– Kritische media werden consequent beschuldigd van leugens, terwijl propaganda als “truth” verkocht werd. Orwell zou instemmend grinniken — of huilen.

De poging om poststemmen te saboteren
– Door de Postmaster General bewust postverwerking af te remmen. Post-truth werd letterlijk snail mail.

De Lafayette Square ‘rechtzetting’
– Het officiële verhaal was dat de ordetroepen demonstranten “toevallig” uit het park verwijderden vlak vóór Trumps fotomoment met de Bijbel. De werkelijkheid: het park werd leeggeknuppeld voor een PR-foto. Een scenariowijziging in real-time.

De orkaan die afboog dankzij een Sharpie (Sharpiegate)
– Omdat Trump ten onrechte zei dat orkaan Dorian ook Alabama zou treffen, werd er later een kaart getoond waarop het orkaanpad… met een stift was aangepast. Meteorologie à la Trump.

“Stand back and stand by”
– Tijdens een presidentieel debat vroeg men hem zich te distantiëren van racistische groeperingen. Zijn antwoord aan de Proud Boys: een bijna militaire opdracht. Dog whistle? Nee hoor, dit was een megafoon.

De Trump Tower bijeenkomst met Russische advocaten (2016)
– “Adoptiebeleid”, volgens het officiële verhaal. In werkelijkheid ging het over het verkrijgen van dirt over Hillary Clinton. Verloedering in ruil voor verkiezingswinst.

De poging om Groenland te kopen (2019)
– Echt gebeurd. Trump wilde Groenland kopen van Denemarken. Toen Denemarken het belachelijk vond, annuleerde hij het staatsbezoek. Imperialisme met kinderwens.

De suggestie om Californië ‘terug te geven’ aan Mexico
– Een van de off-the-record hersenspinsels van de president. Als je dan toch alles opnieuw wil onderhandelen…

Het injecteren van bleekmiddel (2020)
– Tijdens een persconferentie vroeg Trump zich hardop af of desinfectiemiddel niet “geïnjecteerd” kon worden in mensen om COVID-19 te bestrijden. De medische wereld sloeg collectief de handen voor de ogen.

De hernoeming van COVID-19 tot ‘Kung Flu’
– Een racistische grap in speeches, bedoeld om China de schuld te geven — maar ook om af te leiden van beleidstekort. Viruspolitiek met een vleugje nativisme.

De aanstelling van familieleden in sleutelposities
– Jared Kushner en Ivanka Trump kregen officiële functies in het Witte Huis. Geen ervaring nodig, zolang je bij de familie hoort. In het Trump Hotel, zeg maar.

De heroïsche mislukking van de Tulsa-rally (2020)
– Trump dacht een stadion vol aanhangers aan te treffen. Bleek dat TikTok-gebruikers massaal nepkaartjes hadden gereserveerd. Jongeren: 1, Oranjereus: 0.

De beschuldiging dat windmolens kanker veroorzaken (2019)
– Ja, echt. “The noise causes cancer,” zei hij. Wetenschappelijk gezien volstrekt onzinnig, maar wel goed voor de olie-industrie.

Het vernietigen van documenten (2022 onthuld)
– Na zijn termijn bleek dat Trump documenten doorscheurde, liet verdwijnen en zelfs in het toilet spoelde. Archiefbeheer zoals een kleuter zijn tekeningen selecteert.

Het Mar-a-Lago-documentenschandaal (2022–)
– Geheime documenten in een privéclub bewaard, in dozen tussen golfclubs en schoonmaakspullen. Bij een ander zou dit spionage heten. Bij Trump: “mijn persoonlijke souvenirs.”

De omarming van QAnon
– Hij retweette tientallen QAnon-gerelateerde accounts en weigerde afstand te nemen. Een president die samenzweringswaan omarmt alsof het beleid is.

De eindeloze recounts en audits in Arizona
– Duizenden dollars uitgegeven aan het controleren van al lang vastgestelde verkiezingsuitslagen. De enige die fraude pleegde, was ironisch genoeg… een Trump-stemmer.

Het “Go back to your country” tegen vier congresvrouwen (2019)
– Een expliciete racistische uitval naar vrouwen van kleur die — o ja — allemaal Amerikaans staatsburger zijn. Drie van hen zelfs geboren in de VS.

Het uitlachen van een gehandicapte journalist (2015)
– Een van de eerste momenten dat de wereld dacht: dit wordt hem nooit. Maar het werd hem. Moraal: onderschat nooit het gebrek aan moreel besef.

Het in twijfel trekken van de geboortestatus van Kamala Harris (2020)
– Na Obama was zij het volgende doelwit van birther-achtige theorieën. Ironisch genoeg geboren in Oakland, Californië. Duidelijker Amerikaans dan Trump zelf.

De claim dat hij de ‘meest milieuvriendelijke president ooit’ was
– Terwijl hij tegelijkertijd natuurgebieden opende voor olieboringen. Het enige groen aan zijn presidentschap was het geld.

De permanente campagne-modus
– Zelfs na zijn verlies ging Trump door met rallies, fondsenwerving en retoriek alsof hij nog regeerde. Een exit die voelt als een seizoensfinale met te veel cliffhangers.

Verzet en protest

Van oude wijsheid tot de wortels van klimaatactivisme.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 2

Als je terugkijkt op de geschiedenis van het verzet, valt op dat het telkens draait om mensen die niet willen buigen voor onrecht. Dit onrecht heeft door de eeuwen heen vele vormen aangenomen: tirannie, sociale ongelijkheid, onderdrukking, uitbuiting, censuur. Opstandigen vormen vaak een tegenbeweging in een systeem dat ethisch onhoudbaar is geworden. Ze geven daarmee uitdrukking aan een diepgeworteld verlangen naar rechtvaardigheid, autonomie en menselijke waardigheid. Klimaatactivisme werd de jongste voortzetting van deze eeuwenoude strijd. Omdat het protest niet begon bij milieuzorg, maar wortels heeft in bredere ideeën over gerechtigheid, is het boeiend en noodzakelijk om stil te staan bij denkers die het verzet tegen onrecht door de tijd heen hebben vormgegeven.

