Afgepast aftasten op de grens van comfort

De lange armen van het wellness verwenningscircuit.

Ik heb nooit een ‘experience’ in het wellness-circus omdat ik mij nooit overgeef aan dat soort dure en tamelijk idiote grappen. Daarom vind ik het heerlijk om naar ‘ervaringsdeskundigen’ te luisteren die zich wel in dit circuit wagen. Gelukkig ken ik er twee die er eenzelfde cynische grondhouding op na houden als het om spirituele behandelingen gaat, MAAR die NIET – zoals ik – de verleiding kunnen weerstaan om zich toch af en toe esoterisch te laten vertroetelen. De lezer weet ook wie zij zijn: ze heten Aaf en Lies en ze ‘lossen het wel weer op’, aldus de naam van hun podcast. De oplossing die ze mij, in dit geval, bieden, is dat ze me een inkijkje verschaffen in een wereld die ik, zoals gezegd, zelf heb buitengesloten.

Lies bevond zich voor opnamen van de serie Gooise Vrouwen in Luxemburg. Natuurlijk zit je dan als actrice in een ‘fully catered’ hotel. Ze had een inspannende opnamedag achter de rug, dus ze dacht: kom, ik boek een ayurvedische massage ‘met nadruk op energetisch evenwicht’, zoals de reclame in de lounge vermeldde. Dan mag je op een aangenaam verwarmde tafel gaan liggen met een papieren broek aan en je hoofd in een donut, terwijl er op de achtergrond rustgevende muziek van dolfijngeluiden en klankschalen klinkt. Zo’n ayurvedische behandeling ‘is met hele lange lijnen’, begrijp ik nu; de handen van de masseuse strekten zich uit in uiterste richtingen. Het gaf Lies het gevoel dat ze heel erg lang was. Daar zou ik, met mijn één meter achtenzestig, vast ook baat bij hebben, bedacht ik me.

“Y a-t-il des zones où vous ne souhaitez pas être touchée? ” had de masseuse voorafgaand gevraagd. Omdat Lies ervan uitging dat haar ‘yoni’ vanzelfsprekend zou worden ontzien, gaf ze geen specifieke plekken aan, waar de uitgestrekte handen niet welkom waren. Ook weer nieuw voor mij: ayurvedische massage is niet met olieën, wel met drukpunten. De masseuse maakte regelmatig haar handen warm en legde die op zo’n speciaal ‘aandachtsplekje’ waarvan het lichaam er talloze blijkt te hebben. “Tournez vous” beval ze vriendelijk, nadat al het tastbare aan de achterkant was veraangenaamd en afgevinkt. Er werd alweer gepaste discretie in acht genomen want de handdoek ging tijdens het tourneren meteen op haar ‘heilige bron’ (zoals de letterlijke vertaling van yoni uit het Sanskriet luidt).

De luisteraar kon intussen gerust zijn: de therapie – want dat was het – leek keurig begrensd. We bevonden ons tenslotte in een decor van gepolijste luxe. Je kent ze wel, die zelfstandige ondernemers in de wellnessbranche die zich als freelance specialisten in een hotel hebben ingekocht, en hun diensten, tot wederzijds voordeel, aan het imago van het etablissement verbinden. Een slimme wisselwerking: het hotel breidt zijn service uit zonder personeel aan te hoeven nemen, en de masseuse lift mee op het aura van comfort. Ze voegt persoonlijke service op maat toe aan het bestaande aanbod van egoverwennerijen. Dat mag wat kosten, maar het zal de gast aan niets ontbreken. Het is te zeggen: tot op zekere hoogte. Want zo’n hotel was dit niet. Voor verlangens die het tactiele overstegen, moest men zich wenden tot de geneugten van de stad.

Lies was allang blij. En wij als podcastluisteraars ook. Het werd ons weer eens duidelijk dat zij een begenadigd vertelster is, die het een en ander begrijpt van de opbouw van een goed verhaal. Ze besefte net iets te laat dat het misschien toch verstandig was geweest om grenzen te stellen aan haar aanraakbaarheid. De warme handen met hun enorme bereik gingen haar iets te vaak naar ‘het bovengedeelte van de romp’, inclusief ‘de tepelzone’. Dat had ze nog nooit meegemaakt. Lag ze daar in haar papieren broekje. Je zou het best ayurvedisch kunnen uitleggen, maar niettemin ontstond er een ‘awkward’ situatie. “Want ja, het lichaam reageert toch.” Er kwam een stukje erotiek om de hoek kijken waarmee ze geen rekening had gehouden. Het was een hele inspannende opnamedag geweest. “Je begrijpt dat als zo’n masseuse dan hele lange lijnen gaat maken…”

Wie deze navertelling niet leuk genoeg vindt – ik heb daar begrip voor – adviseer ik naar de podcastaflevering zelf te luisteren. Die speciale aandacht van ons, hebben de dames echt verdiend.

Biomassa

Een groen rookgordijn voor falend klimaatbeleid.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 10

Biomassa wordt in Europa officieel nog steeds als hernieuwbare energie aangemerkt. Dat is, wat mij betreft, de eerste fundamentele vergissing in het klimaatbeleid. Al jaren schuurt het en inmiddels weten we waarom. Wetenschappers hebben overtuigend aangetoond dat het verbranden van houtige biomassa niet circulair is, laat staan klimaatvriendelijk. Nieuwe aanplant van bomen garandeert op geen enkele manier een sluitende CO₂-compensatie. Sterker nog, het duurt decennia voordat jonge aanwas de uitgestoten CO₂ van verbranding weer enigszins goedmaakt. Ondertussen stijgt de uitstoot vandaag, niet morgen, en is die bij biomassa op de korte termijn zelfs hoger dan bij steenkool.

Toch blijft het verhaal van biomassa hardnekkig rondzingen in beleidsdocumenten, subsidieaanvragen en officiële statistieken. Ik vind dat verbijsterend.

Want wat stellen we ons eigenlijk voor bij ‘duurzame’ biomassa? In de praktijk gaat het vooral om de verbranding van hout: hout uit bossen, hier en elders. Dat hout zou afkomstig zijn uit ‘duurzaam bosbeheer’, maar wie bepaalt dat? Lange tijd was het genoeg als er een keurmerk op zat — FSC, PEFC — en vervolgens stroomden er miljarden euro’s aan subsidies richting biomassacentrales. Als die certificaten er maar op zaten, was alles groen.

Maar wat zegt zo’n label uit Estland? Of uit de Verenigde Staten? Rusland wordt minder relevant sinds de oorlog in Oekraïne (althans op papier). Veel van het hout dat jarenlang werd verstookt in Nederlandse centrales kwam uit de Baltische staten, Canada of Zuidoost-VS. Laten we wel wezen: hoe controleer je duurzaam bosbeheer op duizenden kilometers afstand, terwijl lokale inspecties zeldzaam zijn en bedrijven vaak hun eigen data aanleveren? Ik geloof gewoon niet meer in de illusie van de gecertificeerde houtsnipper.

Bestaande biomassacentrales worden uitgefaseerd. Dat is niet minder dan een farce.

In Nederland liepen we voorop in de biomassa-euforie. Toen het in de jaren 2010 duidelijk werd dat we onze CO₂-doelen niet zouden halen, greep men biomassa aan als het makkelijke compromis: iets dat je meteen kon bijstoken in bestaande kolencentrales. Ideaal voor de cijfers. De centrale in Diemen bijvoorbeeld — eigendom van Vattenfall — kreeg jarenlang miljoenen euro’s subsidie. Inmiddels heeft het kabinet besloten geen nieuwe subsidies meer te verlenen voor het verbranden van houtige biomassa voor elektriciteits- of warmteproductie. Dat klinkt als winst, maar bestaande centrales blijven draaien zolang de oude subsidiepotten lopen. We zitten dus nog jaren aan deze vervuilende oplossing vast.

In Duitsland is de koers inmiddels omgeslagen: er worden geen nieuwe biomassacentrales meer gebouwd die hout verbranden. De focus ligt daar nu op kleinschalig gebruik van reststromen: landbouwafval, rioolslib, GFT, en biogas uit mest. Ook Denemarken is aan het afbouwen. Kopenhagen draaide jarenlang op houtpellets, maar heeft nu stevige plannen om vóór 2030 over te stappen op duurzame alternatieven zoals geothermie en warmtepompen. België heeft biomassa lang toegestaan, maar in Wallonië en Vlaanderen zijn projecten stilgelegd of uitgesteld, mede onder druk van burgers en milieuorganisaties. Europa zet nu formeel in op afbouw van grootschalige houtverbranding, al blijft het bureaucratisch wikken en wegen.

De herziening van de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED III) stelt zekere grenzen:

  • Hele bomen mogen niet meer als biomassa worden verstookt;
  • Subsidies mogen alleen nog gaan naar resthout of afvalbiomassa;
  • Landen moeten zorgvuldiger aantonen dat hun biomassa duurzaam én efficiënt is.

Dat klinkt goed, maar ik blijf sceptisch. Want Europese richtlijnen gaan zelden gepaard met duidelijke, harde verplichtingen die onvoorwaardelijk zijn en ondubbelzinnig. Wat ‘resthout’ precies is, blijkt in de praktijk vaak een kwestie van boekhouding. Als een boom niet geschikt is voor de meubelindustrie, mag hij ineens ‘resthout’ heten. En dan wordt hij opgestookt. Wie controleert dat?

Bovendien: biomassa blijft aantrekkelijk voor energiebedrijven. Want ze mogen de uitgestoten CO₂ officieel als ‘nul’ rekenen op de balans, omdat bomen ‘ooit’ zouden teruggroeien. En zolang dat boekhoudkundige voordeel blijft bestaan, blijft biomassa aantrekkelijk. Ondanks alle klimaatschade.

Ik herinner me nog de tijd dat partijen als GroenLinks en D66 het gebruik van biomassa verdedigden als ‘noodzakelijk’ voor de energietransitie. Alsof het stoken van bomen een tussenoplossing zou zijn. Die houding is inmiddels afgezwakt — zeker bij de achterban — maar in de praktijk blijven we zitten met deals uit het verleden. Waarom trekken diezelfde partijen niet aan de noodrem, nu de wetenschap duidelijker is dan ooit? Waarom blijven ze vasthouden aan een dogma dat niet meer verdedigbaar is?

Het roept ook bredere vragen op. Waarom stonden klimaatbewuste burgers jarenlang alleen in hun wantrouwen tegenover ‘duurzame energie uit hout’? Waarom moest de publieke opinie pas kantelen toen er beelden opdoken van kaalgekapt bosgebied? Waarom blijven politici zo gevoelig voor lobby’s van grote energiebedrijven, terwijl kleine burgerinitiatieven vaak struikelen over regeldruk en gebrek aan subsidie?

Ik zie hoe de wanhoop toeslaat bij milieuactivisten. Eerst demonstreerden ze vreedzaam, vol idealen. Maar steeds vaker hoor ik geluiden van wanhoop, van woede. En wie zal het ze kwalijk nemen? Als het voortschrijdend inzicht van politieke partijen trager verloopt dan de groei van jonge aanplant in een kaalgekapt bos, dan weet ik eerlijk gezegd ook niet meer waar de oplossing vandaan moet komen.

