In de ban van dé reden van de verbanning

Wogen de economische motieven zwaarder dan de theologische?

Ja, ik weet het; hoewel zijn boeken er nog niet waren, sprak Spinoza zich al uit tegen de onsterfelijkheid van de ziel en de goddelijke oorsprong van de Thora. Dat was pure ketterij. Ook toonde hij een openlijke minachting voor de traditie; hij stopte met het naleven van de religieuze wetten (de halacha), wat in een kleine vluchtelingengemeenschap als een existentiële bedreiging werd gezien. De joodse leiders in Amsterdam, de Ma’amad, waren bovendien doodsbang dat de tolerante Nederlandse autoriteiten hun autonomie zouden intrekken als er godslasteraars in hun midden werden getolereerd. Die politieke druk speelde dus onmiskenbaar mee. Men bood Spinoza zelfs een jaargeld van duizend gulden om simpelweg zijn mond te houden en af en toe in de synagoge te verschijnen; hij weigerde dit echter resoluut. Zijn contacten met vrijdenkers en christelijke sektariërs, zoals de Collegianten, voedden het wantrouwen binnen de Portugese gemeente alleen maar meer.

Dit fragment uit het werk van prof. Steven Nadler toont de banvloek uit 1656 tegen Baruch de Spinoza en de stilte in het document over de specifieke aanleiding. Hoewel de ‘Herem’ spreekt van “monstreuze daden”, blijft het gissen naar de exacte trigger. Het is historisch gezien het meest aannemelijk dat het om een optelsom ging: de gemeente gedoogde een eigenwijze filosoof zolang hij de gemeentelijke kas en de fragiele verstandhouding met de Amsterdamse burgemeesters niet in de waagschaal stelde.

Ziedaar de gangbare verklaringen: een optelsom van factoren die de Ma’amad uiteindelijk dwongen – of het perfecte voorwendsel boden – om tot de banvloek over te gaan. Daarbij heb ik echter één beweegreden achterwege gelaten, die halverwege de aflevering ‘In de ban van Spinoza’ uit de serie De Joodse Wereld nogal overtuigend in beeld wordt gebracht. Regisseur David Ofek bezoekt daarin archivarissen die in de Amsterdamse notariële registers passages opslaan die gaan over de schuld die Spinoza van zijn vader had geërfd. Met die schuld zijn alle Spinoza-kenners bekend; wat de documentaire echter vlijmscherp naar voren brengt, is de aard van de juridische procedure die Spinoza startte. Het ging niet zomaar om een zakelijk meningsverschil; het was een frontale aanval op de fundamenten van de Sefardische gemeenschap.

In het archief wordt duidelijk dat Spinoza een gewaagde manoeuvre uitvoerde om onder de schuldeisers van zijn vader uit te komen. Hij deed een beroep op het civiele recht van de Republiek om zijn erfenis te verwerpen. Hij presenteerde zich bij de magistraten van het Hof van Holland als een minderjarige ‘wees’ die door de nalatigheid van zijn vader was benadeeld. Hiermee passeerde hij de interne rechtspraak van zijn eigen kring. Volgens het joodse recht was hij op zijn drieëntwintigste allang volwassen, maar door de Nederlandse wet – waar de grens bij vijfentwintig jaar lag – handig te gebruiken, kon hij de schuldenberg legaal van zich afschudden. Dit werd gezien als een vorm van juridisch verraad: je vraagt de hulp van de buitenwereld om je eigen gemeenschap financieel te benadelen. Dat hij hiermee zijn familie en de synagoge in de kou zette, was de spreekwoordelijke druppel.

Hiermee creëerde hij een levensgevaarlijk precedent. Als de Ma’amad dit zou tolereren, zouden andere handelaren wellicht hetzelfde doen: hun eigen rechtbanken passeren om bij de Nederlandse rechter hun gelijk (of hun geld) te halen. De autonomie van de gemeente, die rustte op het privilege dat zij hun eigen interne zaken regelden, stond op het spel. De voice-over zegt: “Misschien is Spinoza niet in de ban gedaan vanwege zijn revolutionaire opvattingen, die nog niet eens op schrift waren gesteld, maar om een geldkwestie.”

In de geschiedschrijving is het vooral de overleden Amsterdamse stadsarchivaris Odette Vlessing geweest die deze theorie op de kaart zette. Zij stelde dat de cherem een pragmatisch instrument was. Ketterij kon men vaak nog wel binnenskamers sussen met een boete, maar wie aan de solvabiliteit van de handelsgemeenschap kwam, was een gevaar voor iedereen. Het maakt het beeld van Spinoza menselijker; hij was niet alleen een asceet die lenzen sleep, maar een jonge man die klem zat tussen een failliet familiebedrijf en een verstikkende sociale controle. De kerkbestuurders gebruikten deze financiële perikelen als de juridische stok om de banvloek uit te spreken; een stok die neerkwam op een filosoof die met zijn ketterse opvattingen toch al voor een onhoudbare situatie zorgde.

Dat het uiteindelijk om een ordinaire centenkwestie zou gaan, is een bittere pil voor wie in Spinoza enkel de “heilige van de rede” ziet. Het is bovendien een conclusie die voorzichtigheid vraagt in een tijd waarin oude stereotypen over Joods eigenbelang weer de kop opsteken (“Een echte Jodenstreek!”). Laten we wel wezen: de Ma’amad handelde waarschijnlijk niet uit gierigheid, maar uit existentiële angst. In een handelsnatie als de onze was financiële betrouwbaarheid het enige toegangsbewijs tot tolerantie. Spinoza’s juridische trucje was niet alleen een aanval op de portemonnee van zijn ooms, maar een bom onder de veiligheidsgarantie van de hele groep. Misschien is dát de ultieme ironie: dat de man die de wereld wilde bevrijden van dogma’s, door zijn eigen mensen werd verbannen omdat hij de stabiliteit van hun vluchthaven in gevaar bracht.

Overleven tussen bomen

Leven buiten de ‘beschaving’ als droom, vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Het overleef je in de bossen? Die vraag klinkt tegenwoordig bijna romantisch. We denken aan tiny houses, permacultuur, off-grid leven en de vrijheid van een bestaan dicht bij de natuur. Maar dezelfde vraag kreeg in andere tijden en op andere plekken een totaal andere betekenis. Voor Papoea’s was leven in en met de natuur eeuwenlang vanzelfsprekend. Voor onderduikende Joden tijdens de oorlog werd kennis van het landschap een kwestie van leven of dood. Ja, voor hedendaagse earthshipbouwers of zelfvoorzieningsdromers is het vaak een experiment; soms ideologisch, soms existentieel. Toch hebben die werelden iets gemeen: ze laten zien dat natuurkennis nooit vrijblijvend is geweest.

