Bomen met voorbeschouwers in afwachting van nabeschouwers (of tussenbeschouwers).
Ze kwamen naar m’n bomen kijken. In eerste instantie ging het om de apenboom (ook wel slangenden genoemd), die heer en meester is in mijn voortuin. Ook het groepje coniferen achter het huis, dat een indrukwekkende erfafscheiding vormt, vereiste nader onderzoek. De oudste van de twee mannen hield een klembord vast en bleef maar op een formulier turen waarop hun opdracht stond: de stammen controleren op breekbaarheid. Of zoiets. Ik vroeg of ik met dendrologen te maken had. “Nee,” zei deze overduidelijke aanvoerder kortaf. De ‘krullenjongen’ naast hem hield me overduidelijk voor een enorme eikel.
De slangenden of apenboom (Araucaria araucana) is een conifeer die van nature groeit in het zuiden van Chili en het zuidwesten van Argentinë. Het is een altijdgroene boom die tot 40 m hoog kan worden en een stamomtrek van 1,5 m kan bereiken. De boom wordt ook wel apentreiter, apenleed, apenpuzzel, kandelaarden of apenverdriet genoemd. De naalden zijn schubachtig, dik, driehoekig en scherp. Ze zijn ongeveer 3–5 cm lang en blijven lange tijd (tot vijftien jaar) op de door de naalden bedekte takken. Uiteindelijk verdorren de naalden en komen de takken bloot te liggen.De mannelijke en vrouwelijke delen zijn te vinden op verschillende bomen (twehuizig), sommige exemplaren zijn echter eenhuizing. De vrouwelijke kegels zijn bolvormig en kunnen zo groot als een kleine voetbal worden, en bevatten eetbare zaden; deze zaden worden in Chili op grote schaal geoogst. Mannelijke kegels zijn kleiner en min of meer cilindrisch. Het is bekend dat sommige apenbomen 50 m hoog kunnen worden met een stamdiameter van ongeveer 2 m en meer dan 1000 jaar oud kunnen worden. De apenboom is ook sterk aangepast aan vuur en bosbranden, branden zijn door vulkanisme en menselijke activiteit niet ongewoon in zijn natuurlijk areaal. Zo heeft de apenboom een dikke schors ontwikkeld als bescherming tegen brand. (Bron: Wikipedia)
Natuurlijk had ik meteen door dat zij geen dendrologen waren. Ze droegen tuinkleding en hele zware werkschoenen. In de aanhangwagen achter hun busje lagen cirkelzagen zoals alleen houthakkers en bosbouwers die gebruiken. Toevallig had ik niet lang daarvoor een cryptogram gemaakt waarin het woord dendroloog voorkwam. 16 horizontaal. De omschrijving die daarbij hoorde, luidde: Houtkenner die de waarheid niet sprak (10). Ik vond het leuk om dat woord nu in het echt te gebruiken.
“Klopt het dat deze bomen zouden worden omgezaagd?” vroeg de nestor, nog steeds intens naar zijn papier starend. Ik had zoiets gehoord ja. Toen ik de woning aanvaardde, kon ik er nog niet direct in. Eerst moesten er allemaal werkzaamheden worden verricht: ‘wasbak en toilet badkamer, vervanging radiatoren, aansluiting krachtstroom keuken.’ En inderdaad, op de lijst voor de aannemer, die de consulente van de woningbouwvereniging aan mij voorlas, stond ook dat de bomen eraan moesten. (‘Perceel 39: kappen en afvoeren Araucaria araucana / rooien en afvoeren coniferenhaag (Thuja/Leylandii) – conform bestek.’)
Dat vond ik toen best gek. Ik vroeg haar verbaasd waarom. Ik vond dat die bomen er nog prima uitzagen. Ik was natuurlijk geen kenner maar ze zaten nog goed in het groen. Ze hadden enorme dikke stammen die kaarsrecht omhoog groeiden. Zij was ook geen kenner. Zij begreep mijn verbazing. “Ze zijn wel oud natuurlijk” zei ze nog, maar ze zou gaan informeren naar de reden. Ik weet niet of het door mijn vraag kwam, maar het kappen is uiteindelijk niet doorgegaan. Ik kon de woning betrekken met vegetatie en al.
Kennelijk heeft men het besluit om ze te vellen toen niet van tafel geveegd maar uitgesteld, want vandaag stonden dus die mannen voor mijn deur. De oude rot keek van zijn formulier naar boven en van boven naar zijn formulier. “Moeten ze om?” vroeg ik. “Niet goed te zeggen” antwoordde hij “daar zal iemand naar moeten komen kijken.”“Maar zijn jullie dan niet degenen die daarover gaan?” vroeg ik. “Nee, daar zijn ze veel te groot voor”, zei de stamoudste. “Als deze bomen ommoeten, zal er een kraan nodig zijn.”
Ik begreep dat deze bomen deze mannen boven het hoofd waren gegroeid. De apenboom in mijn voortuin moest minstens van mijn leeftijd zijn. “Zijn jullie uiteindelijk wel degenen de de bomen gaan vellen? Ik bedoel: als ze om moeten?” wilde ik nog weten. Alweer fout. “Nee, wij zijn hoveniers” sprak de werkleider, alsof daarmee alles was verklaard. Hij had zijn oordeel wat dit adres betreft kennelijk geveld want hij kon nu eindelijk opkijken uit het klembord. Hij werd er onverwacht vrolijk van. Dit klusje was duidelijk afgerond. Hij hoefde niet te handelen; afvinken bleek voldoende.
Ouwehand moet zich alwéér buigen over een mensenonderwerp.
Een leiderschapsconflict heeft de driekoppige Eerste Kamerfractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) verscheurd. De fractie is gespleten in twee kampen, die beiden beweren de ware vertegenwoordigers van de Partij voor de Dieren te zijn. Het partijbestuur heeft de leden per mail geïnformeerd dat alleen fractievoorzitter Ingrid Visseren-Hamakers namens de partij doorgaat. De senatoren Niko Koffeman en Peter Nicolaï betwisten dit en stellen dat zij degenen zijn die de Partij voor de Dieren zullen vertegenwoordigen.
