Agro-industrie & boerocratie doen denken aan anarcho-primitivisme: landbouw als bron van een cliëntelistische staat die boeren helpt via subsidies en uitzonderingsregels. Resultaat: een sector die vasthoudt aan een vervuilend overlevingsmodel. En die critici bedreigt.
De begrippen agro-industrie en ‘boerocratie’ vertonen een sterke ideologische verwantschap met het anarcho-primitivisme. Deze stroming voert de wortels van hiërarchie en sociale dwang terug naar de neolithische revolutie: het moment waarop de mens overstapte van het jagen en verzamelen naar vaste landbouw. In deze visie was de ‘uitvinding’ van de boer de noodzakelijke voorwaarde voor de geboorte van de staat, die immers afhankelijk was van belastbare overschotten.
In de moderne tijd heeft de staat de agro-industrie verder vormgegeven via een complex stelsel van prijssteun, garanties en uitzonderingsbepalingen. Dit beleid was primair gericht op schaalvergroting en maximale productie, waarbij de ecologische grenzen vaak ondergeschikt werden gemaakt aan economische belangen. Hierdoor is een systeem ontstaan waarin boerenbedrijven structureel afhankelijk zijn geworden van subsidies en industriële input (zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen).
Deze ‘lock-in’ creëert een situatie waarin de agrarische sector vastzit in een kapitaalintensief model. De weerstand tegen strengere milieunormen komt dan ook voort uit een economisch overlevingsmechanisme: binnen het huidige agro-industriële kader is de overstap naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor velen financieel onhaalbaar zonder de volledige afbouw van het huidige systeem.
PS: Ik spreek in het BlueSky-bericht van een cliëntelistische staat, omdat ik wil wijzen op de politieke “vriendjespolitiek” waarbij de staat de agrarische achterban tevreden houdt met gunstige regels in ruil voor steun. Misschien had ik nog beter kunnen kiezen voor het woord corporistisch. Een corporatistische staat kenmerkt zich namelijk door de nauwe verwevenheid tussen de overheid en grote belangengroepen (zoals de agro-industrie). Dit dekt precies de lading van de ‘boerocratie’: een systeem waarin beleid, subsidies en uitzonderingsregels worden afgestemd op de belangen van de gevestigde machtsblokken. En dan is er een nog ontoegankelijker woordencombinatie, namelijk ‘Interventionistische staat’. Dat is een neutrale, wetenschappelijke term voor een staat die de markt kunstmatig stuurt (via die subsidies en prijssteun).
Part III: Religion Today (9: Toward a Buyer’s Guide to Religions, 10: Morality and Religion, 11: Now What Do We Do?)
In Part III van Breaking the Spell verlaat Daniel C. Dennett het historische en evolutionaire perspectief en richt hij zich op het heden. Na te hebben laten zien hoe religie is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, stelt hij nu de vraag: wat betekent dit alles voor de wereld waarin wij vandaag leven? Dit deel gaat niet meer over oorsprong, maar over gevolgen en keuzes. Dennett vraagt hoe we met religie omgaan in een samenleving die steeds beter begrijpt hoe overtuigingen werken, maar waarin religie nog altijd een sterke rol speelt; in moraal, onderwijs en politiek. De drie hoofdstukken van dit deel horen nauw bij elkaar. Ze bouwen voort op elkaar en bewegen van vergelijking, via morele reflectie, naar verantwoordelijkheid. Samen vormt Part III het meest directe en actuele deel van Breaking the Spell. Het is geen aanval op religie, maar een uitnodiging tot helderheid. Dennett vraagt de lezer niet om te geloven of niet te geloven, maar om na te denken over wat geloven vandaag betekent, en wat het doet.
In hoofdstuk 9 (Toward a Buyer’s Guide to Religions) stelt Dennett een ongemakkelijke, maar eenvoudige vraag: als religies echte invloed hebben op mensen en samenlevingen, waarom zouden we ze dan niet mogen vergelijken? Hij pleit niet voor ranglijsten of afschaffing, maar voor openheid. Religie mag geen uitzondering zijn op kritisch denken. Wie vrijheid serieus neemt, moet ook keuze en informatie serieus nemen.
Hoofdstuk 10 (Morality and Religion) gaat dieper in op een hardnekkige overtuiging: dat moraal zonder religie niet kan bestaan. Dennett onderzoekt deze gedachte zorgvuldig en laat zien dat morele intuïties ouder zijn dan religieuze systemen. Religie kan moraal ondersteunen en versterken, maar is niet de enige bron ervan. Daarmee maakt hij moraal los van angst en gehoorzaamheid, en plaatst hij haar terug in het menselijke samenleven.
In hoofdstuk 11 (Now What Do We Do?) komt alles samen. Dit is geen afsluitend antwoord, maar een open vraag. Dennett roept niet op tot strijd of afwijzing, maar tot volwassenheid. Als we religie begrijpen als een menselijk verschijnsel met echte gevolgen, dan hebben we ook de verantwoordelijkheid om er eerlijk en zorgvuldig mee om te gaan; in onderwijs, debat en persoonlijke keuzes.
Part III: “Religion Today”, Hoofdstuk 9: “Toward a Buyer’s Guide to Religions”
Korte samenvatting van hoofdstuk 9
Met hoofdstuk 9 zet Dennett een opzettelijk prikkelende stap. De titel alleen al — Toward a Buyer’s Guide to Religions — klinkt voor veel lezers ongemakkelijk. Religie vergelijken met een product? Dat lijkt respectloos of zelfs cynisch. Precies dat ongemak is onderdeel van Dennetts punt. In dit hoofdstuk onderzoekt hij hoe religies vandaag functioneren, en stelt hij de vraag of het mogelijk — en verantwoord — is om religies te vergelijken, beoordelen en bespreken op hun effecten. Niet op hun heiligheid, maar op wat ze doen in het leven van mensen. In “Toward a Buyer’s Guide to Religions” maakt Dennett duidelijk dat de evolutie van religie niet stopt bij geloof, groepsvorming of zelfbescherming. In de moderne wereld komt daar verantwoordelijkheid bij. Dit hoofdstuk vraagt om volwassenheid. Niet om spot, niet om eerbied, maar om eerlijkheid. Als religies deel uitmaken van het publieke leven, dan horen ze ook thuis in het publieke gesprek; inclusief kritiek, vergelijking en twijfel. Met dit hoofdstuk opent Dennett Part III: een onderzoek naar religie zoals zij nu functioneert, in een wereld waarin mensen kunnen kiezen, twijfelen en vergelijken.
Waarom een “buyer’s guide”?
Dennett bedoelt met een buyer’s guide geen winkelgids en geen reclamefolder. Hij gebruikt de term als metafoor voor kritisch vergelijken. Zoals we dat doen bij scholen, therapieën of politieke systemen. De onderliggende vraag is eenvoudig: als religies echte invloed hebben op mensen en samenlevingen, waarom zouden we dan niet mogen vragen welke beter of slechter uitpakken? Dennett stelt dat we dit soort vragen op veel terreinen normaal vinden, behalve bij religie. Daar geldt vaak een stilzwijgende regel: niet vergelijken, niet beoordelen, niet kiezen op basis van gevolgen.
De breuk met “belief in belief”
Dit hoofdstuk bouwt direct voort op hoofdstuk 8. Waar belief in belief laat zien dat geloven vaak wordt verdedigd omdat het geloof is, doorbreekt hoofdstuk 9 dat patroon. Dennett zegt hier in feite: als we geloven belangrijk vinden omdat het iets doet, dan moeten we ook eerlijk kijken naar wat het doet. Dat betekent: niet alle religies over één kam scheren, maar ook niet doen alsof elke vorm van religie automatisch goed is.
Religie als pakket van praktijken
Een belangrijk punt in dit hoofdstuk is dat religie volgens Dennett geen enkelvoudig idee is, maar een pakket:
overtuigingen,
rituelen,
sociale regels,
machtsstructuren,
morele verwachtingen.
Wie religies vergelijkt, vergelijkt dus geen abstracte waarheden, maar manieren van leven. Dat maakt vergelijking lastig, maar niet onmogelijk. Dennett pleit ervoor om te kijken naar vragen als:
Bevordert deze religie nieuwsgierigheid of gehoorzaamheid?
