Uitstel van executie?

Bomen met voorbeschouwers in afwachting van nabeschouwers (of tussenbeschouwers).

Ze kwamen naar m’n bomen kijken. In eerste instantie ging het om de apenboom (ook wel slangenden genoemd), die heer en meester is in mijn voortuin. Ook het groepje coniferen achter het huis, dat een indrukwekkende erfafscheiding vormt, vereiste nader onderzoek. De oudste van de twee mannen hield een klembord vast en bleef maar op een formulier turen waarop hun opdracht stond: de stammen controleren op breekbaarheid. Of zoiets. Ik vroeg of ik met dendrologen te maken had. “Nee,” zei deze overduidelijke aanvoerder kortaf. De ‘krullenjongen’ naast hem hield me overduidelijk voor een enorme eikel.

De slangenden of apenboom (Araucaria araucana) is een conifeer die van nature groeit in het zuiden van Chili en het zuidwesten van Argentinë. Het is een altijdgroene boom die tot 40 m hoog kan worden en een stamomtrek van 1,5 m kan bereiken. De boom wordt ook wel apentreiter, apenleed, apenpuzzel, kandelaarden of apenverdriet genoemd. De naalden zijn schubachtig, dik, driehoekig en scherp. Ze zijn ongeveer 3–5 cm lang en blijven lange tijd (tot vijftien jaar) op de door de naalden bedekte takken. Uiteindelijk verdorren de naalden en komen de takken bloot te liggen.De mannelijke en vrouwelijke delen zijn te vinden op verschillende bomen (twehuizig), sommige exemplaren zijn echter eenhuizing. De vrouwelijke kegels zijn bolvormig en kunnen zo groot als een kleine voetbal worden, en bevatten eetbare zaden; deze zaden worden in Chili op grote schaal geoogst. Mannelijke kegels zijn kleiner en min of meer cilindrisch. Het is bekend dat sommige apenbomen 50 m hoog kunnen worden met een stamdiameter van ongeveer 2 m en meer dan 1000 jaar oud kunnen worden. De apenboom is ook sterk aangepast aan vuur en bosbranden, branden zijn door vulkanisme en menselijke activiteit niet ongewoon in zijn natuurlijk areaal. Zo heeft de apenboom een dikke schors ontwikkeld als bescherming tegen brand. (Bron: Wikipedia)

Natuurlijk had ik meteen door dat zij geen dendrologen waren. Ze droegen tuinkleding en hele zware werkschoenen. In de aanhangwagen achter hun busje lagen cirkelzagen zoals alleen houthakkers en bosbouwers die gebruiken. Toevallig had ik niet lang daarvoor een cryptogram gemaakt waarin het woord dendroloog voorkwam. 16 horizontaal. De omschrijving die daarbij hoorde, luidde: Houtkenner die de waarheid niet sprak (10). Ik vond het leuk om dat woord nu in het echt te gebruiken.

“Klopt het dat deze bomen zouden worden omgezaagd?” vroeg de nestor, nog steeds intens naar zijn papier starend. Ik had zoiets gehoord ja. Toen ik de woning aanvaardde, kon ik er nog niet direct in. Eerst moesten er allemaal werkzaamheden worden verricht: ‘wasbak en toilet badkamer, vervanging radiatoren, aansluiting krachtstroom keuken.’ En inderdaad, op de lijst voor de aannemer, die de consulente van de woningbouwvereniging aan mij voorlas, stond ook dat de bomen eraan moesten. (‘Perceel 39: kappen en afvoeren Araucaria araucana / rooien en afvoeren coniferenhaag (Thuja/Leylandii) – conform bestek.’)

Dat vond ik toen best gek. Ik vroeg haar verbaasd waarom. Ik vond dat die bomen er nog prima uitzagen. Ik was natuurlijk geen kenner maar ze zaten nog goed in het groen. Ze hadden enorme dikke stammen die kaarsrecht omhoog groeiden. Zij was ook geen kenner. Zij begreep mijn verbazing. “Ze zijn wel oud natuurlijk” zei ze nog, maar ze zou gaan informeren naar de reden. Ik weet niet of het door mijn vraag kwam, maar het kappen is uiteindelijk niet doorgegaan. Ik kon de woning betrekken met vegetatie en al.

Kennelijk heeft men het besluit om ze te vellen toen niet van tafel geveegd maar uitgesteld, want vandaag stonden dus die mannen voor mijn deur. De oude rot keek van zijn formulier naar boven en van boven naar zijn formulier. “Moeten ze om?” vroeg ik. “Niet goed te zeggen” antwoordde hij “daar zal iemand naar moeten komen kijken.” “Maar zijn jullie dan niet degenen die daarover gaan?” vroeg ik. “Nee, daar zijn ze veel te groot voor”, zei de stamoudste. “Als deze bomen ommoeten, zal er een kraan nodig zijn.”

Ik begreep dat deze bomen deze mannen boven het hoofd waren gegroeid. De apenboom in mijn voortuin moest minstens van mijn leeftijd zijn. “Zijn jullie uiteindelijk wel degenen de de bomen gaan vellen? Ik bedoel: als ze om moeten?” wilde ik nog weten. Alweer fout. “Nee, wij zijn hoveniers” sprak de werkleider, alsof daarmee alles was verklaard. Hij had zijn oordeel wat dit adres betreft kennelijk geveld want hij kon nu eindelijk opkijken uit het klembord. Hij werd er onverwacht vrolijk van. Dit klusje was duidelijk afgerond. Hij hoefde niet te handelen; afvinken bleek voldoende.

Mijn bomen mochten nog even doorgroeien.

Veelzeggende verbanden

Kun je zo met feiten omgaan dat toeval niet lijkt te bestaan?

Of het nu gaat om historische feiten of andere vastgelegde gegevens, ik geloof dat het bijna altijd mogelijk is om informatie in een groter verband te plaatsen zodat die veelzeggend wordt en het lijkt alsof de wereld een beetje om jou draait. Dat gevoel is verleidelijk, omdat je automatisch vooral datgene opmerkt wat jouw persoonlijke verhaal bevestigt. Details die daar niet in passen verdwijnen gemakkelijk naar de achtergrond, terwijl de elementen die jouw idee ondersteunen des te helderder naar voren springen. Zo ontstaat het gevaar dat je patronen meent te zien die eigenlijk niets anders zijn dan het resultaat van je eigen behoefte aan betekenis en bevestiging. Wat je interpreteert als een groter verband, is vaak slechts een zorgvuldig geselecteerde afspiegeling van je bestaande overtuigingen; een spiegel die meer van jezelf laat zien dan van de werkelijkheid.