Verzet in de oudheid: orde, rechtvaardigheid en tirannie

De wortels van onze ideeën over verzet liggen bij de oude Griekse filosofen. Plato, in zijn beroemde werk Politeia (De Staat), waarschuwde voor de chaos die kan ontstaan als elke burger doet wat hij wil:

“De tirannie is niets anders dan een uiting van de heerschappij van het laagste deel van de ziel.”
— Plato, Politeia

Voor hem was verzet tegen de staat alleen legitiem als het leidde tot herstel van de orde en rechtvaardigheid. Het idee dat mensen tegen hun overheid in opstand mogen komen, zag hij met argwaan: de harmonie van de stadstaat moest behouden blijven.

Aristoteles sprak over rechtvaardigheid als het hoogste doel van de staat en vond dat het volk een recht had om onrecht te weerstaan:

“Wanneer het bestuur het recht schaadt, is verzet niet alleen gerechtvaardigd maar noodzakelijk.”
— Aristoteles, Politica

Zijn genuanceerde kijk legde de basis voor latere discussies over legitimiteit van verzet.

De Romeinse filosoof Cicero was explicieter in het rechtvaardigen van opstand tegen tirannie. Hij stelde dat er een universele, natuurlijke wet is die hoger staat dan menselijk recht, en dat

“het recht om te rebelleren tegen tirannie voortkomt uit het recht op zelfbehoud en gerechtigheid.”
— Cicero, De Republica

Dit idee kreeg later grote invloed in de middeleeuwen en de moderne tijd.

Al vroeg zien we dat verzet nooit louter een impulsieve reactie is, maar altijd een afweging van rechtvaardigheid en orde. Ik herken hierin het dilemma van hedendaagse klimaatactivisten: wanneer is het legitiem om regels te breken in naam van een hoger doel?

Middeleeuwen en vroegmoderne tijd: natuurlijk recht en revolutionaire ideeën

Thomas van Aquino werkte Cicero’s idee van de natuurlijke wet verder uit. Hij schreef:

“Wie het volk onderdrukt en de rechtvaardigheid negeert, berooft zichzelf van zijn gezag.”
— Thomas van Aquino, Summa Theologica

Met deze woorden legde hij de basis voor een theologische opvatting waarin gezag niet absoluut is, maar afhankelijk van rechtvaardigheid. Als een heerser zijn plichten verzaakt en zich tot tirannie wendt, mag hij volgens Aquino zijn gezag verliezen. Dit bood latere denkers en politieke gezagsdragers — zij het met grote voorzichtigheid — een moreel kader om verzet tegen tirannie te overwegen. Toch bleef dit een delicate kwestie binnen de katholieke leer, die stabiliteit en gehoorzaamheid doorgaans hoger waardeerde dan revolutionaire actie.

Niccolò Machiavelli bracht een realistischere toon in het debat. Zijn uitspraak:

“De doel heilig de middelen.” (apocrief)
— Niccolò Machiavelli, Il Principe

benadrukt dat verzet en revolutie vaak onorthodoxe middelen vereisen. Machiavelli erkende de harde realiteit van macht en liet zien dat soms geweld nodig is om rechtvaardigheid te herstellen. Dit pragmatisme sprak later revolutionairen aan.

John Locke was een ware voorloper van modern politiek verzet. In zijn Two Treatises of Government stelt hij dat mensen van nature rechten hebben — leven, vrijheid en eigendom — en dat een overheid die deze schendt, haar legitimiteit verliest:

“Wanneer een regering het vertrouwen van het volk misbruikt, hebben de burgers het recht haar te vervangen.”
— John Locke, Two Treatises of Government

Rousseau ging verder met zijn sociaal contract, waarin de soevereiniteit bij het volk ligt en verzet een recht is als de overheid dit contract verbreekt:

“Wanneer het volk zegt: ‘Wij willen niet langer gehoorzamen,’ begint de vrije mens zijn ware bestaan.”
— Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social

De ideeën van Locke en Rousseau zijn voor mij essentieel in het begrijpen van klimaatprotesten. Klimaatactivisten claimen niet alleen hun rechten, maar ook het recht van toekomstige generaties, wat het klassieke denken over ‘het volk’ aanzienlijk uitbreidt.

Verlichting: vrijheid, rede en publieke kritiek

De Verlichting was een tijd van opstandigheid en kritisch denken. Voltaire, de flamboyante verdediger van vrijheid, schreef:

“Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal mijn leven geven om uw recht het te zeggen te verdedigen.”
— Voltaire (toegeschreven)

Hieruit spreekt het fundamentele principe van vrije meningsuiting als basis voor elk verzet.

Montesquieu bracht de scheiding der machten in stelling, om te voorkomen dat macht zich zou concentreren en tirannie zou ontstaan:

“Machtsconcentratie leidt tot tirannie; daarom is vrijheid alleen mogelijk bij gespreide macht.”
— Montesquieu, De l’esprit des lois

Kant voegde een diepere ethische laag toe aan het idee van protest. Hij stelde dat echte vrijheid komt uit autonomie en publieke rede, en waarschuwde voor ongehoorzaamheid die het maatschappelijke vertrouwen zou ondermijnen:

“Durf te weten! Heb de moed je eigen verstand te gebruiken.”
— Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?

Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid zetten een ethisch kader neer, waarbij protest alleen legitiem is als het de rede en de moraliteit respecteert.

Kant daagt mij uit na te denken over de ethische grenzen van klimaatactivisme. Tot hoever mag verzet gaan zonder de samenleving te ondermijnen? Tegelijkertijd geeft hij hoop door te benadrukken dat het publieke debat de motor van verandering is.

19e-eeuw: klassenstrijd en individuele burgerlijke ongehoorzaamheid

Karl Marx zag verzet als het onvermijdelijke gevolg van economische ongelijkheid. Zijn analyse was onverbiddelijk:

“De geschiedenis van alle bestaande samenlevingen is de geschiedenis van klassenstrijd.”
— Karl Marx, Het Communistisch Manifest

Voor Marx is het proletariaat het ware verzet, de revolutionaire kracht die het oude regime moet omverwerpen.

Tegelijkertijd formuleerde Henry David Thoreau een radicale visie op individueel verzet, in zijn essay Civil Disobedience (1849):

“Wanneer de wet onrechtvaardig is, moet men weigeren eraan mee te werken.”
— Henry David Thoreau, Civil Disobedience

Thoreau verwees naar zijn eigen weigering belasting te betalen uit protest tegen slavernij en de Mexicaans-Amerikaanse oorlog. Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid vormen een directe brug naar het hedendaagse milieuprotest.

