Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

Yippie-ja-ja-yippie-yippie-yeah!

Over de dunne lijn tussen een gevierde doener en een vermeende oplichter.

Ik ben tegenwoordig op alles voorbereid als ik ook maar één teen over de drempel van een winkel zet; iemand zal mij hoe dan ook naar mijn koopervaring vragen. Is het niet een mens van vlees en bloed bij de uitgang dan wel een opploppende chatbot die een connectie heeft weten te leggen tussen mijn bankrekening en mijn e-mailadres. Sommigen zullen beweren dat dit laatste niet kan; of in ieder geval niet mag.

Hoe een digitale liefdesverklaring van de bouwmarkt sneuvelde aan de balie van de retourafdeling. (Uit discretie zijn de gezichten van de medewerkster en klant op deze foto door AI gegenereerd.)

Nou goed, laat ik mijn domheid dan erkennen. Ik was bij Hornbach gaan kijken naar een elektrische grastrimmer omdat mijn gazon – of wat daarvoor moet doorgaan – al zaad begon te schieten. In de winkel bleek de keuze reuze. Het eerste dilemma betrof de vraag of ik er eentje wilde met een accu of met een snoer. Deze moeilijke beslissing leidde mij naar een nieuw rek met wel tien verschillende merken. Alle fabrikanten boden hun machines aan in een oplopende prijsklasse van ‘goed voor de portemonnee’ tot ‘hoogste kwaliteit’. De prijs-kwaliteitverhouding van alle apparaten was natuurlijk prima; voor die overtuiging hoefde ik geen medewerker aan te spreken of zelfs maar de verpakking te lezen. In alle gevallen zou ik waar voor mijn geld krijgen, je hebt dan en daar geen mogelijkheid om iets anders te vinden.

Maar gekleurd advies of WC-eendreclame brengt de aankoopbeslissing niet dichterbij. In geval van twijfel, rijd je met lege handen naar huis en zoek je op internet een betrouwbare productvergelijker. Kortom, de EINHELL ELEKTROTRIMM kwam goed uit de test, bleek het beste bij me te passen en was bij Hornbach het goedkoopst. Toen het weer voor die week volkomen omsloeg, had ik weinig trek om opnieuw op de fiets te stappen. Ik bestelde het ding online. Dat lukte niet zonder mijn e-mailadres op te geven. Vandaar dat de eerder aangekondigde enquête mij niet kon ontgaan.

Hallo doener,
Bedankt voor je aankoop van EINHELL ELEKTROTRIMM bij HORNBACH! Hopelijk bevalt je aankoop goed! We hebben je hoog zitten. En jouw mening ook. Vertel je ons wat je van het door jou aangeschafte artikel vindt? Geen blad voor de mond, geen doekjes eromheen, gewoon onverschrokken en recht voor z’n raap graag. Goed kan immers altijd beter.


Ik ben altijd huiverig om positief te zijn over mijn klantervaringen. Roep ik op die manier het onheil niet over me af? Hoe kun je bovendien enthousiast zijn over een werktuig dat je nog maar één keer hebt gebruikt? Behalve het mijzelf het graf in schrijven bij al dat geprijs, geloof ik nog sterker in een ander verband: je bent net klaar met je loftuiting of je stuit op een negatieve winkelervaring.

En zo geschiedde. Inmiddels was ik vele transacties verder. De app vermeldde dat ik al voor €631 aan spullen had besteed. Dat vond ik niet weinig voor iemand die tot twee weken daarvoor zijn doe-het-zelf aankopen nog onveranderlijk bij de Praxis in de stad deed. Gedurende al mijn bezoeken aan de bouwmarkt was ik vriendelijk bejegend. Het moest dus wel een keer fout gaan.

Die gelegenheid deed zich voor bij de aanschaf van een aantal raamsluitingen, ook wel raamboogjes genoemd. Ik was vast van plan om die van het merk AXA te kopen – het ging tenslotte om mijn veiligheid – maar bij de ijzerwaren stond een bak met aanbiedingen die ik niet kon versmaden. De dingen zaten in amateuristisch dichtgeniete zakjes. Bij het afrekenen bleek er nergens een streepjescode op de verpakking te zitten. Geen probleem als koper; een medewerker schoot toe om het artikelnummer handmatig in te voeren.

Een groter probleem ontstond echter bij het ruilen, een dag later. Eén van de boogjes had ik al uit de verpakking gehaald en op mijn kozijnen bevestigd. Zodoende wist ik dat ze in de verste verte niet tipten aan een merkartikel. Ik besloot alleen de ene, nog onaangetaste raamsluiting terug te brengen.

Wat er toen gebeurde haalt alle positieve Hornbach-ervaringen onderuit. De mevrouw van de retourafdeling bejegende mij alsof ik op klaarlichte dag probeerde de bedrijfskas te plunderen. Ze kon ten eerste niet geloven dat haar eigen bedrijf artikelen verkocht zonder streepjescode: “U hebt de streepjescode erafgetrokken.” Ook niet dat artikelen in goedkoop dichtgeniete verpakkingen worden verkocht: “U hebt het artikel uit de originele verpakking gehaald.”