V.l.n.r.: Guppy Visseren-Hamakers zwemt zenuwachtig rond, belaagd als zij wordt door twee Trojaanse paarden: de zebravissen Nicolaï en Koffeman die beren op de weg zien. Esther Ouwehand gelooft dat zij te maken heeft met de muizenissen van eendagsvliegen.
De vraag blijft waarom Koffeman – die dieren centraal wilde stellen en vond dat de PvdD te ver van haar kernopdracht afdreef – uitgerekend vlak voor de verkiezingen zijn lidmaatschap opzegde. Daarmee toonde hij dat hem niets kleinmenselijks vreemd is. De strategische timing ondermijnde de interne cohesie en joeg kiezers weg. Dank u wel meneer Koffeman; al eens van de tactiek van de verschroeide aarde gehoord? Idealen worden niet alleen verraden door tegenstanders, maar soms ook door hun eigen predikers; wanneer de zuiverheid van het principe zwaarder gaat wegen dan het voortbestaan van de beweging die het moest dragen.
Oh, oh, wat zijn de egogedreven mannetjes belangrijk!
Moest hij de partij persé op dit moment laten voelen hoezeer ze van de bron was afgedwaald? Zijn vertrek leek minder op een daad van moreel verzet dan op een berekende explosie. Na zulke acties blijft meestal weinig meer over dan as, en een verwarring die kiezers afschrikt. Dat is wat er gebeurt wanneer idealisten te lang tussen politiek en moraal balanceren: wat ze niet meer kunnen zuiveren, willen ze vernietigen. Een oude, menselijke reflex, ook als het om dieren gaat, die ze dan voor het gemak maar even links laten liggen.
Het zal waarschijnlijk zo’n vaart niet lopen, maar toch.
Enkele van mijn lezers vonden het niet zo prettig dat ik een mogelijke coalitie van D’66, CDA, VVD en Ja21 als democratie-ondermijnend afschilderde. Zij zijn van mening dat D’66 en CDA zich altijd zullen verzetten op het onverhoopte moment dat ook maar de schijn zou ontstaan dat de democratie zou worden uitgehold of dat er iets anders dreigde te gebeuren dat staatsrechtelijk niet in orde was. Wat de VVD betreft? Die partij krijgt van hen in haar huidige presentatie iets meer het nadeel van de twijfel (wat mij een verstandige benadering lijkt).
Naar mijn mening is er van het degelijke liberale fundament van de VVD onder Yesilgöz niet veel meer over. De liberale traditie binnen die partij is naar de achtergrond gedrukt. Het interne platform van de, over het algemeen, wat oudere garde, pleit voor de klassieke kernwaarden maar kabbelt een beetje op de achtergrond onder leiding van Klaas Dijkhoff. Ik geloof wel in Klaas, maar ja, die voert een fluistercampagne in een podcast met maar 4000 luisteraars of daaromtrent.
Waar liggen de kernpunten van deze onderstroming? Nadruk op individuele vrijheid, verantwoordelijkheid, rechtstatelijkheid enzovoort. Een koers die zich niet primair richt op populistische retoriek of enkel op hard rechts beleid, maar op de middenklasse (dat ik iemand daar, een beetje eng, het “goede volk” hoorde noemen) en op een vrijere samenleving (liberalisme pur sang). Die VVD staat kritisch tegenover samenwerking met partijen of stromingen die worden gezien als antidemocratisch of populistisch. Dijkhoff heeft dat expliciet uitgesproken. Maar helaas: Dijkhoff stond niet op de verkiezingslijst.
We moeten afwachten wat er gaat gebeuren. Ik hoop en denk dat Rob Jetten de lichte voorkeur die hij nu laat doorschemeren voor een brede middencoalitie met GroenLinks/PvdA ook zal verwezenlijken. Dan kunnen we een zucht slaken maar zal er overigens wel een ander probleem aan het licht komen, volgens mij. Als Jetten in de ogen van radicaal-rechtse vuilspuiers (let op, dit is een soort van pleonasme) straks ietsje linkser blijkt te zijn dan hij zich tijdens de verkiezingen heeft voorgedaan, zal hem hetzelfde overkomen als wat er met Timmermans, Sigrid Kaag en Job Cohen is gebeurd (moet ik dat nog uitleggen?).
Niettemin heb ik de gewraakte zin in mijn stukje aangepast en staat er nu het volgende: ‘Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.’
Andere opties voor het beëindigen van die laatste zin waren – subtieler – ‘…een kabinet dat, zoals we van meer rechts georiënteerde regeringen kunnen verwachten, de democratische beginselen wellicht wat strakker in bestuurlijke termen uitlegt dan in sociale.’ Of, met een meer ironische ondertoon: ‘…een kabinet dat, geheel binnen democratische kaders, de nadruk wat minder legt op de breedte van die democratie dan op haar efficiëntie.’ Helaas waren niet al mijn lezers met zelfs deze uitgebreide keuze uit drie veranderingen, tevreden te stellen.
Het zij zo, verdere aanpassingen om hen een aangenamer leeservaring te verschaffen, zouden een ‘naar de mond praten’ zijn geworden, en dat moeten we hier niet hebben.
Naschok voor de postbezorger (en een hard gelag voor de SP).
Ik heb vanochtend de moeite genomen om precies te begrijpen hoe het complexe systeem van restzetelverdeling werkt. Daarom ben ik nu bijna aan het eind van m’n Latijn. Eigenlijk zou ik terug naar bed moeten, maar ik zie het niet zitten om pas in de middag post te gaan bezorgen. Niet dat dit niet mag; een postbode heeft tot zeven uur ’s avonds de tijd om – plastisch uitgedrukt – ‘zijn zakken leeg te lopen’. Hoe dat werkt hoef ik niemand uit te leggen; je begint met volle fietstassen en eindigt met niets. Als alles is afgeleverd ga je moe maar opgeruimd naar huis.