De afstand tot de ‘Sint Joseph’ in Arnhem en Rotterdam.

Toch is het in de praktijk vaak ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de manier waarop we naar toevalligheden kijken in ons dagelijks leven. Confirmation bias – het fenomeen waarbij we vooral letten op informatie die onze verwachtingen ondersteunt – lijkt altijd op de loer te liggen. Maar soms voldoen de gebeurtenissen die onze aandacht trekken niet helemaal aan de strikte definitie van dit verschijnsel. Er kan sprake zijn van een kleine samenloop van omstandigheden, van interesse of nieuwsgierigheid, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een systematische bevooroordeling van feiten. Met andere woorden: niet alles wat zich laat duiden als ‘versterking van mijn narratief’ (gatver) is een zuiver voorbeeld van een bevestigingsvooroordeel; soms is het gewoon een toevallige combinatie van details die je interessant vindt.

Laat ik een voorbeeld geven: iemand doet mij een boekje cadeau over de geschiedenis van de St. Josephkerk in Arnhem, aan de voet waarvan ik nu woonachtig ben. Ik begin me hierdoor voor het eerst serieus in die kerk te verdiepen en kom erachter dat de architect de Rotterdammer Hendrikus Cornelis Marie van Beers is (op 14 maart 1929 vond de consecratie plaats). Omdat wij stadsgenoten zijn wil ik weten of er in mijn geboorteplaats niet minstens een gebouw op naam van dezelfde Van Beers staat. Dat is inderdaad het geval. Er bevindt zich ten minste één project in Rotterdam dat aan Hendrikus Cornelis Marie van Beers wordt toegeschreven: het ontwerp voor de R.K. Ambachtsschool ‘St. Joseph’ aan de Walenburgerweg uit 1931. Dit gebouw heette ook ‘St. Joseph’ en ik woonde er, net als bij het gebouw in Arnhem met die naam, op loopafstand vandaan.

Toch eens kijken, dacht ik, hoeveel meters het van deur tot deur was in beide gevallen. En wat denk je? Van mijn woning in de Lumeystraat in Rotterdam naar de Sint Joseph ambachtschool te Rotterdam is het 270 meter. Van mijn woning in de Beatrixstraat in Arnhem naar de hoofdingang van de Sint Josephkerk in de Rosendaalseweg 700 te Arnhem is het 270 meter! Dat is een bizarre ontdekking.

Ik lees dat de genoemde architect de zoon is van een architect, namelijk Francis Jacobus Cornelis Josephus van Beers. Deze man werd op 16 november 1865 geboren. In officiële bronnen wordt hij aangeduid als architect-bouwkundige. Hij liet een minder bekend oeuvre na dan zijn zoon. Hij was verder ook niet beroemd. Maar als Rotterdamse architect van zijn tijd bleek hij toch relevant. Er wordt op een blog vermeld dat hij verantwoordelijk is voor de woningen aan de Mathenesser­laan 183 tot 199, die in 1898 werden gerealiseerd.

Valt daar soms ook een toevalligheid te ‘scoren’? Ja hoor: mijn opa en oma van vaderszijde woonden op de ’s Gravendijkwal. Die ligt om de hoek van de Mathenesserlaan. Ze bevonden zich dus ook op loopafstand van een gebouw ‘van’ een Van Beers. Zou het mogelijk zijn dat Van Noorden senior (mijn opa) op zo’n zelfde afstand tot een ontwerp van Van Beers senior heeft gewoond, als Van Noorden Junior (dat ben ik) tot twee van de ontwerpen van Van Beers junior? Helaas, zoveel toeval had het lot niet in petto. Hij en mijn oma woonden op ’s Gravendijkwal 8 en dat, aldus google maps, is een afstand van zo’n 550 meter tot Mathenesserlaan 189 (de middelste van het rijtje gebouwen aldaar).

De afstand tot een rijtje met ontwerpen van de architect Van Beers senior vanaf het huis van mijn grootouders in Rotterdam.

Doelgericht zoeken naar verbanden levert niet altijd de verbanden op die je zoekt, maar met een beetje aanpassing en een tikkeltje omdenken kom je vaak een heel eind. Het brein is nu eenmaal vindingrijk genoeg om losse elementen in een passend patroon te schuiven, of het nu gaat om getalssymboliek, historische toevalligheden of andere vormen van resultaatgericht zoeken. Zo ontstaat er al snel een verhaal dat vooral overtuigend is voor degene die het construeert. Afijn, over confirmation bias sprak ik hierboven al.

Heeft iemand behoefte aan een uitsmijter? Ik vond nog een piepkleine gelijkenis: beide architecten voerden als tweede doopnaam Cornelis. Mijn opa heette ook Cornelis. Lekker belangrijk. Niet dus. Ik geloof dat ik deze laatste overeenkomst als een toevalligheid kan kwalificeren die absoluut geen naam mag hebben. En gelukkig maar.

Collateral Damage

Op zoek naar contact met De Connectie.

Er staat een groot kantorencomplex aan de Eusebiusbuitensingel. Deze singel bevindt zich in het historisch beladen gebied rondom een brug die beroemd werd bij de Slag om Arnhem. Het primaire doel van de geallieerde bombardementen was die Rijnbrug zelf te treffen, zodat de Duitsers deze niet konden gebruiken of verdedigen. Een primair doel heeft echter vaak een secundair effect. In dit geval betekende dit dat de directe omgeving onvermijdelijk beschadigd raakte door de onnauwkeurigheid van de bombardementen.

Aan de achterkant van het ‘sfeervolle’ gebouw bevindt zich een ‘expeditiehof’ met één deur waarachter ik ook al niet moest zijn. De schimmige bureaucratie van de ambtenarij bezit een kantoorlogica die de brandstof lijkt te vormen voor het soort van misverstanden waar je vaak tegen aanloopt bij deze instanties.

Bekijk het kantorencomplex en je ziet causale verbanden. Het gevolg van de bijwerkingen en uitwerkingen van goedbedoelde aanvallen was een zwaargetroffen terrein dat na de oorlog werd platgebulldozerd. Dit braakliggende perceel vroeg om bebouwing. Die bouwdrang leidde tot een architectonisch gedrocht. In dat gedrocht werken nu gemeente-ambtenaren met een sick-building-sydrome. Het is handig om dit in je op te slaan als je als postbode een pakketje bij de balie gaat afgeven dat niet door de brievenbussen 49, 51 of 53 buiten past.