Stimuleert zij verantwoordelijkheid of afhankelijkheid?
Maakt zij vreedzaam samenleven makkelijker of moeilijker?
Waarom deze vergelijking zo gevoelig ligt
Dennett begrijpt goed waarom het idee van een buyer’s guide weerstand oproept. Religie raakt aan identiteit, familie, traditie en emoties. Vergelijken voelt al snel als veroordelen. Maar hij draait het om iets anders; juist omdat religie zo diep ingrijpt, is kritiek geen luxe maar een verantwoordelijkheid. Het verbod op vergelijking beschermt religie tegen vragen, maar laat mensen vaak alleen met de gevolgen, positief of negatief.
Geen aanval op gelovigen
Belangrijk is dat Dennett dit hoofdstuk niet schrijft als aanval op gelovigen. Hij maakt herhaaldelijk duidelijk dat religies mensen kunnen steunen, zin kunnen geven, gemeenschappen kunnen dragen. Maar dat ontslaat ze niet van beoordeling. Goede bedoelingen zijn geen garantie voor goede uitkomsten. Dennett wil weg van de gedachte: “Als het iemand helpt, mogen we er niets over zeggen.” Hij wil toe naar: “Als het iemand helpt, laten we begrijpen hoe en tegen welke prijs.”
Vrijheid betekent ook vergelijken
Een subtiel maar belangrijk punt is dat Dennett religieuze vrijheid koppelt aan kennis. Echte keuzevrijheid bestaat alleen als mensen:
alternatieven kennen,
informatie hebben,
vragen mogen stellen.
Een samenleving die religies niet mag vergelijken, biedt geen echte keuze, maar traditie bij gebrek aan alternatief. De buyer’s guide staat dus symbool voor:
openheid,
volwassen omgang met religie,
vertrouwen in het denkvermogen van mensen.
De kern van Dennetts voorstel
Dennett stelt geen definitieve gids op. Hij zegt niet welke religie “het beste” is. Zijn voorstel is bescheidener, maar radicaler: laten we doen alsof religie een menselijk systeem is dat besproken, onderzocht en vergeleken mag worden. Dat alleen al zou een grote verandering zijn.
Part III: “Religion Today”, hoofdstuk 10: “Morality and Religion”
Korte samenvatting van hoofdstuk 10
In hoofdstuk 10 behandelt Dennett een van de meest gevoelige en beladen onderwerpen in het hele boek: de relatie tussen religie en moraal. Dit is het punt waar veel lezers onrustig worden, omdat hier een diepgewortelde overtuiging wordt aangeraakt: het idee dat moraal zonder religie niet kan bestaan. Dennett pakt dit onderwerp voorzichtig maar vastberaden aan. Hij ontkent niet dat religie vaak een morele rol speelt in het leven van mensen. Wat hij wel betwist, is het idee dat religie de bron van moraal is. In “Morality and Religion” ondergraaft Dennett een hardnekkige aanname: dat religie de bewaker is van goed en kwaad. Hij laat zien dat moraal dieper ligt dan geloof, en ouder is dan godsdienstige systemen. Dit hoofdstuk nodigt de lezer uit om moraal niet te zien als een vast pakket regels, maar als een gedeeld menselijk project, gevormd door ervaring, medeleven en nadenken. Daarmee zet Dennett een belangrijke stap in Breaking the Spell: hij laat zien dat het mogelijk is om religie serieus te nemen, zonder haar tot morele maatstaf te verheffen.
De centrale vraag van dit hoofdstuk
De kernvraag van dit hoofdstuk is eenvoudig, maar ingrijpend: hebben mensen religie nodig om moreel te zijn? Of scherper geformuleerd: komt moraal van religie, of gebruikt religie morele ideeën die al bestonden? Dennett laat zien dat deze vragen vaak door elkaar worden gehaald. Dat zorgt voor verwarring én voor angst: wie religie bekritiseert, zou moraal ondermijnen. Dit hoofdstuk probeert die koppeling los te maken.
Moraal als menselijk verschijnsel
Dennett begint met het idee dat moraal ouder is dan georganiseerde religie. Samenleven vraagt altijd om regels: eerlijkheid, wederkerigheid, zorg voor zwakkeren, beperking van geweld. Deze morele ideeën zijn nodig in elke groep, religieus of niet. Ze ontstaan niet uit openbaringen, maar uit het simpele feit dat mensen met elkaar moeten leven. Religie neemt deze morele intuïties niet over om ze te creëren, maar om ze te versterken, te structureren en te rechtvaardigen.
Religie als morele versterker, niet als bron
Dennett erkent dat religie moraal zichtbaar en bindend kan maken. Geboden, verhalen en rituelen geven morele regels gewicht. Ze zorgen ervoor dat mensen zich eraan houden, ook als niemand kijkt. Maar dat betekent nog niet dat moraal zonder religie verdwijnt. Dennett maakt hier een belangrijk onderscheid: religie kan moraal ondersteunen, maar zij bezit haar niet. Dit onderscheid wordt vaak genegeerd, waardoor religie moreel onmisbaar lijkt, terwijl zij in werkelijkheid één van de manieren is waarop moraal wordt doorgegeven.
Het gevaar van morele immuniteit
Een van Dennetts scherpste punten in dit hoofdstuk is dat religie soms morele regels afschermt tegen kritiek. Als iets moreel juist is “omdat God het wil”, wordt het moeilijk om vragen te stellen. Dat kan problematisch zijn wanneer morele regels verouderd raken, schade veroorzaken, of botsen met nieuwe inzichten. Dennett laat zien dat morele vooruitgang vaak juist plaatsvindt ondanks religieuze weerstand, niet dankzij religieuze vastheid.
Moraal zonder religie is geen leegte
Dennett verzet zich tegen het idee dat een niet-religieuze wereld moreel leeg zou zijn. Hij noemt dit een vals dilemma: alsof er maar twee opties zijn: religie of chaos. Hij benadrukt dat empathie, verantwoordelijkheid, zorg en rechtvaardigheid ook zonder religieuze basis kunnen bestaan. Mensen kunnen moreel handelen omdat zij begrijpen wat hun gedrag met anderen doet, niet alleen omdat het is voorgeschreven.
Waarom religie moreel aantrekkelijk blijft
Toch begrijpt Dennett waarom religie moreel aantrekkelijk is. Ze biedt duidelijke regels, vaste verhalen en een gevoel van zekerheid. Voor veel mensen is dat rustgevend. Maar die zekerheid heeft een prijs: minder ruimte voor twijfel, aanpassing en groei. Dennett stelt geen verbod voor, maar een keuze: willen we moraal vastzetten, of willen we haar blijven ontwikkelen?
De inzet van dit hoofdstuk
Dit hoofdstuk is geen aanval op moraal, maar een bevrijding van moraal uit religieuze exclusiviteit. Dennett wil laten zien dat:
moraal van ons allemaal is,
moraal bespreekbaar moet blijven,
moraal kan groeien.
Door moraal los te koppelen van religie, wordt zij niet zwakker, maar juist eerlijker en menselijker.
Part III: “Religion Today”, hoofdstuk 11: “Now What Do We Do?”
Korte samenvatting van hoofdstuk 11
Met hoofdstuk 11 komt Breaking the Spell op een punt waar filosofie, wetenschap en verantwoordelijkheid samenkomen. Na alle analyses, verklaringen en kritische vragen blijft er één onvermijdelijke kwestie over: wat moeten we nu doen met deze kennis?Dennett presenteert dit hoofdstuk niet als een handleiding of een manifest. Het is eerder een open uitnodiging om volwassen om te gaan met religie, nu deze niet langer buiten kritiek is geplaatst. In “Now What Do We Do?” laat Dennett de lezer niet achter met antwoorden, maar met verantwoordelijkheid. Het boek eindigt niet met een conclusie, maar met een opdracht. Religie is geen taboe en geen vijand. Het is een menselijk systeem met kracht, schoonheid en risico’s. Wie die serieus neemt, moet haar durven onderzoeken. Het echte “nu wat?” is daarom geen oproep tot actie, maar tot een houding: eerlijkheid boven geruststelling, begrip boven ontzag, en volwassenheid boven angst. Daarmee sluit Breaking the Spell af zoals het begon: niet met vernietiging van religie, maar met het vertrouwen dat mensen het aankunnen om haar te begrijpen.