Mijn kalme opmerking dat een collega van haar de vorige middag zelf het systeem had moeten voeden met het missende artikelnummer, werd afgedaan als een fabeltje. Het sluitmechanisme werd door haar aan een forensisch onderzoek onderworpen dat zelfs de gemiddelde rechercheur bij een moordzaak te ver zou gaan. Alsof ik daar stond met een stuk oud ijzer dat ik ergens uit een Arnhemse container had gevist, in plaats van een ongebruikt product waarvoor ik vierentwintig uur eerder gewoon harde euro’s had neergeteld. Het ‘onverschrokken en recht voor z’n raap‘ zijn, waar de enquête zo vurig om had gesmeekt, bleek aan de balie ineens eenrichtingsverkeer.

Thuisgekomen opende ik direct mijn mailbox; die enquête over mijn nieuwste Hornbach-ervaring zou er immers zó moeten zijn.

Wormvormig aanhangsel

Een wankel vorstenhuis en de vorstelijke vergeefsheid van een bijwoordelijke bepaling.

“Het besluit van een beschaving om over te gaan tot de afschaffing van de monarchie gaat niet over één nacht ijs”, aldus de Noorse commentator in het discussieprogramma waar ik zomaar inviel. Hij voegde daar aan toe: “Maar wat helpt en het proces versnelt is een goede rel, dat wel.” En daar ging het mis. Niet met de ondergang van de monarchie – die historische wetmatigheid voltrekt zich door alle schandalen immers geheel volgens schema – maar met mijn zorgvuldig gecultiveerde republikeinse focus. Terwijl de deprimerende feiten omtrent onze bovenbuur-royals voor de zoveelste maal de revue passeerden, bleef mijn aandacht steken. Onwrikbaar. Als een Noorse zalm in een håv (wat geloof ik Scandinavisch is voor fuik).

Mijn blik was gegijzeld door die laatste twee woorden: ‘dat wel’. De taaljongen in mij won het direct van de staatsrechtelijke criticus. De absolutie van de monarchie kon plotseling wachten; we hadden hier immers een acute taalkwestie aan de hand. Want wat is dat ‘dat wel‘ in hemelsnaam (om niet te zeggen: dan wel niet), semantisch en syntactisch gesproken? Wat voegt zo’n frase toe aan de mededeling, behalve een linguïstisch klopje op de schouder? Had de oorspronkelijke Noorse spreker daadwerkelijk een idioom gebruikt dat deze annex noodzakelijk maakte, of was de vertaalcomputer – die tegenwoordig ongetwijfeld door een oververhitte AI wordt aangestuurd – weer eens aan het overpresteren en hallucineren?

Laten we deze taalkundige bijvangst eens fileren. Syntactisch gezien is ‘dat wel’ een modale toevoeging, een soort nagedachte die functioneert als een restrictief voegwoordelijk bijwoord. Het zwom onverhoeds mee met de buit, zeg maar. Het is een zinsdeel met de allure van een wormvormig aanhangsel. Zoals de monarchie dat zelf trouwens ook is: een rudimentair aanwezig overblijfsel uit een feodaal verleden dat in een moderne democratie geen enkele heldere functie meer vervult, maar dat we toch maar laten bungelen totdat iemand die overbodigheid durft te elimineren.

Twee woordjes maar. Semantisch gezien doen ze iets fascinerends. Ze relativeren niet, maar accentueren juist de eerdere bewering door een hypothetisch contrast bij voorbaat uit te sluiten. Ze zeggen: “Mocht u twijfelen aan de kracht van een koninklijk schandaal, doet u dat dan vooral niet.” Is het overbodig? Strikt taalkundig: ja. Psychologisch: nee. Misschien zelfs noodzakelijk voor de nuance.

Ondertussen stort in Oslo het kaartenhuis ineen. Men spreekt daar over zeer serieuze zaken zo zwart als mishandeling, aanranding, cocaïnemisbruik, ongezonde koninklijke privileges en messentrekkerij. De monarchie wankelt op haar grondvesten. Maar de mens is een vreemd wezen dat zich in tijden van crisis laat afleiden door de gekste futiliteiten. Terwijl het volk aan de koninklijke stoelpoten zaagt, zit ik te dubben over de grammatica. Dat wel. Of óók. Correctie: méér nog. Ik bedoel: dan dat. Ik bedoel: dan dat ik me onledig houd met de eigenlijke kwestie. Begrijp je? Echt wel.

Het is een tragische constatering: ik probeer me te focussen op dit monarchische melodrama maar de associatieve kortsluiting in mijn brein is compleet. Om mezelf te kalmeren, bedenk ik juist iets dat helemaal losstaat van de koninklijke janboel, namelijk hoe het taalkundige aanhangsel ‘dat wel’ zich in andere Noorse contexten zou gedragen. “De Noren hebben een existentieel gebrek aan zonlicht, en toch is het een krachtig volk; maar goed, tegenwoordig slikt men vitamine-D en vroeger waren het Vikingen, dat wel!” Als we de AI-vertaalmachine de vrije loop laten, vermoed ik dat elk Noorse zin binnenkort met deze linguïstische staartmees eindigt:

“De fjorden zijn onpraktisch diep en de houtkachel verspreidt meer fijnstof dan een kolencentrale, maar met Noorse sokkenwol brei je de ellende zo weg, dat wel.”

“De Noorse trui zit volstrekt oncomfortabel en kriebelt tot op het bot, maar het ding zorgt niettemin dat je beschermd bent tegen tocht, dat wel.”