Bosverblijven: een tiny house, een onderduikershol en een papoeahut. Wie zoekt naar de blauwdruk van een leven dat naadloos aansluit bij onze menselijke biologie, komt onherroepelijk uit bij de Papoea’s; althans, bij hun bestaan voordat de westerse bemoeizucht de natuurlijke orde kwam herindelen. Critici zullen direct de traditie van het koppensnellen of kannibalisme opvoeren als bewijs voor een ‘onbeschaafd’ tekort. Maar laten we eerlijk zijn: wie het gedrag van andere primaten of roofdieren bestudeert, ziet dat geweld een integraal onderdeel is van overleving. De westerse mens is de enige diersoort die zijn eigen agressie heeft gelegaliseerd in wetboeken, om vervolgens verbaasd te kijken naar de onversneden wreedheid van het ecosysteem.

De tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden zette mij opnieuw aan het denken over wat het eigenlijk betekent om ‘in de natuur’ te leven. In het Westen beschouwen we zo’n bestaan vaak als primitief of als een gebrek aan ontwikkeling. Maar wie kijkt naar de kennis die volkeren als de Papoea’s gedurende eeuwen opbouwden, ziet eerder het tegenovergestelde. Weten welke planten eetbaar zijn, hoe je water vindt, hoe je een onderkomen bouwt uit wat het landschap biedt, hoe je leeft zonder het ecosysteem direct uit te putten, dat is geen romantische hobby, maar een vorm van beschaving op zichzelf. Misschien alleen een beschaving die niet gebouwd werd uit beton, plastic, asfalt, algoritmes en spreadsheets.

Een heel andere betekenis krijgt die natuurkennis in de verhalen rond de Zefat-groep, waarover een vriend van mij samen met Ab van Dien een filmproject maakte voor Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daar werd het bos geen plek van vrijheid of harmonie, maar een schuilplaats. Mensen groeven kuilen om zichzelf verborgen te houden, letterlijk wegzakkend in de aarde om te kunnen overleven. Het confronteert je met een ongemakkelijke waarheid: de natuur beschermt niemand vanzelf. Zonder kennis van terrein, seizoenen, camouflage en foerageren wordt een bos eerder een vijand dan een toevluchtsoord. Het idee van ‘off-grid leven’ klinkt anders wanneer het geen keuze meer is, maar een laatste mogelijkheid.

Toch herken ik ergens ook de aantrekkingskracht van dat andere perspectief: het verlangen naar een eenvoudiger bestaan, in een tiny house tussen bomen, omringd door een permacultuur die misschien genoeg oplevert om jezelf en anderen te voeden. Niet uit pure noodzaak, maar uit onvrede met een wereld die steeds drukker, kunstmatiger en afhankelijker aanvoelt. Earthships, zelfvoorzienende woningen en off-grid experimenten lijken soms moderne pogingen om iets terug te vinden wat verloren is gegaan. Tegelijk schuilt daar misschien ook een paradox in. Veel mensen – ikzelf inbegrepen – kunnen over zo’n leven fantaseren juist omdat we zijn opgegroeid in een samenleving waarin supermarkten, elektriciteit en infrastructuur vrijwel altijd beschikbaar zijn. De romantiek van zelfvoorziening ontstaat vaak pas op het moment dat echte afhankelijkheid verdwenen is.

Toch is er nog iets dat deze drie werelden met elkaar verbindt. Geen van hen blijkt uiteindelijk onaantastbaar. Iedere vorm van leven buiten de moderne beschaving staat onder druk, al gebeurt dat telkens op een andere manier.

Voor veel Papoea-gemeenschappen wordt een eeuwenoude levenswijze langzaam afgebroken door een oprukkende buitenwereld. Zendingsdrang, economische exploitatie, ontbossing en klimaatverandering dringen gebieden binnen waar mens en natuur ooit een vanzelfsprekende eenheid vormden. Wat voor buitenstaanders soms als “achtergebleven” werd gezien, blijkt ondertussen juist kennis te bevatten die de moderne wereld grotendeels is kwijtgeraakt. Ironisch genoeg vernietigt dezelfde beschaving die zichzelf als vooruitgang presenteert vaak precies datgene wat zij zegt te willen beschermen: cultureel evenwicht, biodiversiteit en verbondenheid met de leefomgeving.

Ook de onderduiker leeft in een wereld die voortdurend dreigt te verdwijnen. Niet langzaam, maar abrupt. Eén moment van verraad, één strenge winter, één tekort aan voedsel kan het einde betekenen. Het geïmproviseerde bestaan in bossen, holen of zelfgegraven kuilen vraagt een lichamelijke en geestelijke hardheid die nauwelijks voorstelbaar is voor wie veiligheid gewend is. De natuur wordt daar geen romantisch decor, maar een plek waar kou, honger en angst voortdurend aanwezig blijven. Overleven betekent er niet terugkeren naar eenvoud, maar dag na dag proberen mens te blijven onder onmenselijke omstandigheden.

En dan is er de moderne dromer, die misschien vrijwillig tussen de bomen wil leven, maar ontdekt hoe moeilijk het is om werkelijk afstand te nemen van de wereld die hij bekritiseert. Veel dromen over zelfvoorziening ontstaan juist in samenlevingen waarin bijna niemand nog écht afhankelijk is van eigen natuurkennis. Dat maakt het verlangen oprecht, maar ook tegenstrijdig. De moderne maatschappij blijft trekken, verleiden en sussen. Comfort blijkt moeilijker los te laten dan ideologie. Wie droomt van een eenvoudig bestaan merkt vaak hoe diep hij ongemerkt verweven is geraakt met elektriciteit, speciaalzaken, digitale netwerken en ander gemak. Misschien lijkt dat op iemand die wil afvallen terwijl overal voedsel wordt aangeboden: niet gebrek aan overtuiging vormt het grootste obstakel, maar de constante aanwezigheid van verleiding. De materialistische wereld die we vervloeken, is vaak dezelfde wereld waarvan we afhankelijk zijn geworden.

Misschien vormen de Papoea’s wel de ultieme belichaming van een leven dat werkelijk ‘klopt’; tenminste, als we het hebben over hun leven voordat onze bemoeizuchtige ‘beschaving’ de boel kwam verstoren. Natuurlijk hoor ik de morele verontwaardiging over koppensnellen en kannibalisme; praktijken die inderdaad lastig te verkopen zijn in een glossy tijdschrift. Maar wie de mens als zoogdier beschouwt in plaats van als moreel superieur wezen, ziet dat de natuur nooit een ethische commissie heeft aangesteld. Wij vinden hun geweld primitief, maar onze eigen methoden om de wereld te vernietigen zijn simpelweg efficiënter georganiseerd.

Het filmproject ‘Van de stobbe en de bossen’, waarover in dit blogbericht wordt gesproken, werd gemaakt door Martin van den Oever en Petra Timmer samen met Ab van Dien voor herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch museum.