Geen triomf, geen afrekening
Dennett begint met het afwijzen van een misverstand. Zijn boek is geen poging om religie te “ontmaskeren” om haar daarna af te schaffen. Hij viert geen overwinning op geloof en roept niet op tot spot of strijd. Integendeel: hij benadrukt dat religie een krachtig en diepgeworteld menselijk verschijnsel is, dat niet zomaar verdwijnt en ook niet zou moeten verdwijnen zonder nadenken. De vraag is dus niet: “hoe raken we religie kwijt?” maar: “hoe gaan we er verstandig mee om?”
De prijs van eerlijkheid
Dennett erkent dat het “breken van de betovering” ongemakkelijk is. Wie religie onderzoekt zoals andere menselijke systemen, neemt zekerheden weg. Dat kan angst oproepen, vooral bij mensen voor wie religie steun, zin of structuur biedt. Toch stelt Dennett dat eerlijkheid onvermijdelijk is. Als religie echte gevolgen heeft — moreel, politiek, psychologisch — dan hebben we de plicht om haar te begrijpen, ook als dat pijn doet. Niet onderzoeken is geen neutraliteit, maar nalatigheid.
Onderwijs als sleutel
Een belangrijk praktisch punt in dit hoofdstuk is onderwijs. Dennett pleit niet voor religieuze indoctrinatie, maar voor kennis over religie. Dat betekent:
leren hoe religies zijn ontstaan,
begrijpen waarom ze overtuigend zijn,
zien hoe ze functioneren in groepen.
Volgens Dennett maakt kennis mensen niet cynisch, maar weerbaar. Wie begrijpt hoe overtuigingen werken, kan er bewuster mee omgaan, gelovig of niet.
Vrijheid vraagt om volwassenheid
Dennett verbindt religieuze vrijheid aan verantwoordelijkheid. Vrijheid van geloof betekent niet dat geloof boven kritiek staat. Het betekent dat mensen mogen kiezen, maar keuzes hebben alleen waarde als ze geïnformeerd zijn. Dit sluit aan bij het idee van de “buyer’s guide” uit hoofdstuk 9: geen verplichting, geen verbod, wel open vergelijking en bespreking. Een samenleving die religie beschermt tegen vragen, ondermijnt uiteindelijk haar eigen vrijheid.
Wat doen we met twijfel?
In eerdere hoofdstukken liet Dennett zien hoe belief in belief twijfel verdacht maakt. In dit slothoofdstuk draait hij dat om. Twijfel is geen vijand, maar een teken van betrokkenheid. Dennett pleit voor een cultuur waarin:
vragen stellen normaal is,
onzekerheid mag bestaan,
overtuiging geen schild is tegen kritiek.
Dat geldt niet alleen voor religie, maar voor alle sterke overtuigingen.
Moraal zonder angst
Dennett keert nog één keer terug naar moraal. Hij benadrukt dat eerlijk nadenken over religie geen morele leegte hoeft te creëren. Integendeel: moraal die niet rust op angst of gehoorzaamheid, maar op inzicht en zorg, is vaak duurzamer. Hij vraagt de lezer om vertrouwen te hebben in menselijke vermogens:
empathie,
samenwerking,
verantwoordelijk denken.
De toon van het slot: voorzichtig optimisme
Opvallend aan dit hoofdstuk is de toon. Dennett is kritisch, maar niet kil. Hij is bezorgd, maar niet somber. Hij gelooft dat mensen beter kunnen omgaan met religie dan vaak wordt aangenomen. Zijn optimisme is echter voorwaardelijk: alleen als we bereid zijn te leren, te praten, en moeilijke vragen niet uit de weg te gaan.
Part II: The Evolution of Religion (7: The Invention of Team Spirit, 8: Belief in Belief)
Na de beschrijving van de wortels, de vroege vormen en het beheer van religie, verschuift Dennett in hoofdstukken 7 en 8 de aandacht naar iets anders: wat religie met mensen doet. Niet op individueel niveau, maar in groepen. Deze hoofdstukken laten zien hoe religie niet alleen ideeën voortbrengt, maar ook verbondenheid, loyaliteit en overtuiging over overtuiging zelf. Samen laten hoofdstukken 7 en 8 zien hoe religie zich verdiept en verhardt. Eerst door mensen tot hechte groepen te smeden, daarna door geloof zelf te verheffen tot iets wat verdedigd moet worden. Ze vormen daarmee het tweede deel van het evolutionaire verhaal: niet hoe religie begon, maar hoe zij zich stevig in het menselijk samenleven heeft vastgezet.
In hoofdstuk 7 (The Invention of Team Spirit) laat Dennett zien hoe religie zich ontwikkelt tot een krachtig middel om mensen samen te brengen. Door gedeelde rituelen, symbolen en regels ontstaat een sterk gevoel van “wij”. Mensen gaan zich onderdeel voelen van een groep die groter is dan henzelf. Dat maakt samenwerking makkelijker en versterkt onderlinge trouw. Religie werkt hier als een soort lijm die groepen bij elkaar houdt. Tegelijk maakt Dennett duidelijk dat dit groepsgevoel niet zonder gevolgen is. Waar een duidelijk “wij” ontstaat, verschijnt ook een “zij”. Religie vergroot de bereidheid om voor de eigen groep op te komen, maar kan ook afstand scheppen tot buitenstaanders. Dat is geen toeval en ook geen bewuste keuze; het is het resultaat van een lange ontwikkeling waarin groepsbinding steeds belangrijker werd.
Hoofdstuk 8 (Belief in Belief) gaat nog een stap verder. Hier onderzoekt Dennett een opvallend verschijnsel: mensen hechten soms meer waarde aan het hebben van geloof dan aan de inhoud ervan. Zelfs wie twijfelt, kan geloven dat geloof op zichzelf nodig of goed is — voor zichzelf, voor anderen, of voor de samenleving. Geloof wordt zo iets dat beschermd moet worden, los van de vraag of het waar is. Dennett laat zien hoe deze houding religie extra sterk maakt. Niet alleen overtuigingen worden doorgegeven, maar ook het idee dat geloven belangrijk is. Dat maakt religie minder kwetsbaar voor kritiek, omdat twijfel nu niet alleen een intellectueel probleem wordt, maar ook een sociaal of moreel risico.
Part II: “The Evolution of Religion”, Hoofdstuk 7: “The Invention of Team Spirit”
Korte samenvatting van hoofdstuk 7
Religie evolueerde tot een systeem om mensen tot een hecht team te smeden. Dennett: “Religie overleeft omdat zij mensen niet alleen laat geloven, maar samen laat horen.” Wie religie wil begrijpen, moet haar sociale ‘magie’ doorzien. Het bindt mensen door hen deel te maken van iets groters en precies daarin schuilt haar kracht én gevaar. Het is een uitzonderlijk middel dat samenwerking mogelijk maakt, maar ook uitsluiting. De teamgeest maakt geloof duurzaam, en bereidt de weg voor naar geloof in het geloof zelf. Dennett: “Voordat mensen geloven om waarheid, leren zij geloven om erbij te horen.” Dit hoofdstuk laat zien hoe religie zich ontwikkelt tot een sociaal mechanisme dat groepen vormt, bindt en disciplineert. Het is niet het einde van de evolutie, maar het moment waarop geloof robuust en sociaal onmisbaar wordt. Naast dit geloof als groepsmechanisme bestaat er natuurlijk ook zoiets als een persoonlijk beleefd geloof, maar Dennett is van mening dat zelfs zo’n individuele benadering historisch overleeft dankzij sociale structuren.
De centrale these van hoofdstuk 7
Dennett betoogt hier: Een essentieel product van religieuze evolutie is het vermogen om sterke groepsloyaliteit en collectieve identiteit te genereren. Religie produceert geen losse overtuigingen, maar sociale verbanden. Team spirit is daarmee geen bijkomstigheid, maar een evolutionair verklaarbaar effect.
Team spirit als selectie-effect, niet als ontwerp
Religie is niet “uitgevonden” om groepen te smeden, maar religieuze vormen die dit deden, bleken gewoon succesvoller. Dat is in lijn met de darwinistische methodologie van Part II; groepen met sterke interne cohesie konden beter samenwerken, waren veerkrachtiger en droegen hun praktijken betrouwbaarder over. Team spirit is dus het resultaat van culturele selectie.