We moeten accepteren dat biomassa niet de oplossing is. We moeten erkennen dat gebruik hiervan een historische blunder was, ingegeven door haast, illusies en boekhoudtrucs. Ik ben klaar met mooie woorden over ‘duurzame biomassa’. Want bomen verbranden ís geen duurzame oplossing. Het is een symptoom van een beleid dat de illusie verkoos boven de realiteit. En die fout, die mogen we niet nog eens maken.

Nadelen van het langzame uitfaseren van bestaande biomassacentrales:

  1. Beleidsmatige onzekerheid
    Het uitstelgedrag creëert een grijs gebied waarin bedrijven, gemeenten en investeerders niet weten waar ze aan toe zijn. Dat remt innovatie en planning voor duurzame alternatieven.
  2. Doorlopende subsidies zonder toekomstvisie
    Zolang centrales blijven draaien, blijven er (vaak forse) subsidies naar een energiebron die geen langetermijntoekomst heeft. Dat is geld dat niet geïnvesteerd wordt in echt duurzame oplossingen.
  3. Lage prikkel voor transitie
    Een trage uitfasering haalt de druk van de ketel om alternatieven zoals geothermie, aquathermie, of restwarmtenetten versneld op te bouwen.
  4. Vastklampen aan oude technologieën
    Lang doorgaan met biomassa houdt oude infrastructuren in stand, terwijl snelle afbouw ruimte zou maken voor nieuwe, schonere technologieën.
  5. Slechte signalen aan de samenleving
    Langzaam afbouwen kan bij het publiek het beeld oproepen dat biomassa ‘toch nog wel meevalt’ of dat de urgentie ontbreekt, wat het draagvlak voor echte verduurzaming ondermijnt.
  6. Blijvende afhankelijkheid van import
    Zolang de centrales blijven draaien, blijft ook de import van biomassa (zoals houtpellets) doorgaan – vaak uit twijfelachtige bronnen, wat de klimaatwinst tenietdoet.
  7. Milieu-impact blijft bestaan
    Elke extra draai-uur van een biomassacentrale betekent uitstoot – niet alleen van CO₂, maar ook van fijnstof en stikstofoxiden. Hoe langer we doorgaan, hoe groter de schade.

De tragiek van interne kritiek

Nee zeggen binnen je eigen kring.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 7

John McWhorter beschrijft in zijn boek Woke Racism hoe bepaalde vormen van sociale rechtvaardigheid een dogmatisch karakter kunnen aannemen, vergelijkbaar met religie. Ook de filosoof Sam Harris uit regelmatig zijn zorgen over de call-out culture, die volgens hem contraproductief is voor maatschappelijke vooruitgang. Hij pleit voor een eerlijker en constructiever debatklimaat. Ik moest aan deze specifieke kritiek van beide mannen denken toen ik hoorde dat sympathisanten van klimaatbeweging Extinction Rebellion naar het Mediapark in Hilversum waren getogen om bij het gebouw van de NOS te demonstreren tegen de publieke nieuwsvoorziening.

Het roept een ongemakkelijk gevoel op wanneer je kritiek moet leveren op mensen die je in veel opzichten als geestverwanten beschouwt. Je richt je pijlen liever niet op ‘woke’ of links activisme, omdat je de doorgaans goede intenties van de betrokkenen kent en er vaak genoeg zelf mee hebt ingestemd. Toch stuit mijn medeleven op een grens wanneer activisten instellingen als de media of de wetenschap tot vijand verklaren, enkel omdat die volgens hen onvoldoende verantwoordelijkheid nemen in het benoemen van structureel onrecht. Die kritiek werkt in mijn ogen tegengesteld, dus in strijd met het beoogde doel.

Volgens mij zijn de publieke omroep en de onafhankelijke wetenschap in Nederland nog altijd in staat tot redelijkheid en objectiviteit. Als zulke instituties bij voorbaat worden gewantrouwd, verdwijnt de voedingsbodem voor het soort open uitwisseling waarop een democratische cultuur drijft. Dan gaat het niet langer om verbinding of overtuiging, maar om afrekening. Wat resteert, is een strijd waarin alleen ‘de zuiveren’ nog recht van spreken hebben — met alle risico’s van uitsluiting, moralisme en intellectuele verschraling van dien. Juist wie oprecht gelooft in vooruitgang, rechtvaardigheid en empathie, zou zich moeten verzetten tegen zo’n gesloten houding. In het vermogen tot zelfkritiek binnen de eigen morele kring ligt misschien wel de grootste kracht van een werkelijk progressieve geest. Helaas zie ik dat vermogen steeds vaker plaatsmaken voor reflexen, groepsdenken en morele zelfverheffing.

Liever zou ik mij niet genoodzaakt voelen mij uit te spreken tegen vormen van activisme die voortkomen uit kringen waarmee ik mij verwant voel. Maar tussen de waarden die ik deel en de strategieën die ik niet langer kan verdedigen gaapt een kloof die ik onmogelijk met de mantel der sympathie kan bedekken. Er tekent zich een scherp spanningsveld af tussen idealistische zuiverheid en pluralistische weerbaarheid. Waar idealisten streven naar morele consistentie — waarbij elke nuance al snel als verraad geldt — vraagt een open samenleving juist om grijstinten, zelfonderzoek en het vermogen om de eigen overtuigingen te bevragen. Ontbreekt dat, dan dreigt activisme niet langer bevrijdend maar onderdrukkend te worden, en werkt het, hoe ironisch ook, mee aan het ondermijnen van persvrijheid en onafhankelijk onderzoek.

De eerder genoemde auteurs behoren onmiskenbaar tot het progressieve kamp, althans in hun overtuigingen over rechtvaardigheid, racisme en rationaliteit. Toch liepen hun sympathieën op een bepaald moment spaak, en juist daarin schuilt iets wezenlijks: de tragiek van interne kritiek. Wie zich uitspreekt tegen uitwassen binnen de eigen kring, wordt niet zelden als verrader gezien, alsof kritiek alleen legitiem is wanneer die van buiten komt. Neem Sam Harris. Hij mag dan geen academisch filosoof zijn in de strikte zin van het woord — hij publiceert niet in peer-reviewed tijdschriften — maar zijn werk getuigt van een diepgaande filosofische inzet. Zijn toon is vaak polemisch, zijn publiek breed, en dat maakt hem voor sommige academici moeilijk serieus te nemen. Toch werpt hij zich telkens weer op als verdediger van wetenschappelijke integriteit, rationeel debat en morele helderheid; de kernwaarden van een vrije samenleving.

Het vraagt moed om je, als publieksdenker, uit te spreken tegen activisme dat voortkomt uit je eigen ideologische kring. Vaak is zo’n moment pas bereikt nadat je talloze beschuldigingen, verdachtmakingen en misplaatste verwijten hebt moeten slikken. Wie zich in dat wespennest begeeft, moet kunnen onderscheiden tussen gedeelde idealen en problematische methoden, en bereid zijn daar openlijk stelling in te nemen. Dat kost tijd, energie en reputatie. Je zou hopen dat iemand als Harris zich volledig zou kunnen wijden aan grotere thema’s, zoals hij dat eerder deed in The Moral Landscape of Free Will. Maar de intellectuele huishouding binnen het eigen kamp vraagt om onderhoud. En zolang een kritisch geluid wordt verward met afvalligheid, blijft dat onderhoud noodzakelijk.

John McWhorter, taalwetenschapper aan de Columbia University, behandelt in Woke Racism hoe de antiracistische beweging is veranderd in wat hij noemt een ‘nieuwe religie’, compleet met dogma’s, ketterjachten en rituelen van publieke boetedoening. Volgens McWhorter verliezen sommige progressieve activisten hun greep op de realiteit zodra zij structureel racisme benoemen in situaties waarin nuance en context ontbreken. Zijn kritiek richt zich niet op het idealisme zelf, maar op de verabsolutering ervan. Wanneer elk verschil in uitkomst automatisch wordt gezien als bewijs van onderdrukking, verwordt rechtvaardigheid tot een gesloten systeem zonder ruimte voor tegenspraak of verzoening. Daarmee ondermijnen deze activisten het draagvlak voor de emancipatie die zij juist beogen.

Wat Harris en McWhorter gemeen hebben, is hun poging om binnen hun eigen invloedssfeer een onwelgevallige waarheid uit te spreken: morele zuiverheid zonder reflectie is gevaarlijk. Kritiek van binnenuit, zoals zij die eloquent verwoorden, is geen aanval, maar een noodzakelijke correctie; een poging om idealen te verbinden met realiteitszin. Juist nu, in een tijd waarin het morele kompas vaak plaatsmaakt voor groepsdruk, sociale media-verontwaardiging en performatieve rechtvaardigheid, is het zaak om terug te keren naar de kern van kritisch denken. Dat betekent: luisteren, twijfelen, nuanceren en durven spreken, ook als dat ongemakkelijk is. Misschien begint échte vooruitgang wel bij het erkennen dat onze bondgenoten soms ook onze gesprekspartners in kritiek moeten zijn.

Sam Harris spreekt zijn zorgen over call-out culture en cancel culture uit in meerdere contexten, maar het duidelijkst komt dit naar voren in zijn podcasts en essays, en in mindere mate in zijn boeken. Het is echter wel in het boek The Moral Landscape (2010) en meer expliciet in Free Will (2012) dat hij de basis legt voor zijn kritiek op moreel absolutisme en groepsdenken, ideeën die in nauw verband staan met zijn latere uitlatingen over call-out culture.

Als je specifiek op zoek bent naar een plek waar hij duidelijk en kritisch reflecteert op call-out culture als maatschappelijk fenomeen, dan zijn zijn podcast Making Sense (voorheen Waking Up) en diverse bijbehorende essays of interviews de meest directe bronnen. Hierin uit hij concreet en expliciet zijn zorgen uit over een bepaalde vorm van ‘wokisme’ als een contraproductief verschijnsel voor maatschappelijke vooruitgang.

Een samenstelling van zijn beste interviews zijn in een boek gevat.
  • In de aflevering The New Religion of Anti-Racism (2020) bespreekt Harris uitvoerig hoe de huidige sociale rechtvaardigheidsbeweging volgens hem religieuze trekken vertoont, inclusief het straffen van afwijkende meningen.
  • In de podcastaflevering Can We Pull Back From the Brink? spreekt hij over hoe online veroordeling en morele verontwaardiging het debat blokkeren.
  • Ook in zijn e-mails en teksten op zijn website (samharris.org) verwijst hij regelmatig naar het gevaar van ideologische zuiverheid en de manier waarop cancel culture nuance ondermijnt.

Andere stemmen in de milieufilosofie

Wat zegt de sjamaan over CO₂?

The GreenXtreme – Hoofdstuk 4

Spiritualiteit heeft mij nooit kunnen bekoren, en dat is nog zacht uitgedrukt. Eerder dan een zoektocht naar waarheid, zie ik het als een verzamelpunt van onbewezen aannames, metafysisch geneuzel, en een schimmige liefde voor het ongrijpbare. Een mélange van beweringen zonder falsificatiemogelijkheid, zoals Karl Popper zou zeggen, wat voor mij voldoende is om het bij het oud papier van de intellectuele geschiedenis te schuiven.

Wat mij stoort is dat de zelfverklaarde spiritueel niet zozeer zoekt naar waarheid, maar naar bevestiging. Bevestiging van een innerlijke overtuiging die zich zelden tot nooit laat storen door empirisch bewijs of logische consequentie. Ik hoorde één van hen beweren dat voelen een vorm van weten is; een uitspraak die een belediging impliceert van zowel de cognitiewetenschap als de menselijke rede. Ik heb weinig belangstelling voor iemand die zich met chakra’s, trillingen of kosmische energie bezighoudt. Het vergt een onnatuurlijke mate van zelfbeheersing om in diens bijzijn mijn kritische reflex niet onmiddellijk te laten afgaan.