Friedrich Nietzsche bracht een existentieel perspectief. Hij zag het verzet niet alleen als een politieke daad, maar als een uitdrukking van de wil tot macht en zelfverwezenlijking:

“Word wie je bent.”
— Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra

Voor Nietzsche betekent verzet ook het loslaten van traditionele waarden om ruimte te scheppen voor nieuwe, individuele zingeving.

Thoreau inspireert mij het meest in het klimaatactivisme, juist vanwege zijn nadruk op persoonlijke verantwoordelijkheid en moed. Nietzsche roept me op om het innerlijke verzet te omarmen dat verder gaat dan politiek — een spirituele rebellie tegen de status quo.

20e-eeuw: totalitarisme, macht en het absurde verzet

In een eeuw van totalitaire regimes en wereldwijde conflicten analyseerde Hannah Arendt het fenomeen totalitarisme en de rol van verzet daarin. Zij stelde:

“Verzet is de daad die vrijheid schept.”
— Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism

Voor Arendt is verzet een fundamentele menselijke daad, een manier om het eigen bestaan en dat van de gemeenschap te bevestigen.

Michel Foucault bracht macht en verzet samen als een spel dat door iedereen gespeeld wordt:

“Waar macht is, is ook verzet.”
— Michel Foucault, Surveiller et Punir

Zijn visie maakt duidelijk dat verzet niet alleen gericht is tegen een specifieke macht, maar ook een constante aanwezigheid is in sociale relaties, kennis en identiteit.

Albert Camus stelde in De Mythe van Sisyphus (1942) dat het leven absurd is, maar dat juist daarom verzet een ethische plicht is:

“In het midden van de winter ontdekte ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer is.”
— Albert Camus, De Mythe van Sisyphus

Camus toont het verzet als een existentiële daad, die ondanks zinloosheid toch betekenis geeft.

Deze denkers maken mij bewust dat verzet niet slechts een politiek instrument is, maar een diep menselijke conditie. Klimaatactivisme heeft ook iets van die absurde strijd tegen een overweldigende werkelijkheid, maar het wordt juist daardoor krachtig.

Milieuactivisme en de eerste denkers over ecologisch verzet

Pas in de tweede helft van de 20e eeuw kreeg milieuactivisme filosofische fundamenten. Rachel Carson zette met Silent Spring (1962) de alarmbel over de destructie van ecosystemen:

“De mens is deel van de natuur, en zijn overleving hangt af van het respect daarvoor.”
— Rachel Carson, Silent Spring

Aldo Leopold formuleerde een ethiek van de aarde:

“Een ding is goed als het de integriteit, stabiliteit en schoonheid van de biotische gemeenschap bevordert.”
— Aldo Leopold, A Sand County Almanac

Murray Bookchin verbond ecologie met sociale rechtvaardigheid en introduceerde het concept van sociale ecologie, waarin verzet tegen onderdrukking en tegen milieuvernietiging onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Volgens hem kon milieuproblematiek niet los worden gezien van hiërarchie en sociale ongelijkheid:

“De overheersing van de natuur door de mens komt voort uit de zeer reële overheersing van mens door mens.”
Murray Bookchin, De ecologie van de vrijheid (1982)

Voor Bookchin was de bevrijding van mens én natuur een gedeelde strijd. Waar anderen pleitten voor technologische oplossingen of consumptiebeperking, benadrukte hij de noodzaak van radicale democratisering en het afbreken van autoritaire structuren. Alleen door sociale verhoudingen fundamenteel te veranderen, zo stelde hij, kunnen we werkelijk ecologisch samenleven.

De Franse filosoof Bruno Latour beschouwt de milieucrisis als een oproep tot een nieuw politiek denken:

“We moeten onze relatie met de aarde heruitvinden, want de oude scheiding tussen mens en natuur is dood.”
— Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes

Klimaatactivisme is daarmee de logische volgende stap in een lange traditie van verzet, een verzet dat niet alleen gericht is op sociale rechtvaardigheid, maar ook op het behoud van ons leefmilieu. Het vereist een nieuw bewustzijn, een diepgeworteld respect en liefde voor onze planeet.

Verzet als continuüm van hoop en verantwoordelijkheid

Verzet is een kracht die onze geschiedenis en toekomst vormt. Het is nooit simpel, altijd omgeven door ethische dilemma’s, conflicten en risico’s. Maar het is ook een uitdrukking van onze vrijheid en menselijke waardigheid. Als klimaatactivist voel ik me verbonden met deze rijke traditie van denkers en strijders. Hun woorden geven me kracht en richting in mijn eigen engagement. Zoals Camus zei, zelfs in het absurde verzet schuilt een onoverwinnelijke zomer, een hoop die nooit dooft. En die hoop, gecombineerd met liefde voor onze aarde en medemensen, zal het fundament zijn voor het verzet van morgen.

Bronnen

  • Plato, Politeia
  • Aristoteles, Politica
  • Cicero, De Republica
  • Thomas van Aquino, Summa Theologica
  • Niccolò Machiavelli, Il Principe
  • John Locke, Two Treatises of Government
  • Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social
  • Voltaire (toegeschreven)
  • Montesquieu, De l’esprit des lois
  • Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?
  • Karl Marx & Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest
  • Henry David Thoreau, Civil Disobedience
  • Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra
  • Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism
  • Michel Foucault, Surveiller et Punir
  • Albert Camus, De Mythe van Sisyphus
  • Rachel Carson, Silent Spring
  • Aldo Leopold, A Sand County Almanac
  • Murray Bookchin, The Ecology of Freedom: The Emergence and Dissolution of Hierarchy
  • Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes

De mens in opstand

Bij één boek van Albert Camus wil ik nog even in het bijzonder stilstaan omdat het erg veel indruk op me heeft gemaakt: De mens in opstand. Het is een werk dat ik keer op keer kan openslaan en waar ik telkens weer iets nieuws uit oppik. Wat me vooral raakt, is hoe Camus de opstand niet simpelweg als een politieke daad ziet, maar als iets fundamenteel menselijks. Niet de massa’s die zich roeren, maar de enkeling die weigert te buigen voor het absurde, de onrechtvaardigheid, en de zinloosheid van het bestaan.

Camus zegt het ergens prachtig: ‘De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Die weigering, die opstand, is geen wanhoop, maar een protest en een bevestiging tegelijk. Het is alsof hij zegt: ik accepteer de absurditeit van het leven, maar ik geef me er niet aan over. Ik kom in opstand. En dat maakt me meer mens dan ooit.