Op het pakketje staat trouwens een huisnummer dat niet correspondeert met één van die buitengleuven. Dat is ook de reden dat de dame aan de balie het weigert aan te nemen. Ik heb het gebouw dan al drie keer omcirkeld. Er is nergens een brievenbus voor nummer 15. Dat wil niet zeggen dat de geadresseerde, genaamd De Connectie, een verzonnen onderneming is. Integendeel; de dame aan de balie kan bevestigen dat De Connectie zich in het gebouw bevindt waarvan zij de baliemedewerkster is. Ze kan echter geen pakketje aannemen met een nummer dat niet bestaat.

Waar ik dan wel moet zijn? Dat krijgt ze niet goed uitgelegd. Ik besluit het gebouw nog eenmaal te omcirkelen. Aan de achterkant zie ik duidelijk De Connectie als logo op een gevel staan. Toevallig houden een paar medewerkers buiten pauze. Ik betrek ze bij mijn zoektocht. Ze reageren alleraardigst en kijken met mij mee. Ze komen er voor het eerst in hun carrière achter dat hun organisatie geen brievenbus bevat. Ergens voorbij een slagboom, op een binnenruimte die niet bestemd is voor onbevoegden, bevindt zich wel een deur waarboven expeditie staat.

Om hier iemand te spreken te krijgen, moet je een huisnummer invoeren en op een belsymbooltje drukken. 15 geeft geen soelaas. Dan maar een nummer van één van de brievenbussen die ik ken. Ik probeer 51 en krijg zowaar de vrouw van de balie te spreken. Ze herhaalt dat ik verkeerd zit maar er gaat wel een deur open. Binnen zie ik iets dat lijkt op een expeditieruimte. Een medewerker zegt dat ik post voor nummer 15 op de nummers 53 of 51 kan bezorgen. Ik zeg dat ik dat absoluut gedaan zou hebben als het buspakketje door de gleuf had gepast. In zo’n geval, adviseert hij, moet ik het maar bij de balie aldaar afgeven.

We zijn rond. Ik was nooit een fan van consumentenprogramma’s waarin je zag hoe mensen van het kastje naar de muur werden gestuurd. De triviale kleinzieligheid van bijvoorbeeld ‘Ook dat nog’ leek mij schadelijker voor kijkers dan het onrecht dat kopers was aangedaan. Die mensen hadden gewoon de oorlog niet meegemaakt. Ik wil niet beweren dat het verstandig is om dingen in verband te brengen met de oorlog, maar het kan handig zijn, voor het laten afvloeien van opwinding, om de oorzaak van een misverstand in een ver, en ingrijpend (dus minder pietluttig) verleden te plaatsen. Ik overweeg om terug te keren naar de balie en het pakje als een oefengranaat, over het hoofd van de dame, de werkruimte in te smijten.

Maar nee; ik plak een stickertje op het pakje met een kruisje bij zowel ‘geen brievenbus’ als bij ‘geweigerd’. Wij postbodes hebben altijd een rolletje met dat soort van plakkertjes in ons noodpakket. Eigenlijk weet ik al wat er gaat gebeuren: de collega die morgen deze wijk heeft, zal voor precies hetzelfde dilemma staan. Twee kruisjes op één stickertje, dat kan niet. Er mag altijd maar één reden worden opgegeven. Het pakketje gaat dus gewoon terug in het systeem. Vergeet niet dat PostNL nog met één been in de regeltjesjungle van de ambtenarij staat. Muggenzifterij is een ware kunstvorm geworden. En bovendien: is kleingeestigheid uiteindelijk niet wat iedereen bestaansrecht geeft?

Vandaag gedroeg ik mij postbode-onwaardig.

Als je meer dan één reden opgeeft, wordt je klacht niet erkend en zal het pakketje gewoon weer terug in het systeem gaan, ook al was de afwezigheid van een bus en een weigering precies wat er gebeurde.

Postscriptum
Een collega zei: “Ik zou je oplossing oncollegiaal vinden, als je me niet persoonlijk had ingelicht. Ik zal mij morgen bij die balie van mijn liefste kant laten zien. Het is de toon die de muziek maakt, Ronald.”

Brieven voor een braakliggend terrein

Waar bezorg ik geadresseerde reclame voor een naamloze ontvanger zonder huis?

Ik schat in dat zeker tachtig procent van de geadresseerde post die niet op naam staat, reclame is; papier dat zich voordoet als belangrijk maar vaak onnodige aandacht trekt. Ontvangers zitten er meestal niet op te wachten. Op de enveloppen staat ‘aan de bewoners van’. Ongerichte post mag letterlijk geen naam hebben.  

Dit verrassingsoffensief is vergelijkbaar met ongevraagde boodschappen die tegenwoordig van alle kanten op ons af komen. De mensen zijn murw geslagen door deze commerciële opdringerigheid. Een postbode komt er mee weg zoals ook een bushokje met reclameposters van schuld gevrijwaard blijft. Iedereen begrijpt dat zij slechts de boodschappers zijn (of zo je wilt: de dragers).

In opdracht van BPD werkte architectenbureau Zecc samen met Orange Architects en Studio Spacious aan het ontwerp voor 287 nieuwbouwwoningen op het terrein van de voormalige Cobercofabriek. Daar kun je nu al 287 reclame-enveloppen naar toe sturen, maar die kunnen met geen mogelijkheid worden bezorgd.

Wat ook helpt? Waarschijnlijk profiteert een PostNL-bezorger nog van een oudvertrouwde reputatie als PTT-er. Ooit waren de posterijen een publieke dienst. De ‘bestellers’ droegen uniformen met koperen knopen. Naast het bezorgen van louter belangrijke informatie, had de beambte een sociale functie. Hij bezat een vaste wijk, lette een beetje op in zijn omgeving en maakte hier en daar een praatje.

Mijn baas verwees onlangs naar deze mooie maatschappelijke taak. Er stond een oproep in het bedrijfsblaadje en er werd een flyer uitgedeeld. Het probeerde bezorgers op het hart te drukken dat we nog steeds zo’n functie hebben. We blijven een soort van ogen en oren van de buurt; wijkwachthonden die niet lopen te kwispelen voor een aai of kwijlen van een koekje maar die alarm kunnen slaan als er iets niet pluis is. Ik vind dat best.