“Odin en Thor waren destructieve types met een ongezonde fixatie op hamers en runen, maar de Noorse mythologie is qua plotwisseling superieur aan de gemiddelde Netflix-serie, dat wel.”

“Spitsbergen ligt er koud en verlaten bij, ongeschikt voor menselijke bewoning, maar de ijsberen hebben er tenminste geen last van ronkende talkshows over falende prinsen, dat wel.

Het Noorse koningsdrama is een serieuze zaak – het biedt momenteel minder stabiliteit dan een Zweedse zelfbouwkast – maar zolang de vertaalcomputers ons trakteren op onverwachte taalkundige versieringen, wankelt mijn brein vrolijk mee. Morgen ga ik over tot de orde van de dag en de harde politieke realiteit. Denk ik. Of ik raak afgeleid door een verdwaalde puntkomma. De kans is aanwezig, dat zeker.

Lezersreacties:

Dat wel, dat wel? Wat ben jij snel afgeleid Ronald. Rel, del, del, wie trekt er aan de bel en geeft er een schop onder de derrière van het hele koninklijke stel?
(Bram de Jager, Deventer)

Je wordt bedankt. De vreselijke misstappen van de kroonprinselijke stiefzoon transformeren in mijn hoofd nu ook tot absurdistisch gerijm. Een opeenvolging van schandalen, rigoureus afgewisseld met idiote woordcombinaties: Huisvredebreuk, dat wel. Slachtofferhulp, oorlel. Prinselijk privilege, kasteelbel. Messentrekkerij, what the hell. Kroonprinselijk debacle, welk een gezwel!
(Kees Groenewegen, Vlaardingen)

Het theater van de knevelaars

Waarom de geconstrueerde leugen altijd struikelt over zijn eigen details.

Ik las dat Hans Croiset de ‘Blijvend Applaus Prijs’ heeft gekregen voor zijn complete oeuvre. Prachtig natuurlijk, maar bij het horen van die achternaam dwalen mijn gedachten steevast af naar Jules. Of beter gezegd, naar die ene, voor de hele familie zo pijnlijke vraag die er altijd aan voorafgaat: welke Croiset had die ontvoering door neonazi’s ook alweer in scène gezet? Het is een typisch geval van wat ik een ‘pleonasme/tautologie-verwarring’ noem; zo’n feitje dat je een paar keer in je leven opzoekt, om het vervolgens weer even vrolijk te vergeten omdat de kwestie je uiteindelijk toch te weinig interesseert.

Terwijl Quentin Tarantino in ‘Inglourious Basterds’ (2009) nazi’s liet merken om hun identiteit onuitwisbaar te maken, hanteerde Jules Croiset het mes in 1987 in spiegelbeeld; hij kerfde het hakenkruis in eigen vlees om een fictieve dadergroep tot leven te wekken. Een macaber staaltje theater dat de gendarmerie al snel als ‘too much information’ doorzag. Het is een even fascinerende als tragische les in opsporingspsychologie. De leugenaar struikelt zelden omdat hij te weinig vertelt, maar omdat hij de werkelijkheid dwingend wil dicteren. Hij overschreeuwt de waarheid met een overvloed aan details, onwetend dat diezelfde details zich als getuigen tegen hem zullen keren.

Het bleek dus om Jules te gaan, de jongere broer. Zijn naam – en die van de rest van de dynastie – raakte in 1987 voorgoed bezoedeld in Namen in België (what’s in a name?). Juist daar zou hij in een hinderlaag zijn gelokt. Hij werd er in een “grote, donkere auto” geduwd en door deze “knevelaars” (echt zo’n theatraal Jules Croiset-woord) onder het uiten van antisemitische dreigementen richting de Franse grens gevoerd.

De zeventigjarige carrière van de negentigjarige Hans interesseert me subiet geen snars meer. Ik wil weer even alles van deze kidnapping weten, of liever: van de “faux-ontvoering” zoals de Belgische gendarmerie het eufemistisch doopte, nadat zij de feitelijke onmogelijkheden van het scenario hadden blootgelegd. Jules wist de recherche in eerste instantie met veel details te voeden, maar hij hield geen rekening met de nuchterheid waarmee zij zijn fantastische scenario naast de logistieke realiteit van zijn Franse soloritje legden.

Hier loopt de geconstrueerde werkelijkheid steevast in de klassieke val: de absolute controle willen behouden door middel van details. Wie de waarheid spreekt, hoeft alleen maar te putten uit een rommelig, organisch geheugen vol gaten en vage herinneringen. Wie daarentegen een leugen fabriceert, voelt de dwingende noodzaak om de toehoorder preventief te overtuigen. Elke ruimte voor twijfel moet vooraf worden geëlimineerd; dus wordt het verhaal dichtgetimmerd met ankerpunten, citaten, logistieke feiten en emotionele inkleuring. Wat de fantast echter over het hoofd ziet, is dat elk verzonnen detail geen versterking van zijn vesting vormt, maar een nieuw feit dat zich pijnlijk leent voor controle. Juist hier openbaart zich de paradox van de overdaad: de leugen verdrinkt niet in een gebrek aan fantasie, maar in een fatale overvloed ervan. Het perfecte script geldt paradoxaal genoeg altijd als de eerste aanwijzing dat er geregisseerd wordt.