Wat me ook diep heeft doen nadenken, is zijn opmerking over de paradox van de ‘goede terrorist’. In een tijd waarin misdaad vaak met de veren van onschuld pronkt, stelt Camus dat juist de opstandige mens, de rebel, zichzelf altijd onderzoekt, zichzelf ter verantwoording roept en grenzen stelt, ook aan zichzelf. De opstand eist vrijheid, maar die vrijheid betekent nooit dat je vrij bent om de vrijheid van een ander te schenden. De ultieme vrijheid, de vrijheid om te doden, is iets dat de opstand in wezen nooit kan toestaan, want de opstand is een verzet tegen het eigen sterven, tegen de dood. Wie anderen doodt, verraadt de logica van zijn eigen opstand.

Dat is een moeilijk maar cruciaal punt: de opstand is niet de roep om totale anarchie of willekeur, het is juist een eis tot matigheid, tot respect voor het leven, tot het erkennen van een gedeelde menselijke waardigheid. Geen Nietzscheaanse Übermensch die alles mag, maar de rebel die juist de vrijheid voor iedereen opeist. Camus stelt dat die vrijheid zich verbiedt aan wie de vrijheid van de ander wil breken.

Hij wist ook dat dit hem vriendschappen zou kosten. Tegen zijn goede vriend Jean-Claude Brisville zei hij vlak voordat het boek uitkwam: “Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen.” Het is die eenzaamheid van de opstandige enkeling die me fascineert en ook soms raakt: de moed om te staan tegen zowel de massa als de tijd.

In De mens in opstand neemt Camus ons mee vanaf het begin. Hoewel hij soms het existentialisme raakt – het besef dat het bestaan voorafgaat aan de essentie, en dat we onszelf in onze daden moeten creëren – blijft hij het duidelijk anders doen dan Sartre. Waar existentialisten soms een vlucht zien in het creëren van betekenis, blijft Camus trouw aan de absurditeit en kiest hij voor de opstand als antwoord. Niet vluchten, niet berusten, maar opstaan en weigeren mee te doen aan laffe of destructieve illusies.

De opstand is geen nihilisme. Het is het eigen protest dat betekenis creëert. ‘Ik schreeuw dat alles absurd is’, zegt Camus, ‘maar ik moet in mijn schreeuw geloven.’ Zo wordt ‘ik denk, dus ik ben’ vervangen door ‘ik kom in opstand, dus ik ben.’

De historische voorbeelden die hij behandelt – van de Franse Revolutie tot het terrorisme – tonen keer op keer hoe snel een opstand kan ontsporen wanneer ze zich verliest in ideologieën die absolute waarheden claimen en daardoor anderen onderdrukken. Het gevaar is dat de opstand verandert in terreur. Maar hier introduceert Camus zijn buitenbeentje: de Russische terrorist Kaljajev, die, na het plegen van moord, zichzelf aanvaardt en zijn eigen dood omarmt als ultiem protest. Hij wordt door Camus met respect genoemd als ‘fijngevoelige moordenaar’, een paradox die laat zien dat de opstand niet per se onmenselijk hoeft te zijn, zolang hij trouw blijft aan zijn eigen grenzen en waarden.

Dat raakt me diep: de erkenning dat er in het breken van regels, in het uiterste offer, nog steeds een vorm van zuiverheid en menselijkheid kan schuilen. De vuile handen van de moordenaar worden alleen gewassen in zijn eigen dood, en die daad schept nog steeds waarden.

Tegelijkertijd laat Camus zien dat dit een uitzondering is, een zeer zeldzaam moment in de geschiedenis van de revolutie. De meeste opstanden verworden tot machtsstrijd en moord, en dan is de opstand verraden. Toch blijft zijn boodschap helder: de opstand is het moment waarop we bevestigen dat we mens zijn, dat we grenzen stellen aan geweld, en dat we onze eigen vrijheid nooit ten koste van die van anderen mogen opeisen.

Wat mij ook bijblijft, is die merkwaardige paradox uit het boek: ‘Op de dag dat de misdaad pronkt met de veren van de onschuld, wordt door een merkwaardige omkering, die kenmerkend is voor onze tijd, de onschuld gesommeerd zich te rechtvaardigen.’ Het essay wil die vreemde uitdaging aangaan: waarom worden de eerlijke, de opstandige nu verdacht? Waarom moet de rebel zich verdedigen in een wereld die vaak verdraaid en absurd is?

Dat we in onze tijd zo weinig meer lijken te geven om Camus’ pleidooi voor matigheid, bezonnenheid en respect voor het leven, doet me soms bang worden. Maar juist daarom voelt zijn werk nu misschien krachtiger dan ooit. De mens in opstand nodigt me telkens weer uit om niet mee te gaan in extremisme, niet te vluchten in ideologieën die de ander ontmenselijken, en vooral om trouw te blijven aan het diepste menselijke: het vermogen om te weigeren, te protesteren, zonder de ander te vernietigen.

Voor mij is dit boek niet alleen een filosofische tekst, maar een soort gids in de chaos van deze tijd. Het leert me dat opstand een daad van vrijheid en verantwoordelijkheid is en dat de ware opstand de opstand van het individu is die zich bewust is van zijn grenzen én die van de ander.

Fragment uit: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Ik schrijf je deze brief omdat er iets tussen ons is voorgevallen dat ik niet kan negeren, en waarvan ik denk dat het nodig is om het uit te spreken, hoe moeilijk ook.

Moodboard c.q. schetsplan voor De Liefdesbrigade.

Je stuurde me onlangs die bandopname van de redevoering van Goebbels1. Ik heb ernaar geluisterd, en ik moet zeggen: het deed me huiveren. Niet alleen vanwege de stem van de geschiedenis die daar spreekt – een stem die aanzet tot haat, tot de dood van miljoenen – maar ook omdat ik het gevoel kreeg dat jij erdoor geraakt werd op een manier die ik moeilijk kan plaatsen.

Ik wil je niet beschuldigen. Maar ik voel me verplicht om open te zijn over wat dit bij mij oproept. De woorden die Goebbels gebruikt – over de ‘Mongolensturm’, over de verdediging van Europa tegen de Bolsjewisten – zijn doordrenkt met racisme, propaganda en misleiding. Ze zijn gericht op het ophitsen van een volk dat al jarenlang onderdrukt werd door terreur.