De laatste colporteurs van het zondebesef

Over zeldzaam wordende zielverkopers die dachten dat ook koppensnellers behoefte hadden aan scholastiek.

Totdat documentairemaker Jan Maarten Deurvorst zich ging verdiepen in het leven en werk van de laatste Franciscanen in Nieuw-Guinea, scheen hij ongeveer dezelfde gedachte over missie- en zendingswerk te hebben gehad als ik: dat het in wezen neerkwam op een mengeling van religieus imperialisme, cultureel vandalisme en goedbedoeld paternalisme, uitgevoerd door mannen op sandalen die vonden dat de bewoners van de jungle dringend behoefte hadden aan Europese schuldgevoelens, catechismussen en het correcte gebruik van westers bestek.

‘De kloosterorde der Franciscanen is een bedelorde. Niemand heeft bezit. Daarmee betoont de orde haar solidariteit met de armen […], wat misschien haar populariteit verklaart. [De broeders en zusters] werden ver de binnenlanden [van West-Papoea] ingestuurd. De Franciscanen […] legden het gebied dus min of meer open. Opvallend was dat ze zich daarbij nogal anti-institutioneel gedroegen. […] Ook al omdat ze weinig bagage hadden om mee te nemen.’ (radiofragment)

Misschien moet ik verder alleen voor mezelf praten: ik vond dat religieuze verspreidingsarbeid vooral neerkwam op het vervangen van lokale mythen door westerse, met als twijfelachtige bonus een kerkgebouw, een schoolbord en een permanent gevoel van beschavingssuperioriteit. De missionarissen van “Papoealand” – zoals zij het ook wel noemden – waren in essentie spirituele koloniale ambtenaren. Wereldvreemde mannen Gods die koppensnellers kwamen vertellen dat kannibalisme verkeerd was, maar ondertussen wel een complete cultuur archiveerden, herschreven en gedeeltelijk ontmantelden.

Ziezo, dat vooroordeel is opgetuigd. Maar de radiodocumentaire De laatste der Franciscanen, uitgezonden door het geschiedenisprogramma OVT van de VPRO, maakt het beeld aanzienlijk ingewikkelder. Zij heeft de hinderlijke eigenschap mijn atheïstische wereldbeeld te ontregelen.

Wat deze documentaire bijzonder maakt, is dat zij niet alleen gaat over missionering in koloniale context, maar vooral over de onverwachte wederzijdse beïnvloeding tussen missionarissen en Papoeastammen zoals de Asmat en de Marind. In Nederlandse koloniale verhalen stonden die groepen lang bekend als koppensnellers en kannibalen; een beeld dat sensationeel was. De documentaire onderzoekt wat er werkelijk gebeurde toen Franciscanen zich daar na de Tweede Wereldoorlog op grotere schaal vestigden.

De Franciscaanse aanwezigheid in Nederlands Nieuw-Guinea begon al in 1937. Nederlandse minderbroeders werkten in gebieden rond Merauke, Mimika en later ook in het Asmatgebied. Hun werk beperkte zich niet tot religie: zij hielden zich bezig met onderwijs, gezondheidszorg, taalstudie en infrastructuur. Opvallend is dat Franciscaanse missionarissen relatief veel belangstelling hadden voor lokale rituelen en culturen, in tegenstelling tot meer paternalistische missiebenaderingen elders.

Interessant is de bredere historische achtergrond. West-Papoea werd tot 1962 bestuurd als Nederlands Nieuw-Guinea. Daarna kwam het gebied onder Indonesisch bestuur, wat leidde tot langdurige spanningen en onafhankelijkheidsbewegingen. Sommige missionarissen gingen zich later nadrukkelijk uitspreken over mensenrechten en geweld tegen Papoea’s. De uitzending blijkt sowieso niet alleen een verhaal over religie te zijn, maar ook over identiteit, antropologie, culturele ontmoeting, kolonialisme en het verdwijnen van een Nederlandse wereld in de Pacific.

In de documentaire speelt dat – het verdwijnen van een tijdperk – een grote rol. Juist daar krijgt het verhaal een menselijke scheur die verhelderend licht doorlaat. Vrijwel alle Nederlandse missionarissen zijn inmiddels vertrokken of overleden. De titel De laatste der Franciscanen verwijst naar de laatste nog aanwezige Nederlandse pater in het gebied, die Deurvorst heeft geïnterviewd. Dat geeft het programma een melancholische laag: het einde van een Nederlands-katholieke aanwezigheid in Papoea die bijna negentig jaar heeft geduurd.

Het is niet dat Theo van der Broek van zijn geloof viel; hij zou graag zijn doorgegaan als drager van het kruis, bemiddelaar tussen Rome en het moeras, vertegenwoordiger van de hemelse hoofdvestiging. Als traditionele leverancier van zondebesef bleek hij echter niet geschikt. Uiteindelijk toonde deze vertegenwoordiger van de eeuwigheid zich vatbaar voor iets aards. De minderbroeder ontmoette zijn min. Jawel, de pater werd verliefd op een vrouw. Daarmee verloor de kerk een missionaris, maar kreeg de documentaire haar ontroerendste detail. Hij werd verbannen en door zijn geloofsgenoten met de nek aangekeken.

Op een enkeling na; iemand die begreep dat medemenselijkheid pas geloofwaardig wordt zodra zij ophoudt een investering in het hiernamaals te zijn.1 Met andere woorden: iemand die uiteindelijk de mens belangrijker vond dan het systeem waarin hij had leren geloven.

  1. Aanvankelijk stond hier: “iemand die de ware implicaties van het geloof had begrepen.” Maar juist daarin schuilt voor mij een probleem. Religieuze moraal blijft moeilijk los te zien van het idee dat goede daden uiteindelijk plaatsvinden binnen een verhouding tot God; als onderdeel van een morele boekhouding van zonde, schuld en verlossing. Dat roept de vraag op in hoeverre christelijke naastenliefde volledig belangeloos kan zijn wanneer zij tegelijk verbonden blijft aan eeuwige consequenties voor degene die haar verricht. Misschien waren het daarom eerder humanistische impulsen die die ene oud-collega van de verbannen pater volgde: een direct moreel besef, los van de gedachte dat een goede daad tevens een investering kan zijn in hemel, verlossing of goddelijke goedkeuring. ↩︎

Sterk geschreven, maar je reduceert religieuze naastenliefde wel erg gemakkelijk tot een soort kosmische bonusregeling. Alsof ongelovigen nooit handelen uit ijdelheid of behoefte aan erkenning, of – je raadt het al – ware compassie.
— Marianne, Nijmegen

Die zin over ‘spirituele koloniale ambtenaren’ is hard, maar niet onterecht. Missionering was vaak gewoon imperialisme met een bijbel onder de arm.
— Peter, Groningen