Binnen de milieufilosofie – een discipline waar ik mij voor het doel van dit boek in begeef – gaan helaas ook geregeld stemmen op van mensen die rechtstreeks uit de esoterische ether lijken te zijn neergedaald. Een ongemakkelijke waarheid, maar niet geheel onverwacht: de filosofie als alfadiscipline heeft van oudsher een zwak voor grootse claims zonder harde data. En als er één tak binnen de filosofie is waarin men met open armen de metafysica ontvangt – al dan niet met wierook en kristallen – dan is het wel de milieufilosofie.

Daar, waar de aarde als entiteit wordt bezongen en ‘Moeder Natuur’ met een hoofdletter wordt aangesproken, ligt het risico van de conceptualisering altijd op de loer. De aarde wordt een subject, de wind een stem, de boom een raadgever. We glijden ongemerkt van Heidegger naar horoscopen. De grens tussen poëtisch spreken en pseudo-intellectueel bezweren is dunner dan men denkt, en menig milieufilosoof blijkt niet bestand tegen de verleiding van een goed geformuleerde onwaarheid.

Wanneer ik het woord ‘spiritualiteit’ hoor, doemt in mijn geestesoog een bonte stoet op: sjamanen met vogelveertjes, goeroes in linnen gewaden, tantrische therapeuten, auralezers, klankschaalmasseurs, astrologische analisten, reikimeesters, ‘lichtwerkers’ die zichzelf in Atlantis menen terug te vinden, en zelfverklaarde visionairen die hun inzichten te danken zeggen te hebben aan microdoseringen paddo’s in de Pyreneeën. Hun gezwollen taalgebruik en messiaans zelfvertrouwen wekken niet alleen verveling, maar ook een zekere antropologische fascinatie: hoezeer kan de mens zich loszingen van de werkelijkheid zonder zichzelf krankzinnig te noemen?

Ik heb niets tegen spiritualiteit zolang zij zich beperkt tot poëzie en andere onlogische zaken, maar ik zou wensen dat zij zich verre houdt van de wetenschap. Wanneer zij zich opwerpt als morele of epistemologische gids, rest mij slechts één houding: de ironische distantie van iemand die de dansvloer verlaat zodra de panfluit begint te spelen.

Kortom: ik ben iemand die bij het woord spiritualiteit automatisch denkt aan wierook, windgongen, en mensen die met hun ogen dicht tegen bomen praten. Dat zegt misschien meer over mij dan over hen, maar het is belangrijk dat de lezer weet uit wiens pen dit komt. Ik ben een kind van de Verlichting, van empirisch bewijs en logische redeneringen. Mijn band met de natuur is eerder die van een bezorgde wetenschapper (al bezit ik geen academische graad) dan die van een zingende sjamaan.

Toch — of misschien juist daarom — moet ik in dit hoofdstuk stil staan bij stemmen die buiten het klassieke milieufilosofische discours vallen: de inheemse denkers, de mystici, de kruidenheksjes, de tovenaars en de voorouderfluisteraars. En dat doe ik dus niet om hen in een museum van ‘authentieke wijsheid’ te plaatsen, maar om hun ideeën serieus te nemen voor wat betreft de bescherming van de natuur dat zij bepleiten. Want op dat gebied reiken wij elkaar de hand.

1. De vergeten kosmologieën

In veel westerse milieufilosofie wordt de mens gezien als een actor met verantwoordelijkheid tegenover zijn omgeving. In veel inheemse tradities ligt die verhouding radicaal anders: daar is de mens niet zozeer verantwoordelijk voor de natuur, maar onlosmakelijk onderdeel ervan. Dit verschil lijkt semantisch, maar is fundamenteel. De idee dat een rivier rechten kan hebben, zoals voorgesteld door het Māori-volk in Nieuw-Zeeland, heeft inmiddels zelfs juridische gevolgen gehad: de Whanganui-rivier kreeg in 2017 de status van rechtspersoon.

Dat wil zeggen: de rivier heeft ‘juridisch een ziel’. Ik geef toe, bij mijn eerste lezing fronste ik de wenkbrauwen. Wie beheert dan het bankaccount van deze bezielde watermassa? Heeft zij ook recht op pensioen? Maar onder de ironie schuilt een ongemakkelijke vraag: is het onzin, of is het slechts ongewoon voor mijn eigen denkkader? En wie bepaalt dat kader eigenlijk?

2. Totems, taboes en ecologisch evenwicht

In veel inheemse culturen reguleren spirituele taboes het gedrag ten aanzien van de natuur. Jagen op een bepaalde soort mag slechts in een bepaald seizoen, of enkel door leden van een specifieke clan. Niet vanwege een ecologisch rapport, maar omdat de geest van het dier rust nodig heeft. Vanuit een wetenschappelijk standpunt lijkt dit primitief, tot je merkt dat het in de praktijk vaak leidt tot duurzame omgang met ecosystemen.

De ironie? Ons datagedreven milieubeheer komt vaak minder ver dan deze ‘onwetenschappelijke’ benaderingen. Misschien komt het omdat ons beheer vaak managementtaal is, en niet meer dan dat: ‘biodiversiteitsstrategie’, ‘landschapsvisie’, ‘herintroductieprogramma’. Woorden zo glad dat ze nergens meer grip op krijgen. Daartegenover staat een mythisch denken waarin een walvis een voorouder is, een berg een levende entiteit, en een jachtmisser een morele overtreding. Ik rol met mijn ogen, maar niet zonder enig schuldgevoel. Want wie is hier eigenlijk de naïeveling? Hoe ongerijmd ook, het nettoresultaat van deze overtuiging is daadwerkelijke bescherming van de natuur, en dat valt moeilijk te ridiculiseren. Hoe absurd de premissen ook zijn, de uitkomst – natuurbehoud – is onweerlegbaar effectiever dan veel, wetenschappelijk onderbouwde, beleidsdocumenten

3. Het sjamanistische klimaatgesprek

“Luister naar de Aarde”, zegt de sjamaan. “Zij fluistert via stormen, smeltende gletsjers en verdwijnende koraalriffen.” Ik, in mijn misschien iets te saaie blogberichten-naar-actieboek-presentatie, citeer daarentegen uit artikelen over CO₂-uitstoot en verwijs naar IPCC-rapporten. Ik krijg de indruk dat de Aarde daar niet veel zin in heeft. Ik weet natuurlijk dat het niet het IPCC is dat mensen in beweging brengt, maar de persoonlijke verhalen.

Verhalen waarin de planeet niet slechts een bol vol data is, maar een persoon met emoties, woede, lijden. Het zijn precies die sjamanistische elementen die ons een taal geven om te rouwen om wat verloren gaat. Misschien begrijpen we de opwarming, maar voelen we haar niet. En dat laatste is iets waarin de spiritualiteit iets weet wat de wetenschap allicht verloren is.

4. De problematische romantiek

Maar laat me ook niet in de val trappen van de modieuze bewondering voor ‘de ander’. Het verheerlijken van inheemse wijsheid kan net zo koloniaal zijn als haar negeren. De westerse mens is er meester in geworden om de ander te reduceren tot een decoratief geweten: een wijze man met veren op het hoofd, die op een klimaatconferentie een traan laat over Moeder Aarde, waarna de CEO’s van Shell en ExxonMobil beleefd applaudisseren en dan weer overgaan tot de orde van de dag.

Dit hoofdstuk is dus niet bedoeld als spiritueel zelfhulpmoment. Ik schrijf dit niet vanuit een tipi. Ik heb geen medicijnwiel naast mijn laptop. En als iemand me uitnodigt voor een cacao-ceremonie, denk ik vooral aan maagzuur. Maar wél stel ik voor dat we andere manieren van denken over de mens-natuurrelatie toelaten in ons gesprek; niet als exotisch bijgerecht, maar als alternatieve hoofdschotel. Mits we ook daar kritisch mogen kauwen, en niet alleen eerbiedig zwijgen.

Epiloog: Van ongemak naar inzicht

Dit hoofdstuk schrijf ik met enige tegenzin, en misschien juist daarom was het nodig. In de confrontatie met stemmen die mij vreemd zijn, merk ik hoe beperkt mijn eigen denkkader is en hoe snel ik neig tot cynisme als vorm van zelfbescherming. Misschien is het precies dat: een zelfbeschermingsmechanisme tegen de gedachte dat de planeet geen spreadsheet begrijpt. Dat zij misschien liever in rituelen spreekt, in rooksignalen en dansen, in regens die niet meer komen en vogels die de weg kwijt zijn.

En misschien — heel misschien — is het tijd dat ik leer luisteren, zelfs als ik het belachelijk vind.

Aan één iemand moet ik hier nog even heel respectvol aandacht besteden…

Hij hoort hier eigenlijk niet helemaal thuis. Hij is geen sjamaan, geen inheemse denker, geen priester van een vergeten natuurreligie. Hij brandt geen salie, draagt geen kralenketting, en bij mijn weten heeft hij nooit een trancereis gemaakt onder begeleiding van een trommel. Toch blijft hij maar opduiken, tussen al die spirituele stemmen als een oude, koppige meteoroloog die per ongeluk in een zweethut is beland en daar begint over CO₂-moleculen. Ik heb het over James Lovelock.

James Lovelock (1919–2022) was een van die zeldzame figuren die zich met evenveel gemak bewoog tussen laboratorium en kosmos. Oorspronkelijk opgeleid als chemicus, werkte hij als onafhankelijk onderzoeker, zonder academische aanstelling, maar mét indrukwekkende bijdragen aan NASA, de Royal Society en de milieuwetenschappen in het algemeen. Hij ontwikkelde onder meer de Electron Capture Detector, een instrument dat het mogelijk maakte uiterst kleine hoeveelheden verontreinigende stoffen in de atmosfeer op te sporen — technologie die mede leidde tot het verbod op cfk’s.

Toch is Lovelock vandaag vooral bekend vanwege een gedachte die hem decennialang zowel hoon als bewondering opleverde: de Gaia-hypothese.

De Gaia-hypothese: van intuïtie tot intellectuele provocatie

In Gaia: A New Look at Life on Earth (1979) introduceerde Lovelock zijn beroemd geworden hypothese: de aarde is geen louter levenloze planeet waarop toevallig biologische processen plaatsvinden, maar een zichzelf regulerend systeem waarin levende wezens en hun omgeving samenwerken om omstandigheden voor leven in stand te houden.

Het is geen new age-fantasie, maar een systeemtheoretisch model dat stelt dat de biosfeer, atmosfeer, oceanen en bodem met elkaar samenwerken op een manier die lijkt op homeostase in een organisme. Volgens Lovelock is de aarde als een lichaam waarin temperatuur, zuurgraad, zuurstofniveau en andere variabelen niet toevallig op leven bevorderende waarden blijven, maar actief gestuurd worden door levensprocessen zelf.

Hij noemde deze hypothese naar de Griekse godin Gaia — op voorstel van zijn vriend, de romanschrijver William Golding (bekend van Lord of the Flies) — en daarmee was de verwarring compleet. Want hoewel zijn ideeën voortkwamen uit wetenschappelijke observatie en wiskundige modellen, kreeg hij in de ogen van critici de geur van wierook mee. Men hoorde niet ‘systeemtheorie’, maar ‘moeder aarde’.