Kijken we met die psychologische bril naar Jules Croiset, dan zie je de acteur onwillekeurig de regieaanwijzingen dicteren. Een daadwerkelijk getraumatiseerd slachtoffer van een ontvoering herinnert zich na een bevrijding meestal slechts flarden; de textuur van een bekleding, een specifieke geur of het vage verstrijken van de tijd. Jules niet. Jules herinnerde zich een complete theaterproductie.

Hij wist de gendarmerie destijds haarscherp te vertellen hoe de antisemitische dialogen in die grote, donkere auto klonken, kon de politieke motieven van zijn knevelaars tot in detail fileren en schetste een motief dat zo naadloos paste bij de maatschappelijke storm rond het Fassbinder-toneelstuk, waarin hij een rol vertolkte, dat het wel móést kloppen. Elk personage in zijn auto sprak precies zoals de buitenwereld dacht dat een neonazi zou spreken. Het was dramaturgisch vlekkeloos.

Om dit huiveringwekkende relaas van de vermeende ‘fascistische dreiging’ van het ultieme bewijs te voorzien, ging Croiset in zijn zucht naar realisme zelfs over tot fysieke enscenering. Hij toonde de verbijsterde autoriteiten zijn ontblote borstkas, waarin de ontvoerders met een mes een hakenkruis zouden hebben gekerfd. Het was een even macabere als theatrale afleidingsmanoeuvre; een moreel schild dat kritische vragen kortstondig onmogelijk maakte. Wie twijfelt er immers aan een man die de littekens van de haat fysiek met zich meedraagt?

Precies op die schijnbare perfectie liep hij vast. Het bleek de ultieme overdaad in zijn paradoxale constructie. De rechercheurs in Namen lieten zich namelijk niet gijzelen door de enorme emotionele lading van dit antisemitische drama. Terwijl de publieke opinie in Nederland nog trilde op haar grondvesten, hielden de Belgen het hoofd koel; zij ruilden de morele verontwaardiging in voor de landkaart en de stopwatch. Toen zij de theoretische rijtijden naast de werkelijke chronologie legden, de getuigenverklaringen ter plekke controleerden – waar niemand een worsteling rond een grote auto had gezien – en de benzinetank van Croisets eigen wagen peilden, bleek de logistieke realiteit sterker dan het script. De acteur had simpelweg te veel kruisjes op de kaart gezet.

Toen de gendarmerie hem vervolgens confronteerde met de medische realiteit van het hakenkruis – dat qua hoek en diepte verdacht veel weghad van een zelftoegebrachte wond – en hem ook nog vroeg hoe hij zichzelf met een acrobatisch vernuft dat de gemiddelde boeienkoning jaloers zou maken had weten vast te binden in die Franse kelder, stortte het kaartenhuis in. Het spel was uit. De fantasie was te zwaar geworden voor de dunne ijslaag van de werkelijkheid. Jules bekende dat hij de autorit alleen had afgelegd, de brieven zelf had getypt en het mes in eigen hand had genomen.

In Inglourious Basterds dwingt Aldo Raine de nazi’s om hun ware aard voor altijd op hun voorhoofd te dragen; Jules Croiset kerfde het symbool daarentegen in zijn eigen borst om te veinzen dat hij door hen was belaagd. Dezelfde plastische handeling, maar met een volslagen omgekeerde psychologische dynamiek. Ik ga hier zo op door omdat ik stomtoevallig die film weer eens had opgezet, geheel onwetend dat ik de volgende dag, door de prijstoekenning aan Hans Croiset, aan de automutilatie van zijn broer zou worden herinnerd.

Lezersreactie:

Goed bezig Ronald. Als jij je eenmaal ergens in vastbijt…
(Gertrud Wiesenthal, Braunau am Inn)

Mijn reactie:

Jazeker, Gertrud. En ik zou iedereen die iets te verbergen heeft op neo-nazigebied willen meegeven: treed nooit te veel in detail. Dat is mijn parool aan de zelfverloochenaar: tuig geen complex, overgedetailleerd alternatief verhaal op om een dubieus verleden mee af te dekken. Verdruk de ware geschiedenis als je dat niet kunt laten, maar strooi geen overdaad aan zand in mijn ogen. Dat wekt de onderzoeksjournalist in mij acuut uit zijn tent. Bedenk wel, dat ik afstam van een verzetsman én krantenjongen; het opsporen van verzwegen geschiedenissen zit me in het bloed.
Dank voor je reactie, Gertrud. Hoe staat het met jouw eigen onderzoeken daar? Ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen? We schrijven elkaar weer snel.

Een weekend vol lawaai

Decibel-debielen en een rappende fascist, maar nee, ik zal niet schelden; alleen een beetje muggenziften.

Afgelopen weekend leek Arnhem het toneel van een merkwaardige wedstrijd: welke geluidsbron wist het verst de persoonlijke levenssfeer van anderen binnen te dringen? Aan de ene kant was er het Free Your Mind Festival op de Stadsblokken. Aan de andere kant trad Ye – beter bekend als Kanye West – op in het Gelredome. Over de controverses rond deze artiest, zijn publieke uitspraken en zijn plaats in het hedendaagse culturele landschap valt veel te zeggen. Misschien kom ik daar een andere keer op terug. Voor nu beperk ik mij tot iets veel concreters: de herrie.