Het kost me geen enkele moeite om een oogje in het zeil te houden, maar er is, vrees ik, wel iets wezenlijks veranderd. De postbode heeft het te slikken – dag in dag uit – dat hij een commerciële bijvracht moet meezeulen. Het is een plicht waarvoor hij niet heeft gekozen. Ik weet niet waarom ik mij altijd zo licht en bevrijd voel als mijn taak als postbezorger er op zit. Is het omdat het best belastend voelt om tot een tussenpersoon in de verleidingseconomie te zijn verworden?

Handige bedrijven hopen onschuldige bewoners te treffen waar ze het meest ontvankelijk zijn: in de leefruimte tussen hun eigen muren. ‘Eigen haard is goud waard’ (ook al zo’n reclameleus) en juist daarom dringen zij zich door deuren, naar de warmste plek in huis, met glimlachend drukwerk dat bewoners wijsmaakt dat geluk te koop is.

De brievenbus is de open wond die wij zelf in onze gevel hebben gekerfd: een gapende gleuf naar de straat toe, waarlangs de buitenwereld naar binnen sijpelt, compleet met alles waar een luchtje aan kan zitten. De postbode onderhoudt die wond; hij laat haar etteren maar verzorgt haar ook, met af en toe iets noodzakelijks, een brief of een pakje waarop de klant echt zat te wachten.

Dat voor wat betreft de bevredigende kant van het werk. Maar goed, dan blijft er dus nog altijd een last aan je kleven van geadresseerde post die een niet geadresseerde stadgenoot met een berg papier opzadelt. Vervelend voor hen, voor mij, en – dit moet gezegd – belastend ook voor het milieu.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over een andere vorm van geadresseerde, op niemands naam gestelde, post; te weten reclame die ergens dient te worden afgeleverd, maar in werkelijkheid helemaal niet kan worden afgeleverd omdat er in de zogenaamde straat op het zogenaamde nummer, nog helemaal geen gebouw staat.

Het bedrijf dat de nieuwe bewoner wilde informeren over haar onmisbare product, was in dit geval te vroeg begonnen met haar verleidingstactieken. We zien een braakliggend terrein. Zelfs dat wat ze de bouwrijpfase noemen, is er nog niet van start gegaan. Het enige dat er tot nu toe werd opgericht, is het informatiebord met de plandatum van de bouw en de namen van projectontwikkelaar en architect.

In mijn bezorgwijk in Arnhem heet die leegte het Cobercokwartier; het terrein van de oude Melkfabriek waar werkelijk nog geen steen van een straat of een huis is gelegd, maar waar de straatnamen wel bekend zijn gemaakt en de commercie zich (dus) ook al laat zien. Zodoende sta ik daar met stapels identieke enveloppen voor het Vermicohof en het Camizhof.

Niemand is tot nu toe boos geworden dat ik dingen bij ze naar binnen smijt die rechtstreeks de papierbak in kunnen. Misschien word ik daar toch een keer op aangesproken. Of erger. Je moet je frustratie toch ergens kwijt als getreiterde brievenbusbezitter.

Soms moet ik denken aan het verweer van die jongeman in de rechtbank die vol liefdesverdriet zat en dagelijks geconfronteerd werd met posters van zijn ex (ze was onverhoeds model geworden). De dader begreep dat de bushokjes, waar zij voor iedereen te zien was, er niets mee te maken had.

Maar hij moest z’n agressie toch ergens kwijt?

Een oproep van het Bijzondere Momenten Fonds aan de postbezorger. Dit lijkt me een lofwaardig streven en daar is dus helemaal niets mis mee. Natuurlijk zal ik in actie komen bij een ‘niet-pluisgevoel’, zoals het hier nog ‘geite-wollen-sokkig’ wordt genoemd.

Een lezer schreef:
‘Wat een mooi inkijkje in het leven van een postbode. Alleen al het woord bode is natuurlijk al ouderwets. Vroeger had je ook ijlbodes voor mondelinge snelle post. Ik woonde in Amsterdam in de ‘Koperen knopen buurt’ waar allemaal ambtenen hadden gewoond die in dienst waren voor de gemeente.’

Mijn antwoord:
‘Alweer bedankt voor jouw reactie. Het woord ‘ijlbode’ vind ik prachtig. Ik heb het in https://ronaldvannoorden.com/2025/06/07/neerlandsch-postbestel-herboren/ over postbodes die in de oorlog zogenaamde ‘witte post’ bezorgden. Zij werden soms ‘stille lopers’ of ‘witte rijders’ genoemd. Dat laatste was een knipoog naar ‘de Zwarte Ruiter’, symbool van het verzet.
Interessant wat je vertelt over de ‘Koperen knopen buurt’. Dus jij bent een jongen uit de Staatsliedenbuurt? Ik heb het even opgezocht en lees: ‘in de beginperiode van de 20e eeuw [woonden daar] relatief veel lagere ambtenaren – zoals tramconducteurs, politieagenten, brandweerlieden, spoorwegpersoneel – die uniformen droegen met koperkleurige knopen. Dat leidde ertoe dat de buurt in de volksmond werd aangeduid als ‘Koperen-Knopenbuurt’ of varianten daarvan.’
Fijn dat je me op zulke sporen zet. Blijf lezen, blijf reageren.’

Verdwenen bedoelingen

Heiligdommetjes die hoogbejaarden moesten huisvesten?

We kunnen het helaas nog niet over de eerste bewoner van mijn huis hebben. Terwijl dat toch het leukere verhaal is. Het bleek een kerkmeester te zijn. Hij moest toezicht houden op de orde tijdens de mis. Dat vond men een serieuze taak en hij manifesteerde zich dan ook als een ernstige, om niet te zeggen strenge man. In de buurt van meneer Koetsier – want zo heette hij – moest je je koest houden. Sloeg hij koorknaapjes? Dat kan ik niet zeggen. We moeten ons eerst storten op het huis waar hij woonde; het huis dat nu mijn huis is en een aantal vragen oproept. Het spijt me dat dit stukje niet over een potentiële sadist gaat maar over een onschuldig stulpje.

Niet ieder bouwsel in Nederland vermag zich in gelijke mate te verheugen in de zegen, dan wel in de vehoogde aandacht of speciale attentie, van de Paus.

