Wogen de economische motieven zwaarder dan de theologische?
Ja, ik weet het; hoewel zijn boeken er nog niet waren, sprak Spinoza zich al uit tegen de onsterfelijkheid van de ziel en de goddelijke oorsprong van de Thora. Dat was pure ketterij. Ook toonde hij een openlijke minachting voor de traditie; hij stopte met het naleven van de religieuze wetten (de halacha), wat in een kleine vluchtelingengemeenschap als een existentiële bedreiging werd gezien. De joodse leiders in Amsterdam, de Ma’amad, waren bovendien doodsbang dat de tolerante Nederlandse autoriteiten hun autonomie zouden intrekken als er godslasteraars in hun midden werden getolereerd. Die politieke druk speelde dus onmiskenbaar mee. Men bood Spinoza zelfs een jaargeld van duizend gulden om simpelweg zijn mond te houden en af en toe in de synagoge te verschijnen; hij weigerde dit echter resoluut. Zijn contacten met vrijdenkers en christelijke sektariërs, zoals de Collegianten, voedden het wantrouwen binnen de Portugese gemeente alleen maar meer.

Ziedaar de gangbare verklaringen: een optelsom van factoren die de Ma’amad uiteindelijk dwongen – of het perfecte voorwendsel boden – om tot de banvloek over te gaan. Daarbij heb ik echter één beweegreden achterwege gelaten, die halverwege de aflevering ‘In de ban van Spinoza’ uit de serie De Joodse Wereld nogal overtuigend in beeld wordt gebracht. Regisseur David Ofek bezoekt daarin archivarissen die in de Amsterdamse notariële registers passages opslaan die gaan over de schuld die Spinoza van zijn vader had geërfd. Met die schuld zijn alle Spinoza-kenners bekend; wat de documentaire echter vlijmscherp naar voren brengt, is de aard van de juridische procedure die Spinoza startte. Het ging niet zomaar om een zakelijk meningsverschil; het was een frontale aanval op de fundamenten van de Sefardische gemeenschap.
In het archief wordt duidelijk dat Spinoza een gewaagde manoeuvre uitvoerde om onder de schuldeisers van zijn vader uit te komen. Hij deed een beroep op het civiele recht van de Republiek om zijn erfenis te verwerpen. Hij presenteerde zich bij de magistraten van het Hof van Holland als een minderjarige ‘wees’ die door de nalatigheid van zijn vader was benadeeld. Hiermee passeerde hij de interne rechtspraak van zijn eigen kring. Volgens het joodse recht was hij op zijn drieëntwintigste allang volwassen, maar door de Nederlandse wet – waar de grens bij vijfentwintig jaar lag – handig te gebruiken, kon hij de schuldenberg legaal van zich afschudden. Dit werd gezien als een vorm van juridisch verraad: je vraagt de hulp van de buitenwereld om je eigen gemeenschap financieel te benadelen. Dat hij hiermee zijn familie en de synagoge in de kou zette, was de spreekwoordelijke druppel.
Hiermee creëerde hij een levensgevaarlijk precedent. Als de Ma’amad dit zou tolereren, zouden andere handelaren wellicht hetzelfde doen: hun eigen rechtbanken passeren om bij de Nederlandse rechter hun gelijk (of hun geld) te halen. De autonomie van de gemeente, die rustte op het privilege dat zij hun eigen interne zaken regelden, stond op het spel. De voice-over zegt: “Misschien is Spinoza niet in de ban gedaan vanwege zijn revolutionaire opvattingen, die nog niet eens op schrift waren gesteld, maar om een geldkwestie.”
In de geschiedschrijving is het vooral de overleden Amsterdamse stadsarchivaris Odette Vlessing geweest die deze theorie op de kaart zette. Zij stelde dat de cherem een pragmatisch instrument was. Ketterij kon men vaak nog wel binnenskamers sussen met een boete, maar wie aan de solvabiliteit van de handelsgemeenschap kwam, was een gevaar voor iedereen. Het maakt het beeld van Spinoza menselijker; hij was niet alleen een asceet die lenzen sleep, maar een jonge man die klem zat tussen een failliet familiebedrijf en een verstikkende sociale controle. De kerkbestuurders gebruikten deze financiële perikelen als de juridische stok om de banvloek uit te spreken; een stok die neerkwam op een filosoof die met zijn ketterse opvattingen toch al voor een onhoudbare situatie zorgde.
Dat het uiteindelijk om een ordinaire centenkwestie zou gaan, is een bittere pil voor wie in Spinoza enkel de “heilige van de rede” ziet. Het is bovendien een conclusie die voorzichtigheid vraagt in een tijd waarin oude stereotypen over Joods eigenbelang weer de kop opsteken (“Een echte Jodenstreek!”). Laten we wel wezen: de Ma’amad handelde waarschijnlijk niet uit gierigheid, maar uit existentiële angst. In een handelsnatie als de onze was financiële betrouwbaarheid het enige toegangsbewijs tot tolerantie. Spinoza’s juridische trucje was niet alleen een aanval op de portemonnee van zijn ooms, maar een bom onder de veiligheidsgarantie van de hele groep. Misschien is dát de ultieme ironie: dat de man die de wereld wilde bevrijden van dogma’s, door zijn eigen mensen werd verbannen omdat hij de stabiliteit van hun vluchthaven in gevaar bracht.