De Volkskrant sprak bewonderend over een ‘oorverdovende synthbas’ en een ‘draaikolk van basfrequenties’. Opmerkelijk hoe geluidsoverlast van toon verandert zodra een zogenaamde kunstkenner ervoor applaudisseert. Voor de muziekrecensent zijn trillende neusvleugels en een allesverzengende geluidsmuur tekenen van artistieke grootsheid. Voor de omwonende zijn het vooral redenen om naar de klok te kijken. Wat de één ervaart als een kosmische muziekbeleving, beschrijft de ander als acht uur lang ongevraagde dreunen. Opmerkelijk genoeg heeft vooral de eerste ervaring een eigen vocabulaire ontwikkeld: ‘spectaculair’, ‘krankzinnig’, ‘overweldigend’. De tweede heet simpelweg klagen.

Op de Stadsblokken dreunde urenlang EDM1 over de uiterwaarden. Wie van die muziek houdt, zal dat ongetwijfeld als een feest hebben ervaren. Maar voor duizenden anderen betekende het iets anders: een dag lang onvrijwillig meeluisteren. Lage bastonen houden zich immers niet aan gemeentegrenzen of persoonlijke voorkeuren. Ze trekken zich weinig aan van gesloten ramen, slaapkamers of de wens om een rustige zaterdagavond door te brengen.

Merkwaardig genoeg wordt dergelijke overlast tegenwoordig bijna automatisch gelegitimeerd. Zodra een festival eenmaal populariteit geniet, muteert de overlast in een ‘nobele bijdrage’ aan de levendigheid van de stad; een herrie die omwonenden maar te slikken hebben. Wie klaagt, krijgt al snel het verwijt dat hij niet met zijn tijd meegaat, zuur is geworden of jongeren hun plezier niet gunt.

Maar waarom eigenlijk? Waarom geldt de behoefte van duizenden festivalbezoekers aan luid amusement als een zwaarder belang dan de behoefte van bewoners aan rust in hun eigen huis? Die vraag wordt opmerkelijk zelden gesteld.

Natuurlijk is een stad geen bibliotheek. Samenleven betekent dat mensen elkaar soms tot last zijn. Dat geldt voor verkeer, bouwprojecten, sportevenementen en festivals. Volledige stilte kan niemand claimen. Toch lijkt er de laatste jaren een verschuiving te hebben plaatsgevonden. Waar vroeger werd geprobeerd om overlast zoveel mogelijk te beperken, lijkt tegenwoordig vooral gezocht te worden naar manieren om haar te rechtvaardigen.

Neem de eindtijd van middernacht. Die wordt vaak gepresenteerd als een genereuze concessie aan omwonenden. Alsof burgers dankbaar zouden moeten zijn dat de muziek niet nog langer doorgaat. Maar tegen die tijd hebben velen al acht uur onafgebroken basdreunen moeten verdragen. De vraag is dan niet of het om twaalf uur stopt, maar waarom zulke intensieve geluidsoverlast überhaupt als normaal wordt beschouwd.

Afgelopen weekend bleek die eindtijd bovendien niet eens het werkelijke einde. Na de muziek volgde vuurwerk. Waarom precies, blijft een raadsel. Alsof de boodschap moest zijn dat de stilte vooral niet te vroeg mocht terugkeren. Daarna ging het feest op sommige plekken informeel verder. Het officiële einde bleek in de praktijk vooral een administratief begrip.

Wat mij misschien nog het meest fascineert, is de culturele verandering die hierachter schuilgaat. Veel mensen hebben hun oordeel over populaire cultuur grotendeels opgeschort. Niet omdat ze alles werkelijk waarderen, maar omdat ze bang zijn om als ouderwets of elitair te worden weggezet. Het idee dat men onderscheid mag maken tussen verschillende vormen van cultuur lijkt verdacht te zijn geworden.

Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie. Iedereen heeft voorkeuren, maar bijna niemand durft ze te verdedigen. Men spreekt liever over smaak alsof alle smaken noodzakelijkerwijs gelijkwaardig zijn. Wie kritiek heeft op een muziekstijl, een festivalcultuur of een bepaalde vorm van massavermaak, wordt al snel beschuldigd van arrogantie.

Maar cultuurkritiek is niet hetzelfde als minachting voor mensen. Je kunt erkennen dat duizenden bezoekers oprecht genieten van een dancefestival en tegelijkertijd constateren dat een samenleving die steeds meer lawaai produceert misschien ook iets verliest. Rust bijvoorbeeld. Concentratie. Reflectie. Het vermogen om niet voortdurend geprikkeld te worden.

“Brood en spelen” was ooit een politieke strategie om de bevolking tevreden te houden. De moderne variant lijkt vooral uit steeds luidere en steeds grotere evenementen te bestaan. Alsof iedere leegte onmiddellijk moet worden opgevuld met geluid, licht, spektakel en afleiding.

Misschien blijft dit uiteindelijk de vraag die mij bezighoudt. Niet waarom mensen naar festivals gaan; zij zoeken ontspanning, een volstrekt legitiem streven. De werkelijke kwestie draait om de vraag waarom ontspanning zo vaak alleen nog denkbaar lijkt in de vorm van maximale prikkeling. Waarom stilte steeds verder transformeert tot een zeldzaamheid, terwijl lawaai aan terrein wint.

En waarom degene die rust zoekt zich steeds vaker moet verantwoorden, terwijl degene die haar verstoort dat nauwelijks hoeft te doen.