Wat mij trof, is dat deze toespraak, waarin een oorlogsmisdadiger zijn volk oproept tot de laatste wanhopige strijd, bij jou blijkbaar een emotionele snaar raakt. Dat maakt me bezorgd. En eerlijk gezegd: verdrietig. Niet om je te veroordelen, maar omdat ik me afvraag of je je werkelijk bewust bent van de historische lading en morele implicaties.

Mag ik je daarom iets vragen, met alle voorzichtigheid en respect die ik kan opbrengen? Hoe ben jij grootgebracht? Welke beelden van de geschiedenis zijn jou meegegeven? En voel je je werkelijk thuis bij zulke retoriek, of is er iets anders aan de hand? Ik vraag dit niet om je aan te vallen, maar omdat ik in verwarring ben geraakt over wie je werkelijk bent, en wat je beweegt.

Ik weet dat de wereld complex is. Dat het huidige geopolitieke klimaat gevoelens oproept over Oost en West, over dreiging en verdediging. Maar er zijn grenzen. Grenzen die we niet zomaar mogen verleggen omdat onze eigen tijd ook moeilijk is.

Ik hoop dat je begrijpt dat ik dit niet licht schrijf. Maar ook dat ik, ondanks alles, nog steeds geloof dat eerlijkheid – hoe pijnlijk ook – beter is dan wegkijken of zwijgen.

Met een dierbare groet,
Onno
van Dorreland

1 Over de historische context van de toespraak van Joseph Goebbels en de bevrijding van Berlijn

De redevoering die Joseph Goebbels hield in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij de bevolking van Berlijn opriep zich te verzetten tegen de oprukkende Sovjetlegers, vond plaats in een periode waarin Nazi-Duitsland feitelijk reeds verslagen was. Goebbels, als minister van Propaganda, trachtte in deze speech de Duitse bevolking tot een laatste wanhopige verdediging aan te zetten. Hij deed dat met een combinatie van nationalistische retoriek, racistische beeldvorming (zoals het gebruik van de term “Mongolensturm”), en het mobiliseren van angst voor het “Bolsjewistische gevaar”.

Het is essentieel om te begrijpen dat deze toespraak niet los te zien is van het bredere historische en morele kader: Nazi-Duitsland was op dat moment een misdadig regime, verantwoordelijk voor de Holocaust en een verwoestende wereldoorlog. De Sovjet-Unie, hoe complex en later zelf ook gewelddadig in haar optreden, was in deze context een geallieerde macht die mede verantwoordelijk was voor het beëindigen van deze terreur.

De Slag om Berlijn, die eindigde in mei 1945 met de inname van de stad door het Rode Leger, markeerde het definitieve einde van het Derde Rijk. Voor de meeste Europeanen, inclusief Nederlanders, betekende dit het begin van de bevrijding. Hoewel het optreden van het Rode Leger op bepaalde plaatsen met geweld en wraak gepaard ging, is het historisch onhoudbaar om in deze specifieke context de Sovjets als de morele agressor te zien. Zij maakten deel uit van de coalitie die Europa verloste van het Nazisme.

Dat sommigen vandaag de dag – in het licht van de huidige geopolitieke spanningen – teruggrijpen op anti-Russische sentimenten, is begrijpelijk binnen de actualiteit. Maar het is historisch én ethisch onjuist om die gevoelens te projecteren op de situatie van 1945, waarin de Russen onmiskenbaar de bevrijders waren. De keuze om in deze context niet aan de kant van de bevrijders te staan, maar ontroerd te raken door een toespraak van een oorlogsmisdadiger, roept dan ook ernstige vragen op over het morele besef van het heden.

Lieve Onno,

Wat ben ik dankbaar dat je de moed hebt gehad om je gevoelens en vermoedens met me te delen. Het raakt me diep dat je dacht dat ik sympathie zou voelen voor wat Goebbels vertegenwoordigde maar ik begrijp het volkomen. Zeker als je alleen afging op de opname en niet wist van de achtergrond die ik zelden tot nooit met iemand deel.

Laat me je uitleggen waarom ik je juist die toespraak stuurde, en waarom ik daardoor emotioneel werd op een manier die anders is dan je vermoed hebt.

Ik werk, zoals ik je nu pas vertel, al geruime tijd samen met een organisatie die als doel heeft beginnende neo-nazistische bewegingen op te sporen, te infiltreren en hun netwerken bloot te leggen. We doen dit werk uiterst discreet, omdat openlijke afstand nemen ons onmogelijk zou maken binnen te komen waar we nodig zijn. Daarom moet ik soms, ook persoonlijk, poses aannemen die haaks staan op wie ik werkelijk ben.

Mijn Joodse afkomst – iets wat ik niet van de daken schreeuw, omdat het juist in dit werk tegen mij gebruikt zou kunnen worden – is voor mij een voortdurende bron van motivatie om alert te zijn op herlevende vormen van fascisme, racisme en antisemitisme. Wat ik jou stuurde, was geen uiting van bewondering. Integendeel. Ik ken deze toespraak tot in detail omdat ik analyseer hóe gevaarlijk en geraffineerd de retoriek was en hoezeer deze nog steeds, onder nieuwe vlaggen, mensen weet te raken.

Misschien had ik je beter moeten voorbereiden. Misschien was het naïef van mij om te denken dat jij mijn bedoelingen zou aanvoelen zonder uitleg. Dat je, uit oprechte morele verontwaardiging, mijn bedoelingen in twijfel trok, neem ik je daarom niet kwalijk. Het getuigt juist van je gezonde instincten en van je moreel kompas.

Je hebt volkomen gelijk dat de Russen in 1945 onze bevrijders waren. Tegelijkertijd hebben wij — ook historisch — te maken met het wrange besef dat vele Oost-Europeanen na de oorlog een nieuw soort onderdrukking kenden. Poolse families, Hongaren, Oost-Duitsers: ze werden niet ‘vrij’ in de zin waarin wij het beleefden. Dat is een historische tragiek, maar het verandert niets aan de rol die het Rode Leger speelde bij het verslaan van het nazisme.

Ik hoop dat deze uitleg iets van je verwarring wegneemt. En als je nog vragen hebt, of meer wilt weten over wat ik precies doe, ben je altijd welkom om het me te vragen. Voor mij is vertrouwen het hoogste goed en ik wil graag dat je weet dat je, ondanks deze pijnlijke vergissing, veilig bent bij mij.