Het adres waar ik woon maakt onderdeel uit van een blokje van serievormige katholieke ‘keurslijfjes’ die in de jaren veertig in gebruik werden genomen. De Roomse kerk mocht zich eigenaar en opdrachtgever noemen, maar natuurlijk heeft er in Vaticaanstad nooit ook maar een penningmeester (laatstaande een paus) naar getaald. De Woningbouwvereniging St. Joseph was nauw betrokken bij de ontwikkeling. Ze werden gerealiseerd als onderdeel van het uitbreidingsplan voor de stad. Ze moesten voorzien in de groeiende behoefte aan een plek voor paapsgezinden: een mooie processie van aan elkaar geplakte doorsneewoningen die misschien net iets meer allure bezaten dan de zoveelste rijtjeshuizen omdat ze bedoeld waren als onderdeel van een hofje.

Als we deze woningen met de nummers 35 t/m 61 denkbeeldig op de lange zijde van een L plaatsen, dan zou er nog een bejaardentehuis worden gerealiseerd op de korte zijde van die letter, en wel het dichtst in de buurt van de St. Josephkerk. Dat is echter niet doorgegaan omdat er toen – welk een tijd – nog te weinig katholieke bejaarden waren! Het vreemde is dat ergens wordt vermeld dat aan de Beatrixstraat in 1940 twee blokken ‘bejaardenwoningen’ werden opgeleverd met de naam ‘Meihof’. De vermelding zegt: ‘Voor de realisatie hiervan had pastoor Van der Loo van de Sint Jozefkerk zich erg ingespannen. De naam en het jaartal 1940 staan op een sluitsteen boven in het verbindingspoortje tussen de twee blokken.’

Dat is waar, die sluitsteen bevindt zich daar. Maar dit zou betekenen dat het blokkencomplex met de naam ‘Meihof’, waarin ik woon, in de analen als ‘bejaardenwoningen’ werden aangeduid. Als dit waar is, waarom werd er dan ook nog over het realiseren van een bejaardenhuis gerept? Ik heb naar het antwoord gezocht. Misschien vormt dit een verklaring: in de katholieke woningbouw uit die tijd werd de term ‘bejaardenwoning’ niet gebruikt in de moderne zin van kleine seniorenwoningen. Men bedoelde vaak: woningen ‘voor ouderen of echtparen op leeftijd’ die nog zelfstandig woonden, maar een zekere rust en nabijheid tot de kerk of hun gemeenschap zochten. Met andere woorden: ‘bejaardenwoningen’ konden toen best redelijk ruime eensgezinswoningen zijn, alleen bedoeld voor een wat oudere doelgroep.

Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke plan inderdaad in een hofje met bejaardenwoningen en eengezinswoningen voorzag, maar dat dit plan is versoberd of samengevoegd. Een bejaardenhuis (in collectieve zin, dus met voorzieningen) werd nooit gebouwd. In plaats daarvan heeft men wellicht de hele reeks huizen als gewone gezinswoningen uitgevoerd, met behoud van de naam ‘Meihof’ als herinnering aan het oorspronkelijke plan. Dat zou verklaren waarom deze wel gerealiseerde woningen ruimer zijn dan ‘bejaardenwoningen’; ze zijn technisch gewoon gezinswoningen, maar historisch ontstaan uit een parochiaal, later losgelaten, plan waarin ouderenzorg en huisvesting verweven waren.

Kijk, dat is nou het rotte van historische werkelijkheden: ze weigeren zich te schikken naar een goed verhaal over een schijnbare schoft. Je wilt iets spannends schrijven over de eerste bewoner van je huis, en belandt in een kluwen van onvolledige archieven en tegenstrijdige bronnen. Ik voel me een halve archivaris nu. Ik moet het stof uit m’n haren kloppen. Waar is de wijn, de geur van wierook, het flakkerende kaarslicht, de kerkmuziek en het hemelse gezang tegen de achtergrond waarvan ik een verhaal over een mogelijke smeerlap kan ontvouwen? Ik zit opeens vast in een moeras van onduidelijkheden, vermoedens en onvolledige bouwplannen uit 1940 en het wordt nergens spannend.

Ik denk dat ik Conclave uit de kast trek van Robert Harris en vandaag vroeg naar bed ga. Het boek schijnt nog beter te zijn dan de film. Nee wacht; maak daar Betrayal van, samengesteld door een journalistenteam van The Boston Globe (en ook al verfilmd; zie Spotlight).

Een lezer schreef: ‘Koetsier was een prima sympathieke man. Het hele gezin trouwens.’

Ik weet niets meer van Koetsier dan wat ik hierboven over hem heb opgeschreven. Dat de kerkmeester streng was en dat je als kind een beetje zenuwachtig werd als hij zich in je buurt bevond, houd ik voor waar. Die informatie komt namelijk van dezelfde lezer. Maar ik moet toegeven dat tussen strengheid en wreedheid veel verschil zit.

Het stukje dat ik aangaf liever te hebben geschreven dan wat ik hier uit de doeken doe over mijn huis, zal er nooit van komen. Ik gaf een denkbeeldige situatie weer: namelijk die van een valse kerkmeester, of erger. Ik zou het veel leuker vinden om daarover door te gaan omdat zoiets nu eenmaal een plot verschaft en het een zeker vooroordeel zou bevestigen dat ik over kerkmeesters koester (en over het katholicisme in z’n geheel).

Maar of de heer Koetsier ook daadwerkelijk een sadist was, laat ik in het midden door er het bijvoeglijk naamwoord ‘potentiële’ voor te zetten. Later ben ik even voorzichtig als ik het woord ‘smeerlap’ gebruik; daar plaats ik namelijk het woord ‘schijnbare’ voor. De lezer geeft aan dat Koetsier niets kwaads over zich had; hij kan dat absoluut beter weten dan ik.

Restjes verdelen

Naschok voor de postbezorger (en een hard gelag voor de SP).

Ik heb vanochtend de moeite genomen om precies te begrijpen hoe het complexe systeem van restzetelverdeling werkt. Daarom ben ik nu bijna aan het eind van m’n Latijn. Eigenlijk zou ik terug naar bed moeten, maar ik zie het niet zitten om pas in de middag post te gaan bezorgen. Niet dat dit niet mag; een postbode heeft tot zeven uur ’s avonds de tijd om – plastisch uitgedrukt – ‘zijn zakken leeg te lopen’. Hoe dat werkt hoef ik niemand uit te leggen; je begint met volle fietstassen en eindigt met niets. Als alles is afgeleverd ga je moe maar opgeruimd naar huis.