De vervolgrit: van Gaia naar The Revenge of Gaia

In The Revenge of Gaia (2006) klinkt Lovelock onheilspellender. In deze latere fase van zijn leven presenteert hij Gaia niet langer als een zorgzame moeder, maar als een entiteit die terugvecht. Als wij de planetaire balans te zeer verstoren — door ontbossing, vervuiling en CO₂-uitstoot — zal Gaia op haar eigen manier corrigeren. En die correctie hoeft niet mensvriendelijk te zijn. Denk: hittegolven, zeespiegelstijging, mislukte oogsten, pandemieën.

Zijn taal wordt hier poëtischer, en dat was voer voor sceptici. Toch bleef Lovelock zijn hypothese met meetbare data onderbouwen. Hij betoogde dat de aarde geen bewustzijn heeft, maar dat haar systemen zich gedragen alsof ze een organisme is. Dat onderscheid is cruciaal: Gaia is geen godin, maar een metafoor voor een planetaire feedback-loop.

Wat Lovelock daarmee doet, is wetenschap laten klinken als spiritualiteit, zonder de logica van het eerste of de aantrekkingskracht van het tweede te verliezen.

Filosofie op de rand van het redelijke

Lovelocks filosofie is ongemakkelijk precies omdat ze de grens tussen kijken naar en luisteren naar de aarde vervaagt. Waar traditionele milieufilosofie de mens als moreel actor positioneert binnen een kwetsbare natuur, draait Lovelock het om: de mens is een bijproduct van een veel groter systeem dat geen morele actor nodig heeft. Niet ‘wat doen wij de aarde aan?’, maar: ‘hoe lang duldt zij ons nog?’

Wat zijn werk zo bijzonder maakt, is dat hij met wetenschappelijke precisie spreekt over een entiteit die geen stem heeft — en haar tóch een stem geeft, zonder haar te romantiseren. Hij is geen profeet van het esoterische, maar een natuuronderzoeker die het aandurft om patronen in het ecosysteem als betekenisvol te behandelen.

Je hoeft zijn Gaia niet te aanbidden om haar serieus te nemen.

Waarom Lovelock niet zweverig is

De reden dat Lovelock niet in de mist van spiritualiteit verdwijnt, is omdat zijn hypothese toetsbare voorspellingen oplevert. Hij voorspelde bijvoorbeeld al in de jaren zeventig dat het aantasten van het regenwoud de temperatuurregeling van de planeet zou verstoren. Dat is inmiddels meetbaar gebleken. Zijn werk heeft ook invloed gehad op klimaatmodellen, aardwetenschap, systeemecologie en zelfs op ideeën rond geo-engineering.

Zweverig is Lovelock niet. Eerder ongemakkelijk visionair.

Opmaakfoutjes

Onafhankelijkheid, machtsuitoefening en meeloopgedrag.

Soms wil je een eerder geplaatst blogbericht herschrijven en opnieuw delen, omdat uit de reacties blijkt dat je bedoelingen niet duidelijk genoeg zijn overgekomen. In dit geval gaat het mij om een fundamenteel onderscheid tussen drie vormen van onwaarachtigheid. Niet elke vorm van misleiding is namelijk even verwerpelijk. Er bestaat een verschil tussen een leugentje om bestwil in dienst van de kunst, tussen verdraaiing als instrument van de macht, en tussen het schaamteloos meebuigen uit carrière-overwegingen. Anders gezegd: ik wil de spanning onderzoeken tussen onafhankelijke fictie, manipulerend beleid en volgzaam spreekbuisgedrag. Drie houdingen, drie motivaties: creatieve vrijheid, machtshandhaving en meeloperij.

In het vervolg laat ik drie voorbeelden zien, elk met een eigen soort ‘onwaarheid’. En ik nodig de lezer uit om zich af te vragen: welke van deze drie verdient eigenlijk de meeste afkeuring? Ter illustratie geef ik drie voorbeelden – drie ‘exhibits’ – elk belichamend een ander type onwaarachtigheid: artistieke fictie, politieke vervalsing en ideologische meeloopretoriek. De verschillen zijn soms subtiel, de uitwerking niet. Wat begint als spel of stijlkeuze, kan eindigen als massale misleiding. De vraag die daarbij steeds terugkomt, is: wanneer wordt onwaarachtigheid werkelijk kwalijk?

Exhibit Nr. 1: Een boekcover. Van een boek dat ik zogenaamd schreef. In werkelijkheid is het een mockup, laten we zeggen een oefening in zelfpromotie, over een window dresser met literaire aspiraties. Dan hebben we het over tweedegraads onechtheid. De inhoud bestaat niet. De buitenkant wel. Vorm zonder inhoud: een klassieker.

Exhibit Nr. 2: Het MAHA-rapport, dat onlangs werd gepresenteerd door minister van Volksgezondheid Robert F. Kennedy Jr. en zijn commissie. Make America Healthy Again heet het. Een pleidooi voor de gezondheid van kinderen, gebaseerd op studies die, oeps, niet bestaan of verkeerd geciteerd blijken te zijn. Gelukkig kun je zulke onwaarheden eenvoudig corrigeren door het rapport gewoon een beetje aan te passen. Beetje kneden, beetje bijsturen en de regering Trump sukkelt in al z’n leugenachtigheid voort tot het zoveelste schandaal.

Exhibit Nr. 3: Karoline Leavitt, Trump-woordvoerster, die het hele MAHA-debacle afdeed als ‘opmaakfoutjes’. Alsof het ontbreken van bewijs slechts een kwestie is van verkeerd geplaatste voetnoten.

Dus ik vraag u: wat is de érgste vorm van onechtheid? De fictieve façade van een verzonnen boek? De inhoudelijke vervalsing van een beleidsrapport? Of de bagatelliserende retoriek die alles reduceert tot een “formatting issue”? De lezer mag het zeggen. Maar lees eerst nog even mijn toelichting op alle drie de gevallen.

Laat ik, voordat men mij de maat neemt, direct schuld bekennen en Exhibit Nr. 1 persoonlijk verduidelijken (en verdedigen). Ja, ik heb een boekcover gefabriceerd van een boek dat niet bestaat. En nee, ik zie daar ethisch geen enkel bezwaar in. Integendeel: het is artistieke vrijheid, zelfexpressie, misschien zelfs een mild gebaar richting de denkbeeldige lezer die dit werk ooit had kunnen lezen. Geen misleiding, maar een spel. Geen oplichterij, maar een knipoog. Wat ik mezelf wél aanreken, is de opmaakfout. De titel valt weg tegen de achtergrond. Onleesbaar. Dát is pas schandalig. Dáár had een commissie zich over moeten buigen. Als we dingen verzinnen, laat het er dan op z’n minst goed uitzien.

Dan Exhibit Nr. 2: het MAHA-rapport. Een document dat pretendeert de gezondheid van Amerikaanse kinderen te beschermen, maar zich baseert op studies die niet bestaan, foutief geciteerd zijn of simpelweg uit de lucht komen vallen als engelen die te veel ivermectine hebben geslikt. Het werd plechtig gepresenteerd door minister Robert F. Kennedy Jr., die kennelijk zijn roeping als kwakzalver in marmeren zalen heeft gevonden. En ja, ik weet het, Kennedy is geen Trump, maar de geur is dezelfde: die van gladgestreken pseudowetenschap, netjes verpakt in patriotisme, met een strikje van “wij maken ons zorgen.” Het is niet eens subtiel meer. De waarheid wordt hier niet per ongeluk overgeslagen, ze is met opzet van het schoolplein gestuurd.

Onschuldige opmaaklol

Dit is geen op zichzelf staand incident. We hebben het over een politieke cultuur waarin orkanen met viltstift worden bijgetekend (Sharpiegate), waarin een pandemie “onder controle” was terwijl mensen stierven bij tienduizenden, waarin de verkiezingsuitslagen als fraude werden bestempeld omdat men simpelweg verloor (de lijst van voorvallen is veel langer*). En nu dus dit: een rapport over kinderen dat kinderen gebruikt om onwaarheden te verspreiden. Het zou tragisch zijn als het niet zo misselijkmakend was. Want ergens houdt het een keer op; al was het maar omdat de waarheid uiteindelijk altijd bovendrijft.

Exhibit Nr. 3 brengt ons bij Karoline Leavitt, Trumpwoordvoerster oftewel: wandelend spreekbuismeubelstuk van het post-truth tijdperk. In haar reactie op de ophef rond het MAHA-rapport sprak ze over “formatting issues,” alsof de afwezigheid van wetenschappelijke onderbouwing te herleiden was tot een slordig geplakte paginanummering of een vergeten regelafstand. Leavitt heeft zich ontwikkeld tot wat men in journalistieke kringen een ‘geselecteerde echo’ noemt. Er zijn stemmen die haar omschrijven als ‘a well-groomed amplifier of autocratic nonsense,’ of als ‘de spindoctor die vergeten is dat je soms ook een patiënt moet genezen, niet alleen symptomen verhullen.’

Waarom kiest iemand zo radicaal voor de rol van reclamelakei of blindvolger in een regime dat z’n eigen leugens niet eens meer fatsoenlijk hoeft te verpakken? Heeft het te maken met macht, met carrière, met ideologische driften die nog niet door de realiteit zijn ingehaald? Of is het gewoon makkelijker om op een zinkend schip de purser te blijven, zolang het buffet openblijft? Hoe dan ook: als “formatting issues” de samenvatting wordt van vier jaar presidentschap, dan weet je dat de inhoud al lang van de pagina’s is gewist.

Gelukkig is er de kunst. Kleinkunst in dit geval, want wie werkelijk wil begrijpen wie Leavitt is, hoeft alleen maar te kijken naar comédienne Lisandra Vazquez, die haar met zoveel verve, spot en precisie persifleert dat je soms vergeet dat je niet naar Leavitt zelf kijkt. En daarmee zijn we weer terug bij exhibit Nr. 1: de kunstmatige representatie, de uitvergroting, de fictionele façade. Want anders dan bij Leavitt is het bij Vazquez tenminste opzettelijk ironisch. Je kunt in al je onechtheid dus gewoon ook eerlijk zijn.

Karoline Leavitt versus Lisandra Vazquez


Misschien draait het uiteindelijk niet om de leugen zelf, maar om de context waarin ze wordt verteld. In de kunst knipoogt ze naar de waarheid, in de politiek maskeert ze haar, en in de propaganda vermomt ze zich als deugdzame bezorgdheid. En wie daarin meegaat, doet dat soms uit overtuiging, soms uit opportunisme. Maar zeg nu zelf: welke van de drie roept de meeste weerzin op? Niet elke vorm van onwaarachtigheid is even schadelijk, maar allemaal zeggen ze iets over de verhoudingen waarin ze ontstaan. De kunstenaar kiest voor illusie om vrijheid te winnen. De machthebber kiest voor vervalsing om die vrijheid in te perken. En de meeloper kiest voor gemak, carrière, of simpelweg overleving (‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’). De vraag is niet alleen welke vorm het ergst is, maar ook: welke laten we ongemoeid? Kunst mag misleiden, zolang ze er eerlijk over is. Macht verdraait, omdat ze zich onkwetsbaar waant. En wie dat met droge ogen verdedigt als ‘opmaakfoutjes’, maakt van ironie een rookgordijn. Misschien is dat wel de grootste onwaarachtigheid: doen alsof je niets te verbergen hebt, terwijl je niets te vertellen hebt.