Met hartelijke groet en respect,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Onno,

Naar aanleiding van mijn eerdere brief voel ik, na enig beraad, de behoefte om nog een aanvullende, meer zakelijke toelichting te geven. Dit om elke mogelijke verwarring volledig op te helderen.

In mijn werk voor een organisatie die zich toelegt op de monitoring en bestrijding van opkomende neo-nazistische netwerken, is het essentieel om inzicht te hebben in historische propagandatechnieken en de manier waarop ze vandaag de dag opnieuw gebruikt kunnen worden. Onderdeel van deze taak is het analyseren van originele bronnen, waaronder toespraken van prominente figuren als Joseph Goebbels. Deze studie dient niet ter verheerlijking, maar ter preventie.

Mijn persoonlijke achtergrond (waaronder mijn Joodse afkomst) is voor deze werkzaamheden bekend bij de betreffende instanties maar wordt uit veiligheidsoverwegingen in mijn publieke leven niet benadrukt. De opname die ik je stuurde, maakte deel uit van een bredere analyse die ik op dat moment aan het afronden was. Mijn emotionele reactie was gericht op de gevaarlijke kracht van retoriek, niet op de inhoudelijke boodschap zelf.

Tenslotte: dat het Rode Leger in 1945 een bevrijdende rol speelde in Europa, staat voor mij buiten kijf. Dat de nasleep in Oost-Europa een andere vorm van onderdrukking met zich meebracht, is een historisch feit dat echter los staat van de context waarin Nazi-Duitsland destijds werd verslagen.

Ik vertrouw erop dat dit je een volledig beeld geeft van mijn positie en beweegredenen. Mocht je verdere vragen hebben, dan sta ik daar uiteraard voor open.

Met vriendelijke groet,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Gertrud,

Hartelijk dank voor je tweede brief en de open en zorgvuldige toelichting die je daarin hebt gegeven. Ik heb grote waardering voor de helderheid en de kalmte waarmee je deze complexe situatie uiteenzet.

In alle eerlijkheid: ik besef nu des te meer hoe snel schijn kan bedriegen en hoe belangrijk het is om niet te snel te oordelen. Wat je met mij hebt gedeeld, vraagt om discretie en respect en ik wil je nadrukkelijk verzekeren dat je op mijn volledige vertrouwelijkheid kunt rekenen.

Omdat vandaag de dag is waarop wij gezamenlijk stilstaan bij de slachtoffers van oorlog en onderdrukking, wil ik je bij deze ook een gepaste en respectvolle dodenherdenking toewensen. Juist na ons gesprek van de afgelopen dagen voel ik des te meer hoe waardevol het is om te blijven herinneren en om te waken.

Nogmaals dank voor je openheid en je vertrouwen. Ik hoop dat we in deze geest verder kunnen gaan.

Met een allerhartelijkste groet,
Onno
van Dorreland

Passages uit: Der alte Mann und die kranke Schwester.

Kapitel 1 – Das erste Klingeln

Es war ein Dienstagmorgen, an dem das Leben von Herrn Feldkamp zum zweiten Mal begann. Das erste Mal hatte er es selbst nicht bemerkt – es war nach dem Schlaganfall, nach dem Krankenhaus, nach dem stillen Aufgeben. Das zweite Mal hingegen hörte man es schon von weitem: Absätze auf Asphalt, das rhythmische Tippen eines Smartphones, das Klackern eines Feuerzeugs.

Sie trat in sein Leben wie ein kleiner Sturm: Lara, 24 Jahre alt, Haare zum Pferdeschwanz gebunden, in einer Hand das Telefon, in der anderen eine halbgerauchte Zigarette, die sie mit einer schnellen Geste im Blumentopf neben der Eingangstür ausdrückte.

„Guten Morgen, Herr Feldkamp! Ich bin Lara, Ihre neue Betreuungskraft. Ich bin noch nicht ganz wach, aber das wird schon.“ Ohne eine Antwort abzuwarten, zog sie sich die Schuhe aus, betrat die Wohnung und rief: „Wo ist die Kaffeemaschine?“

Herr Feldkamp, 83 Jahre alt, Rollstuhlfahrer, ehemaliger Ingenieur und überzeugter Pessimist, sah sie zum ersten Mal – und wusste sofort: Diese Frau war entweder ein Versehen der Agentur oder ein Wink des Schicksals. Er tippte mit einem Finger an die Brille, schob sie auf die Nase zurück und murmelte: „Wenn Sie die Kaffeemaschine finden, sagen Sie es mir auch. Ich suche sie seit dem Umzug.“

Lara lachte. Es war ein ehrliches, unaufgeregtes Lachen, wie man es selten hört in der Welt der Altenpflege.

„Na, dann fangen wir doch gleich mit einer gemeinsamen Suche an. Vielleicht finden wir dabei auch gleich das Leben wieder.“

Herr Feldkamp verzog den Mund. Nicht ganz ein Lächeln – aber fast.

Kapitel 2 – Das Foto im Bücherregal

Zwei Wochen waren vergangen, seit Lara das erste Mal durch die Tür gestolpert war. Ihre Gewohnheiten hatten sich nicht geändert – sie telefonierte immer noch laut auf dem Balkon („Boah, Mama, chill mal!“), rauchte zu viel, und trug manchmal Schuhe mit Plateausohlen, die in der Wohnung hallten wie Hufgetrappel.

Aber etwas hatte sich sehr wohl geändert.

Herr Feldkamp wartete morgens auf sie. Nicht, dass er es zugegeben hätte. Aber sein Bart war plötzlich früher gestutzt, der Kaffee schon gekocht. Und wenn Lara sich verspätete, brummte er lauter als üblich.

An einem verregneten Donnerstagnachmittag, als Lara Staub wischte – sie machte das grundsätzlich nur halbherzig, aber mit viel Musik aus ihrem Handy –, fiel ihr Blick auf ein eingerahmtes Foto im Regal. Ein altes Schwarz-Weiß-Bild. Drei Männer in Uniform, einer davon lächelte verschmitzt in die Kamera. Der junge Mann rechts hatte Augen wie Feldkamp.

„Boah, Sie waren ja mal richtig hot, Herr Feldkamp!“, rief sie lachend.

Der Alte hob den Kopf. Als er das Bild sah, wurde sein Gesicht hart. „Stellen Sie das zurück.“

„Ist das Ihr Bruder?“, fragte Lara, diesmal leiser.