Een postbode heeft een heerlijk overzichtelijk beroep. Maar het wordt wel laag betaald. Voor het afdwingen van betere arbeidsvoorwaarden was er altijd de SP. Laten we nooit vergeten dat de SP de arbeider echt gesteund heeft met raad en daad waar andere partijen aarzelden tussen idealen en belangen. Waar andere partijen hun beloftes vergaten, stond de SP nog schouder aan schouder met de werkvloer. Waar andere partijen afstand namen, bleef de SP dichtbij, met hart voor de gewone man. Waar andere partijen zich richtten naar Den Haag, bleef de SP luisteren naar de stemmen uit de straat. Waar andere partijen zwegen, sprak de SP met lef, met warmte, en met overtuiging.
Sommige mensen zitten echt op hun post te wachten. Ik vermoed dat het de meeste geadresseerden geen donder uitmaakt hoe laat er iets in hun bus valt, maar er zijn van die dagen, in het leven van iedere postontvanger, die een prompte bezorging vereisen. Daarom is het goed dat de postbode een vaste bezorgtijd aanhoudt en ook niet te laat van huis gaat. Ik kan meevoelen met mensen die van stiptheid op bezorggebied houden als ik denk aan de verdeling van restzetels. Ik word gek van het moeten wachten op de definitieve toekenning daarvan.
En dat terwijl er in het woord ‘restzetel’ toch een hele duidelijke indicatie zit dat we geduld moeten hebben omdat er alleen maar achteraf kan worden gekeken wie er recht op heeft. Nu ik dit schrijf valt mij plotseling in dat de ethymologische achtergrond van het woord ‘post’ ook iets in zich lijkt te hebben van ‘na’ of ‘achteraf’. Dat zou leuk zijn voor dit stukje want dan lijkt het rond (zoals er in mijn werkdag als postbezorger ook een aangename afronding zit). ‘Post’ in de zin van ‘na’ berust bij woorden als ‘postbode’ echter op een misverstand. Jammer dat ik op de valreep moeilijk moet gaan doen.
‘Post’ als voorzetsel of bijwoord in het Latijn betekent inderdaad ‘na’ of ‘achter’ (in tijd of ruimte). Dit is de wortel van Nederlandse en internationale woorden zoals postscriptum (na-schrift), postnataal (na de geboorte) en postdoctoraal (na het doctoraat). ‘Post’ in de zin van ‘brieven’ is echter niet het Latijnse ‘post’ in de zin van ‘na’. We hebben hier te maken met een klassiek voorbeeld van homonymie (woorden met dezelfde klank of spelling, maar een verschillende oorsprong en betekenis), waarbij de twee woorden toevallig beide teruggaan op het Latijn.
De etymologische achtergrond van het woord ‘post’ (in de zin van briefwisseling of postbezorging) gaat ook terug op het Latijn, maar posta is een afleiding van het Latijnse werkwoord pōnere, wat ‘plaatsen’ of ‘stellen’ betekent (met het voltooid deelwoord positum). De oorspronkelijke betekenis van posta of het Latijnse posita (of mansio posita / mutatio posita) was de plaats of het vastepunt waar postpaarden werden gewisseld, of waar koeriers gestationeerd waren langs een route. Dit waren dus de wisselstations of rustplaatsen voor de bodes en hun paarden.
Van deze betekenis van een vastgestelde plaats langs de route, ontwikkelde het woord zich later tot de koeriersdienst of het systeem van de ruiters die op vaste intervallen waren ‘geplaatst’, daarna tot het vervoer van de brieven en berichten zelf, en uiteindelijk tot de briefwisseling en de organisatie (posterijen) zoals we die nu kennen. Het woord is dus nauw verbonden met het idee van iets wat op een vaste plaats is gesteld langs een route, bedoeld voor het snelle vervoer van berichten. Nu bent u als lezer misschien aan het eind van uw Latijn.
Ik wil nog even wijzen op een speling van het lot die dingen, zoals hierboven beschreven, eerder verwarrender maken dan dat ze mooi op hun plaats vallen. Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.
Dat is een hard gelag voor de SP waar deze ‘blogpost’ helaas niets aan kan veranderen.
En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.‘
Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”
Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.
Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.
Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.
Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.
Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.
Waarom Meidas Touch onmisbaar is voor de Amerikaanse (en onze) democratie.
Als Nederlander met een – naar mijn mening – goede passieve beheersing van de Engelse taal, begrijp ik de Amerikaanse politiek beter dan ik kan verwoorden; voor dat laatste ben ik niet welsprekend genoeg. Ik kan alle nuances van politieke debatten moeiteloos volgen, maar als ik zelf het woord moest voeren, zou ik minder scherp en woordrijk overkomen dan ik wilde. Alleen al daarom ben ik onmachig om het lot van Amerika ook maar een jota te beïnvloeden. Ik onderga wat daar gebeurt met de radeloosheid van een waarnemer die slechts door een glazen wand mag toekijken, bewust van de impact van de huidige gebeurtenissen, maar gevangen in een afstand die onoverkomelijk lijkt.
Vanuit Europa zie ik het MeidasTouch Network als het scherpste wapen in de strijd om het discours over de democratie te heroveren.
Die taalbarrière doet niets af aan mijn zorgen over de staat van de democratie in de Verenigde Staten, die ik wel nog steeds als de hoeksteen van de westerse wereld beschouw. Vanuit mijn Europese perspectief is het cruciaal dat er krachten vrijkomen die zich actief verzetten tegen de erosie van democratische normen. En dat is precies waarom ik Meidas Touch Network zo ontzettend belangrijk vind. Voor mij is Meidas Touch veel meer dan alleen een progressief mediakanaal. Het is een digitale verdedigingslinie. Het netwerk, opgericht door de drie broers Ben, Brett en Jordy Meiselas, is ontstaan uit pure noodzaak en frustratie over de politieke chaos. Ze waren geen doorgewinterde politieke operatoren, maar een burgerrechtenadvocaat, een video-editor en een marketingexecutive die vonden dat ze moesten handelen.