*Een beknopte lijst van waarheidsovertredingen en realiteitsvervorming onder de Trump Administration:

De aanval op de Capitol (6 januari 2021)
– Een poging tot staatsgreep gevoed door fabels. De bestorming van de waarheid in real time.

Sharpiegate (2019)
– Toen Trump een orkaanvoorspelling eigenhandig “corrigeerde” met een viltstift om zijn eerdere uitspraak te staven. Klimaatwetenschap, maar dan als kleurplaat.

“We have it totally under control” (januari 2020)
– Over COVID-19, vlak voordat tienduizenden Amerikanen stierven en ziekenhuizen overspoeld werden. Vrede op aarde, met ventilatoren.

Bleachgate (april 2020)
– Trump suggereerde dat ontsmettingsmiddel misschien ingespoten kon worden bij mensen om het virus te doden. De wetenschap haalde diep adem (en nam afstand).

De herhaaldelijke bewering dat de verkiezingen van 2020 “gestolen” zijn
– Omdat verliezen simpelweg geen optie was. Rechters, hertellingen, en zelfs Trumps eigen kiescommissie vonden géén bewijs, maar het narratief bleef.

Charlottesville (“very fine people on both sides”, 2017)
– Over een neonazi-optocht waarbij een vrouw werd doodgereden. Een “gebalanceerde” kijk op haat, zogezegd.

De familiegesponsorde regeringsaanpak
– Jared Kushner kreeg het Midden-Oosten, Ivanka “empowerde” vrouwen, en Eric en Don Jr. mochten de tweets op smaak brengen. Diplomatie als familiebedrijf.

De immigratieban (“Muslim ban”, 2017)
– Een presidentieel decreet dat niet alleen moreel omstreden was, maar ook juridisch werd teruggefloten — meerdere keren.

Kinderen in kooien (2018)
– Migrantenkinderen gescheiden van hun ouders aan de grens. Later gepresenteerd als “een humanitaire maatregel.”

Altering hurricane maps vs. altering medical reports
– Van Sharpiegate tot MAHA-rapport: het patroon blijft gelijk. Eerst de waarheid, dan het potlood.

Alternative facts (2017)
– Kellyanne Conway verdedigde leugens over de inauguratie-opkomst met deze Orwelliaanse term. Waarheid? Keuzeoptie.

De beautytreatment van dictators
– Kim Jong-un was “a smart cookie”, Poetin “a strong leader”, en Mohammed bin Salman “maybe did it, maybe didn’t” (over de moord op Khashoggi). Realpolitik als fanclub.

Het weer opzeggen van het Klimaatakkoord van Parijs (2017)
– “Ik ben president van Pittsburgh, niet van Parijs.” Vervuilen met vlagvertoon.

De verheerlijking van hydroxychloroquine (2020)
– Naar eigen zeggen nam hij het zelf ook. Het hielp tegen malaria, niet tegen feiten.

Het uit de WHO stappen midden in een pandemie (2020)
– De logica: als je je oren dichtdoet, bestaat het virus niet.

Het Clinton-obsessie-circus
– “Lock her up” als standaard refrein, nog jaren na de verkiezingen. Alsof hij ’s nachts wakker werd van e-mails.

De Bible photo-op (2020)
– Protesten tegen politiegeweld werden hardhandig uiteengedreven, zodat Trump met een Bijbel (op z’n kop) op de foto kon voor een kerk. Religie als rekwisiet.

Het ontslag van inspecteurs-generaal en ambtenaren
– Onafhankelijke toezichthouders werden massaal aan de kant gezet. Controlemechanismen? Te negatief.

De mislukte coronatest-infrastructuur
– “Iedereen die een test wil, kan er een krijgen.” Spoiler: dat was niet zo. Tenzij je NBA speelde.

De ‘perfecte’ telefoontjes
– Naar Oekraïne (2020), waarin hij Zelensky onder druk zette om compromitterende info over Biden te vinden. Dat leidde tot de eerste impeachment. “Perfect” volgens Trump zelf. Zwart-wit, volgens iedereen met een geweten.

Het laten verdwijnen van het vertaalteam voor pandemieën (2018)
– In 2018 werd het pandemieteam bij de National Security Council ontbonden. Want wat kon er gebeuren?

Covfefe (2017)
– De legendarische onafgemaakte tweet. De eerste officiële presidentiële typo die tot filosofisch debat leidde.

De injectie van politiek in onafhankelijke instellingen
– FBI, CDC, FDA: alles werd politiek gereviseerd. Het ministerie van Volksgezondheid als verkiezingsinstrument.

De geheime belastingaangiftes
– Hij zou ze “binnenkort” vrijgeven. Spoiler: dat gebeurde pas via gerechtelijke dwang, en ze lieten zien dat hij nauwelijks belasting betaalde. Great businessman.

Trump University
– Technisch van vóór zijn presidentschap, maar in toon volledig op één lijn: een “universiteit” die vooral leergeld vroeg. Letterlijk.

Het voortdurend herhalen van leugens tot ze waar lijken
– Volgens The Washington Post meer dan 30.000 feitelijke onjuistheden in vier jaar tijd. Een gemiddelde van 21 per dag. Productiviteit in post-truth.

Het benoemen van rechters die het systeem langdurig conservatief verankeren
– Waaronder drie Hooggerechtshofrechters, mede verantwoordelijk voor de afschaffing van Roe v. Wade. Geen leugen, maar wel een blijvend gevolg van een man die zwoer bij chaos.

De wall die nooit kwam (of werd betaald door Mexico)
– De Grote Muur bleef steken in een paar honderd mijl hekwerk. Betaald door de Amerikaanse belastingbetaler.

De demonisering van de pers (“Enemy of the people”)
– Kritische media werden consequent beschuldigd van leugens, terwijl propaganda als “truth” verkocht werd. Orwell zou instemmend grinniken — of huilen.

De poging om poststemmen te saboteren
– Door de Postmaster General bewust postverwerking af te remmen. Post-truth werd letterlijk snail mail.

De Lafayette Square ‘rechtzetting’
– Het officiële verhaal was dat de ordetroepen demonstranten “toevallig” uit het park verwijderden vlak vóór Trumps fotomoment met de Bijbel. De werkelijkheid: het park werd leeggeknuppeld voor een PR-foto. Een scenariowijziging in real-time.

De orkaan die afboog dankzij een Sharpie (Sharpiegate)
– Omdat Trump ten onrechte zei dat orkaan Dorian ook Alabama zou treffen, werd er later een kaart getoond waarop het orkaanpad… met een stift was aangepast. Meteorologie à la Trump.

“Stand back and stand by”
– Tijdens een presidentieel debat vroeg men hem zich te distantiëren van racistische groeperingen. Zijn antwoord aan de Proud Boys: een bijna militaire opdracht. Dog whistle? Nee hoor, dit was een megafoon.

De Trump Tower bijeenkomst met Russische advocaten (2016)
– “Adoptiebeleid”, volgens het officiële verhaal. In werkelijkheid ging het over het verkrijgen van dirt over Hillary Clinton. Verloedering in ruil voor verkiezingswinst.

De poging om Groenland te kopen (2019)
– Echt gebeurd. Trump wilde Groenland kopen van Denemarken. Toen Denemarken het belachelijk vond, annuleerde hij het staatsbezoek. Imperialisme met kinderwens.

De suggestie om Californië ‘terug te geven’ aan Mexico
– Een van de off-the-record hersenspinsels van de president. Als je dan toch alles opnieuw wil onderhandelen…

Het injecteren van bleekmiddel (2020)
– Tijdens een persconferentie vroeg Trump zich hardop af of desinfectiemiddel niet “geïnjecteerd” kon worden in mensen om COVID-19 te bestrijden. De medische wereld sloeg collectief de handen voor de ogen.

De hernoeming van COVID-19 tot ‘Kung Flu’
– Een racistische grap in speeches, bedoeld om China de schuld te geven — maar ook om af te leiden van beleidstekort. Viruspolitiek met een vleugje nativisme.

De aanstelling van familieleden in sleutelposities
– Jared Kushner en Ivanka Trump kregen officiële functies in het Witte Huis. Geen ervaring nodig, zolang je bij de familie hoort. In het Trump Hotel, zeg maar.

De heroïsche mislukking van de Tulsa-rally (2020)
– Trump dacht een stadion vol aanhangers aan te treffen. Bleek dat TikTok-gebruikers massaal nepkaartjes hadden gereserveerd. Jongeren: 1, Oranjereus: 0.

De beschuldiging dat windmolens kanker veroorzaken (2019)
– Ja, echt. “The noise causes cancer,” zei hij. Wetenschappelijk gezien volstrekt onzinnig, maar wel goed voor de olie-industrie.

Het vernietigen van documenten (2022 onthuld)
– Na zijn termijn bleek dat Trump documenten doorscheurde, liet verdwijnen en zelfs in het toilet spoelde. Archiefbeheer zoals een kleuter zijn tekeningen selecteert.

Het Mar-a-Lago-documentenschandaal (2022–)
– Geheime documenten in een privéclub bewaard, in dozen tussen golfclubs en schoonmaakspullen. Bij een ander zou dit spionage heten. Bij Trump: “mijn persoonlijke souvenirs.”

De omarming van QAnon
– Hij retweette tientallen QAnon-gerelateerde accounts en weigerde afstand te nemen. Een president die samenzweringswaan omarmt alsof het beleid is.

De eindeloze recounts en audits in Arizona
– Duizenden dollars uitgegeven aan het controleren van al lang vastgestelde verkiezingsuitslagen. De enige die fraude pleegde, was ironisch genoeg… een Trump-stemmer.

Het “Go back to your country” tegen vier congresvrouwen (2019)
– Een expliciete racistische uitval naar vrouwen van kleur die — o ja — allemaal Amerikaans staatsburger zijn. Drie van hen zelfs geboren in de VS.

Het uitlachen van een gehandicapte journalist (2015)
– Een van de eerste momenten dat de wereld dacht: dit wordt hem nooit. Maar het werd hem. Moraal: onderschat nooit het gebrek aan moreel besef.

Het in twijfel trekken van de geboortestatus van Kamala Harris (2020)
– Na Obama was zij het volgende doelwit van birther-achtige theorieën. Ironisch genoeg geboren in Oakland, Californië. Duidelijker Amerikaans dan Trump zelf.

De claim dat hij de ‘meest milieuvriendelijke president ooit’ was
– Terwijl hij tegelijkertijd natuurgebieden opende voor olieboringen. Het enige groen aan zijn presidentschap was het geld.

De permanente campagne-modus
– Zelfs na zijn verlies ging Trump door met rallies, fondsenwerving en retoriek alsof hij nog regeerde. Een exit die voelt als een seizoensfinale met te veel cliffhangers.

Klusjes die uitgroeien tot existentiële vraagstukken

En dat alles in een onvindbaar boek van een onbekende schrijfster.

We zitten aan de altijd gezellige koffietafel in de bijkeuken van de wethouder en zoeken naar de naam van een Vlaamse schrijfster. Zijn vaste klusser kwam er mee. Nu breken we er gedrieënlijk ons brein op. Een boek waarvan hij wel de titel kent, die is gemakkelijk zat. Het heet De Klusser en het vertoont veel verwantschap met zijn eigen leven. Kom, hoe heet die vrouw nou toch?