Rituelen als sociale synchronisatie
Hoofdstuk 7 bouwt voort op hoofdstuk 5 (praktijk) en 6 (beheer); rituelen functioneren hier als coördinatiemechanismen, lichamelijk én emotioneel. Gezamenlijk zingen, bewegen, vasten, bidden leidt tot gedeelde ritmes, gedeelde emoties, en verminderde individuele afwijking. Dennett benadrukt impliciet: groepsgevoel ontstaat niet primair door overtuiging, maar door gedeeld handelen.
Kosten, offers en betrouwbaarheid
Religieuze systemen vragen vaak tijd, discipline, geld, sociale beperkingen. Waarom blijven zulke eisen bestaan? Dennett’s verklaring: kostbare signalen zijn geloofwaardig. Wie bereid is offers te brengen toont echte loyaliteit, is minder geneigd tot opportunisme en wordt een veilig groepslid. Team spirit vereist dus zichtbare betrokkenheid.
Het ontstaan van “wij” en “zij”
Hoofdstuk 7 maakt duidelijk dat team spirit altijd groepsgrenzen impliceert; morele verplichtingen worden intern gericht. Gevolg:
verhoogd altruïsme binnen de groep;
potentiële uitsluiting van buitenstaanders.
Dit mechanisme is evolutionair begrijpelijk, maar ethisch ambivalent. Dennett presenteert dit niet als moreel oordeel, maar als verklarend inzicht.
Geloof als sociaal signaal (voorbereiding op hoofdstuk 8)
Geloof wordt: niet alleen een innerlijke overtuiging, maar een publiek herkenningsteken. Belijdenissen, symbolen en taalgebruik markeren groepslidmaatschap en functioneren als sociale wachtwoorden. Dit is de directe opmaat naar hoofdstuk 8, waar geloof zelf onderwerp van geloof wordt (belief in belief).
7. Culturele groepsselectie voorzichtig toegepast
Dennett begeeft zich hier op gevoelig terrein. hij spreekt niet over biologische groepsselectie maar over culturele systemen die concurreren. Religies die sterke team spirit genereren, discipline afdwingen en overdraagbaar zijn, blijven bestaan en verspreiden zich. Hiermee wordt team spirit een stabiliserende kracht in religieuze evolutie.
8. De spanning met waarheid en kritiek
Team spirit heeft een prijs:
conformiteit wordt beloond;
afwijking wordt verdacht;
kritiek kan groepsbinding ondermijnen.
Dit verklaart:
weerstand tegen wetenschappelijke correctie;
heiligverklaring van overtuigingen;
emotionele reacties op twijfel.
Niet omdat twijfel onwaar is, maar omdat zij sociale cohesie bedreigt.
9. Religie is niet uniek, maar uitzonderlijk effectief
Dennett plaatst religie in een breder kader. Ook nationalisme, ideologie, sportcultuur, produceren team spirit. Maar religie onderscheidt zich door:
transcendente legitimatie;
kosmische betekenis;
existentiële beloning en straf.
Dat maakt religieuze team spirit dieper verankerd, moeilijker los te laten en emotioneel krachtiger.
Part II: “The Evolution of Religion”, Hoofdstuk 8: “Belief in Belief”
Korte samenvatting van hoofdstuk 8
Met “Belief in Belief” bereikt Dennett een cruciaal punt in Breaking the Spell. In dit hoofdstuk onderzoekt hij niet zozeer wat mensen geloven, maar waarom zij het belangrijk vinden dát er geloof is. Het gaat hier om een verschuiving: van religie als overtuiging naar religie als waarde op zichzelf. Dennett laat zien dat religie in dit stadium niet langer alleen draait om goden, verhalen of rituelen, maar om het idee dat geloven zelf iets goeds, nuttigs of noodzakelijks is, zelfs als men twijfelt aan de inhoud van dat geloof.
Wat betekent “belief in belief”?
Met belief in belief bedoelt Dennett het volgende: mensen geloven niet alleen iets, ze geloven ook dat geloven belangrijk is. Dat kan verschillende vormen aannemen:
“Ik weet niet of het waar is, maar het is goed om te geloven.”
“Zonder geloof valt de samenleving uit elkaar.”
“Religie geeft mensen hoop, ook al twijfel ik zelf.”
In al deze gevallen wordt geloof verdedigd los van waarheid. Het nut van geloof wordt belangrijker dan de vraag of het klopt. Dennett ziet dit als een belangrijke stap in de evolutie van religie. Geloof krijgt nu een beschermende laag: wie het bekritiseert, bekritiseert niet alleen ideeën, maar ook iets dat als sociaal of moreel waardevol wordt gezien.
Van overtuiging naar houding
In eerdere hoofdstukken liet Dennett zien hoe religie:
ontstond uit menselijke neigingen,
groeide via rituelen,
werd beheerd door instituties,
groepen samenbond.
In hoofdstuk 8 laat hij zien wat er daarna gebeurt: religie wordt een houding tegenover twijfel. Twijfel is niet langer gewoon een vraag, maar iets wat gevaarlijk kan lijken:
gevaarlijk voor de gemeenschap,
gevaarlijk voor moraal,
gevaarlijk voor zingeving.
Hier ontstaat het idee dat het beter is om te geloven dan om te twijfelen, zelfs als men geen sterke redenen heeft. Geloof wordt een soort verzekering: misschien niet bewezen, maar wel geruststellend.
Waarom dit evolutionair gezien logisch is
Dennett benadrukt dat belief in belief geen complot is en geen bewuste misleiding. Het is een cultureel gevolg van eerdere stappen. Als religie groepen bijeenhoudt (hoofdstuk 7), stabiliteit biedt en gedrag stuurt, dan is het logisch dat mensen gaan denken: “Dit werkt, laten we het beschermen.” Zo ontstaat een cultuur waarin:
geloof wordt aangemoedigd,
twijfel wordt verzacht of ontmoedigd,
open vragen worden gezien als risico.
Het idee dat geloof goed is, helpt religie zichzelf voort te zetten, ook wanneer inhoudelijke overtuigingen wankelen.
Geloof zonder inhoud
Een van Dennetts scherpste observaties in dit hoofdstuk is dat mensen soms religie verdedigen zonder zelf precies te weten wat zij geloven, of zelfs terwijl zij innerlijk twijfelen. Het gaat dan niet om geloof in God, maar om geloof in:
traditie,
troost,
sociale orde,
moreel houvast.
Religie wordt zo iets wat men wil laten bestaan, ongeacht de feiten. Dat maakt haar sterk, maar ook kwetsbaar voor misverstanden: kritiek wordt niet meer gehoord als inhoudelijk argument, maar als bedreiging.
De morele draai: “religie is goed voor mensen”
Dennett bespreekt ook het veelgehoorde argument dat religie misschien niet waar is, maar wel goed voor mensen. Dit argument speelt een centrale rol in belief in belief. Hier wordt religie niet meer verdedigd op waarheid, maar op vermeend nut. Dennett vraagt zich af of dit argument wel zo vanzelfsprekend is. Hij stelt geen simpel tegenantwoord, maar wijst op het probleem: als we geloven dat geloof noodzakelijk is, ontzeggen we mensen de ruimte om zonder geloof zinvol te leven.
Waarom dit hoofdstuk het einde van Part II vormt
Hoofdstuk 8 is het conceptuele sluitstuk van Part II.
Hoofdstuk 7 liet zien hoe religie groepen vormt.
Hoofdstuk 8 laat zien hoe geloof wordt geheiligd als idee.
Hier is religie niet alleen een systeem, maar een norm: geloven is goed niet-geloven is riskant. Vanaf dit punt kan Dennett verdergaan naar de gevolgen:
moreel,
politiek,
cultureel.
Part II eindigt dus niet met geloof zelf, maar met een meta-geloof: geloof over geloof.
De kern van Dennetts punt
Dennett wil met dit hoofdstuk niet zeggen dat alle religieuze mensen oneerlijk zijn of zichzelf voor de gek houden. Zijn punt is subtieler: soms verdedigen mensen religie niet omdat ze overtuigd zijn, maar omdat ze bang zijn voor wat er zonder religie zou gebeuren. Belief in belief is dus een vorm van voorzichtigheid, maar ook van zelfbehoud van religie als systeem.