  1. EDM, oftewel Electronic Dance Music. Als het specifiek gaat over de subcultuur van nachtenlang doorhalen in duistere loodsen of op massale weides, spreken we simpelweg van ravemuziek of dancemuziek. Binnen die gigantische vergaarbak hangt het er maar net vanaf hoe hard die bas precies beukt en hoe snel die beats per minuut (BPM) elkaar opvolgen. De geschiedenis heeft de neiging om deze geluiden op te knippen in nogal specifieke smaken: House, Techno, Trance, Hardcore/Gabber, vraag me niet wat het precies was wat ik twee avonden moest aanhoren. ↩︎

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Tussen Ritueel en Overleving

Wat twee Himalaya‑documentaires onthullen over nomadisme, sentiment en de blik van de camera.

Ik heb zo’n vriend die, zodra ik hem enthousiast wijs op een documentaire die mij heeft geraakt, bijna automatisch laat weten dat hij óf die film al heeft gezien, óf het onderwerp allang kent. Daarna volgt steevast een kleine tirade over wat er volgens hem allemaal mis mee is, om vervolgens met een alternatief te komen. Zo ook toen ik hem vertelde over The Nomads of Dolpo, een film die me oprecht had ontroerd. Zijn reactie: ‘Die muziek en die voice-over waren zó irritant dat ik ben afgehaakt, maar het onderwerp is fascinerend. Ik meen me te herinneren dat ik jaren geleden een docu over de zoutmannetjes heb gezien.’ Even later stuurde hij me een link naar Die Salzmänner von Tibet.

Links de sacrale rust van Die Salzmänner von Tibet; rechts de rauwe werkelijkheid van The Nomads of Dolpo, waar een zoon het lichaam van zijn overleden vader op de rug neemt om hem naar de crematieplaats te brengen; een onverwacht onheil dat de karavaan vier dagen ophoudt en de familie extra kwetsbaar maakt voor de oprukkende winter. Een beeld dat het grote verschil in toon tussen beide films pijnlijk zichtbaar maakt. Toegegeven: ‘mijn’ film leunt meer op sentiment, maar ik zou dat geen effectbejag of gemakzuchtige emotie willen noemen.

Laat één ding duidelijk zijn: hij doet dit niet om mij te treiteren. Hij weet zelf ook hoe irritant betweterigheid kan zijn. ‘Excuses dat ik altijd zo overdreven kritisch ben,’ schreef hij er daarom bij, ‘maar ja, je moet het maar doen met zo’n zeikerd van een vriend.’ Bij hem werkt het anders dan bij de meeste mensen: hij reageert niet uit superioriteit, maar uit een diepgewortelde gevoeligheid voor vorm en toon. Alles wat te sentimenteel, te nadrukkelijk of te glad is, schuurt bij hem onmiddellijk. En juist daardoor wijst hij me soms op iets dat ik anders nooit had ontdekt.

En eerlijk is eerlijk: in dit geval had hij een punt. Want als je The Nomads of Dolpo naast Die Salzmänner von Tibet legt, zie je dat het vooral het sentiment is dat de twee films van elkaar scheidt. De eerste is een emotioneel geladen familie‑epos, compleet met muziek die je bij de hand neemt en een voice‑over die je door het verhaal leidt. De tweede is juist bijna ascetisch: een rituele, verstilde observatie waarin geen ruimte is voor sentiment, alleen voor traditie, ritme en de heiligheid van arbeid. Waar Dolpo je raakt in het hart, raakt Salzmänner je in de ziel; en mijn vriend heeft nu eenmaal een ingebouwde allergie voor alles wat te nadrukkelijk aan dat eerste trekt. Juist daarom werd het interessant om beide films naast elkaar te leggen en te zien wat ze, ondanks hun totaal verschillende toon, onthullen over nomadisme in het Himalayagebied.

In deze regio is de rondtrekkende traditie nog niet gereduceerd tot cultureel erfgoed; het is er simpelweg de enige manier om stand te houden. De hoogvlaktes van Tibet en de valleien van Dolpo in Nepal delen een eeuwenoude economie die draait om yaks, zout, gerst en de ritmiek van seizoenen die genadeloos zijn. Toch tonen deze twee documentaires dat nomadisme niet één verhaal is, maar een spanningsveld tussen ritueel en overleving, tussen traditie en verandering, tussen gemeenschap en individu. Hoewel ze dezelfde wereld betreden, doen ze dat met een totaal andere filmische blik, en juist dat verschil maakt zichtbaar hoe veelzijdig dit bestaan is; en hoe verschillend het kan worden verteld.

In Die Salzmänner von Tibet wordt de zoutkaravaan niet gepresenteerd als een economische activiteit, maar als een heilige choreografie. Vier mannen bereiden zich voor op een negentig dagen durende tocht naar het mythische Tsento‑meer, waar zout niet wordt gewonnen maar verzameld onder het toeziend oog van een godin. Alles is ritueel: het kiezen van een gunstige dag, het bereiden van offers, het spreken van een geheime taal, het naleven van voorbeeldig gedrag. De film toont nomadisme als een kosmisch contract: de mens beweegt door het landschap, maar het landschap beweegt ook door de mens.