De schrijfster laat je gniffelen om de herkenbaarheid van menselijke tekortkomingen en de kleine, ongemakkelijke waarheden van het bestaan. Ze schuwt de melancholie niet, maar balanceert die perfect met een humor die je tot nadenken stemt, waardoor je met een glimlach én een vleugje weemoed het boek dichtslaat. De vraag is wel: hoe heet de schrijfster? En luidt de titel van haar boek wel echt ‘De Klusser’?

Mensen van een jongere leeftijd dan wij, zouden al op Google zitten, of liever: een Chatbot raadplegen. Dat is niet wat wij als eerste geneigd zijn te doen. Die volharding van ons bevat een paradox: degene die het meeste baat hebben bij een digitaal hulpmiddel, spitten hun geheugen uit, terwijl jongeren, die nog fris van geest zijn, hun hersenen liever niet uitdagen als een AI-systeem het beter en sneller kan.

Griet Op de Beeck en Kristien Hemmerechts zijn de enige namen die ik op kan hoesten, maar nee, die zijn het allebei niet, verzekert de klusjesman. Verder komt er bij mij niets bovendrijven. Sterker nog: ik weet heel zeker dat er niets meer in zit. Het is niet zo verbluffend van het geheugen, vind ik, dat je, als je weet dat je iets weet, soms lang naar iets moet zoeken, tot het je te binnen schiet. Het raadselachtig mooie van je memorie is meer dat je in een splitseconde weet dat je iets niet weet.

Dit geldt, wat betreft de auteur, in ieder geval voor ons, de toehoorders. De klusser zit in dat andere proces; hij kan zichzelf wel voor z’n kop slaan. “Laat zitten”, troost de wethouder hem, “vertel ons eerst dat verhaal.” Nou goed, Het gaat over een vrouw die in een grote stad woont en een druk, enigszins chaotisch leven leidt. Ze besluit een klusjesman in te huren om wat zaken in haar huis op te knappen. Deze hulp blijkt echter meer te zijn dan alleen een handige Harry. Hun ontmoeting creëert een onverwachte band.

Dus onze klusjesman belandde ook in zo’n verhaal? Inderdaad ja. Wat begon als een zakenlijke relatie, kreeg al snel een meer persoonlijke en soms ongemakkelijke lading. De grens tussen privé en professioneel werd geschonden, nog voor het werk was gedaan. Sterker nog, de badkamer werd veel later betegeld dan gepland. Het kraantje bleef nog heel lang lekken. De passie vrat veel tijd op. Tot dusver nogal clichématig, denk ik stiekem. Eerlijk gezegd doet de titel me denken aan een bepaald soort film; een genre dat veel beter De Klusser kon heten.

Maar een ander thema uit het boek blijkt ook op te gaan voor de echte klusjesman, en dat maakt het al een stuk interessanter: de zoektocht naar betekenis. Net als de personages in het boek worstelde hij en zijn klant, na haar te hebben geschaakt voor het leven, met hun plek in de wereld en hun eigen verlangens en verwachtingen. “Is het een somber boek”, wil de wethouder weten? Oh nee, de kenmerkende humor en observaties van alledaagse situaties van de schrijfster, schijnen ruimschoots aan bod te komen.

Of, om zijn uitleg parafraserend over te nemen: de absurditeit van het moderne leven wordt met een droogkomische blik en scherpe dialogen blootgelegd. We moeten geen luidruchtige grappen verwachten; eerder een subtiele hilariteit die voortkomt uit onhandige sociale interacties, onvermijdelijke misverstanden en de soms ronduit bizarre logica waarmee de twee hun dagelijkse beslommeringen aanpakken.

Over die dagelijkse beslommeringen gesproken, waarvoor was de klusjesman eigenlijk naar hier gekomen? De wethouder legt uit dat er in de tuin een Acacia staat die om moet. De boom bezwijkt onder een klimop die zich er overwoekerend omheen heeft genesteld. “Is er echt geen redden meer aan?” vraag ik, mij richtend tot de klusser, om er ietwat betweterig aan toe te voegen: “kun je niet alleen de stam van de klimop doorzagen en wachten tot die is afgestorven?”

Onzin natuurlijk. “We hebben het te lang op z’n beloop gelaten” is zijn resolute antwoord. Terwijl ik berust in dit oordeel en ervan uitga dat hierover alles wel gezegd is, voegt de klusjeman er plotseling aan toe: “Sommige verbintenissen nemen alle ruimte in. Relaties kunnen opeens heel verstikkend zijn, een wurggreep die doet denken aan een liefde die te allesomvattend was.” Hij heeft wel drie verschillende zagen meegenomen. Het is duidelijk: beide planten moeten er voorgoed aan geloven.

De waarheid als minderheidsstandpunt

Waarom feiten geen voeten aan de grond krijgen.

The GreenXtreme – hoofdstuk 6

Er zijn momenten waarop de werkelijkheid zich in alle helderheid aandient. Een alarmerend klimaatrapport, een verdwijnende gletsjer, de onafwendbare opwarming van de aarde. En toch lijkt die werkelijkheid steeds minder vat te krijgen op het publieke bewustzijn. Hoe valt het te verklaren dat feiten, hoe goed onderbouwd ook, niet langer vanzelfsprekend gezag hebben? Wat zegt dat over onze verhouding tot kennis, tot waarheid, tot elkaar? In dit hoofdstuk probeer ik te begrijpen waarom de moderne mens — ondanks een overvloed aan informatie — steeds moeilijker tot inzicht komt.

Onlangs las ik de samenvatting van een rapport van het IPCC. De boodschap was helder, ondubbelzinnig en niet nieuw: de zeespiegel stijgt sneller dan eerder gedacht, gletsjers smelten in rap tempo, en het risico op overstromingen neemt toe. In IJsland werd in 2019 al afscheid genomen van de eerste verdwenen gletsjer, en in de Zwitserse Alpen hield men een symbolische begrafenis voor de Pizol-gletsjer. De wetenschappelijke conclusie laat aan duidelijkheid niets te wensen over: als overheden niet snel en gecoördineerd handelen, zal de schade aan ecosystemen en menselijke leefgebieden onomkeerbaar zijn.

Maar wat mij telkens weer verbaast, is dat zulke glasheldere waarschuwingen zo weinig weerklank vinden buiten de kringen van degenen die toch al overtuigd zijn. Waarom raken deze feiten niet verankerd in het publieke bewustzijn? Ik vraag me af: wat is er aan de hand met onze verhouding tot kennis en waarheid? Waarom laten zoveel mensen zich niet leiden door wat de wetenschap aantoont, maar juist door wat hen bevalt; door geruchten, gevoelens, vermoedens of de opinie van een vage bekende op sociale media?

Ik hoor steeds vaker zeggen dat de NOS onbetrouwbaar is. Dat ‘de wetenschap ook maar een mening’ is. Dat klimaatverandering een hoax zou zijn. En deze uitspraken komen zelden als uitnodiging tot een gesprek. Integendeel: ze worden uitgesproken met een agressieve zekerheid die weinig ruimte laat voor twijfel of nuance.

De opmars van klimaatwetenschapsontkenning. Boze boeren met hun trekkers naar Den Haag, worden door sympathisanten toegejuicht als bevrijders. In een tijdperk van informatieovervloed laat sympathie zich zelden sturen door cijfers. Het toont aan hoe moeilijk het is om feiten nog vaste grond te geven in een omgeving waar gevoel, groepsdenken en wantrouwen vaak meer gewicht hebben dan bewijs. Terwijl rapporten wijzen op de noodzaak van ingrijpende veranderingen in de landbouw, klinkt op de viaducten het applaus voor wie zich hiertegen verzet. Wat gebeurt er als emotie en identiteit zwaarder gaan wegen dan kennis en analyse? Het spanningsveld tussen noodzakelijke beleidsmaatregelen en publieke beleving komt steeds vaker tot uiting op straat.

Zouden deze mensen een organisatie als het IPCC überhaupt nog als gezaghebbend beschouwen? Want dat gezag is voor mij wél van belang. Ik zie het IPCC als een van de weinige instituten waar het zoeken naar waarheid nog onderworpen is aan een collectieve, transparante en internationale toetsing. Het is geen los collectief van klimaatactivisten, maar een samenwerkingsverband van honderden wetenschappers van over de hele wereld. Zij doen zelf geen nieuw onderzoek, maar bundelen de resultaten van talloze studies die door vakgenoten zijn beoordeeld. In een zorgvuldig proces van commentaar, revisie en toetsing wordt geprobeerd tot een zo objectief mogelijk overzicht te komen van wat we weten en wat nog niet.

Toch wordt ook dit werk gewantrouwd, genegeerd of belachelijk gemaakt. En dat brengt me bij de bredere vraag die ik me al langer stel: waarom slagen moderne democratieën er niet in een onderwijssysteem te ontwikkelen dat bijdraagt aan een breed gedeeld werkelijkheidsbesef; een systeem dat mensen leert hoe ze objectieve waarheid kunnen herkennen, meningen en manipulatie kunnen onderscheiden, en er moreel en intellectueel verantwoord naar kunnen handelen?

Misschien is het probleem dat democratieën weliswaar uitgaan van een vrij en kritisch individu, maar tegelijkertijd worstelen met de paradox dat onderwijs niet enkel kennisoverdracht is, maar ook een morele en epistemologische vorming vereist. In plaats van leerlingen te leren hoe te denken, krijgen ze vaak alleen te horen wat ze moeten weten, los van context, twijfel of zelfreflectie.

Bovendien functioneren democratische samenlevingen binnen een medialandschap en een markteconomie die eerder gebaat zijn bij opinie dan bij waarheid, bij indrukken dan bij inzicht. Het onderwijs weerspiegelt dat spanningsveld. Waar het idealiter zou moeten dienen als tegenkracht tegen desinformatie en groepsdenken, is het vaak zelf onderhevig aan politieke en economische belangen die waarheidsvorming ondermijnen.

Het tragische gevolg is dat in een tijdperk van overvloedige informatie juist het vermogen ontbreekt om de betrouwbaarheid van die informatie te beoordelen. Democratieën hebben vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel, maar lijken vergeten dat vrijheid zonder vorming mensen eerder vatbaarder maakt voor illusies dan voor waarheid.

Speelt in dit falen van het onderwijs ook niet mee dat een groeiende groep mensen – die de ouders zijn van schoolgaande kinderen – tegenwoordig diep wantrouwen koestert tegenover alles wat zelfs maar zinspeelt op intellectualisme, expertise of de wetenschappelijke methode? Hoe valt dit anti-intellectualisme te verklaren binnen een samenleving die zegt waarde te hechten aan kennis en waarheid?

Wantrouwen speelt een steeds grotere rol en het is symptomatisch voor een bredere crisis van vertrouwen in instituties, elites en kennisstructuren. Wat ooit gold als gezaghebbend — de universiteit, de wetenschappelijke consensus, de vakexpert — wordt steeds vaker gezien als onderdeel van een ondoorzichtige, afstandelijke of zelfs vijandige bovenlaag.

Dit anti-intellectualisme komt niet uit het niets. Het is deels een reactie op de manier waarop kennisinstellingen zich gepresenteerd hebben: vaak als afstandelijk, betweterig of wereldvreemd, niet ingebed in de belevingswereld van gewone mensen. Voeg daarbij decennia van economische ongelijkheid, culturele vervreemding en digitale desinformatie, en je krijgt een voedingsbodem waarop wantrouwen welig tiert.