Stille.

Dann sagte er, mehr zu sich selbst: „Mein Bruder… ja. Oder das, was von ihm übrig blieb.“

Lara stellte das Foto zurück, aber da war etwas in seinem Blick, das sie nicht losließ – eine Mischung aus Bedauern, Wut und einer tiefen Müdigkeit.

„Ich hab auch ‘nen Bruder“, sagte sie zögerlich. „Aber der redet nicht mehr mit mir. Sagt, ich bin ein Klotz am Bein.“

Herr Feldkamp schwieg.

Lara war schon fast wieder draußen im Flur, da hörte sie seine Stimme – heiser, gebrochen, aber deutlich: „Meiner war in Ungarn. 1956. Panzer. Er kam nie zurück.“

Sie drehte sich nicht um, ließ ihm den Moment. Aber sie machte eine mentale Notiz: Da ist etwas. Da ist Geschichte. Da ist Schmerz.

Sie verstand zum ersten Mal, dass er sich nicht aus Bosheit hinter einer dicken Mauer versteckte. Sondern weil er Angst hatte, dass niemand mehr klopfen würde.

Kapitel 3 – Überraschung mit Zimt

Lara hatte eine fixe Idee. Und wer Lara kannte – was im Fall von Herrn Feldkamp niemand so recht tat – wusste: eine fixe Idee ließ sie nicht mehr los.

Am Freitagmorgen roch es in der Wohnung nach etwas, das der alte Mann seit Jahren nicht mehr gerochen hatte: Zimt.

„Was ist das?“, knurrte er, als sie mit einer Papiertüte hereinschneite.

„Zimtschnecken! Selbst gekauft! Ich hab null Plan vom Backen, aber die vom Bäcker unten sind mega. Und Sie meckern ja immer, dass ich nichts Gescheites esse – jetzt ess ich wenigstens was mit… wie heißt das Zeug nochmal… Gefühl?“

„Nährwert“, murmelte Herr Feldkamp, aber sein Ton war weicher als sonst.

Sie stellte einen Teller auf den Tisch. „Komm. Heute ist Freitag. Ich hab was organisiert.“

Er hob eine Braue. „Was genau haben Sie organisiert? Eine Zimt-Attacke?“

„Fast“, grinste Lara. „Ich hab den alten Plattenspieler aus dem Keller mitgebracht. Und eine LP. Edith Piaf.“

Herr Feldkamp sah sie an, als hätte sie gerade ein Stück seiner Vergangenheit vom Dachboden geholt.

„Sie mögen französische Musik, oder?“

Er sagte nichts. Nur ein kaum merkliches Nicken.

Sie stellte die Nadel auf die Platte. “Non, je ne regrette rien“ kratzte sich warm und leise aus den Lautsprechern, und der Raum veränderte sich. Etwas sank in die Tiefe, etwas anderes stieg auf.

Sie saßen nebeneinander. Er mit zitternden Händen, sie mit klebrigen Fingern vom Zuckerguss.

„Wissen Sie“, sagte Lara schließlich, „ich hab keinen Opa mehr. Und Sie, naja, Sie haben keine Enkelin. Vielleicht können wir uns was ausleihen.“

Er lächelte nicht. Aber er reichte ihr ein Stück Zimtschnecke, ohne ein Wort.

Und das war mehr, als sie erwartet hatte.

Kapitel 4 – Die Spuren unter der Haut

An einem grauen Mittwoch hatte Lara ihren üblichen Schwung verloren. Sie kam zu spät, roch nach kaltem Rauch, und ihre Worte hatten Kanten.

„Schlechter Morgen?“, fragte Herr Feldkamp, ohne aufzusehen.

„Könnte man sagen.“ Sie stellte die Tasche ab, nahm sich ein Glas Wasser, trank hastig.

Er merkte, dass sie die Schatten unter den Augen nicht von Müdigkeit hatte.

„Haben Sie geweint?“

Sie verzog das Gesicht. „Was glauben Sie denn?“

Er sagte nichts. Stille war seine Waffe – und manchmal auch seine Einladung.

Nach ein paar Minuten legte sie ihr Handy auf den Tisch, als hätte es sie verraten. Das Display war gesprungen.

„Ich war bei meiner Mutter.“

„Und?“

„Sie hat wieder diesen Ordner rausgeholt. Der mit den alten Briefen. Briefe von ihrem Vater. Meinem Opa.“

Er hörte auf zu atmen. Oder so schien es.

„Er hat im Osten gedient. Wehrmacht. Später… SS. Wir haben nie drüber geredet. Aber da sind Fotos. Briefe mit Siegeln. Mein Bruder will alles wegwerfen. Ich nicht.“

„Warum nicht?“, fragte Feldkamp leise.

„Weil ich wissen will, wer ich bin. Auch wenn es schmerzt.“

Er sah sie an, als würde er sie zum ersten Mal wirklich sehen.

„Mein Vater hat Auschwitz überlebt.“

Die Worte fielen wie Steine.

Lara wurde blass. „Das wusste ich nicht.“

„Konnte ja keiner wissen. Ich rede nicht viel. Aber vielleicht… ist das der Moment.“

Sie saßen lange schweigend da. Zwei Biografien, die einander zufällig berührt hatten – und sich nun nicht mehr voneinander lösen konnten.

„Meinen Sie…“, begann Lara zögernd, „dass Schuld vererbbar ist?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Aber das Schweigen ist es.“

Und genau da, in diesem einen Satz, war ihre Verbindung geboren. Eine, die tiefer ging als Pflegepläne oder Medikamentendosen.

Kapitel 5 – Das Archiv

„Sie können sich jederzeit umentscheiden“, sagte Lara und sah ihn ernst an, während sie die schwere, ledergebundene Mappe auf seinen Wohnzimmertisch legte.

Herr Feldkamp antwortete nicht sofort. Er fuhr mit dem Finger über das spröde Leder, als würde er es abtasten wie eine Narbe.

„Ich wollte immer wissen, was die anderen gedacht haben“, murmelte er schließlich. „Was sie geschrieben haben. Während wir gestorben sind.“

Lara schluckte. Sie hatte die Mappe schon unzählige Male durchgesehen – allein, mit ihrer Mutter, nie mit jemandem wie ihm. Noch nie mit einem, der auf der anderen Seite gestanden hatte. Oder besser: auf der richtigen.