Een postbode heeft een heerlijk overzichtelijk beroep. Maar het wordt wel laag betaald. Voor het afdwingen van betere arbeidsvoorwaarden was er altijd de SP. Laten we nooit vergeten dat de SP de arbeider echt gesteund heeft met raad en daad waar andere partijen aarzelden tussen idealen en belangen. Waar andere partijen hun beloftes vergaten, stond de SP nog schouder aan schouder met de werkvloer. Waar andere partijen afstand namen, bleef de SP dichtbij, met hart voor de gewone man. Waar andere partijen zich richtten naar Den Haag, bleef de SP luisteren naar de stemmen uit de straat. Waar andere partijen zwegen, sprak de SP met lef, met warmte, en met overtuiging.

Sommige mensen zitten echt op hun post te wachten. Ik vermoed dat het de meeste geadresseerden geen donder uitmaakt hoe laat er iets in hun bus valt, maar er zijn van die dagen, in het leven van iedere postontvanger, die een prompte bezorging vereisen. Daarom is het goed dat de postbode een vaste bezorgtijd aanhoudt en ook niet te laat van huis gaat. Ik kan meevoelen met mensen die van stiptheid op bezorggebied houden als ik denk aan de verdeling van restzetels. Ik word gek van het moeten wachten op de definitieve toekenning daarvan.

En dat terwijl er in het woord ‘restzetel’ toch een hele duidelijke indicatie zit dat we geduld moeten hebben omdat er alleen maar achteraf kan worden gekeken wie er recht op heeft. Nu ik dit schrijf valt mij plotseling in dat de ethymologische achtergrond van het woord ‘post’ ook iets in zich lijkt te hebben van ‘na’ of ‘achteraf’. Dat zou leuk zijn voor dit stukje want dan lijkt het rond (zoals er in mijn werkdag als postbezorger ook een aangename afronding zit). ‘Post’ in de zin van ‘na’ berust bij woorden als ‘postbode’ echter op een misverstand. Jammer dat ik op de valreep moeilijk moet gaan doen.

‘Post’ als voorzetsel of bijwoord in het Latijn betekent inderdaad na’ of ‘achter’ (in tijd of ruimte). Dit is de wortel van Nederlandse en internationale woorden zoals postscriptum (na-schrift), postnataal (na de geboorte) en postdoctoraal (na het doctoraat). ‘Post’ in de zin van ‘brieven’ is echter niet het Latijnse ‘post’ in de zin van ‘na’. We hebben hier te maken met een klassiek voorbeeld van homonymie (woorden met dezelfde klank of spelling, maar een verschillende oorsprong en betekenis), waarbij de twee woorden toevallig beide teruggaan op het Latijn.

De etymologische achtergrond van het woord post’ (in de zin van briefwisseling of postbezorging) gaat ook terug op het Latijn, maar posta is een afleiding van het Latijnse werkwoord pōnere, wat plaatsen’ of stellen’ betekent (met het voltooid deelwoord positum). De oorspronkelijke betekenis van posta of het Latijnse posita (of mansio posita / mutatio posita) was de plaats of het vastepunt waar postpaarden werden gewisseld, of waar koeriers gestationeerd waren langs een route. Dit waren dus de wisselstations of rustplaatsen voor de bodes en hun paarden.

Van deze betekenis van een vastgestelde plaats langs de route, ontwikkelde het woord zich later tot de koeriersdienst of het systeem van de ruiters die op vaste intervallen waren ‘geplaatst’, daarna tot het vervoer van de brieven en berichten zelf, en uiteindelijk tot de briefwisseling en de organisatie (posterijen) zoals we die nu kennen. Het woord is dus nauw verbonden met het idee van iets wat op een vaste plaats is gesteld langs een route, bedoeld voor het snelle vervoer van berichten. Nu bent u als lezer misschien aan het eind van uw Latijn.

Ik wil nog even wijzen op een speling van het lot die dingen, zoals hierboven beschreven, eerder verwarrender maken dan dat ze mooi op hun plaats vallen. Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.

Dat is een hard gelag voor de SP waar deze ‘blogpost’ helaas niets aan kan veranderen.  

Conny Braam sprak

Maar over één ding was zij niet te spreken.

En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.

Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”

Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.

Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.

Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.

Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.

Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.

De mannen in het zwart

Een typisch geval van overalertheid.

Het verhaal is rond. Het raadsel was banaal. De man in het zwart heeft ook bij mij aangebeld, zoals bij andere huurhuizen in mijn straat. Hij kwam slechts op asbest controleren. Hij werkte voor de woningcorporatie. Dat hij ook nu weer geheel in het zwart was gekleed – net als toen ik hem voor de boeman aanzag die hij niet bleek te zijn – maakte het verhaal van zo’n twee weken daarvoor iets aannemelijker. Hoewel nog steeds onvergeeflijk. Want het berustte op een misverstand.

Mijn vergissing ontstond nadat ik als nieuwe bewoner was toegevoegd aan de straatapp. Daar verscheen een waarschuwing: ‘Ter info: er is een oplichter actief in de Irenestraat en Beatrixstraat. Hij belt aan in zwarte werkkleding, beweert dat hij Theunissen heet en dakreparaties uitvoert. Hij zegt schade te hebben gezien, vraagt om een aanbetaling voor materiaal bij de Praxis en verdwijnt vervolgens. Zijn gegevens kloppen niet: G. Teunissen Klusbedrijf Kvk 09160841: niet bestaand. Telefoonnummer 06-16862856: onjuist.’

Het toeval wilde dat ik, toen ik nog volop aan het verhuizen was, door een man werd aangesproken op straat. Ik kan mij niets van zijn uiterlijk herinneren, alleen maar dat hij niet in het zwart was gekleed. Toch vond ik dat ik mijn nieuwe whatsapp-vrienden op de hoogte moest stellen van wat ik wel wist: ‘Die man sprak ook mij aan over een losliggende loodflap. Maar wat ik niet begrijp: toen hij die aanwees, meende ik die echt los te zien liggen. Had hij dat dan zelf gedaan, toen hij bijvoorbeeld voor iets anders op het dak was? Saboteert hij de boel? (Ik heb overigens geen gebruik gemaakt van zijn diensten.)’

Buurman R. antwoordde: ‘Dat doet hij dus inderdaad.’ En ik: ‘Wat? Rukt hij dat gewoon los? Maar dat moet gebeurd zijn toen ik hier nog niet woonde. Dan ligt dat ding daar los en móet ik dus wel iemand laten komen! Da’s gewoon vernieling.’ Een andere buur nuanceerde het: ‘Hij gaat eerst met een dakpan het dak op, maakt dan een loodflap los en vraagt daarna om geld. In jouw geval vermoed ik dat het lood al wat oud is en misschien al wat los of scheef zat. Dat maakt het makkelijker voor hem, dan hoeft hij niet eerst het dak op.’