Het onderwijs, in plaats van een brug te slaan tussen kennis en samenleving, lijkt vaak te falen in het ontwikkelen van echte intellectuele veerkracht: het vermogen om kritisch te denken én je open te stellen voor wat je (nog) niet weet. Dat maakt mensen vatbaarder voor simplificaties, complottheorieën en sentimenten waarin kennis wordt vervangen door gevoel, en waarheid door overtuiging.

In zekere zin zijn we terechtgekomen in een democratische paradox: vrijheid van denken zonder de vorming die nodig is om die vrijheid zinvol te gebruiken, leidt niet tot verlichting, maar tot verwarring. En in die verwarring wordt de boodschapper — de wetenschapper, de leraar, de intellectueel — steeds vaker gewantrouwd of zelfs veracht.

Tot nu toe heb ik het nog nauwelijks gehad over wat misschien wel de grootste structurele verandering is geweest in onze verhouding tot kennis: de opkomst van het internet. Waar het ooit hoopvol werd onthaald als een digitale bibliotheek voor iedereen, heeft het zich inmiddels ontwikkeld tot iets veel dubbelzinnigers. Ik denk vaak: op het moment dat toegang tot informatie universeel werd, werd de waarheid juist fragieler. Het internet heeft ons niet alleen ongefilterde toegang tot kennis gegeven, maar ook tot misleiding, verdachtmaking en een constante stroom van prikkels. Het resultaat is een nieuw soort verwarring, een verwarring die ik dagelijks zie, hoor en voel.

Ik merk het steeds vaker: het internet is voor velen niet langer een plek van kennisverwerving, maar van wereldbevestiging. Wat begon als een revolutionair democratisch medium waarin iedereen toegang kreeg tot informatie, is gaandeweg verworden tot een labyrint van meningen, algoritmen en zelfversterkende waarheden. De suggestie dat je online ‘zelf op onderzoek kunt gaan’ wordt vaak gepresenteerd als een daad van intellectuele onafhankelijkheid, maar leidt in de praktijk zelden tot werkelijk inzicht. Het is eerder een oefening in bevestigingsdrang.

Ik zie hoe mensen niet zoeken naar wat waar is, maar naar wat hen past. En het internet biedt precies dat: een eindeloze voorraad aan halve waarheden, suggestieve video’s en alternatieve verklaringen; vaak verpakt in een toon van urgentie of ontmaskering, alsof de officiële kanalen iets achterhouden. Het idee dat er achter elke wetenschappelijke consensus een verborgen agenda schuilt, is inmiddels mainstream geworden. In die context wordt het IPCC niet gezien als het resultaat van decennialang gecoördineerd onderzoek, maar als een instrument van macht. En dat doet pijn, niet alleen intellectueel, maar ook moreel.

Wat mij het meest verontrust, is hoe makkelijk iedereen inmiddels zijn eigen ‘werkelijkheid’ kan construeren. Dankzij algoritmen en sociale media worden mensen voortdurend gevoed met informatie die aansluit bij hun bestaande overtuigingen. De bubbel versterkt het zelfgevoel, het idee dat je ‘wakker’ bent of ‘ziet wat anderen niet zien’. Het gevolg is een vorm van cognitieve isolatie: wie twijfelt aan de groepswaarheid, wordt verbannen of veracht. Wie vragen stelt, is al snel een ‘slaapkop’ of ‘deugmens’. Ik ervaar dat als beangstigend; niet omdat mensen kritisch zijn, maar omdat het begrip ‘kritisch’ gereduceerd is tot wantrouwen jegens alles wat buiten het eigen denkraam valt.

Wat me raakt, is dat deze dynamiek het gesprek ondergraaft. Waar je vroeger kon twisten over interpretaties, is nu zelfs de werkelijkheid zelf inzet van strijd. We delen geen feiten meer, alleen frames. En wie vasthoudt aan de waarde van wetenschappelijke toetsing of empirisch bewijs, wordt snel weggezet als elitair of naïef. Ik voel me daardoor soms ontheemd in een samenleving die vrijheid van meningsuiting verwart met vrijheid van verzinsels, en waarin het ‘weten’ het dreigt af te leggen tegen het ‘vinden’.

Feiten verdwijnen zelden met veel vertoon. Ze lossen op in de ruis, ongemerkt, verdrongen door meningen die aantrekkelijker klinken of emotioneler aanvoelen. Toch geloof ik niet dat we het op moeten geven. De waarheid heeft geen marketing nodig, maar wel moedige mensen die haar blijven verdedigen; in het onderwijs, in de wetenschap, in het dagelijks gesprek. Als er iets is dat we onze tijd mogen toewensen, dan is het niet méér kennis, maar méér bereidheid om haar onder ogen te zien. Dat begint niet bij de ander, maar bij onszelf.

De afvoergoot van wellness naar fascisme

Voedt de Wellnessbeweging het extreemrechtse gedachtengoed? (deel 2)

Ik las het verhaal van een vriendelijke vrouw. Ze was lid van een meditatiegroep. De groep kwam al tientallen jaren gelukkig bijeen, verenigd door een gedeelde interesse in onderwerpen als milieukwesties, spirituele zaken en alternatieve gezondheid. Er zaten mensen in de groep die ze beschouwde als vrienden. Ze ging ervan uit dat zij en haar groepsgenoten op dezelfde golflengte zaten.

Acht verhalen uit sektarische bewegingen.

Toen kwam de Coronacrisis. Ongelukkigerwijs kreeg ze zelf Covid en werd ze opgenomen in het ziekenhuis. In die periode ging ze beseffen dat er iets belangrijks was veranderd. Een vriend uit de groep zocht haar op tijdens het bezoekuur. Deze vertelde haar dat ze geen Covid had. Hij liet zich heel stellig uit. De vrouw vroeg: ‘Maar waarom denk je dan dat ik hier lig?’ De vriend gaf toe dat ze ziek was, maar bleef erbij dat het iets anders moest zijn dan Covid-19, omdat Covid niet echt was.

Deze roman volgt Jane, een jonge PR-professional die verstrikt raakt in een exclusieve wellnessretreat geleid door de charismatische Cass. Het boek biedt een satirische blik op de wellnessindustrie en hoe deze inspeelt op onzekerheden en het verlangen naar zelfverbetering.

Later ontdekte ze dat de meditatiegroep, in haar afwezigheid, steeds meer naar extreemrechtse opvattingen was verschoven. De standpunten grensden nu aan racisme en zeer pro-Russische opvattingen met betrekking tot de oorlog in Oekraïne. Het begon vooral met gezondheidskwesties, met ‘Covid bestaat niet’, anti-lockdown felheden, anti-mondkapjes agressie. Het werd anti-alles: ‘De NOS liegt, luister niet naar hen; volg wat je op internet ziet.’

Gebaseerd op persoonlijke ervaringen, vertelt deze roman het verhaal van Michelle Thomson, die tijdens een periode van werkloosheid een spiritueel seminar bijwoont en geleidelijk wordt meegesleurd in een cultachtige groep. Het boek biedt inzicht in de psychologische mechanismen van cultvorming.

De situatie escaleerde toen op een dag, voorafgaand aan een meditatiesessie – een activiteit die goedbeschouwd bedoeld zou moeten zijn om de geest en de ziel te ontspannen en alle wereldse zorgen opzij te zetten – de groep een samenzweerderige video afspeelde waarin werd beweerd dat 15-minutensteden* en gebieden met weinig verkeer onderdeel waren van een wereldwijd complot. Uiteindelijk gaf ze het op.


* Felle kritiek op het concept van de 15-minuten steden komt regelrecht van de QAnon-beweging in Amerika. Het begrip 15-minute-cities verwijst naar een stadsplanningsconcept waarbij alles wat een persoon nodig heeft, zoals werk, winkels, scholen, recreatie en diensten, binnen een straal van 15 minuten lopen of fietsen van hun woning ligt. Dit concept is gericht op het verminderen van afhankelijkheid van auto’s, het bevorderen van duurzaamheid en het creëren van leefbare en gezonde stedelijke omgevingen. Mensen binnen de QAnon-beweging beweren dat 15-minute cities een onderdeel vormen van een groter wereldwijd complot. Deze claim wordt waarschijnlijk gebruikt om wantrouwen en angst te zaaien over stedelijke planning en beleidsmaatregelen die gericht zijn op duurzaamheid en kwaliteit van leven. Dergelijke beweringen worden vaak zonder enig bewijs gedaan en maken deel uit van idiote samenzweringstheorieën.

Je zou denken dat deze radicalisering van een aardige, middenklasse, hippie-achtige groep een incident is, maar de realiteit blijkt anders. De ‘wellness-naar-waanzin-verschuiving’ (of zelfs de ‘wellness-naar-fascisme-transitie’) baart zorgen bij mensen die samenzweringstheorieën bestuderen. En de ellende houdt niet op bij een paar gedeelde video’s onder vrienden. Sta mij toe dat ik inzoom op twee voorbeelden van individuen die aanvankelijk ideeën leken te verspreiden die vrij onschuldig leken; namelijk een veganistische voedselgoeroe en een naar oude ‘natuurwijsheden’ terugverlangende sjamaan.

Een van de leiders van de Duitse tak van de QAnon-beweging verspreidt een samenzweringstheorie gebaseerd op het geloof dat Donald Trump strijd voert tegen een kliek van satanische pedofielen. Deze groep zou geleid worden door onder andere Hillary Clinton en George Soros. Attila Hildman stond aanvankelijk vooral bekend als auteur van veganistische kookboeken. In 2021 hielp hij bij het leiden van een gewelddadige protestactie, waarbij demonstranten de trappen van het Duitse parlement bestormden. Zijn radicalisme in QAnon en online extreemrechtse kringen was zo groot dat hij onderwerp werd van politieonderzoek in verband met meerdere vermeende misdaden. Hij vluchtte naar Turkije voordat hij kon worden gearresteerd.

In deze roman verhuist Anita, een jonge vrouw, naar Los Angeles en raakt betrokken bij een exclusieve fitnessgroep genaamd “The Goddess Effect”. Het verhaal onderzoekt hoe de wellnessindustrie transformatie belooft, maar vaak leidt tot een cultachtige gemeenschap.

Op dezelfde manier lijkt Jacob Chansley aanvankelijk slechts een beoefenaar van ‘sjamanistische kunsten’ en pleitbezorger van onschuldig ogende wellnessideeën zoals het eten van natuurlijk en biologisch voedsel. Hij radicaliseerde tot iemand die kon worden omschreven als ‘ecofascist’ en ‘QAnon-sjamaan’, maar kwam pas echt naar voren als een gevaarlijke extreem-rechtse radicaal toen hij – uitgedost met gezichtsverf en gehoornd hoofddeksel – één van de meest zichtbare gezichten werd van de aanval op het Amerikaanse Capitool op 6 januari 2021.

Misschien moeten we voortaan al op onze hoede zijn als mensen zich, in al hun ogenschijnlijk onschuld, afficheren (of laten afficheren) als goeroe of sjamaan.

Deze dystopische roman volgt een muzikale prodigé die gaat werken bij een high-end med spa. Het boek onderzoekt thema’s van wellness, schoonheid en identiteit, en stelt kritische vragen over de invloed van de wellnessindustrie op persoonlijke waarden.

Wellness-rechts: irritant symptoom van een zelfzorgmaatschappij


Voedt de wellnessbeweging het extreemrechtse gedachtegoed? (deel 1)

Binnen de westerse ‘wellnesscommunity’ staat de eigen vitaliteit nogal hinderlijk centraal. Het is volgens mij een misvatting om deze gemeenschap te zien als louter gericht op het bewandelen van het vredelievende pad van samenhorigheid en altruïsme. De meerderheid van de beoefende vormen van spiritualiteit, yoga en meditatie voldoet aan strikt persoonlijke behoeften in een samenleving waar stress een groeiend probleem vormt. Deze praktijken sluiten eerder aan bij puur individualistische denkwijzen dan bij de tradities van het oude oosten.

Geraadpleegde literatuur

De huidige westerse bevolking geniet van aanzienlijk meer vrijheden dan vorige generaties, maar staat tegelijkertijd bloot aan verhoogde competitie. Traditionele gemeenschappen bieden niet langer de steun die ze vroeger boden. Hierdoor is er een sterke vraag naar methoden om stress te verminderen en even te ontsnappen aan de competitieve druk.

Vijftig jaar geleden brachten vertegenwoordigers van de ‘tegencultuur’ oosterse praktijken zoals spiritualiteit, yoga en meditatie naar het Westen. Het waren voornamelijk hippies die de lotushouding omarmden en spiritueel geinspireerde comtemplatie begonnen te beoefenen. Deze toenmalige advocaten van ‘love, peace and understanding’ vormen een scherp contrast met de moderne Wellnesszoekers. De eerstgenoemden zouden voor regelrechte sarcasten zijn uitgemaakt als zij zich zo egocentrisch hadden opgesteld als de huidige generatie in haar zoektocht naar welzijn.

Vandaag de dag worden in Nederland vele vormen van spiritualiteit, yoga en meditatie onderwezen. Zowel zen als tai chi hebben hier bijvoorbeeld een aanzienlijke aanwezigheid. Hoewel de ‘oosterse’ bewegings- en bewustzijnstechnieken niet over één kam te scheren zijn, is de ik-gerichtheid in al het geestbevrijdende zoeken opmerkelijk. Ik wil niet generaliseren maar ik heb de huidige Wellnessbeweging nou niet bepaald kunnen betrappen op progressiviteit en een streven naar verbondenheid. De recente pandemie heeft zelfs aangetoond dat deze groep ook radicaal rechtse opvattingen kan omarmen.

Door middel van boeddhistische meditatietechnieken zouden mensen moeten leren dat het concept van het ‘zelf’ een illusie is en dat ze enkel bestaan in relatie tot andere levende wezens. In mijn omgang met westerse wellnessbeoefenaren loop ik echter steeds weer tegen dezelfde tegenstrijdigheid aan: zij die zich aangetrokken voelen tot technieken die bedoeld zijn om los te komen van het ‘zelf’, zijn juist enorm sterk op zichzelf gericht, en vinden, in vaak peperdure cursussen, manieren om nog meer aandacht aan zichzelf te besteden.

De tegenstelling is duidelijk: westerse mensen die zich verdiepen in ‘oude oosterse’ praktijken van verbondenheid en bewustwording, kunnen juist egoïstischer worden van meditatie of andere wellness-bezigheden. Dit is deels te verklaren doordat veel van deze praktijken helemaal niet zo oud en oosters zijn als ze lijken. Sommige zijn meer verbonden met de moderne westerse nadruk op individuele gezondheid en welzijn dan met de tradities van het oude India.

Het boeddhisme nam in verschillende cultuurgebieden verschillende vormen aan. Boeddhistische leraren die in de 19e en 20e eeuw naar Europa en de VS kwamen, merkten dat moderne westerlingen behoefte hadden aan contemplatieve oefeningen en ademhalingstechnieken. Meditatie was geen kernaspect van het Aziatische boeddhisme, maar werd wel prominent binnen het ‘nieuwe boeddhisme’. De afgelopen decennia zijn er talloze varianten ontstaan, gericht op stressvermindering. Het is onbetwistbaar dat mindfulness en andere therapeutische toepassingen aanslaan bij mensen die lijden onder de druk van individualistische en competitieve maatschappijen.

Wat echter gebruikt wordt voor stressvermindering kan ook worden ingezet om nog beter om te gaan met stress in pogingen om beter te worden dan anderen. Meditatie wordt steeds vaker gezien als een soort mentale training op weg naar de top, een investering in de eigen kracht om concurrenten de loef af te steken. Het resultaat is meer mentale focus, competitievermogen en weerbaarheid. Intensieve meditatietrainingen zijn populair onder diegenen met veeleisende banen en lange werkweken.

In het geval van yoga is het idee van ‘investeren in jezelf’ nog prominenter aanwezig. Dit is niet toevallig, aangezien veel van de lichaamsculturen die in de vroege 20e eeuw in Europa opkwamen, vergelijkbaar waren. De yoga zoals die door veel westerlingen wordt beoefend, heeft minstens evenveel te maken met 20e-eeuwse Scandinavische gymnastiek als met de oude Indiase tradities.

In de oorspronkelijke hindoeïstische yogatraditie hadden de befaamde yogahoudingen (asana’s) een marginale rol. Deze houdingen werden herontdekt in India toen westerse bodybuilding aan populariteit won in de vroege 20e eeuw. Veel staande yogahoudingen, die niet voorkomen in traditionele hatha-yoga, zijn afkomstig van de Deense gymnastiek van Niels Bukh.

Dit individualistische en competitieve universum staat lijnrecht tegenover het ideaal van liefde en collectiviteit dat de hippiebeweging vijftig jaar geleden omarmde. Toch kan betoogd worden dat zelfgerichtheid en hedonisme ook destijds aanwezig waren in deze tegenbeweging. Velen verlieten traditionele structuren om hun eigen weg te gaan en afstand te nemen van autoriteit.

Opmerkelijk genoeg zien we een vergelijkbare tendens in de huidige tijd, zij het in een andere politieke context. Wat eens een linkse tegenbeweging was, wordt nu vaak als rechts beschouwd. Echter, als we de traditionele politieke tweedeling vervangen door een breder anti-establishmentdenken en een idee van hedonistische vrijheid, worden de verschillen minder absoluut.

Het is opvallend dat veel mensen, bij wijze van ‘zelfinvestering’, juist meer op zichzelf gericht raken. Ze ontwikkelen ‘geheime wapens’ waarmee ze anderen kunnen overtreffen in vitaliteit, weerstand kunnen bieden aan tegenstanders en nog harder kunnen meedraaien in de competitie.

Tijdens de pandemie is de ware aard van de westerse yoga- en mindfulnessgemeenschap aan het licht gekomen. Mijn eerdere negatieve, misschien wat generaliserende, uitspraken dateren van lang daarvoor, toen alles wat er over die gemeenschap werd gezegd bijna te mooi leek om waar te zijn. Mijn scepsis blijkt niet geheel onterecht te zijn geweest, hoewel ik moet erkennen dat nuances en complexiteit mijn eenzijdige perspectief geen kwaad doen.

Er bestaan talloze mensen die werkelijk profijt halen uit praktijken als yoga, meditatie en verwante activiteiten. Velen van hen worden er juist minder zelfzuchtig van, ontwikkelen een verhoogd bewustzijn van anderen en hun omgeving, en krijgen een dieper begrip van het grotere geheel. Ze zien door hun verhoogde bewustzijn de valkuilen in van competitie.

De vraag wanneer spiritualiteit oprecht is en wanneer deze als volkomen oppervlakkig moet worden aangemerkt, blijft mij wel bezighouden. De impact van meditatie op de menselijke hersenen is een onderwerp dat misschien aan experts moet worden overgelaten. Ik kan slechts stellen dat de effecten sterk kunnen variëren van persoon tot persoon.

Het is van groot belang dat de deugdzamen niet lijden onder de daden van de minder oprechten. Thich Nhat Hanh, de Vietnamese zenmonnik, benadrukt de onderlinge verbondenheid van alle dingen en legt uit dat niets geïsoleerd bestaat zonder enige relatie tot iets anders, en dat egoïsme nergens toe leidt. Zijn verzameling werk transformeert onmiskenbaar technieken uit de zenmeditatie in oefeningen van altruïsme.

Sta me niettemin toe om – tot slot – mijn aandacht te richten op de volgende verontrustende gevallen:

Tijdens de pandemie vertoonden organisaties zoals Stichting Moederhart en Vrouwen voor Vrijheid affiniteit met Forum voor Democratie. Verscheidene individuen die zichzelf als spiritueel bewust beschouwden, werden gezien in verband met Willem Engel en verklaarden openlijk hun steun voor Baudet. Degenen die vrijheid en verbondenheid met Moeder Aarde predikten, bevonden zich plotseling verstrengeld met klimaatontkenners van de uiterst rechtse beweging. Personen geworteld in welzijn onthulden onverwacht affiliaties met rechtse nationalisten en ultraconservatieven, waarbij ze een voorkeur toonden voor eigenrichting. Ze werden aangetrokken tot de Alt-right beweging, liepen in optochten mee met aso’s, hufters en andere boze witte mannen, lieten zich interviewen door Ongehoord Nederland en andere radicaal-rechtse mediaplatforms, en dit alles omdat de lockdown hen belette om deel te nemen aan yogalessen, pilates-workouts en sauna’s.

Dat stukje recente geschiedenis is iets wat ik voor altijd zal blijven onthouden.

Eigen welzijn eerstRoxane van Iperen
Essay over hoe de middenklasse haar liberale waarden verloor. Een kritische blik op individualisme, neoliberalisme en de afbrokkeling van solidariteit.

Why Wellness Sells – Colleen Derkatch
Derkatch analyseert hoe de wellness-industrie collectieve sociale problemen presenteert als individuele verantwoordelijkheden. Ze bespreekt hoe deze benadering mensen afleidt van structurele oorzaken van gezondheidsproblemen en hoe dit kan leiden tot het negeren van maatschappelijke solidariteit.

The Wellness Syndrome – Carl Cederström & André Spicer
Een filosofisch-sociologische kritiek op de obsessie met gezondheid, positiviteit en zelfoptimalisatie — ten koste van autonomie en kritisch denken.

Strange Rites – Tara Isabella Burton
Een beschrijving van hoe nieuwe vormen van spiritualiteit en wellness het traditionele geloof vervangen — vaak zonder kritisch denken.

The Wellness Trap – Christy Harrison
Harrison onderzoekt hoe de wellness-industrie, onder het mom van gezondheid en zelfzorg, vaak desinformatie verspreidt en mensen vatbaar maakt voor complottheorieën. Ze legt uit hoe deze industrie inspeelt op angsten en onzekerheden, wat kan leiden tot het afwijzen van reguliere medische zorg en het omarmen van pseudowetenschappelijke ideeën.

Standvastig – Svend Brinkmann
Brinkmann bekritiseert de zelfhulpcultuur die voortdurend aandringt op zelfverbetering en persoonlijke groei. Hij betoogt dat deze focus op het individu kan leiden tot narcisme en het negeren van maatschappelijke verantwoordelijkheden.

McMindfulness – Ronald Purser
Een scherpe kritiek op hoe mindfulness is gekaapt door neoliberale en commerciële belangen, los van de oorspronkelijke boeddhistische context.

Complotdenkers – Maarten Reijnders
Behandelt ook het spirituele complotdenken (bijv. QAnon met new-age trekjes) en hoe dit samenhangt met wellnesscircuits.