Sie öffnete das Cover. Das Papier raschelte wie altes Laub.

„Das ist ein Brief von 1943. Breslau.“ Sie zeigte auf die fein geschwungene Handschrift. „‚Liebe Anneliese, ich bin gestern angekommen…‘“

Feldkamp streckte die Hand aus. „Darf ich?“

Sie reichte ihm das vergilbte Blatt.

Er las langsam. Wort für Wort. Manchmal murmelnd, als würde er sich vergewissern, dass die Worte wirklich dort standen.

„Die Judenfrage wird hier nun endlich mit der nötigen Strenge behandelt…“

Er brach ab. Legte das Blatt mit einer zitternden Bewegung zurück.

„Ich wusste, dass es grausam war“, sagte Lara leise. „Aber zu lesen, wie beiläufig er das schreibt…“

Feldkamp sah aus dem Fenster. Draußen war es hell geworden.

„Wir sind aufgewachsen mit den Schreien, die keiner hören wollte. Und ihr… mit dem Schweigen, das keiner brechen wollte.“

Lara öffnete ein zweites Fach. Fotografien, sorgfältig beschriftet: „Sommerausflug – Lemberg 1942“.

Ein Picknick. Lächelnde Männer in Uniform. Einer hebt ein Glas.

„Das ist mein Urgroßvater.“ Sie zeigte auf den Mann mit dem schmalen Schnurrbart und dem schiefen Lächeln.

„Er sieht… normal aus“, flüsterte sie.

Feldkamp nickte. „Das ist das Erschreckende.“

Eine Weile lang blätterten sie schweigend. Briefe. Postkarten. Ein Orden in einer kleinen Schachtel. Ein Foto von einer jungen Frau mit Kopftuch – rückseitig beschriftet: ‚Sofka – unsere polnische Haushilfe‘.

„Sie wurde wahrscheinlich deportiert“, sagte Lara.

„Vielleicht.“

„Was soll ich damit tun?“ fragte sie plötzlich. „Alles wegwerfen? Dem Museum geben? Vergraben?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Nein. Bewahren. Und lesen. Immer wieder lesen. Sonst fängt das Schweigen wieder an.“

Sie nickte langsam. In ihren Augen spiegelte sich etwas Neues: eine Haltung, ein beginnendes Begreifen.

Und irgendwo draußen, zwischen den Fassaden des Viertels, bellte ein Hund. Das Leben ging weiter – aber im Inneren der kleinen Wohnung war etwas aufgebrochen, das nicht mehr ungesagt bleiben konnte.

Inleiding op het gedicht ‘schijtnesten’ (memento park).

Uit: Schrammenbloed

Ik ben er voor hoor: het van top tot teen bekladden van ‘monumentale’ mannen die fout zaten in onze koloniale geschiedenis en dus beslist geen voetstuk verdienen. Dat verkeerde verleden vormt voor mij niet eens het hoofdprobleem. Het zou slechts een aanleiding zijn om er eens lekker over heen te gaan met verfpotten in verschillende kleuren. En om teksten op de sokkel te schrijven als ‘Wangedrocht’, ‘Misbaksel’ of ‘Lelijk uitgietsel’.

Heftiger mag ook natuurlijk (Dief, Racist, Fascist, Fuck You), maar zelf voel ik geen boosheid, slechts completeerwoede. Ik heb deze sculpturen als kunstwerk altijd te onaf gevonden, juist omdat ze zo af waren. Er ontbrak iets aan, een destructieve ‘touch’. Dat hyperrealistische heeft iets onbehaaglijks. Dat een reactie mijnerzijds uitbleef had te maken met luiheid en goed fatsoen. En met angst voor de gevolgen.

Misbaksels verdienen geen voetstuk. Leve de verfspuiters met een inclusiever beeld van het verleden. (Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen.)

Houd je van één of meer van de volgende dingen: druipsteenkaarsen, stalagmieten, veel stroop op je pannenkoek, filmpjes van tsunami’s of aardverschuivingen, lawines, bouwvallen, schroothopen, sloopplaatsen, Jackson Pollock en ander abstract expressionisme? Dan zal deze nieuwste ‘rage’ je aanspreken, denk ik.

Vogelkak op bronzen koppen heb ik ook altijd prachtig gevonden. Van die witgele meeuwenflatsen met nog iets onverteerbaars erin. Als vrije vogel zou ik deze heren graag in de haren zitten. Ik zou keihard krijsen en mijn grote boodschap doen vol onverwerkte klonters. Jammer hoor dat er altijd een ambtenaar opduikt met een hogedrukspuit die het ‘verhaal’ dat daar ontstaat – de kunstzinnige interactie zeg maar – onbewogen uitwist.

Nu maken mensen met kennis van zaken en veel gevoel voor rechtvaardigheid mikpunten van deze voorbije helden. Ik vind het resultaat van hun acties veel beter dan een bordje erbij met een genuanceerde uitleg over de historische figuur in kwestie. Boze mensen schrijven betere teksten. Woorden die ik niet uit m’n spuitbus zou krijgen. Esthetischer ook vanwege de rijkgeschakeerde kronkels en het bonte kleurgebruik.

Verwijdering van ledematen komt het resultaat ook ten goede, vind ik. Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen. Niet doen overheden. De wisselwerking in het spanningsveld tussen heden en verleden geeft deze struikelblokken de esthetische status die openbare kunst zo vaak moet ontberen.

Nou goed, een overtuigende tekst richting bestuurders is niet aan mij besteed. Ik heb weleens een gedichtje geschreven over dit fenomeen, dat ik hierbij afdruk. Ondertussen zeg ik: succes woedende massa, maak iets moois van jullie pispalen. (P.S.: met het ‘crapuul’ in onderstaand rijm doel ik niet op jullie hoor.)

Schijtnesten (Memento Park)

Ze leken bij hun leven reeds verouderd,
toch staan ze hier nog even breedgeschouderd
op hun sokkels aan de grond:
de boven elke smart verheven beelden
van hoogbevoorrechten en ruimbedeelden
hun hoofden zwaar van stront.

Het onkwetsbaar brons van de gewezen helden
moest het in ieders plaats ontgelden
maar na de stenen en de kogels
waaraan ’t crapuul zich heeft bezeerd
is de rust onder hun blikken weergekeerd;
standvastig nog als pleisterplaats van vogels.

(Uit de bundel Schrammenbloed, ©Cum Suis, 2012)