Slotbeschouwing
Met “Belief in Belief” laat Dennett zien hoe religie zich aanpast aan twijfel. Niet door twijfel weg te nemen, maar door haar te omzeilen. Geloof wordt belangrijker dan waarheid, en bescherming belangrijker dan begrip. Dit hoofdstuk maakt duidelijk waarom religie zo moeilijk bespreekbaar blijft. Niet omdat mensen niets willen weten, maar omdat zij zijn gaan geloven dat geloven zelf niet ter discussie mag staan. Daarmee sluit Part II af, en wordt de weg vrijgemaakt voor het laatste deel van Breaking the Spell, waarin Dennett de bredere gevolgen van deze ontwikkeling onderzoekt.
Café De Put is niet meer in zak en as; juist omdat het er niet meer is.
Mijn zwager is de CEO van een Opslag- en expeditiekantoor in Moerdijk. Bij die onderneming hoort een gigantische loods. Het ding bestond al toen de verdozing van Nederland nog niet als een onesthetische aanval op de omgeving werd gezien maar als een teken van welvaart. Het ging goed met zijn bedrijf met als gevolg dat de loods te klein werd. Daarom kwam er een tweede. Dat ding was vele malen groter. Toen je loods 1 naast loods 2 zag staan, begreep je pas hoe bescheiden mijn zwager was begonnen en met hoeveel succes hij het bedrijf naar de top had geleid. Dat werd alleen maar duidelijker bij iedere volgende uitbreiding.
Ik probeerde hier iets poëtisch over op papier te zetten voor op het jubileum; het bedrijf bestond 50 jaar. Er kwamen zinnen bij mij op als ‘matroesjka’s in het kwadraat’, ‘het grote omvademt het kleine’, ‘het kind dat blokkentorens omslaat’, ‘Hij zal gebouwen in gebouwen doen verdwijnen.’ Maar ik werd geukkig niet uitgenodigd. Mijn schrijfader slibte weer dicht; kust veilig.
Als mij in het bijzijn van iemand duidelijk wordt dat ik een onpraktische taalgebruiker ben, dan is het wel wanneer ik de praktijkgeschoolde kerel, die mijn zwager is, over 6.500 m2 hoogwaardige loodsruimte hoor spreken, of over zijn fantastische alarmsysteem, de bovenloopkranen met een capaciteit van 10.000 kg per stuk, de brede overheaddeuren, stellingen met ontelbare palletplaatsen, zijn AEO certificering, zijn ISO certificering, of de verwarmingskamer met een capaciteit van nog eens 60 pallets.
Niet dat mijn zwager en ik elkaar niet mogen, maar we zitten verschillend in de wedstrijd (zoals de uitdrukking luidt), en nu we het toch over sport hebben: hij sponsert de plaatselijke voetbalclub. Dat bedoel ik, hij betekent iets voor zijn omgeving, hij is zo’n ondernemer die anderen laat meeprofiteren van zijn welvaart. Dus is het niet eens omwille van de goede vrede dat ik onze verschillen niet benadruk als we elkaar ontmoeten. We kennen elkaars meningen bovendien al lang. Ik vind dat er in de wereld een steeds grotere ruimte wordt ingenomen door het kapitalisme, maar mij vergaat de lust om daarover te beginnen in zijn bijzijn. Hij heeft mensen uit het dorp toch maar mooi aan een baan geholpen.
Helaas moeten zij op een goed moment wel hun huizen verlaten. Zoals ik al zei: de zaken gaan goed in Moerdijk. Geen wonder dat het dorp te klein wordt voor bewoners. Het woord uitbreiding is gevallen en daarmee ook het doek voor de gewone burger. Het gehucht valt feitelijk uiteen in twee groepen: 1. zij die ondernemen en schaalvergroten, en 2: zij die mijmeren over gunstige uitkoopregelingen en alvast inpakken. Bij die terugtrekkende bewegingen wordt natuurlijk gefoeterd. Toch vind ik dat het dorp, gezien de situatie, opvallend weinig echt boze bewoners telt. Dat komt misschien omdat veel mensen die er woonachtig zijn ook werken voor een bedrijf aldaar. Want er is werk zat. En wiens brood men eet…
Niet alles wat zaken doet in Moerdijk heeft overigens kans gezien om te expanderen. Er was een café dat de Put heette. Daar viel het doek, ruim voordat de doem van uitbreidende industrieterreinen opdook. Ik vrees dat we hier gewoon moeten denken aan een geval van slecht ondernemerschap. Café de Put heet trouwens niet zo omdat zich hier een natuurlijke bron bevond, of een wonderput waaruit een mooie sage of legende kwam opborrelen. De naamgever was gewoon een vent die een kroeg begon en het een leuk idee vond dat bezoekers naar huis konden bellen met: “Schat, ik kom wat later, ik zit nog in De Put.” Wat dat betreft had de tent beter tot het laatste moment open kunnen blijven.
Omdat het vandaag VrijMiPo is en ik mij ten doel heb gesteld om iedere week een of twee gedichten op te voeren in uw denkbeeldige café, laat ik u bij deze een gedicht horen over iemand die zijn geboortewijk zo snel mogelijk wilde verlaten, en een gedicht over iemand die zo’n zelfde verlangen koesterde wat betreft produktie-arbeid.
Een laan op zuid
Kleumende telg uit een bakluchtbuurt waar buikzieke wijven in hun raamkozijnen gesmoorde vloeken uit hun kussens klopten.
Sleepnet over brakke grond sleurde zijn wijk langs de aarde, wierf het vullis voor een drietal kroegen, wat winkeltjes en woningen in rijen.
Weke wezens van de moddergrond, ontstaan uit kikkerrit van huizen; om lucht snakkend leven dat groeide naar de grootte van die bak.
Lijpe laan waar men hem leerde lopen, vluchtplan van te late ouders. Eerste stap die daar vandaan de verte van een thuis verlangde.
De werveling is ooit in gang gezet. Miljoenenijver hield de zaak aan ’t draaien. Overvloedige vingers slaan het alfabet. Ontelbare handen die de band afgraaien.
Een dag, verhangen tussen prikklokslagen. Drie pauzes, voor het leven gemarkeerd. Wij fantaseren uit ons hoofd geleerd, wat wij gaan doen met onze snipperdagen.
We weten wel wat goed is en wat slecht. Het lichaam schreeuwt om zelfbeheer, de vrijheid van een niemandsknecht!
Maar iedere dag komt op hetzelfde neer: we staan hier straks en nu en morgen weer. Wat komt van al ons later nog terecht?
Café de Put schijnt z’n eigen kuil te hebben gegraven, nog voordat de doem van uitbreiding van bedrijfsterreinen zich aankondigde. Het fijne weet ik er eerlijk gezegd niet van.
Welkom op de tweede VrijMiPo, georganiseerd door eenmansuitgeverij Cum Suis. Vandaag presenteren we een gedicht over een man die veel woorden nodig had om tot een definitief stiltepunt te komen. Hij werd een zichzelf steeds nadrukkelijker manifesterende veelschrijver voor wie tenslotte het doek viel. Het leek mij goed om dit gedicht uit de mottenballen te halen toen ik las over de Belgische parlementariër Vincent Van Quickenborne die gedurende vijf vergadersessies zo lang mogelijk aan het woord probeerde te blijven. Door te filibusteren hoopte hij een wet over fraudeopsporing tegen te houden.
In het geval van Van Quickenborne werd hem de mond gesnoerd door de voorzitter die afgelopen woensdag ten einde raad, na 23 uur aaneengesloten luisteren, genoeg van hetzelfde had gehoord. Van Quickenbornes microfoon werd tot zijn eigen woede uitgezet. ‘U bent niet waardig’, riep Vincent richting de voorzitter. ‘U chanteert het parlement.’ Maar de voorzitter paste gewoon een regel toe: het kamerlid viel teveel in herhaling en dat is niet toegestaan. Nadat hij zelfs stambomen van collega’s had aangehaald om de tijd vol te praten, raakte zijn inspiratie op. Had hij maar origineel moeten blijven.