De kracht van MTN ligt in hun compromisloze aanpak om het narratief terug te veroveren van de rechtse media. In een tijdperk waarin desinformatie zich met duizelingwekkende snelheid verspreidt, gebruiken zij de moderne mediatools – korte, virale video’s en podcasts – om op heldere en directe wijze te communiceren over de feiten en de gevaren. Ze stellen zichzelf niet op als partijpolitieke influencers, maar als verdedigers van de democratie. En eerlijk gezegd is dat voor mij in deze context hetzelfde. Ze doen wat traditionele media soms te langzaam doen of te voorzichtig: ze benoemen leugens als leugens. Hun content is scherp, gevat en vaak humoristisch, maar altijd met een serieuze, feitelijke ondertoon. Ze ontmaskeren de gaslighting van de MAGA-beweging en degenen die de verkiezingsuitslagen in twijfel trekken.
Als toeschouwer die de Amerikaanse democratie als een essentieel bolwerk beschouwt, zie ik Meidas Touch als een van de meest effectieve checks and balances in het informatietijdperk. Ze mobiliseren een publiek dat snakt naar eerlijke en duidelijke berichtgeving, en ze bieden een digitaal thuis voor mensen die de democratische principes willen verdedigen. Zonder zulke onverschrokken stemmen, die niet bang zijn om hun ongenoegen over de extremen aan de rechterflank luid en duidelijk te uiten, zou het publieke debat in de VS nog verder scheefgroeien. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de broertjes Meiselas met hun netwerk een noodzakelijke en onmisbare rol spelen bij het bewaken van de Amerikaanse democratie. Ze geven de gewone burger een duidelijke stem en een krachtige tool in de strijd voor de waarheid. En dat is van onschatbare waarde.
Laten we proberen hun videokanaal naar 6 miljoen abonnees te brengen (op dit moment is dat 5,51M).
P.S.: We zien hoe politieke figuren die kritiek hebben op Trump steeds vaker doelwit worden van zijn retoriek en acties. Het is beangstigend om te bedenken wat er met het cruciale tegengeluid van de gebroeders Meiselas kan gebeuren. Als er iets gebeurt waardoor hun stem verstomd raakt, vrees ik dat dit het definitieve einde van de democratische waarden in de VS inluidt, waarmee de weg naar autocratie onder Trump definitief zou worden geplaveid. Hun veiligheid is, in zekere zin, de veiligheid van de Amerikaanse democratie zelf.
Ik ken een redactiechef van een krant die beweert dat hij “het toontje van een chatbot” meteen herkent. Dat is bemoedigend want er valt dagelijks heel wat kopij op z’n bureau en we willen als lezer natuurlijk niet belazerd worden. De trots om zijn onderscheidende vermogen neemt vaak de vorm aan van een hyperbool: “Echt hoor, ik kan van tien kilometer afstand zien dat we te maken hebben met AI.” Ik merk aan mezelf dat ik dat in twijfel trek en afdoe als authentieke stoerpraat van een mens van vlees en bloed. Iemand van een oudere generatie bovendien.
Schaalvergroting maakt AI-assistentie onvermijdelijk. De toekomst van de kwaliteitsjournalistiek ligt in een krachtenbundeling tussen menselijke intuïtie en machine-efficiëntie. Ondanks de aanvankelijke scepsis, blijkt de technologie een cruciale partner te zijn geworden. Het blad blijft zijn maatschappelijk geweten voeden door de combinatie van menselijke kritiek en digitaal venuft.
Letterlijk gezien belandt er trouwens niets op zijn bureau ter beoordeling, dat zal de lezer begrijpen. Deze poortwachter krijgt de ingezonden bijdragen overdrachtelijk op z’n bordje. Het is een volkomen digitale aangelegenheid. In een geleidelijk proces dat lang geleden begon hebben inmiddels alle papieren werkwijzen plaatsgemaakt voor een volledige digitale ‘workflow’. Ik herinner mij dat onze ‘gatekeeper’ niet vooraan stond bij de voorzichtige opstart van deze verandering.
Schaalvergroting werd onvermijdelijk in de krantenwereld. De economische stabiliteit was gebaat bij een combinatie van krachten. Fusies en overnames waren aan de orde van de dag en de redacties werden gestroomlijnder, wat in feite neerkwam op een afname van het personeelsbestand. Met minder mensen moest meer werk worden verzet. Dat is waar de noodzaak om nieuwe technologieën te omarmen echt voelbaar werd. De Chef Redactie, met zijn lange staat van dienst en ingesleten voorkeur voor beproefde methoden, moest zich buigen over en voor de mogelijkheden van AI.
De gigantische hoeveelheid content die verwerkt moest worden, werd geleidelijk behapbaar. Zijn scepsis over ‘het toontje’ van een chatbot staat daarom in schril contrast met de realiteit dat hij juist digitale hulpmiddelen nodig heeft om zijn werk überhaupt nog te kunnen doen binnen de gestelde deadlines. Geloof me, ook hij raadpleegt regelmatig AI-gestuurde spelling- en stijladviezen en laat complexe feiten checken door virtuele assistenten. De lezer heeft baat bij de snelheid en de foutenmarge die hierdoor drastisch daalt, waardoor er meer tijd overblijft voor diepgaande journalistiek.
De krant waarover ik spreek ontstond uit de behoefte aan betrouwbaar nieuws, onafhankelijk van de Duitse propaganda. Vanaf de clandestiene drukpers in de oorlog tot de digitale transformatie van nu, is het doel steeds hetzelfde gebleven: het publieke debat voeden en de lezer een kritische spiegel voorhouden. Ik ben allang niet meer de enige die gelooft dat het blad als maatschappelijk geweten, geworteld in humanistische en sociaaldemocratische waarden, nooit zal bezwijken onder de waan van de dag. De intrinsieke waarde is gewoon te groot.
Ik durf het – ook ietwat gezwollen – zelfs om te draaien: een blad dat zwicht voor de tirannie van ouderwetse redactionele starheid of technologische angst zal meer dan geld en goed verliezen, daar dooft het licht.