Interessant stuk juist omdat het weigert eenvoudig anti-katholiek te worden. Dat maakt het ongemakkelijker en dus eerlijker.
— Anoniem

Als antropoloog mis ik wel nuance over de Asmat. Het woord ‘koppensnellers’ blijft toch een koloniale categorie, zelfs wanneer je uitlegt dat het een historisch beeld betreft.
— Drs. H. van Leeuwen

Die arme pater. Negentig jaar in het moeras voor Rome gewerkt en uiteindelijk alsnog ingewisseld vanwege bureaucratische kuisheid.
— Theo, Breda

Ik ben gelovig en toch herken ik die ‘hemelse boekhouding’ waar je over schrijft. Juist daarom vond ik de noot sterker dan het essay zelf.
— Els, Antwerpen

De ironie druipt er soms iets te dik bovenop. Alsof iedere missionaris automatisch een koloniale karikatuur was. Maar goed, misschien is dat juist je stijlmiddel.
— Johan

OVT blijft fantastisch in het oproepen van dat melancholische gevoel van verdwenen Nederlandse werelden. Je ruikt in die documentaire bijna het schimmelende missiekantoor.
— Karel

Zet mij maar op de zwarte lijst

Het zou mij tegenvallen als het Trump-regime mij niet als staatsgevaarlijk zou bestempelen.

Er is opnieuw felle kritiek vanuit de VS op Europa. Naast de bekende stokpaardjes van radicaal rechts – dat Europa een broedplaats voor terreurdreigingen zou zijn vanwege massamigratie, zwakke grenzen en narco-terroristen – trekt het Trump-regime nu ook van leer tegen “extremistisch links”. Maar wat zijn eigenlijk de criteria waarmee de Nationale Veiligheidsraad van het Witte Huis bepaalt dat bewegingen als ‘antifa’ een “grote bedreiging” vormen?

De would-be dictator Trump wordt hier in één beeld gevangen met George Wahington, de eerste president van de VS. Washington was een republikein in de klassieke zin (voorstander van een republiek), geen democraat in de hedendaagse Amerikaanse partijbetekenis. Hij stond boven de partijen en waarschuwde juist tegen de polarisatie die we vandaag de dag zien. Hij was meer een ‘staatsman’ dan een partijdige politicus. In zijn beroemde Farewell Address (1796) waarschuwde hij expliciet tegen het gevaar van politieke partijen (“the spirit of party”). Hij vreesde dat ze de eenheid van het land zouden ondermijnen en zelfs tot despotisme zouden leiden. In het geval van Trump heeft hij gelijk gekregen. (Foto van EPA wordt hier geplaatst met gesupposeerde toestemming.)

In de nieuwe Amerikaanse antiterreurstrategie voor 2026 wordt ‘antifa’ niet zozeer behandeld als een formele organisatie, maar eerder als een ideologisch netwerk of een politieke parapluterm. Daarmee ontstaat een rekbare definitie van extremisme, die veel verder gaat dan het bestrijden van concreet geweld. Laat me raden waar de kritiek uiteindelijk op neerkomt. De Trump-regering kijkt vermoedelijk allang niet meer uitsluitend naar vormen van terrorisme. Groepen kunnen al verdacht worden zodra zij:

  1. anti-statelijke of revolutionaire retoriek bezigen;
  2. internationale netwerken onderhouden;
  3. maatschappelijke mobilisatie organiseren;
  4. culturele of ideologische alternatieven tegenover ‘Amerikaanse waarden’ plaatsen;
  5. invloed uitoefenen binnen universiteiten, media, NGO’s, de ambtenarij of technologiebedrijven.

Kortom: de definitie van ‘extremistisch links’ verschuift van ‘geweldstoepassing’ naar ‘verwerping van traditionele normen en nationale instituties.’ Dat is een fundamentele verschuiving.

In de VS is het in principe legaal om radicaal-linkse, anarchistische of antikapitalistische ideeën te hebben zolang men geen concrete geweldsdaden plant of pleegt. Maar uit de retoriek van het Trump-regime blijkt dat begrippen als “anti-Amerikaans”, “radicaal pro-transgender” en “anarchistisch” moeiteloos door elkaar heen lopen. Dat wijst erop dat de criteria niet louter veiligheidsgericht zijn. De selectie van doelwitten vindt plaats op basis van een doctrinair kader. Men volgt het programma van een sektarische, revanchistische partij.

De consequentie laat zich raden: politieke inzet van veiligheidsdiensten tegen ideologische tegenstanders, intensievere surveillance van activisten, criminalisering van protest en verdere aantasting van burgerrechten.

Je bent al snel verdacht in het Amerika van nu. Ondersteun je autonome vrijplaatsen? Onderhoud je internationale contacten? Doe je weleens mee aan een bezetting? Organiseer je maatschappelijke onrust, al is het maar in de breedste, meest politieke betekenis van het woord? Wees dan Trumps motto indachtig:

Misschien is het daarom verstandig om alvast wat helderheid te verschaffen. Bij gebrek aan officiële criteria geef ik zelf graag aan waarom ik aan gene zijde van de Atlantische Oceaan mogelijk als staatsvijand moet worden aangemerkt. Dit zijn mijn ‘zeven vinkjes’:

  1. In 2017 noemde ik Trump in een interview met de Volkskrant een “potsierlijke geilneef.” Achteraf bezien hield ik mij nog in. Ik wou dat ik toen de tegenwoordigheid van geest had gehad om de president te typeren zoals Ben Meiselas vaak doet (zie verder).
  2. Mijn boek The GreenXtreme vraagt op de cover openlijk: “Is it Time to Break the Law for the Right to Breathe?” Daarboven staan bovendien de woorden: “No Law But Justice.” Niemand hoeft nu nog te weten dat ik in het belangrijkste, derde deel, van dat boek, het gebruik van geweld stelselmatig afwijs.
  3. Ik beschouw mezelf als een milieuactivist die zich (tot nu toe) weet in te houden.
  4. Ik onderhoud contacten met buitenlandse activistische netwerken.
  5. Ik weiger de autocratische impulsen van het huidige Trump-regime te normaliseren als legitiem democratisch gezag. Want laten we eerlijk zijn; het functioneert slechts onder de dekmantel van een representatieve (dus volkssoevereine) autoriteit, maar kan absoluut niet worden gezien als een reguliere uiting van constitutioneel bestuur.
  6. Ik stem op de Partij voor de Dieren.
  7. Ik ben radicaal pro-transgender.

Ik verzoek de Nationale Veiligheidsraad van de VS om mij preventief op hun zwarte lijst te plaatsen. Het zou vervelend zijn als daar later administratieve onduidelijkheid over ontstaat. Ik beschouw het als een eer om door een schurkenregime als persona non grata (of erger) te worden verklaard.