Ik wilde graag kwijt dat ik, in mijn ogen, best verstandig had gereageerd. Ik had tegen de ‘losliggende-loodflap-man’ gezegd: “Oh, daar moet ik de woningbouwvereniging dan even naar laten kijken.” Dat leek me voor een oplichter niet interessant meer. Ik dacht er verder niet bij na, behalve dat het me geruststelde dat ik als huurder gewoon melding kon doen bij Volkshuisvesting. Die sturen wel iemand, dacht ik. Men had trouwens ook de wijkagenten ingeschakeld. Die schreven dat ze op de hoogte waren van deze man, en dat het goed was dat we alert bleven.

Daarna werd het stil. Totdat ik, twee weken later, een man in het zwart bij mijn buurvrouw zag aanbellen. In de straatapp schreef ik: ‘Zou iemand mij even willen dm’en of bellen over de man in het zwart waarover hier een discussie was losgebarsten? Ik wil geen valse beschuldiging uiten, maar iets verifiëren. Het gaat om het bezoek van een asbestcontroleur. Niet bij mij, maar bij iemand die niet op deze app zit en dus niet op de hoogte is. Ik hoop dat ik spoken zie, maar toch…’ (P.S. Ik heb het nummer van de wijkagent gebeld, maar krijg geen gehoor. Ik wil niet iemand zijn die moord en brand schreeuwt zonder reële aanleiding. Maar die is er wel naar mijn gevoel.)

De les voor mij: ik had beter moeten doorvragen. Mijn oude buurvrouw is bepaald niet gek. Alertheid is mooi, maar bemoeizucht niet. Ik moest het schaamrood op mijn kaken er even uitwandelen. Ik belde mijn zus. “Het is echt niet zo raar dat je dit verkeerd hebt ingeschat, gezien wat er tegenwoordig allemaal gebeurt,” troostte zij mij. Ik pakte dit gretig op: “Ja, de wereld zit vol oplichters, en Arnhem heeft wat dat betreft best een reputatie. Maar in plaats van de straat op te rennen, had ik iets langer met de buurvrouw moeten praten.”

Ik had bij haar aangebeld, maar liep direct door om de nummerplaat van de man te noteren. Toen ze opendeed, riep ik van een afstand: “Is hij op het dak geweest?” Waarop ze antwoordde: “Nee, hij is de asbestcontroleur.” Ik dacht toen: ook niet in orde, en sprak andere buren aan. Pas later vertelde ze mij dat hij gewoon van de woningcorporatie was.

Ik had mij het hoofd op hol laten brengen door overalertheid en een te snelle aanname.

Een kleine opening

De vrijpostigheid van een contraspionne.

De vlieg op haar muur leek een vreemde vermomming van steeds iemand anders. Door de sleutelgaten gluurden ook nooit dezelfden. Het aflosschema van de wisselende wachten viel niet te achterhalen. Alleen de postbode buiten veranderde alleen maar van pet. Hij had vier varianten. De man liep aangenaam snel. Hij ‘deed’ haar hele straat in minder dan acht minuten. Hij was zo weer verdwenen.

Wijkbewoners vonden dat ze iemand bij haar langs moesten sturen. De beheerder van de buurtapp belde het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag van de GGD. Ook Veilig Thuis werd ingeschakeld en iemand bezocht het Wmo-loket van de gemeente. Er waren meer ogen op haar gericht dan ze al vermoedde. “Verraders”, riep ze. De façade van haar kluizenaarswoning liet voor het eerst wat geluid door.

Ze deed niet open. Eén keer probeerde een hulpverleenster met haar te praten door de brievenbus. Dat vond toevallig plaats toen ook de postbode er gebruik van wilde maken. Ze hoorde hem “neem me niet kwalijk” zeggen. Er viel een onbelangrijke brief op de mat. Ze had zijn stem gehoord, dat vond ze spannend. Hij droeg die dag een nieuwe pet. Ze noteerde ‘beetje schor’ in haar logboek. En: ‘Nieuwe flat cap. Flessengroen’.

Meer wilde ze niet van hem weten. Van haar hoefde niemand iets te begrijpen, ook hij niet, en vooral niet dat zij deed aan contraspionage. De doucheruimte boven haar voordeur was de enige veilige plek in huis. Die had ze hermetisch afgeplakt. Zelfs de douche kon ze niet meer gebruiken. Ze bekeek de buitenwereld door een kiertje: een tochtstreepje in haar tuimelraam. Zodoende kende ze de bezorgtijd van de postbode. Hij was behoorlijk stipt.

Op een dag week hij af van zijn routine. Hij had een brief bij haar in de bus gedaan maar weifelde. Hij wilde doorlopen maar keerde terug op zijn schreden. Hij belde bij haar aan. Zij herkende zijn verwarring. Daarom hield niets haar ditmaal tegen. Ze deed vrij onbevangen open. “Sorry” zei hij “ik geloof dat ik een verkeerde brief in uw bus heb gegooid. Voor 20, niet voor 18.” Hij had gelijk. Hij had zijn fout snel ingezien, maar was toch te laat geweest met corrigeren.

“Kan gebeuren” zei zij, en daarna: “vergissen is menselijk.” Toen, alsof ze helemaal los ging, kwam er zowaar nog een derde opmerking uit haar mond: “En ik maar denken dat u een robot was.” Hij keek verbaasd, maar moest wel lachen. Nog bijkomend van haar schrik, om haar vrijpostigheid, vond ze zichzelf best grappig. Na twee clichés en maanden van stilte, had ze iets leuks gezegd. Ze gaf hem de brief terug en duwde de deur heel langzaam in het slot.

Het ontzielde voertuig

Eenmaal boven water liet ik Beke’s amfibieboot snel weer varen.

Er zijn van die momenten die je doen beseffen hoe schimmig tijd en herinnering soms samenwerken. Neem een berichtje op de ‘Bea-app’, de online stoep van onze straat, cq ons digitale buurthuis, waar prangende vragen worden gesteld. Plotseling dook daar een naam op: een hoofdpersonage uit iemands jeugd, dat ik óók kende. Dat wil zeggen: ik kende de hoofdpersoon, maar zo vaag, dat ik die nooit als vergeten zou hebben bestempeld.