In The Nomads of Dolpo is de zouttocht geen ritueel maar een familiale migratie. Karma Tshering leidt zijn vrouw, kinderen en yaks door bergpassen boven de vijfduizend meter. De tocht is niet sacraal, maar existentieel: als ze te laat vertrekken, sluit de winter de passen en sterft de kudde. Hier is het trekkersbestaan geen ceremonie maar een levenslijn; een traditie die wankelt onder armoededruk en de vraag of de kinderen dit leven nog willen of kunnen voortzetten. Waar Salzmänner een wereld toont die lijkt te bestaan buiten de tijd, toont Dolpo een wereld die tegen de tijd in probeert te blijven bestaan.

Die verschillen worden pas echt scherp zodra je ziet hoe beide filmmakers de lens hanteren. De camera van Salzmänner is stil, geduldig, bijna monastiek. Ze observeert, dringt zich niet op, bewaart afstand om nabijheid mogelijk te maken. Lange shots van yaks die zich door de vlakte bewegen, rituele handelingen die in real time worden getoond; het is een beeldtaal die doet denken aan klassieke etnografische cinema. De film laat je niet alleen zien wat er gebeurt, maar hoe het voelt om deel uit te maken van een traditie die ouder is dan het geheugen.

De camera van Dolpo is beweeglijker, menselijker, soms zelfs wankel; en dat is precies de bedoeling. Ze volgt de familie door sneeuw, rotspartijen en wind, registreert emoties: vermoeidheid, verdriet, doorzettingsvermogen. Close‑ups van kinderen die worstelen met de hoogte, shots die de gevaren van de passen voelbaar maken, een ritme dat de fysieke inspanning weerspiegelt. Waar Salzmänner contemplatief is, is Dolpo kinetisch. De camera ademt mee met de karavaan.

Ook narratief staan de films lijnrecht tegenover elkaar. Salzmänner vertelt geen verhaal in klassieke zin: geen conflict, geen dramatische boog, geen psychologische ontwikkeling. Het narratief is cyclisch, zoals de seizoenen. De mannen vertrekken, verzamelen zout, keren terug. Het drama zit niet in gebeurtenissen, maar in de betekenis ervan. De film is een mythe in documentairevorm. Dolpo daarentegen is een epos: de dreiging van de winter, de fysieke uitputting, het verlies van een familielid onderweg, de vraag of deze manier van leven toekomst heeft. Het narratief is lineair en emotioneel geladen, een reisverhaal dat de kijker meeneemt in de kwetsbaarheid van een familie die letterlijk tussen leven en dood navigeert.

Wanneer je deze films naast elkaar ziet, ontstaat een dieper begrip van nomadisme in het Himalayagebied. Het is zowel sacraal als praktisch, zowel collectief als familiaal, zowel tijdloos als bedreigd; het is zowel een kosmologie als een economische noodzaak. Samen vormen de documentaires een tweeluik dat laat zien hoe een eeuwenoude levenswijze zich staande probeert te houden in een wereld die steeds sneller verandert.

Misschien is dat wel de reden dat ik beide films koester, elk op hun eigen manier. De één herinnert me eraan dat tradities niet zomaar gebruiken zijn, maar dragers van betekenis. De ander laat zien dat achter elke traditie mensen schuilgaan die moeten leven, lijden, kiezen en doorgaan. Ergens tussen die twee polen – tussen ritueel en overleving – bevindt zich de ruimte waarin nomadisme nog altijd ademt. Misschien is dat ook de ruimte waarin wij, kijkers, iets kunnen leren over onze eigen manier van bewegen door de wereld.

Die manier van bewegen blijft een strikt persoonlijke exercitie. Het verklaart waarom filmvoorkeuren onherroepelijk uiteenlopen. Mijn vriend, met zijn hypergevoelige antenne voor vorm en toon, laveert moeiteloos mee op de meditatieve golven van Salzmänner; hij ziet er een pure, onbevlekte esthetiek in die gevrijwaard blijft van goedkoop sentiment. Ik daarentegen krijg bij dat soort devotionalia al snel last van jeuk. De rauwe, aardse logica van Dolpo ligt mij van nature beter. Waar hij loutering vindt in een kosmos vol rituelen, kies ik voor de overlevingstocht van vlees en bloed.

Uiteindelijk heb ik weinig met esoterische abstracties, zoals mijn lezers inmiddels weten. Ik zie de menselijke conditie het liefst gereduceerd tot wat ze werkelijk is: een bittere, tastbare noodzaak om de winter voor te blijven. Met zo’n ‘zeikerd van een vriend’ wordt mijn blikveld ruimer maar houd ik ook scherp waar mijn nuchterheid ophoudt en zijn sacrale wereld vol vormesthetiek begint.

Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

De valse triomf van goedgelovigheid

Een markt van troost vraagt om de prijs van zelfbedrog.

Natuurlijk is het gebruik van Ayurveda als bedrijfsnaam geen inbreuk op het merkenrecht. Rituals, dat de term voert in de The Ritual of Ayurveda-lijn, leek even te denken het alleenrecht op dat woord te kunnen claimen, maar trekt nu wijselijk haar keutel in. De aanduiding heeft echter wél een ander effect: iedereen die het woord inzet als kwaliteitslabel voor een therapie of geneesmiddel, roept bij mij onmiddellijk scepsis op. Om het neutraal te formuleren: het predicaat ‘ayurvedisch’ geeft aan dat we te maken hebben met een alternatieve behandelwijze. Je bent dus gewaarschuwd.

Het folderverhaal: ‘The Ritual of Ayurveda gift set herstelt de balans en is het perfecte cadeau voor een nieuwe balans, voor een vriend of familielid, of gewoon om jezelf te trakteren. Vind innerlijke balans met deze verzachtende en aromatische producten op basis van Indiase roos en zoete amandelolie. Het origami-ontwerp is geïnspireerd op de Japanse kunst van het geven. In de Japanse cultuur kan de cadeauverpakking even belangrijk zijn als het cadeau, waarbij het cadeau wordt gezien als een vorm van communicatie tussen de gever en de ontvanger.’ Wauw, driemaal ‘balans’ in slechts drie wervende zinnen. Je zit kennelijk snel om woorden verlegen als je onzin uitkraamt.

Het juridische eindoordeel over de merknaam laat zich eenvoudig samenvatten: ‘Ayurveda’ blijft een generieke soortnaam voor een traditionele Indiase gezondheidsleer en kan daarom door niemand als exclusief intellectueel eigendom worden geclaimd. Dat Rituals bakzeil haalt, getuigt vermoedelijk eerder van strategisch inzicht dan van intellectuele zindelijkheid. Ze hadden deze zaak vrijwel zeker verloren, waren ze haar daadwerkelijk aangegaan. Maar één ding blijft overeind staan: het etiket is geen keurmerk van kwaliteit, maar eerder een waarschuwingssignaal; een indicatie dat overtuiging het hier heeft gewonnen van empirische toetsing.

Een aanzienlijk deel van de markt voor alternatieve geneeswijzen drijft op een geraffineerd soort emotionele chantage. Het is een parallel universum waarin anekdotisch bewijs de status van universele waarheid krijgt en klinische trials worden weggezet als complotten van de farmaceutische industrie. Men koopt geen werkzaam bestanddeel; men koopt een narratief. Een warm bad van holistische empathie waarin kritisch denken langzaam wegspoelt.

Het tragische mechanisme achter deze wildgroei is onveranderd: de parasitaire symbiose tussen de charlatan en de wanhopige. Wanneer het reguliere medische circuit de harde waarheid spreekt – dat een aandoening chronisch is, of dat de wetenschap eenvoudigweg nog geen antwoord heeft – springt de alternatieve markt in het gat. Waar de wetenschap nuance en onzekerheid biedt, biedt de kwakzalver absolute zekerheid. Het is een verdienmodel dat floreert bij de gratie van menselijke kwetsbaarheid: hoe zwakker de patiënt, hoe sneller de bankrekening wordt geplunderd voor suikerpillen, trillingstherapieën of energetisch opgeladen bronwater.

In dit ‘post-truthlandschap’, waarin sociale media functioneren als een hogedrukspuit voor desinformatie, voelt de strijd tegen de onzin steeds vaker als dweilen met de kraan open. Wie probeert de ratio te verdedigen, staat al snel te boek als een kille dogmaticus zonder hart. Ik vraag me steeds vaker af hoe de Vereniging tegen de Kwakzalverij zich in deze storm staande houdt. Even controleren dus.

Het is met de vereniging zelf, historisch bezien, opvallend stabiel gesteld; ze doet nog precies waarvoor ze in 1881 werd opgericht. De oudste sceptische organisatie ter wereld opereert nog steeds zonder subsidie, gedragen door zo’n 1800 à 2000 hardnekkige leden die weigeren te buigen voor de waan van de dag. Onder leiding van voorzitter Freek van Sluijs blijft de vereniging met vlijmscherpe pen en juridische procedures de barricaden opgaan.

Hun actieradius is onverminderd breed en de munitie nog lang niet uitgeput. Hun jaarlijkse satirische schandpaal, de Meester Kackadorisprijs, blijft een effectief wapen. Onlangs nog verschenen instituten zoals Amsterdam UMC op de longlist vanwege het faciliteren van acupunctuuronderzoek bij kinderen; een pijnlijk bewijs dat zelfs de academische wereld de poorten voor pseudowetenschap soms wagenwijd openzet onder het mom van ‘complementaire zorg’.

De vereniging schroomt bovendien niet om door te pakken waar het gevaarlijk wordt. Zo eiste zij recent strafrechtelijke vervolging van een arts die op grote schaal onbewezen behandelingen met navelstrengbloed uitvoerde bij kinderen. De ironie is dat de VtdK in het huidige tijdsgewricht feller wordt aangevallen dan ooit. De gevestigde orde sust dergelijke ontwikkelingen graag met termen als ‘integrative medicine’; een eufemisme waarmee men probeert bewezen geneeskunde te vermengen met magisch denken; alsof je een glas helder water verbetert door er een lepel rioolwater in te roeren.

De vereniging strijdt niet tegen spiritueel ingestelde mensen als individu, maar tegen de institutionalisering van volksverlakkerij. Hoewel de vereniging zelf springlevend is, ervaar ik in het publieke domein steeds vaker hoe eenzaam het rationele standpunt kan zijn. Dat lijkt mij het logische gevolg van een maatschappij die ‘gevoel’ heeft verheven tot ultieme graadmeter van de werkelijkheid. Zolang irrationaliteit zich als zorg blijft vermommen, is er sprake van een achterhoedegevecht; maar wel een noodzakelijk gevecht, uit respect voor de volksgezondheid én de intellectuele hygiëne.

De VS hebben hun beste president vermoord

…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.

Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.

Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.

Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.

Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.

De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.

Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.

Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.

Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag

Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.

De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.

Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.

Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.

Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.

Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.

Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.