Op zijn veelbekeken kanaal, het MeidasTouch Network (MTN), spaart Ben Meiselas de huidige president niet. Zijn vocabulaire is doorspekt met juridische ernst vermengd met een flinke dosis retorische verontwaardiging. Wanneer Meiselas van leer trekt, gebruikt hij vaak de volgende termen en typeringen:

  • Convicted Felon: Sinds de uitspraak in de zwijggeldzaak in New York is dit zijn absolute favoriet. Hij herhaalt dit bijna als een mantra om de juridische status van Trump te benadrukken.
  • Adjudicated Rapist: Verwijzend naar de civiele rechtszaak van E. Jean Carroll. Meiselas hecht veel waarde aan het gebruik van de exacte juridische terminologie die door de rechter is bevestigd.
  • Fraudster: Meestal in de context van de civiele fraudezaak in New York waarbij de zakelijke praktijken van de Trump Organization onder de loep werden genomen.
  • Authoritarian / Wannabe Dictator: Hij waarschuwt regelmatig voor de antidemocratische retoriek en de plannen die Trump heeft voor een eventuele derde termijn.
  • Incompetent / Chaotic: Meiselas zet Trump vaak neer als iemand die intellectueel niet in staat is om de complexiteit van het landsbestuur of zelfs zijn eigen juridische verdediging te begrijpen.
  • The Leader of the MAGA Cult: Hij positioneert Trump niet als een traditionele politicus, maar als een sekteleider die zijn volgers misleidt.
  • Cognitive Decline: Meiselas deelt vaak clips waarin Trump woorden vergeet of verward overkomt, om te betogen dat hij mentaal ongeschikt is voor het ambt.
  • Low Energy / Weak: In schril contrast met de “strongman”-persona die Trump probeert uit te stralen, schildert Meiselas hem vaak af als een kwetsbare, paniekerige man die doodsbang is voor de gevangenis (waar hij thuishoort).

Lezersreactie:
Interessante analyse. Wat u hier beschrijft bij het Trump-regime, lijkt overigens verdacht veel op de klassieke theorie van de ‘Dual State’ van Ernst Fraenkel. Hij stelde vast dat in autoritaire systemen een normatieve staat (die de schijn van de wet ophoudt voor de ‘brave’ burger) zij aan zij bestaat met een prerogatieve staat; een machtsapparaat dat volledig willekeurig en naar eigen goeddunken afrekent met iedereen die als ‘vijand’ is gelabeld.
Het is een bittere ironie dat een regime dat de mond vol heeft van de rule of law, in de praktijk vooral de regels van de prerogatieve staat hanteert om critici monddood te maken. Het zou verfrissend zijn als men in de VS deze wetenschappelijke realiteit eens onder ogen kwam, in plaats van te blijven geloven in de fabel van een ongeschonden democratie.

De geboorte van de spreadsheet-samenleving

Hoe we de wereld verruilden voor getallen.

Het is een wrange grap van de geschiedenis; we wonnen de strijd om de efficiëntie, maar verloren onderweg de realiteit uit het oog. In de lente van 1968, terwijl de straten van New York kolkten van sociaal onbehagen, voltrok zich in de achterkamers van de Verenigde Naties een revolutie zonder geweerschoten. Statistici herschreven de regels van wat we ‘waarde’ noemen. Wat voorheen werd gezien als een noodzakelijk kwaad of een faciliterende dienst – het uitlenen van geld tegen rente – werd plotsklaps gepromoveerd tot de motor van onze welvaart. De documentaire genaamd Een kapitale denkfout van Tegenlicht, die afgelopen dinsdag door de VPRO werd uitgezonden, legt de vinger op een zere plek die velen van ons wel voelen, maar zelden kunnen aanwijzen. We lijden aan een collectieve tunnelvisie, waarbij alles wat niet in een Excel-hokje past, simpelweg ophoudt te bestaan.

VPRO Tegenlicht belicht de wortels van onze spreadsheet-samenleving. Een noodzakelijke waarschuwing, die we eigenlijk al decennia hadden kunnen horen. Dat een vergeten VN-commissie uit 1968 onze definitie van waarde voorgoed veranderde, is absoluut een eye-opener, maar deze ‘kapitale denkfout’ werd zeker niet door iedereen over het hoofd gezien. Veel economen hebben gewaarschuwd voor het feit dat extra arbeidswaarde niet meer eerlijk werd verdeeld, maar rechtstreeks vloeide naar de zakken van de renteniersklasse. (Kritiek op meerwaarde van extra inspanning die niet wordt vertaald in loonstrookjes, maar wordt opgezogen door het kapitalisme, is natuurlijk Marx ten voete uit; alleen was er in zijn tijd nog geen ICT in combinatie met een financiële markt.) De eigenlijke vraag is dan ook: hebben we die kapitalisering door de financiële sector gemist, of wilden we het gewoon niet zien?

We moeten het hebben over de erfenis van Robert McNamara. Als architect van de Vietnamoorlog probeerde hij een conflict te managen alsof het een autofabriek was. Als de ‘bodycount’ maar hoog genoeg was en de statistieken van afgeworpen munitie gunstig kleurden, dan móésten we wel winnen, toch?

Niet dus. De menselijke moraal, de culturele weerstand en het diepe sentiment van een bevolking laten zich niet vangen in een staafdiagram. Deze McNamara Fallacy – het negeren van de onmeetbare werkelijkheid omdat deze lastig te kwantificeren is – is inmiddels de standaardprocedure geworden in onze bestuurskamers. Of het nu gaat om de zorg, het onderwijs of de klimaatcrisis; we staren ons blind op de dashboard-indicatoren terwijl de motor in de soep loopt.

Vanuit een progressief-economisch perspectief is de beslissing van 1968 niets minder dan de juridische erkenning van het rentenierskapitalisme. Door bankactiviteiten mee te tellen in het Bruto Binnenlands Product (BBP), creëerden we een perverse prikkel. In plaats van een economie die goederen en diensten produceert om menselijke behoeften te bevredigen, bouwden we een systeem dat ‘groei’ simuleert door schulden op te stapelen.

Wanneer een bank een lening verstrekt voor een speculatieve vastgoeddeal, stijgt het BBP. De statistiek juicht, maar de samenleving schiet er niets mee op; de huizen worden onbetaalbaar en de rijkdom concentreert zich bij degenen die al over kapitaal beschikken. We hebben de financiële sector, die ooit diende als de olie in de machine, verward met de machine zelf. Het resultaat is een economie die op papier floreert, terwijl de sociale cohesie verdampt en de mentale gezondheidssituatie precair wordt.