Wat vind je nu eigenlijk? Of liever, want het is verkiezingstijd: wat ga je stemmen? Op de vlakte blijven kan aangenaam overkomen. Douwe Bob wilde zich, als muzikant, bij zijn leest houden. Hij zei dat hij z’n gitaar ging stemmen. Dat zal hij de laatste tijd wel vaker gezegd hebben, maar als je nooit naar hem luistert, omdat de mening van Douwe niet veel interessanter is dan zijn muziek, klinkt zo’n ontwijkende opmerking onverwacht lollig.
Het punt dat Jetten naar voren bracht: hoe komt het dat we een klein beetje Nederlandse trots meteen verdacht maken? Omdat we de Nederlandse driekleur hebben laten kapen door rechts. Het feit dat de progressieven met ongeveer elke vlag zwaaien behalve de Nederlandse driekleur is alleen maar koren op de molen voor het conservatieve frame dat progressieven een hekel aan Nederland hebben.
Een patiënt van Sigmund – de eenogige psychiater die wrange en cynische commentaren levert op de wereld om hem heen – vond ook een eenvoudiger antwoord. Hij had de stemwijzer gedaan. “En, waar kwam u op uit?”“Bariton”, zei de stripfiguur, “dat zit tussen bas en tenor in.” Graag meer verkiezingscartoons van Peter de Wit. Ooit liet hij een klant van Sigmund een ‘electoraal oedipale stem’ uitbrengen op de leider die hem het meest aan diens vader deed denken. Verzonnen patiënten kun je van alles in de mond leggen.
De gemiddelde kiezer is niet gek (al moet je zijn ontstellende onwetendheid niet onderschatten); hij pikt van verkiezingskandidaten geen ontwijkende of weifelende antwoorden. De worsteling van eerlijke politici met moeilijke onderwerpen leidt vaak tot genuanceerde standpunten. Ook dat kun je een vorm van ontwijken noemen. En er valt, in zulke gevallen, niet eens om te lachen. Maar het politieke spel wordt oneerlijk gespeeld. Niet-populisten staan per definitie op achterstand vanwege hun grotere handicap; zij hebben rekening te houden met hun geweten en met de waarheid.
Rob Jetten vindt dat progressieven de Nederlandse vlag best wat schaamtelozer mogen uithangen. Een ferm standpunt. Achter hem kwam het rood-wit-blauw groot in beeld. Maar op hetzelfde partijcongres deed hij omslachtig. Hij verzon een man op de vierde rij die geschrokken op dit ‘symbool van rechts’ reageerde. Had hij een gefingeerd partijlid nodig om te zeggen dat trots zijn op je land en wapperen met de driekleur echt wel kunnen? Het leek er op, dat in zijn (tevoren geschreven) speech, de aanhoudende twijfel van het alter ego van Jetten als neonationalist, toch nog een protetstemmetje moest krijgen.
Moeilijk doen over iets waar het, naar rechts uitgeweken, electoraat inmiddels wel uit is? Laat dat maar aan links over. Migratie werd de grote graadmeter. Karikaturaal gesproken: de arbeider vindt dat Nederland vol is (grip houden!), de traditionele arbeiderspartij zegt dat nieuwkomers goed zijn voor de economie (hoewel…tenzij…), en verder naar links wil men het liever over klimaatverandering hebben (dat inderdaad het echte, veel grotere probleem is). Dit zijn serieuze kwesties dus we blijven serieus nu: welk hokje op rood gaan we straks rood maken? Wie biedt de zuiverste, meest onomwonden oplossing?
Vaak is er geen eenvoudig antwoord. Dat klinkt alweer saai en omzeilend maar de problemen zijn gewoon complex. Lees de betere partijprogramma’s er maar op na, of ga gewoon af op de werkelijkheid. Je kunt je er echt niet altijd met een hamer- of kwinkslag vanaf maken. Voelt de roodgroene blusbrigade koudwatervrees terwijl de wereld in brand staat? Durft links geen krachtige besluiten te nemen? Nee nee, dat is het niet. Weldenkende mensen hebben gewoon met alles en iedereen rekening te houden. Dat is de prijs van democratie. Moeten politici daarnaast ook nog grappig overkomen? Bespaar ons de humor; waarom zou een volksvertegenwoordiger ad rem willen zijn?
Een visionaire vriend voor vogels van velerlei pluimage.
Als er per se een huis moet staan op een plek in een park waar beter bomen konden groeien, dan is Martin onze man. Hij lijkt me de meest geschikte persoon om dit gebouwtje in Angerenstein als bewoner en gids tolerabel te maken. Ik bedoel dit als een compliment. Als we dan toch een vertegenwoordiger van het groen naar dat onderkomen moeten afvaardigen (waarop overigens ook al horeca-exploitanten zaten te azen), is hij de beste gastheer die een voormalige forellenkwekerij zich maar kan wensen. Omdat hij bereid is om aan wie dan ook uitleg te verschaffen over alles dat met flora en fauna te maken heeft. En meer.
De flamboyante Martin was precies wat deze doos in het park kon gebruiken, zeker als we weten dat er op deze locatie ook al horeca-exploitanten en vastgoedinvesteerders zaten te azen. ‘Alcedo Atthis‘ is de wetenschappelijke naam voor de ijsvogel. Verder staat er onder de nok van de voorgevel: ‘Nunc fluens facit tempus‘. Dat betekent: Het stromende nu maakt de tijd. Dit correspondeert met een andere spreuk (zie verderop) die met eerbied in de bast van een boom rond Martins’ huis is gekerfd.
Hij doet me aan Jan Timman denken; de grote, wijze schaker die sprak met een zachte, ietwat bekakte stem. Dat rustgevende timbre klonk nooit overdreven of gekunsteld, maar paste gewoon bij zijn statuur en bij zijn gedistingeerdheid. De onderwerpen die deze Martin aansnijdt zijn interessanter dan welke gespekstof ook; Martin houdt van de hem omringende natuur. Hij praat bloemrijk over alles dat groeit en bloeit en hem altijd weer boeit.
Hij geeft toe dat hij deel uitmaakt van een biotoop en daarin als mens niet eens de primus inter pares is of het alfamannetje. Martin communiceert met vogels, maar niet predikend zoals Franciscus van Assisi, en niet bezwerend zoals figuren in de mythologie of folklore. Vergeet de auguren (vogelwichelaars) in het oude Rome of de oppergod Wodan die zijn raven Huginn (‘gedachte’) en Muninn (‘geheugen’) met onderzoeksopdrachten de wereld instuurde. Als Martin met vogels praat, verandert hij zelf in een vogel.
Als educatieve kindervriend heeft Martin ook duidelijk meerwaarde op deze plek in het park onder de bomen. De buurtjongeren komen spontaan bij hem aankloppen. Voor de schoolgaande jeugd is het snel duidelijk dat ze hier te maken hebben met een heuse boswachter die verstand heeft van klimaatopwarming en andere milieuzaken (handig voor als je een opstel moet schrijven). Hij denkt niet alleen met je mee maar hij laat ook je idealen intact. Toen een peuter vroeg of hij een kabouter was, zei hij zondermeer ja.
Als Martin je ontvangt in zijn habitat geeft hij eerst een rondleiding bij zijn huis voordat hij je binnenlaat. Hij somt de ontmoetingen op die hij had met zijn medeschepselen en toont je aan waar die plaatsvonden. Het verbaast je dat een plek in een stad – want dat blijft het – zoveel observaties met zeldzame dieren kon opleveren: de ijsvogel, zwarte zwaan, ringslang, Groene specht, Oehoe, Wielewaal, Hazelworm, Das, Boommarter en Waterspreeuw. Laat Martin vooral het waarom van het pootjewippen van de Waterspreeuw aan je uitleggen.
Daarna laat hij je binnen in een ruimte zonder tussenmuren. Zijn woning is één groot lokaal (hij slaapt op zolder). Deze voormalige biologieklas stond oorspronkelijk vol met broedbakken, gevuld met eierdril, zich ontwikkelende embryo’s en net uitgekomen visjes. Dat gekweek is niet de nobelste geschiedenis, vind ik, maar je kunt je voorstellen dat de Heidemij in de gelegenheidsrol van vishouder, dankbaar gebruikmaakte van het kraakheldere water dat van de heuvel stroomde. In de vijvers rondom werd spartelend zilver grootgebracht en voor goudgeld verkocht. Ooit moet de stichting zich hier een klein fortuin op de forellenmarkt hebben verworven.
Martin ontpopt zich als een pleitbezorger van de ecotopie. De term Ecotopia is na de roman van Callenbach, die het woord had gemunt, door allerlei denkers, activisten en gemeenschappen verder ingevuld en verbonden met bredere spirituele, activistische en politieke stromingen. Daarbuiten werd de term ook filosofisch verbreed door bijvoorbeeld Latour met zijn Actor-Network Theory: een wereldbeeld waarin niet-menselijke actoren (dieren, rivieren, bossen) volwaardige deelnemers in de samenleving zijn. Verder heeft Ernst Bloch zijn utopiebegrip (het ‘nog-niet-zijnde’) erop toegepast: Ecotopia als horizon waarnaar we ons oriënteren. Vraag Martin er maar naar en hij kan er bevlogen op doorfilosoferen.
De boeken in deze reeks waren typische ‘stichtelijke boekjes’, wat betekent dat ze geschreven werden vanuit een protestants-christelijke levensbeschouwing en lezertjes morele of religieuze waarden moesten bijbrengen. Jacoba van der Steen-Pijpers baseerde de verhalen in haar Barendje-serie vaak op de belevenissen van haar eigen zoons. De boeken werden uitgegeven door G.F. Callenbach in Nijkerk.
Onze parkambassadeur besluit de rondleiding met een citaat uit een stichtelijk boekje dat hem als kind (in Leiden) werd voorgelezen; een deeltje uit een reeks vertellingen over Barendje, geschreven door Co van der Steen-Pijpers, die zich liet inspireren door haar woonplaats en de wijk in Arnhem waar zij woonde. In deze uitgave, verschenen vlak na de oorlog, wordt de kwekerij in Angerenstein al genoemd en beschreven. Dat Martin dat verhaal in zijn jeugd onder ogen kreeg beschouwt hij, achteraf gezien, als een voorteken; een verwijzing naar zijn latere bestemming. Het emotioneert hem nog steeds. Wil hij hiermee suggereren dat hij in predestinatie gelooft? Of is juist het toeval de ware tranentrekker? Hoe dan ook, Martin blijkt naar een zorgvuldig gekozen hoogtepunt te hebben toegewerkt.
Zijn er dan geen dieptepunten Martin? Is het leven hier echt zo idyllisch? Hij wil aan volwassen bezoekers best toegeven dat hij zich soms bedreigd voelt. Sterker nog: hij is bedreigd. Er is op hem geschoten. Met zo’n eenvoudig in het buurland te verkrijgen, neppistool, waarover regelmatig wordt gerept in misdaadverslagen. Het ging om twee pubers. De dadertjes zijn veroordeeld en zitten nu in een soort van reclasseringsprogramma van de jeugddetentie. Martin schijnt niet boos te zijn. Hij lijkt ook deze gebeurtenis als een soort van natuurverschijnsel op te vatten.
Zoals mensen, in alles wat ze zichzelf tegenwoordig permitteren, eigenlijk hun hele milieu om zeep helpen, was het schietincident, in een alomvattend perspectief, eigenlijk niets anders dan een wat dramatisch verlopen, biologische gebeurtenis, relativeert Martin. Natuur die zichzelf vernietigt; het omgekeerde van altruïsme. Dat komt soms voor ja. En ja, die jochies gingen veel te ver natuurlijk. Die waren ontspoord. In de rechtzaal leken ze bange, te vroeg uit het nest geduwde, vogeltjes.
Martin heeft toen aangegeven dat hij best met ze wilde praten.
‘Nunc stans facit aeternitatem‘. Deze Latijnse uitdrukking betekent: Het staande nu maakt de eeuwigheid. Dit is het tweede deel van de filosofische uitspraak van Boëthius. Het concept draait om het onderscheid tussen twee soorten ‘nu’: 1. Nunc Fluens (Het stromende nu): Dit is het veranderlijke moment dat onmiddellijk overgaat in het verleden en de toekomst. Dit creëert de tijd (tempus). 2. Nunc Stans (Het staande nu): Dit is het onveranderlijke, tijdloze, absolute heden. Het is een moment dat niet voorbijgaat, maar alle tijd omvat. Dit creëert de eeuwigheid (aeternitatem). Boëthius definieerde de eeuwigheid als “de perfecte, totale en gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven.” Het is een nu dat vaststaat en alle momenten tegelijkertijd bevat, in tegenstelling tot onze menselijke tijd waarin het nu constant wegglijdt.
P.S. Toeval bestaat niet, zeggen sommigen. Ik ben een andere mening toegedaan, maar toch is het grappig: de schrijver van Ecotopia heet Ernest Callenbach, en de Barendje-boekjes van Jacoba van der Steen-Pijpers verschenen ooit bij uitgeverij G. F. Callenbach in Nijkerk. Twee heel verschillende werelden, verbonden door één naam.
De herinnering aan rampen heeft een lange halveringstijd.
The GreenXtreme – Hoofdstuk 11
Ik woonde eind jaren tachtig in een studentenhuis in Maastricht. Daar hadden we vaak buitenlandse studenten op bezoek als tijdelijke onderhuurders ivm uitwisselingsprojecten. Ooit waren de logés twee dames uit de Oekraïne. Ze zaten op de universiteit van Kiev en volgden in ons land een economisch semester. Een jongen die naast mij woonde studeerde iets technisch op hbo niveau. Hij beschikte over een stralingsdetector, of laten we zeggen: hij maakte mij en de rest van het huis wijs dat het een heuse geigerteller was. Ik weet nog steeds niet of hij ons voor de gek hield maar het ding maakte het bekende ratelgeluid van oplopende klikjes als hij in de buurt van onze gasten kwam of van hun spullen. Niet iedereen kon daarom lachen.
De Tsjernobylexplosie is een van de meest apocalyptische technologische ongelukken aller tijden. Ze werd veroorzaakt door slechte ontwerpkeuzes en incorrecte besturing. Deze ramp toont aan hoezeer dingen kunnen misgaan als ingenieurs fouten maken.
In feite veroorzaakten drie fouten samen de Tsjernobylexplosie. De eerste fout was de manier waarop de ingenieurs water gebruikten in de reactor. Ze hadden water nodig om stoom te vormen, want stoom is het medium dat de warmte-energie van de reactor opneemt en elektriciteit genereert via een stoomturbine. Het probleem is dat vloeibaar water veel beter neutronen absorbeert dan stoom. Als de operators de reactor afkoelen, bevat de kern vooral water. Als ze de reactor dan onjuist opwarmen en het water snel in stoomfase schiet, kan een energiepiek volgen. De snelle omzetting van water naar stoom veroorzaakt een snelle toename van het aantal neutronen: een positief terugkoppelingsproces.
De tweede fout betrof het ontwerp van de regelstaven. Een regelstaaf wordt geacht neutronen te absorberen, maar de punten van de Tsjernobylregelstaven waren van grafiet. Toen de regelstaven de reactor ingingen, verdreven ze daarom het water, wat leidde tot een volgende energiepiek.
Ten derde had de Tsjernobylreactor geen beschermende behuizing, dus toen de explosie zich voordeed, was er niets wat de vervuiling opving.
Het ongeluk verliep als volgt: op 26 april 1986 koelden de operators de kern onjuist af. Toen ze weer opstartten, schoot het water in stoomfase en ontstond een energiepiek. De regelstaven werden ingevoerd, waarbij de grafietpunten een tweede, rampzalige energiepiek veroorzaakten. De brandstofstaven barstten en de regelstaven zaten klem. Een stoomexplosie blies de kern open, waardoor zuurstof binnenstroomde en een brand ontstond, die nucleair materiaal de lucht in pompte. Een tweede explosie – waarschijnlijk een kleine nucleaire ontploffing door de fusie van smeltende brandstof – vergrootte de hoeveelheid vrijkomend nucleair materiaal.
Je kunt nu citytrips naar Pripjat maken. Ook de rest van het rampgebied is een toeristische trekpleister geworden.
Miljoenen hectares land werden besmet met gevaarlijke niveaus radioactieve neerslag en vrijwel heel Europa kreeg te maken met fall-out. De ontwerpbeslissingen van een paar ingenieurs en de operationele fouten van een paar operators troffen miljoenen mensen. In de discussie over eventuele herintroductie van kernenergiecentrales in Nederland is het goed om te beseffen dat fouten zoals boven omschreven natuurlijk nooit meer gemaakt worden.
De dames die bij ons logeerden werden geboren op zo’n 95 km van de plek van de ramp. Ze bezochten ons drie jaar na die catastrofe. In 1986 maakte Tsjernobyl nog deel uit van de Sovjet-Unie, vlak bij de grens met Wit-Rusland. De omgeving van Tsjernobyl en de dichstbijzijnde stad Pripjat zijn na de ramp afgesloten vanwege de hoge radioactiviteit.
Doordat er geen mensen meer wonen, heeft de natuur vrij spel. Zo is de omgeving een waar natuurgebied geworden, waar allerlei bijzondere flora en fauna te vinden is. Het zou cynisch zijn om dit laatste feit als argument te gebruiken voor de herinvoering van atoomenergie. Zo van: als het fout gaat houd je in ieder geval een prachtig, van mensen verstookt, gebied over. Ik zal dit nooit hardop zeggen.
En dan was er nog Fukushima
Misschien is het goed om nog even stil te staan bij wat er precies gebeurde tijdens de tsunami van 2011 in Japan. De onverdunde waarheid, zeg maar. De Fukushimareactoren waren aardbevingsbestendig ontworpen. Toen voor de kust van Japan een zeebeving plaatsvond met een kracht van 9,0 stopten de reactoren onmiddellijk door automatisch de regelstaven te laten zakken. De reactorgebouwen waren niet beschadigd.
Alles leek oké. De beving sloot de centrale wel af van het stroomnet, maar er waren meerdere back-upsystemen, waaronder accu’s, dieselgeneratoren en noodkoelingssystemen, die geen externe energie nodig hadden. De ingenieurs hadden zelfs rekening gehouden met een tsunami, door een beschermende dijk rond de centrale te bouwen.
Ze hadden echter geen rekening gehouden met een tsunami van 15 meter hoog en de gevolgen die deze kon hebben. Ze rekenden op een tsunami van hooguit 10 meter. De dieselgeneratoren, de accu’s, de verdeelkast en de brandstoftanks bevonden zich allemaal in de kelder van de centrale, en de 15 meter hoge tsunami vernielde deze noodstroomvoorziening. De accu’s vielen uit en de dieselgeneratoren stonden onder water, net als de verdeelkast, zodat het onmogelijk was om eenvoudig nieuwe externe energiebronnen in te pluggen. Omdat een gesloten klep niet open wilde, faalde bij Unit 1 het noodkoelsysteem, dat zonder stroom zou moeten werken.
Als de ingenieurs bedacht waren geweest op een 15 meter hoge tsunami, zou de zaak in Fukushima heel anders zijn gelopen, maar vanwege een atypische natuurramp waren alle denkbare back-upsystemen op slag nutteloos.
Ok, soms doen ingenieurs aannamen die onjuist blijken. Vaak wordt de zaak gecorrigeerd voor er echt iets misgaat. Dan doet de fout zich voor in een systeem waarin genoeg speling zit om die te compenseren. Of een back-upsysteem neemt de controle over. Zo nu en dan groeien kleine misvattingen uit tot catastrofes. Maar wetenschappers leren daar onmiddellijk van. Ik acht het onwaarschijnlijk dat de hierboven omschreven fouten nogmaals worden gemaakt.
Kernenergie, vriend of vijand?
Nieuws over rampen met kernenergiecentrales doet een pleidooi voor het heroverwegen van kernenergie als energiebron natuurlijk geen goed. Wat het consumentenvertrouwen sowieso niet helpt is, naast de ramp zelf, de uitleg die vaak wordt gegeven van de catastrofe en van kernenergie in het algemeen. Die blijkt vaak niet correct.
Ik durf te beweren dat iedere ramp met een kerncentrale, reactors van de toekomst veiliger maakt. Althans, wat techniek en voorzorgmaatregelen betreft. Waarmee ik mij niet voor herinvoering van kernenergie uitspreek. Het probleem is dat we meer energie nodig hebben dan andere duurzame bronnen op dit moment kunnen leveren.
Is lozen de oplossing?
De Japanse regering overwoog om meer dan 1 miljoen ton verontreinigd water van de Fukushima Daiichi kerncentrale in zee te lozen. Daarmee kwam ze in aanvaring met de locale vissers die beweerden dat deze maatregel hun toch al zwaar beschadigde bedrijfstak nog verder om zeep hielp. Lozing zou het moeizaam herwonnen consumentenvertrouwen opnieuw beschamen.
Milieugroepen waren ook tegen deze maatregel. Buurland Zuid Korea, dat vanaf de ramp in Maart 2011 de import van zeevangst uit de regio boycot, heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid geuit.
De regering van Japan gaf al langer aan dat ze de meer dan 1000 tanks aan nucleair afvalwater in de Stille Oceaan kwijt wilde. Met deze beslissing kwam er een einde aan jaren van onderhandelen over wat er met het water moest gebeuren. Andere opties waren verdamping of de constructie van nog meer opslagtanken op andere plekken.
Het water werd indertijd gebruikt om drie beschadigde reactorkernen tegen smelten te behoeden. De hoeveelheid afvalwater steeg met 170 ton per dag want de verdunning van verontreinigd water ging noodgedwongen door. De druk om te besluiten wat er met het water moest gebeuren nam toe omdat de opslagruimte op het terrein van de kerncentrale tegen het einde van de zomer van 2022 ontoereikend werd.
Augustus 2023 begon Japan met het gecontroleerd lozen van het ALPS-behandelde water in de Stille Oceaan, na jarenlange voorbereiding, met IAEA-toezicht. Dit water is grondig gefilterd (met uitzondering van tritium) en sterk verdund, volgens internationale normen. De IAEA bevestigde in juli 2023 dat de lozing “consistent met internationale veiligheidseisen” is en dat de radiologische impact verwaarloosbaar is. Sindsdien zijn meerdere missies van de IAEA uitgevoerd, inclusief inspecties in oktober 2023 en april 2024. Zeewatermetingen tot november 2024 tonen geen verhoogde tritiumniveaus boven de detectiegrens, en alle waarden blijven ver onder WHO‑normen.
Binnenlandse vissersgroepen bleven zorgen uiten over imagoschade voor de visserij, ondanks garanties over veiligheid. China hief zijn ban op Japanse visproducten deels op in mei 2025, na technische gesprekken en erkenning van “substantieel veiligheidsvooruitgang”, maar handhaaft beperkingen voor producten uit tien prefecturen, waaronder Fukushima. Zuid-Korea handhaaft een boycot, maar werkt samen met IAEA‑monitoring en volgt wetenschappelijke adviezen.
Sinds augustus 2024 is er al ongeveer 62.400 ton water geloosd in acht rondes. Nu de lozing doorgaat, worden lege opslagtanks vanaf 2025 afgebroken om ruimte vrij te maken. De lozing gaat gestaag voort volgens plan, met voortdurende monitoring. Tegelijkertijd intensiveren internationale partijen (China, Zuid-Korea, Zwitserland) hun eigen bemonstering, samen met IAEA, om onafhankelijk te verifiëren dat de waterkwaliteit veilig blijft. China bereidt zich voor op gedeeltelijke hervatting van import uit Japan, afhankelijk van afronding van technische analyses en papierwerk.
Ik herhaal de vraag die ik in de kop van dit stukje stelde: is lozen de oplossing. In dit geval zeg ik: Misschien; als de herinniering aan Fukushima maar nooit verwatert en als we hiervan voor altijd hebben geleerd dus nooit meer zo’n zelfde fout maken.