De hulpvraag op de straatapp van de één en het antwoord van de ander greep de pastoor aan om te illustreren hoe menselijke goedheid altijd boven komt drijven. Hij sprak van het voertuig van de ziel waarmee soms ook onze verbeelding zich verplaatst. Terwijl ik alleen een amfibievoertuig wilde zien waarover werd gesproken. Pastoors weten dat zodra het mysterie wordt ontrafeld en het prozaïsch blijkt te zijn, de magie wegebt. Van dergelijke ontnuchteringen raakt het geloof in verval.

Het ging de zoeker trouwens om meer dan alleen maar een naam van een detective. Er hoorde ook een vervoermiddel bij. Hij formuleerde zijn zoekvraag zo:

Ik meen me te herinneren dat ik in mijn jeugd (eind jaren zestig moet dat zijn geweest), een detectiveserie heb gelezen die zich afspeelde aan de Veluwezoom. En als ik mij goed herinner, had de hoofdpersoon een amfibievoertuig. Doet dit misschien bij iemand een belletje rinkelen? Ik ben op internet aan het zoeken geweest, maar het resultaat daar is precies nul.

Een andere straatgenoot vond het antwoord. Zij noemde De schrik van de Imbosch van Carel Beke. Hierin speelt Pim Pandoer de hoofdrol. Voor mij was het verhaal net begonnen – namelijk met de zoektocht van de één – en nog lang niet geëindigd met de hulpvaardigheid van de ander, die een afbeelding van de voorkant van het boek deelde. Ik wilde die kaft meteen omslaan en beginnen met lezen. Dat amfibievoertuig moest ik zien. Ik wist op dat moment zeker dat ik niet verder kon voordat ik dat voertuig onder ogen had gekregen.

Tegelijkertijd begon er in mijn hoofd een stem te preken. Dat gebeurt wel vaker, maakt u zich geen zorgen. Het was pastoor Pim Pandoer. Hij sprak vanuit het buurthuis, dat opeens in een kerkje was veranderd.

“Wat hier gebeurde,” zei hij, “was iets heel bijzonders. Het gaat mij niet om het boek zelf, hoewel dat natuurlijk een schat aan jeugdsentiment herbergt: een detectiveverhaal dat zich afspeelt tussen de bossen en heuvels van de Veluwezoom, een amfibievoertuig dat door de modder ploegt alsof het een tijdmachine is. Het gaat mij om de hulpvaardigheid; de simpele, onvoorwaardelijke bereidheid van een medemens om te helpen.”

Dat kan wel zijn, wilde ik antwoorden, maar ik ben nu op een spoor gezet dat voor mij veel concreter is. Een twee-elementenvoertuig om een beetje filosofisch te doen, een terra-aqua-wagen om mij wat Latijnser uit te drukken, een land-en-waterkar om het luchtig te houden. Het mocht niet baten. De pastoor had het woord genomen en wilde het niet meer afgeven. Zijn kerkje was een heuse kathedraal op een heuvel geworden. Hij sprak alsof hij op de kansel stond en had, voor zijn gevoel, een geweldig thema te pakken:

Denk ook aan het contrast. De zoeker heeft gezocht, misschien met veel te veel trefwoorden op internet, hopeloos verdwijnend in de zee van digitale data. En ineens, zonder enige beloning behalve de voldoening van een goed geheugen en een groot hart, komt er iemand langs die zegt: “Oh, dat is dit boek.” Klaar. Eenvoudig. Rechtstreeks. Een beetje zoals een oude speurneus die een verdwenen aanwijzing vindt die niemand anders zag.

En er zit iets ontroerends in dit soort momenten. Want wie had ooit gedacht dat de Veluwezoom en een amfibievoertuig uit de late jaren zestig, zo’n naïeve jeugdverwondering, op een digitale app in 2025 weer tot leven zouden komen? Ergens tussen emoji’s en korte zinnetjes, gebeurt iets dat je doet glimlachen. Het herinnert je eraan dat menselijke connectie geen leeftijd kent, dat herinnering collectief kan worden gedeeld, dat het plezier van een gevonden antwoord even warm kan zijn als het plezier van het originele verhaal zelf.

Jeugdsentimenten zijn een apart soort magie. Ze zijn verstopt in geuren, in geluiden, in boeken die je als kind verslond. En soms, heel soms, komen ze terug via een ander, via een onbekende helper, en voel je je even weer die tienjarige die met ingehouden adem de pagina’s omsloeg van een detective waarvan hij elk detail koesterde. Het mooie van dit alles is dat het niet gaat om snelheid of efficiëntie. Het gaat om aandacht. Om het besef: iemand leest, iemand herinnert, iemand deelt. Dat is hulpvaardigheid in haar puurste vorm. Het soort hulpvaardigheid dat niet opschept, dat niet iets terugvraagt, maar simpelweg de wereld een beetje completer maakt.

Misschien is dat wel de moraal van het verhaal: dat de wereld, zelfs in digitale vorm, soms net zo magisch kan zijn als de amfibievoertuigen van Pim Pandoer. Dat kleine gebaren, een naam, een hint, een herinnering, een correctie, een suggestie, de wereld een beetje rijker maken; en dat ze de tijd overbruggen, van de jaren zestig tot nu, van jeugd tot volwassenheid, van een vergeten avontuur tot een gevonden glimlach. En wie weet: misschien was dat boek zelf nooit zo belangrijk geweest, als het niet had geleid tot dit moment van onverwachte, eenvoudige vriendelijkheid.

Terwijl de pastoor deze woorden sprak – op de voor hem zo gezalfde wijze – had de oorspronkelijke vrager niet stilgezeten. Hij was meteen gaan zoeken op de aangereikte trefwoorden Carel Beke, De schrik van de Imbosch, Pim Pandoer en amfibievoertuig. Hij vond op Wikipedia alles wat er te weten viel. Het werd eindelijk stil in mijn hoofd. De pastoor had zijn punt gemaakt: de zegen van onderlinge hulpvaardigheid was weer eens aangetoond.

Ik las over de schrijver en zijn antagonist. Ik kreeg de voorkanten van zijn boeken te zien. Er dook een gefragmenteerd beeld op van het amfibievoertuig. In korte tijd werd alles veel prozaïscher dan ik hoopte. Zolang iets in nevelen gehuld blijft, is de aantrekkingskracht groot, de interesse gewekt, de zoektocht in volle gang. Maar wanneer de ontsluiering komt en het geheim alledaags blijkt, vervliegt de betovering. Ik was weer snel over mijn hoogtepunt heen.

De pastoor vertrouwde veel meer dan ik op de mensheid.