Gedurende het kijken naar deze documentaire moest ik de hele tijd denken aan een andere economomische schok, die wat later plaatsvond en waarvan iedereen heeft gehoord. Ik dacht aan het loslaten van de goudstandaard. Hoewel de Tegenlicht-uitzending focust op de statistische verschuiving in 1968, is de ‘Nixon Shock’ van 1971 – het moment dat de koppeling tussen de dollar en goud werd doorgesneden – volgens mij de andere helft van de schaar (bij gebrek aan een betere beeldspraak).

Zit er een correlatie tussen deze momenten? Volgens mij wel. In 1971 zorgde ‘men’ ervoor dat de hoeveelheid geld niet langer beperkt werd door een fysieke voorraad goud. Velen zagen dat als een bevrijding, maar het was natuurlijk het begin van de ellende. Ik begrijp nu dat deze rampspoed werd ingeleid in 1968 door wat je ‘De creatie’ zou kunnen noemen: eerst bepaalden we dat het verschuiven van geld ‘productief’ was.

Zonder de rem van goud kon de financiële sector exponentieel groeien. Geld werd een abstractie die uit het niets kon worden gecreëerd door commerciële banken. De spreadsheet werd niet alleen een meetinstrument, maar een vehikel voor de schepping van een schijnwerkelijkheid. Sinds de vroege jaren 70 zie je dat de productiviteit van werknemers blijft stijgen, maar dat hun lonen stagneren; de vruchten van die verhoogde productiviteit verdwijnen sindsdien in het zwarte gat van de financiële sector, die we in 1968 eigenhandig tot het hart van onze economie bombardeerden.

De cirkel is rond nu we deze logica toepassen op kunstmatige intelligentie. We trainen algoritmes op basis van historische data; data die al vervuild zijn door deze ‘kapitale denkfout’. Als we AI vertellen dat succes gelijkstaat aan de optimalisatie van cijfers, zal de machine diezelfde kille efficiëntie toepassen op ons leven, zonder oog voor de menselijke maat.

Het is tijd dat we erkennen dat een spreadsheet een handig hulpmiddel is, maar een rampzalig kompas. Een samenleving die enkel stuurt op wat meetbaar is, eindigt als een prachtig vormgegeven grafiek die rechtstreeks de afgrond in wijst. Misschien is het tijd om de koppen van de financiële berichten eens te negeren en te luisteren naar wat er in de marges wordt gefluisterd. Want daar bevindt zich de werkelijkheid die we al die tijd ‘gemist’ hebben.

Sta mij toe dat ik aan dit zogenaamde ‘gemiste’ moment een kritische annex toevoeg, want laten we eerlijk zijn: zo nieuw is deze boodschap nu ook weer niet.

We moeten ophouden met deze collectieve verbazing; het staat ons eerlijk gezegd nogal hypocriet. We doen nu alsof we de dupe zijn geworden van een bureaucratisch foutje uit 1968, een verdwaalde komma in een VN-statistiek die de wereld per ongeluk heeft verkocht aan de bankiers. Maar wie houden we voor de gek? De waarschuwingen waren nooit geschreven in onzichtbare inkt. Ze stonden in kapitalen op de muren van de geschiedenis; van de vlijmscherpe analyses van Marx tot de kille data-exercities van Piketty.

We wisten het. Of we hadden het kunnen weten, als we niet zo druk waren geweest met het bewonderen van onze eigen digitale spiegelbeelden.

Het loslaten van de goudstandaard was geen technisch mankement; het was onze collectieve ontsnapping uit de realiteit. We vonden het wel prettig, die wereld waarin geld uit het niets kon worden getoverd om de illusie van eeuwige groei te voeden. We hebben de financiële markten niet per ongeluk laten fixeren op winstmaximalisatie; we hebben die markten de sleutels van de stad gegeven omdat we stiekem hoopten op een graantje van de winst. Of dat nu via onze pensioenfondsen was of de stijgende overwaarde op ons huis; we zijn allemaal verslaafd geraakt aan de heroïne van het fictieve kapitaal.

De “McNamara-denkfout” is inmiddels onze tweede natuur geworden. We meten alles: onze stappen, onze slaap, onze vriendschappen in digitale interacties en onze economie in abstracte getallen die niets meer zeggen over de kwaliteit van het bestaan. We hebben de menselijkheid ingeruild voor de spreadsheet omdat die ons beloofde dat alles beheersbaar was.

Een systeem dat gebouwd is op het extraheren van waarde zonder iets wezenlijks toe te voegen, móét uiteindelijk imploderen. We hebben de financiële parasiet tot gastheer gekroond en kijken nu verbaasd dat het lichaam – onze samenleving -begint te wankelen.

AI is slechts de laatste spiegel die ons wordt voorgehouden. Het is de ultieme rekenmeester die we zelf hebben ontworpen om de logica van 1968 tot in het absurde door te voeren. Als we straks in een wereld leven die perfect geoptimaliseerd is op papier, maar waar geen ruimte meer is voor de onmeetbare chaos van het mens-zijn, dan kunnen we niet zeggen dat we niet gewaarschuwd zijn. We waren erbij, we zagen het gebeuren, en we bleven kijken naar de koersen zolang ze maar groen kleurden.

Die kapitale denkfout? Dat was geen foutje van statistici. Dat was een bewuste keuze van ons allen.

Een breuk in het script

Wanneer het leven de vlogger inhaalt.

Bij het openslaan van een roman of het starten van een Netflix-serie sluiten we een stilzwijgend pact met de maker; we accepteren de chaos op het scherm, simpelweg omdat we weten dat er achter de schermen een scenarist waakt over de rode draad. Hoe grillig de plot ook mag lijken, het is een geconstrueerde ononderbrokenheid die ons onvermijdelijk naar een doordacht slot voert. Maar wie zich begeeft in de wereld van de avontuurlijke vlogger, stapt in een verhaal zonder vangnet. Hier is geen sprake van een regisseur die ‘cut’ roept als de realiteit te rauw wordt; hier kan het leven met een botte bijl inhakken op de verhaallijn. Het is de ultieme kwetsbaarheid van de ‘unscripted’ mens: de droom die niet eindigt met een geplande apotheose, maar met een technisch debacle dat geen enkele scriptschrijver had durven indienen bij zijn producent.

Maak kennis met Molly, een jonge vrouw die met haar kanaal Molly’s Sea Stories (mollysseastories op Instagram) de belichaming was van de moderne ontsnappingsdrang. Haar metgezel? De Kyeema, een stalen dame die haar de ultieme vrijheid beloofde. Het kanaal ademde die typische, aanstekelijke naïviteit van de vroege ontdekkingsreiziger: de oceaan als decor voor een eindeloze zoektocht naar zelfstandigheid en verre horizonten.

Al snel bleek dat de Kyeema niet alleen een schip was, maar een gulzige verzameling mechanische uitdagingen. Wat begon als een romantisch epos, veranderde langzaam in een kroniek van defecte alternatoren, slippende v-snaren en accu’s die de geest gaven. Het avontuur werd een uitputtingsslag waarbij de horizon steeds vaker werd geblokkeerd door een geopende motorkap.