De ‘J.’ in het gedicht wordt het zwijgen opgelegd door de dood, waarvoor hij zelf heeft gekozen. Van Quickenborne voelde zich waarschijnlijk veel vitaler en dacht nog helemaal niet aan ophouden. Hij streed immers voor een goede zaak. Hij voerde zijn marathonspeech om een wetsvoorstel te blokkeren dat de overheid toegang zou geven tot ieders bankgegevens, waarna slimme algoritmes verdachte transacties uit die financiële berg kunnen opdiepen. Zo’n digitale speurhond vond hij een ernstige inbreuk op de privacy. En dus bleef hij praten. Heel lang. En tamelijk vol van zichzelf.
Ik vermoed dat ijdelheid bij langdradige toespraken een niet te onderschatten drijfveer is. De ‘J.’ in mijn gedicht is doordrenkt van diezelfde neiging tot opvallend aanwezig zijn; een soort van zelfvoldane profilering die uiteindelijk vooral potsierlijk blijkt. Zijn val komt voort uit dezelfde pronkzucht die hem overeind hield. Hij heeft in zijn leven weinig bereikt, maar kiest voor een afscheid dat groter is dan alles wat daaraan voorafging. Je zou bijna denken dat hij pas in het zelfopgelegde zwijgen beseft hoe overbodig hij eigenlijk was.
Het zal u niet verbazen: deze overpeinzingen richten zich uiteindelijk op mijzelf. Ook ik heb de neiging om te vervluchtigen in pathos. Ik verloor me jarenlang in gedichtjes die ik schreef vanuit een romantisch soort grootsheid die langzaam oploste in twijfel. Inmiddels ben ik op een leeftijd waarop ik weleens denk: had ik niet beter een echt vak kunnen leren? Overigens heb ik in m’n leven één beroep uitgeoefend dat me met enige trots vervulde. Ik was railverkeersleider voor Prorail. Je kunt dat worden door een interne opleiding van een maand of vier.
Helaas kwam aan die carrière van ‘treindienstleider’ op een zeker moment een einde door een veiligheidsfout. Dat falen heb ik verwerkt, maar sindsdien voelde ik me in geen enkele functie nog echt van nut. Het schrijven was een merkwaardige uitweg: een pure drang tot literaire aanwezigheid. In manische tijden schreef ik mezelf voorbij; in depressieve kwam er vrijwel niets van terecht. Uiteindelijk blijkt: er bestaan praktischer vormen van communicatie dan eindeloze speeches of gedichten die niemand leest. Hier volgt niettemin het gedicht ‘Waarom’, dat te vinden is op bladzijde 19 van de bundel ‘Het Eenmansimperium’.
📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.
Waarom
Waarom J. moesten je zinnen opeens weer praalwagens zijn in onze nietsvermoedende straten? Waarom dat amalgaam van beeldenbrouw op onze doordeweekse magen? Wij waren het toch eens geworden dat het Poëtisch Tijdperk voorbij was?
Hadden wij niet hartelijk gelachen op die avondjes (waar we toch maar heengingen) om de vijftiger halvegaren, de tachtiger adjectieven-adventisten en al die kleine stuiptrekkende stormlopers daartussen en daarna?
Roerend eens wij – toch? – dat het warrige, dat poëzie zo duister maakt, en zo mooi voor sommigen, niet meer was dan effectieve onduidelijkheid. Dat je met boterzacht dichten geen beleid kon maken. Dat het eigenlijk maar een vreemde en ook wat domme leer is van hoe je dingen anders zegt?
Waren olla vogala niet volkomen doodgebroed? Geen krachtig medium nee. Ons niet gezien. Voorbij. Meer iets voor brave mensen. Ik hoopte dat we dat hadden afgerond.
Maar nee hoor, net toen wij dachten dat je een woord kon loslaten op het moment dat je een woord moest loslaten liet je jezelf los,
nadat je, ook weer zo pathetisch, wel een half uur aan het randje had staan schreeuwen dat er een briefje voor ons klaarlag (dat eigenlijk geen brief was maar een soort gedicht).
Wat een boodschap was dat. Je had toch ook gewoon die pen kunnen wegsmijten i.p.v. jezelf?
Behalve een tokkie in de wijk waar ik bezorg, ben ik eigenlijk nog nooit iemand tegengekomen die het Sinterklaasjournaal niet leuk vindt. Toch vertegenwoordigt die ene tegenstem een kleine maar luidruchtige groep die het programma te links en te intellectueel noemt; vooral vanwege de woordgrapjes en de subtiele verwijzingen naar bekende Nederlanders. Dit ultrarechtse verdomhoekje van de boze blanke samenleving heeft het desondanks gezellig. Daar in dat kleine café van Presikhaven telt een woke pakjesboot niet mee, maar men organiseert er zijn eigen onveranderlijke Sinterklaasfeest met ouderwetse pieten die zich pikzwart smeren uit een potje schoenpoets.
Als ik dan toch een verhaal aan kinderen moest vertellen, dan liever aan kinderen die niet meer in Sinterklaas geloven. Ik zou ze – in de functie van docent natuurkunde – over een wezen onderwijzen dat in een superpositie verkeert zolang het hermetisch voor de realiteit blijft afgesloten. Inderdaad, ik heb het hier over het gedachte-experiment van Schrödinger’s Kat. Voor de kat gebruiken we in dit geval een zeurpiet. En nogmaals: het is maar een hypothetisch scenario hè. Niemand – ook de meest irritante dwarsligster niet – mag daadwerkelijk iets ergs overkomen.
Opmerkelijk genoeg komt datzelfde woordje woke juist weer niet over de lippen van die andere groep die het Sinterklaasjournaal afwijst: de activisten die menen dat het programma nog steeds te veel vasthoudt aan het oude beeld van Zwarte Piet (of in ieder geval aan een verhaal over witte superioriteit). Het is een merkwaardige tegenstelling: het ene kamp vindt het te progressief, het andere niet progressief genoeg, wat er misschien op wijst dat het Sinterklaasjournaal precies doet wat een goed kinderprogramma hoort te doen: meebewegen met de tijd, zonder zichzelf te verliezen.
Ik heb nog niet naar het journaal gekeken sinds de afwezigheid van Diewertje Blok. We missen Dieuwertje allemaal maar ik heb ook begrepen dat bijna iedereen Merel een prima opvolgster vindt. Ik ken ouders die hun kinderen vertellen dat Diewertje met pensioen is omdat ze het niet over hun hart kunnen krijgen de waarheid te vertellen. Vanaf welke leeftijd mogen kinderen weten dat kanker werkelijk bestaat? Wanneer leg je ze uit dat die ziekte je letterlijk bij de neus kan nemen? Over zoiets moet je kinderen uiterst behoedzaam informeren. Ik ben dan ook blij dat ik zelf geen kinderen heb.
Het kan niet anders of het Sinterklaasjournaal maakt dit jaar dankbaar gebruik van de politieke soap rond de coalitievorming. Het is weer spannend in het Grote Pakhuis: de pakjes liggen klaar, maar op Pakjesboot 66 wil het maar niet vlotten met de samenwerking. Puzzelpiet meldde dat de bemanning nog altijd geen overeenstemming heeft over de koers. Jonkiepiet en Fatsoenspiet proberen voorlopig per onderwerp te navigeren, in de hoop dat het schip zo tenminste blijft drijven. Maar niet iedereen is het daarmee eens. Dwarspiet (ook terecht zeurpiet genoemd) weigert nog altijd met Klimaatpiet in één stuurhut te zitten; al is dat de opvolger van Europiet, die van de stoomboot stapte en terugging naar limburg omdat hij in Nederland niet de grote Timmerklaas kon worden.
Controlepiet is overboord geslagen tijdens een discussie over de pakjesroute, waardoor ook het kompas zoek is. Ondertussen heeft Complotpiet zijn strooigoed overgedragen aan Wappiet en is hij een handeltje begonnen in diepvriespepernoten (“voor het geval de wereld vergaat”). Strafbladpiet deelt cadeautjes uit aan iedereen die het horen wil, en belooft de strengste pakjescontrole ooit, behalve voor zichzelf. Wisselpiet probeert zich naar de stuurhut te wurmen, maar Ambitiepiet blokkeert het trapje met een plan voor een “nieuwe koers met oude pieten”. Mestpiet haalt de schouders op en rolt een chocoladeshaggie terwijl ze mijmert over stikstofvrije marsepein.
Aan de reling zitten Solidaripiet, Kerkpiet en Dierenpiet, die alvast een roeibootje te water hebben gelaten. Ze zeggen dat ze hun eigen, meer duurzame route naar Spanje willen volgen. Opiniepiet probeert de gemoederen te sussen met een peiling, maar de uitkomst wisselt elke vijf minuten. En achter in het ruim zit Nogéénpiet, die plechtig zweert dat hij deze keer echt niet meedoet… tenzij hij mag sturen. Zo dobbert de pakjesboot voort: het water is rustig, de meningen onstuimig, en de koers blijft onduidelijk. Of de pakjes op tijd aankomen, weet niemand. Maar één ding is zeker: het wordt weer een spannende intocht. En wie weet; misschien zit er morgen wel een regeerakkoord in je schoen.
Sorry, iets zegt mij dat het daadwerkelijke sinterklaasjournaal veel leuker is. Maar daar zit dan ook een heel team achter. En wat me ook niet onbelangrijk lijkt: die redactie houdt zowel van grote als van kleine kinderen.
Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.
Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.
Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.
“Staat NumLock wel aan?” vroeg een behulpzame vriendin.
“Ja, het numerieke toetsenbord is geschikt voor gebruik. Althans…dat lichtje erboven brandt. Is dat nou een teken van AAN of UIT? Ik weet dat nooit. Oh ja, AAN, anders zouden die andere tekens niet verschijnen. Jezus, waarom hebben mensen van die idioot moeilijke namen?”
“Verkeerde vraag. Zoek verder.”
“Ja, fout van mij. Sorry Yeşilgöz.”
Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.
Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.
“Niet toelaten” intervenieerde de verstandige vriendin weer.
“Als Yeşilgöz niet zo vaak in het nieuws was geweest, had ik nooit de behoefte gevoeld om over haar te schrijven en was mijn ş nooit een punt geweest. Nu heb ik minstens twee blogberichten aan haar gewijd en om haar naam correct te schrijven…”
“Ik beëindig dit gesprek.”
“Erdogan is ook een dictator.”
“Dat was het. De mazzel…”
Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!
Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?
Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:
“Ik heb alle Yesilgözen met haakjes een schop onder hun kont gegeven. En dat terwijl het zoveel tijd heeft gekost om op te zoeken hoe je s-cedille typt. Probeer maar, dan krijg je weer respect voor me.”
Hij schreef: “De ș zit gewoon onder de s hoor; je hoeft alleen de s maar ingedrukt te houden en je kunt kiezen.”
Ik: “Op je mobieltje ja. Ik werk achter m’n toetsenbord. Ik kan geen blogberichten op een mobieltje fabriceren.”
Hij: “Op een MacBook werkt het net zo.”
Stilte.
Ik: “Oh ja?” Stilte. “Tja, dat zou kunnen. Ik heb me als proletariër nooit met Macs ingelaten.”
Hij: “Voor proletariërs is het inderdaad behelpen.”
Ik: “Dus op een Mac-toetsenbord van een MacBook kun je gewoon die toetsen ingedrukt houden zoals op een mobieltje?”
Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).
Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’
En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De şzit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.
Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.
Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.
Postscriptum:
Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.
Het zal waarschijnlijk zo’n vaart niet lopen, maar toch.
Enkele van mijn lezers vonden het niet zo prettig dat ik een mogelijke coalitie van D’66, CDA, VVD en Ja21 als democratie-ondermijnend afschilderde. Zij zijn van mening dat D’66 en CDA zich altijd zullen verzetten op het onverhoopte moment dat ook maar de schijn zou ontstaan dat de democratie zou worden uitgehold of dat er iets anders dreigde te gebeuren dat staatsrechtelijk niet in orde was. Wat de VVD betreft? Die partij krijgt van hen in haar huidige presentatie iets meer het nadeel van de twijfel (wat mij een verstandige benadering lijkt).
Naar mijn mening is er van het degelijke liberale fundament van de VVD onder Yesilgöz niet veel meer over. De liberale traditie binnen die partij is naar de achtergrond gedrukt. Het interne platform van de, over het algemeen, wat oudere garde, pleit voor de klassieke kernwaarden maar kabbelt een beetje op de achtergrond onder leiding van Klaas Dijkhoff. Ik geloof wel in Klaas, maar ja, die voert een fluistercampagne in een podcast met maar 4000 luisteraars of daaromtrent.
Waar liggen de kernpunten van deze onderstroming? Nadruk op individuele vrijheid, verantwoordelijkheid, rechtstatelijkheid enzovoort. Een koers die zich niet primair richt op populistische retoriek of enkel op hard rechts beleid, maar op de middenklasse (dat ik iemand daar, een beetje eng, het “goede volk” hoorde noemen) en op een vrijere samenleving (liberalisme pur sang). Die VVD staat kritisch tegenover samenwerking met partijen of stromingen die worden gezien als antidemocratisch of populistisch. Dijkhoff heeft dat expliciet uitgesproken. Maar helaas: Dijkhoff stond niet op de verkiezingslijst.
We moeten afwachten wat er gaat gebeuren. Ik hoop en denk dat Rob Jetten de lichte voorkeur die hij nu laat doorschemeren voor een brede middencoalitie met GroenLinks/PvdA ook zal verwezenlijken. Dan kunnen we een zucht slaken maar zal er overigens wel een ander probleem aan het licht komen, volgens mij. Als Jetten in de ogen van radicaal-rechtse vuilspuiers (let op, dit is een soort van pleonasme) straks ietsje linkser blijkt te zijn dan hij zich tijdens de verkiezingen heeft voorgedaan, zal hem hetzelfde overkomen als wat er met Timmermans, Sigrid Kaag en Job Cohen is gebeurd (moet ik dat nog uitleggen?).
Niettemin heb ik de gewraakte zin in mijn stukje aangepast en staat er nu het volgende: ‘Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.’
Andere opties voor het beëindigen van die laatste zin waren – subtieler – ‘…een kabinet dat, zoals we van meer rechts georiënteerde regeringen kunnen verwachten, de democratische beginselen wellicht wat strakker in bestuurlijke termen uitlegt dan in sociale.’ Of, met een meer ironische ondertoon: ‘…een kabinet dat, geheel binnen democratische kaders, de nadruk wat minder legt op de breedte van die democratie dan op haar efficiëntie.’ Helaas waren niet al mijn lezers met zelfs deze uitgebreide keuze uit drie veranderingen, tevreden te stellen.
Het zij zo, verdere aanpassingen om hen een aangenamer leeservaring te verschaffen, zouden een ‘naar de mond praten’ zijn geworden, en dat moeten we hier niet hebben.
Naschok voor de postbezorger (en een hard gelag voor de SP).
Ik heb vanochtend de moeite genomen om precies te begrijpen hoe het complexe systeem van restzetelverdeling werkt. Daarom ben ik nu bijna aan het eind van m’n Latijn. Eigenlijk zou ik terug naar bed moeten, maar ik zie het niet zitten om pas in de middag post te gaan bezorgen. Niet dat dit niet mag; een postbode heeft tot zeven uur ’s avonds de tijd om – plastisch uitgedrukt – ‘zijn zakken leeg te lopen’. Hoe dat werkt hoef ik niemand uit te leggen; je begint met volle fietstassen en eindigt met niets. Als alles is afgeleverd ga je moe maar opgeruimd naar huis.
Een postbode heeft een heerlijk overzichtelijk beroep. Maar het wordt wel laag betaald. Voor het afdwingen van betere arbeidsvoorwaarden was er altijd de SP. Laten we nooit vergeten dat de SP de arbeider echt gesteund heeft met raad en daad waar andere partijen aarzelden tussen idealen en belangen. Waar andere partijen hun beloftes vergaten, stond de SP nog schouder aan schouder met de werkvloer. Waar andere partijen afstand namen, bleef de SP dichtbij, met hart voor de gewone man. Waar andere partijen zich richtten naar Den Haag, bleef de SP luisteren naar de stemmen uit de straat. Waar andere partijen zwegen, sprak de SP met lef, met warmte, en met overtuiging.
Sommige mensen zitten echt op hun post te wachten. Ik vermoed dat het de meeste geadresseerden geen donder uitmaakt hoe laat er iets in hun bus valt, maar er zijn van die dagen, in het leven van iedere postontvanger, die een prompte bezorging vereisen. Daarom is het goed dat de postbode een vaste bezorgtijd aanhoudt en ook niet te laat van huis gaat. Ik kan meevoelen met mensen die van stiptheid op bezorggebied houden als ik denk aan de verdeling van restzetels. Ik word gek van het moeten wachten op de definitieve toekenning daarvan.
En dat terwijl er in het woord ‘restzetel’ toch een hele duidelijke indicatie zit dat we geduld moeten hebben omdat er alleen maar achteraf kan worden gekeken wie er recht op heeft. Nu ik dit schrijf valt mij plotseling in dat de ethymologische achtergrond van het woord ‘post’ ook iets in zich lijkt te hebben van ‘na’ of ‘achteraf’. Dat zou leuk zijn voor dit stukje want dan lijkt het rond (zoals er in mijn werkdag als postbezorger ook een aangename afronding zit). ‘Post’ in de zin van ‘na’ berust bij woorden als ‘postbode’ echter op een misverstand. Jammer dat ik op de valreep moeilijk moet gaan doen.
‘Post’ als voorzetsel of bijwoord in het Latijn betekent inderdaad ‘na’ of ‘achter’ (in tijd of ruimte). Dit is de wortel van Nederlandse en internationale woorden zoals postscriptum (na-schrift), postnataal (na de geboorte) en postdoctoraal (na het doctoraat). ‘Post’ in de zin van ‘brieven’ is echter niet het Latijnse ‘post’ in de zin van ‘na’. We hebben hier te maken met een klassiek voorbeeld van homonymie (woorden met dezelfde klank of spelling, maar een verschillende oorsprong en betekenis), waarbij de twee woorden toevallig beide teruggaan op het Latijn.
De etymologische achtergrond van het woord ‘post’ (in de zin van briefwisseling of postbezorging) gaat ook terug op het Latijn, maar posta is een afleiding van het Latijnse werkwoord pōnere, wat ‘plaatsen’ of ‘stellen’ betekent (met het voltooid deelwoord positum). De oorspronkelijke betekenis van posta of het Latijnse posita (of mansio posita / mutatio posita) was de plaats of het vastepunt waar postpaarden werden gewisseld, of waar koeriers gestationeerd waren langs een route. Dit waren dus de wisselstations of rustplaatsen voor de bodes en hun paarden.
Van deze betekenis van een vastgestelde plaats langs de route, ontwikkelde het woord zich later tot de koeriersdienst of het systeem van de ruiters die op vaste intervallen waren ‘geplaatst’, daarna tot het vervoer van de brieven en berichten zelf, en uiteindelijk tot de briefwisseling en de organisatie (posterijen) zoals we die nu kennen. Het woord is dus nauw verbonden met het idee van iets wat op een vaste plaats is gesteld langs een route, bedoeld voor het snelle vervoer van berichten. Nu bent u als lezer misschien aan het eind van uw Latijn.
Ik wil nog even wijzen op een speling van het lot die dingen, zoals hierboven beschreven, eerder verwarrender maken dan dat ze mooi op hun plaats vallen. Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.
Dat is een hard gelag voor de SP waar deze ‘blogpost’ helaas niets aan kan veranderen.
Wie Kaa de slang speelt in deze metafoor, lijkt me duidelijk.
Een spannende verkiezingsdag eindigde met een gezellige muziekavond. Gastvrouw Sophie had “in de roos gekozen”, zoals zij het trots formuleerde. Haar “mannetje” was “the man” met 26 zetels. Haar echte partner Floris installeerde z’n platenspelers zodat ieder van ons z’n favoriete LP en singletje kon laten horen (zo waren de spelregels). Ik kwam natuurlijk weer aanzeulen met dat grijsgedraaide Varagramalbum vol strijdliederen, gezongen door De Stem des Volks. Ingrid kapte mij een beetje bits af: “Doe eerst dat 78-toeren plaatje maar.” Haar Henk bracht mij helemaal tot zwijgen: “Wil je nou nog steeds demonstreren dat je De Internationale in de oude versie en de nieuwe versie kunt meezingen?” Bijna alle aanwezigen vielen hem bij. Ze vonden niet alleen ‘Ontwaakt, verworpenen der aarde’ maar ook ‘Hé joh, ze houden je d’r onder’ hopeloos ouderwets.
Mijn jungleboek had meer succes, vooral de B-zijde met ‘Ik ben Baloe de bruine beer, ik vind het berenleven beregoed.’ Dat sloot goed aan bij ‘het positieve verhaal’ en de ‘vrolijke uitstraling’ waarnaar de kiezer enorm op zoek was geweest deze ronde. De A-zijde eindigde ook heel opgeruimd en klonk de luisteraars als muziek in de oren, al werd er alleen maar op gesproken. Bij het belletje mocht je steeds de bladzijde omslaan in het bijgeleverde kinderboekje. Mowgli had eerst wel een groot conflict met Kaa de slang, maar het werd steeds duidelijker dat ze de negativiteit achter zich zouden laten. Tja, ze moesten wel. Of?
De vergelijking met de huidige politiek was iedereen duidelijk. In de Haagse jungle hangt de zware lucht van vervlogen verwachtingen en bestuurlijk wanbeleid. Rob Jetten, fris als een tropisch briesje met een zonnepaneel op zijn rug, treedt de donkerte van dat woud tegemoet. Het ligt vol verradelijke wortels waarover hij vroeg of laat zal struikelen. De bomen fluisteren over “brede samenwerking” en “nieuwe bestuurscultuur”. En daar, glanzend tussen de varens, ligt Dilan Yesilgöz; haar glimlach strak, haar blik berekenend. “Kom dichterbij, Rob,” sist ze, “we hebben hetzelfde doel: stabiliteit, redelijkheid, vooruitgang…” En zo begint het refrein van Disney’s Kaa opnieuw: “Geloof in mij…”
Jetten, die graag gelooft dat rationeel overleg de wereld kan redden, wiegt zachtjes mee op de melodie. Hij vergeet dat in de jungle niet de idealist overleeft, maar de slang die het langst stil blijft liggen. Terwijl hij nog nadenkt over een progressieve invulling van het woord “compromis”, is Yesilgöz al drie keer van koers veranderd. Ze heeft het kompas verkocht en is het morele noorden (dat ben ik, ahum) uit het zicht verloren. Disney’s Jungle Book is tenslotte een kinderfilm, en zo klinkt dit ook: vrolijk, hoopvol, tot Bagheera (Alexander Pechthold met een zucht van diep moreel ongemak?) tussenbeide komt en de betovering verbreekt. “Wakker worden, Rob,” bromt hij. “De slang eet niet omdat ze honger heeft, maar omdat het in haar natuur ligt.”
In Kipling’s oorspronkelijke boek is Kaa een wijze bondgenoot, maar die nuance gaat in deze Haagse bewerking verloren. Yesilgöz, de neoliberale variant, heeft de oude slang ingeruild voor iets nieuws: de glimmende huid van pragmatisme, waar niets aan blijft kleven; geen visie, geen schuld, geen zorg voor wie uit de boom (en toom) valt. Ze beweegt zich met het gemak van iemand die gelooft dat macht een vorm van natuurkunde is: wat boven ligt, hoort daar ook te blijven. Jetten, arme Mowgli, wil graag dat de jungle zich laat temmen. Maar tussen de sissende stemmen van de VVD, de verre tijger Shere Khan van extreemrechts, en de dof echoënde apenkreten van de talkshows en socials, is de kans klein dat hij er zonder krassen uitkomt. Misschien blijft hij overeind, misschien wordt hij ingesnoerd, maar één ding is zeker: in de jungle overleeft alleen wie leert dat de slang niet met argumenten, maar met afstand moet worden bejegend.
Ergens hoopt de kijker nog dat Rob, onze zonnige Mowgli van de polder, op een dag de betovering verbreekt en inziet: je kunt wel met een slang onderhandelen, maar nooit samen het bos regeren. Als deze coalitie ooit werkelijkheid wordt, zal Jetten ontdekken wat Kipling al wist: wie te dicht bij de slang wil regeren, eindigt niet in een verbond, maar in een wurggreep; met een glimlach die redelijkheid fluistert, en een politiek die intussen alles opslokt wat beweegt.