Het centrale motief van dit epos is tevens de meest wrange verklaring voor het uiteindelijke falen: de paradox van de onafhankelijkheid. In de moderne beeldvorming wordt zeilen vaak gepresenteerd als de ultieme ontsnapping aan de maatschappelijke systemen; een leven op eigen kracht, gedreven door de wind. De realiteit is echter dat een zeiljacht een drijvende micro-kosmos is van complexe techniek.

Wie de oceaan opzoekt zonder fundamentele technische vaardigheid, creëert onbedoeld de meest extreme vorm van afhankelijkheid die denkbaar is. In plaats van vrij te zijn, word je een gijzelaar van het toeval. Elke hapering van de motor of elk defect aan de elektronica verandert de kapitein in een toeschouwer van haar eigen ondergang. Het gebrek aan ‘wetenschappelijke soundness’ – de nuchtere kennis van hoe krachten, corrosie en verbranding op elkaar inwerken – zorgt ervoor dat de droom niet wordt gestuurd door de koers van het roer, maar door de grillen van externe redders. Deze technische onmacht fungeert als een onzichtbaar anker dat, ongeacht de goede bedoelingen, elke voortgang uiteindelijk onmogelijk maakt.

Midden in deze mechanische gijzeling verscheen Tom, de drijvende kracht achter het kanaal What In The World. Hij was de personificatie van de ontbrekende schakel: de man die niet alleen de horizon zag, maar ook begreep hoe je daar moest komen als de wind wegviel. Tom bracht een broodnodige medische interventie voor de Kyeema. Hij reviseerde lieren, verving v-snaren en bracht een kalmte aan boord die alleen voortkomt uit het beheersen van de materie. Voor de kijker was hij de ‘deus ex machina’ die de verhaallijn behoedde voor een voortijdig einde.

Toch was het niet alleen de techniek die de kijkers aan het scherm gekluisterd hield. Er ontstond een onmiskenbare synergie tussen Tom en Molly die de video’s een diepere, bijna literaire laag gaf. We kijken immers liever naar een hart dat klopt dan naar een motor die draait. De tederheid in de interactie en de gedeelde kwetsbaarheid tijdens zware oversteken voedden de hoop op een groter verhaal. Of er nu sprake was van een klassieke romance of een diepe verbondenheid door gedeelde nood; het element van menselijke genegenheid was de lijm die de brokkelige verhaallijn tijdelijk weer tot een eenheid smeedde. Het maakte de reis voor het publiek persoonlijk; de boot werd een thuis, en de tweekoppige bemanning een belofte.

Uiteindelijk bleek de realiteit echter een onverbiddelijke scenarist. In de gedenkwaardige aflevering 100 zagen we hoe de wetten van de fysica en de genadeloze logica van de economie het laatste woord opeisten. De Kyeema was simpelweg “op”. De structurele gebreken en de financiële uitputting dwongen hen tot een besluit dat even onbaatzuchtig als hartverscheurend was: de boot moest worden weggegeven.

Het is het definitieve einde van een verhaallijn die niet bezweek onder een gebrek aan passie, maar onder het gewicht van zijn eigen paradoxen. De droom van vrijheid eindigde in een haven waar de sleutels werden overgedragen; een herinnering achterlatend aan een reis die ons leerde dat je de wereld kunt bevaren op hoop, maar dat je alleen thuiskomt met een werkende dynamo.

Tegenstemmen uit de VS

Wat verbindt de commentatoren uit mijn eerdere lijstje?

In mijn eerdere blogbericht deelde ik een verzameling Amerikaanse commentatoren. Naar aanleiding van dat overzicht vroeg iemand zich af op grond van welke criteria deze selectie tot stand kwam. Die vraag rechtvaardigt een toelichting. Dit overzicht dient immers niet enkel als hulpmiddel om online opinievormers in kaart te brengen, maar wil ook een genuanceerder beeld schetsen van het Amerikaanse politieke landschap. Te vaak heerst in Europa de gedachte dat de Verenigde Staten louter uit extremen en chaos bestaan. De werkelijkheid blijkt gelukkig een stuk complexer en genuanceerder.

Gisteren voorspeld, vandaag bewaarheid. Trump heeft inderdaad het voornemen uitgesproken om MTN voor de rechter te slepen. Ben Meiselas – advocaat van huis uit – lust hem rouw. (Ik schreef trouwens voor het eerst over deze mogelijkheid op 25 oktober 2025 in https://ronaldvannoorden.com/2025/10/25/drie-kanaries-in-een-kolenmijn/)

Ik toon hier eerst de verzameling van opiniemakers, zoals ik die gisteren ook online zette:

  • Ben MeiselasMeidasTouch Network.
  • David PakmanThe David Pakman Show.
  • Tim MillerThe Bulwark.
  • JessiahPondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan GonzálezDemocracy Now!.
  • Brian Tyler CohenNo Lie.
  • Luke BeasleyThe Luke Beasley Show.
  • Krystal BallBreaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle KulinskiSecular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana KasparianThe Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie WynnContraPoints.
  • Sam SederThe Majority Report with Sam Seder.
  • Chris HedgesThe Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara SwisherOn With Kara Swisher.
  • Hasan PikerHasanAbi.
  • Thom HartmannThe Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara SwisherPivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin HorowitzReally American.
  • Adam MocklerThe Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.

De lijst is samengesteld op basis van de volgende uitgangspunten:

  1. Het betreft overwegend progressieve denkers en analisten, opiniemakers en commentatoren. Het stempel ‘progressief’ is een politiek en sociologisch begrip. De commentatoren van The Bulwark komen oorspronkelijk vaak uit conservatieve of centrumrechtse hoek. Die houd ik, eerlijk gezegd, wat kritischer in de gaten.
  2. Het volledige gezelschap bezit de Amerikaanse nationaliteit. Dit staatsburgerschap is een verifieerbaar juridisch feit (hoewel de gekte van de huidige politiek met zich meebrengt dat sommige van de legaal in de VS wonende commentatoren toch te vrezen hebben voor wat ICE met hun beschermde status zal uitrichten. Zij hebben namelijk een migratieachtergrond.).
  3. De onderwerpen van hun uitzendingen richten zich overwegend op de binnenlandse politiek en maatschappelijke debatten in de Verenigde Staten. Er is dus nauwelijks internationale berichtgeving. Deze Amerikanocentrische focus schept duidelijkheid.
  4. Ieder van hen manifesteert zich via het videoplatform YouTube; dit medium fungeert als hun digitale megafoon. Velen van hen zijn ook als podcast te beluisteren. Sommigen van hen gebruiken de YouTube-factor louter als distributiekanaal voor hun podcasts of radio-uitzendingen.
  5. De inkomsten komen veelal van crowdfunding, abonnees op platforms zoals Patreon of betaalde podcasts, waardoor zij losstaan van traditionele mediabedrijven. Hun financiële onafhankelijkheid is belangrijk.
  6. Er is sprake van een hecht ecosysteem waarin de makers geregeld in elkaars programma’s verschijnen; deze intertekstualiteit en netwerkinspanningen versterken hun gezamenlijke online bereik aanzienlijk.
  7. Hun content bevindt zich in de categorie duiding, analyse en opinie. Je kunt hun commentaren wel objectieve journalistiek blijven noemen omdat zij doen aan factchecking. Zij duiden de actualiteit op een journalistiek verantwoorde manier.
  8. Zij leveren kritisch commentaar in plaats van uitsluitend droog nieuws te verspreiden. Hun uitgesproken standpunten creëren een inhoudelijke signatuur die overeenkomt met mijn eigen politieke voorkeur. Het merendeel pleit voor linkse dus democratische standpunten; denk hierbij aan sociale hervormingen en progressieve wetgeving. Wat is er mis met een moraal die deugt?

Europa kampt met een forse opkomst van radicaal-rechtse bewegingen. Hoewel de naald op ons continent vooralsnog uitslaat naar een democratische meerderheid, balanceren ook wij op de rand van autocratische ontwikkelingen. Wanneer we over de oceaan kijken, zien we iets hoger oplopende spanningen. Toch is er een aanzienlijke groep Amerikanen met een scherp moreel kompas en een diepgeworteld besef van beschaving. Zij vormen in de praktijk nog altijd de overhand, ook al is dat door de lawaaierige polarisatie niet altijd direct zichtbaar.

De aankomende verkiezingen zullen hier meer duidelijkheid over verschaffen. Pas na die stembusgang kunnen we hopelijk weer spreken van een normalisatie van de bilaterale relaties tussen beide continenten. Tot die tijd is het cruciaal om de stemmen van de rede te blijven beluisteren en delen.

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






De scheur in het Amerikaanse graniet

Een stem die helder blijft terwijl een wereldmacht haar eigen contouren verliest.

Soms kom je een denker tegen die door alle ruis heen snijdt. Voor mij is Jeffrey Sachs zo iemand. Geen politiek theater, geen strategisch gemompel, maar een stem die helder blijft wanneer de rest van het debat vertroebelt. In een tijd waarin middelmatigheid vaak wordt verkocht als pragmatisme, is Sachs een zeldzame combinatie van academisch gewicht en morele ruggengraat.

Zijn recente analyse van Trumps handelslogica is daar een goed voorbeeld van. Sachs begint bij de basis: een handelstekort betekent dat een land meer uitgeeft dan het verdient. Niet meer, niet minder. Hij vergelijkt het met een creditcard: als jij je kaart leegkoopt bij de lokale winkels, is het absurd om de winkeliers de schuld te geven. Toch is dat precies wat de VS doet wanneer het landen als China of zelfs Lesotho beschuldigt van “valsspelen”.

Volgens Sachs is het idee dat je met elk land afzonderlijk een evenwichtige handelsbalans moet hebben economisch nonsens. Het negeert twee eeuwen economische wetenschap en ondermijnt de efficiëntie van de wereldmarkt. De kern van het probleem ligt volgens hem niet in buitenlandse concurrentie, maar in de Amerikaanse gewoonte om structureel meer uit te geven dan het produceert; gedreven door overheidstekorten van zo’n 2 biljoen dollar per jaar. Belastingen verhogen is politiek onhaalbaar, dus blijft men lenen. Het tekort wordt vervolgens verkocht als een buitenlandse samenzwering.

Maar Sachs blijft niet bij economie. Hij ziet een land dat steeds meer wordt bestuurd via noodverordeningen, terwijl die macht eigenlijk bij het Congres hoort te liggen. Hij waarschuwt dat de VS cruciale technologische ontwikkelingen heeft gemist – elektrische voertuigen, AI – terwijl China dankzij langetermijnplanning juist versnelt. De onvoorspelbaarheid van Trumps beleid kostte de wereldmarkt op één moment naar schatting 10 biljoen dollar aan waarde. Geen verschuiving van rijkdom, maar pure vernietiging ervan.

Sachs stelt dat de VS haar eigen gebrek aan discipline en visie maskeert door anderen de schuld te geven van een tekort dat ze zelf creëren. Hij zegt het droog: als Trump zijn student was, zou hij hem een onvoldoende geven. Helaas is Trump zijn president, wat de situatie “iets vreemder” maakt.

Buiten dit optreden om heeft Sachs zich nog scherper uitgelaten over het Trump-beleid. In A New Foreign Policy: Beyond American Exceptionalism (2018) stelt hij dat de ‘Amerikaanse Eeuw’ – begonnen in 1941 – eindigde op de dag van Trumps inauguratie. Volgens hem markeert ‘America First’ geen hernieuwde assertiviteit, maar een vrijwillige troonsafstand. Een vorm van nationaal narcisme die de VS isoleert terwijl de wereld multipolair wordt. De economische zwaartekracht is verschoven naar Azië, en Washington kan de rest van de wereld niet langer dwingen haar wil te volgen.

Bij de VN heeft Sachs felle kritiek geuit op het gebruik van eenzijdige sancties, onder meer tegen Venezuela en Iran. Hij noemt ze ineffectief én in strijd met het internationaal recht. In een rapport over Venezuela stelde hij zelfs dat Amerikaanse sancties direct hebben bijgedragen aan tienduizenden doden door gebrek aan medicijnen en voedsel; “oorlogsvoering via financiële weg”, noemt hij het.

Volgens Sachs is Trump geen incident, maar een symptoom van een dieper probleem: een politiek systeem waarin miljardairs beleid kopen via campagnefinanciering. Hij hekelt dat Trump defensie-uitgaven verhoogde terwijl hij bezuinigde op diplomatie. De VS verandert zo in een garnizoensstaat: overal militaire bases, maar nergens duurzame vrede.

Ondertussen blijven de echte problemen van de Amerikaanse arbeidersklasse liggen: dalende levensverwachting, stijgende zelfmoordcijfers, verdwijnende sociale vangnetten. Geen enkel tarief lost dat op. Sachs benadrukt dat de meeste industriële banen niet naar China zijn verdwenen, maar naar automatisering. Door China de schuld te geven, ontwijkt de overheid de verantwoordelijkheid om te investeren in omscholing en sociale zekerheid; “politieke lafheid”, noemt hij het.

Voor Sachs belichaamt Trump een natie die haar eigen internationale orde afbreekt uit frustratie over haar tanende macht. Zijn antwoord is geen nieuw protectionisme, maar een terugkeer naar multilateralisme en de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling.