De gekte achter het masker

Dit was niet de manier waarop ze de stad op stelten zouden gaan zetten.

Elias wist het al toen hij de trein uitstapte. De lucht in zijn longen voelde te ijl, zijn voeten te licht. Hij had die ochtend meer koffie gedronken dan de wankele vrede in zijn hoofd kon verdragen. Cafeïne fungeerde als versneller voor de naderende gekte. Terwijl hij richting de binnenstad liep, passeerde hij De Inktpot, het massieve gebouw waarin zijn oude werkgever was gevestigd. Met die UFO op de rand oogde het niet als een kantoorpand, maar als het hoofdkwartier uit de Gouden Eeuw van de comics.

Dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Bij Batman lijkt het niet anders; de tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat weinig ruimte voor degenen die naast hem staan.

Elias zag zichzelf staan. Niet als de man die een afspraak had met een goede vriendin, maar als de Dark Knight die vanaf de daken neerkeek op een stad die hij naar zijn hand ging zetten. Het was een kortsluiting in zijn hersenen: de gevels van de Utrechtse panden bogen weg voor het decor van Gotham. Hijzelf loste op in de schaduw van een wreker. Elias kende de manie achter die vermomming als geen ander.

Deze metamorfose is een klassieker waarmee in strips de diepste angsten worden verbeeldt. Bij Batman overstijgt de missie het niveau van een hobby; er openbaart zich een pathologie. Veel critici beschouwen de vleermuis als de werkelijke identiteit, terwijl Bruce Wayne slechts dienstdoet als het vleesgeworden masker om de schijn van normaal op te houden. Waar een personage als Spider-Man worstelt met sociale frictie – Peter Parker probeert zijn huur te betalen terwijl zijn alter ego de wereld redt – kenmerkt de tweespalt bij Batman zich door een grimmiger, existentiëler kaliber.

Het trauma van Wayne drijft hem tot een obsessieve hyperfocus. Vanuit een psychologisch perspectief schuurt dit tegen een dissociatieve staat aan, al behoudt Bruce de regie. Bij Elias nam de biologie de regie nu over. In die koortsachtige toestand degradeerde zijn empathische vermogen tot een bijverschijnsel; een noodzakelijk kwaad dat moest wijken voor de architect van het universum. Een overvloed aan dopamine joeg zijn hersenen op tot een toerental dat geen enkele nuance meer verdroeg; een interne storm die alles wegvaagde ten gunste van die ene, allesoverheersende missie.

De ontmoeting vond plaats in een café aan de Oudegracht. Voor Elias fungeerde haar stem als achtergrondruis bij zijn eigen, schitterende gedachtestroom. Hij was getransformeerd tot een personage; eendimensionaal, onstuitbaar en volkomen onbereikbaar voor de menselijke maat. Terwijl zijn geest ruimte bood aan messiaanse inzichten, waande hij zich in Sin City. De bravoure waarmee hij die denkbeeldige wereld dacht te redden, voelde in zijn hoofd heroïsch, maar in de praktijk van de middag bleef daar niets van over. Het reduceerde zijn gedrag tot een staaltje vermoeiende egomanie.

Pas uren later, toen de zon zakte en de koortsige glans van de dag begon af te nemen, kwam hij bij. In de stilte van de terugreis besefte hij wat hij had aangericht. Haar aandoening, die allesoverheersende factor in haar leven – de reden ook dat ze soms met moeite haar koffiekopje tilde – was in zijn tunnelvisie niet meer dan een voetnoot geweest. Terwijl hij zijn eigen bedreigde fantasiewereld bestierde, had hij haar onherroepelijk in de steek gelaten. De Batman in hem had het stuur overgenomen met een arrogantie die geen tegenspraak duldde. Zijn neurologie verklaarde de drang, de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie, maar zij wiste niet de schuld uit. Hij schaamde zich diep, maar helaas wel te laat.

De stad was die dag inderdaad onveilig geweest. Alleen was hij zelf de schurk van het verhaal geworden.

Terug naar normaal (eigen foto, genomen op maandag 22 maart 2026). De Inktpot staat in Utrecht bekend als het grootste bakstenen monument van Nederland. Oorspronkelijk gebouwd als het vierde administratiegebouw van de Nederlandse Spoorwegen (HGB IV), is het inmiddels de zetel van de spoorbeheerder ProRail. Het gebouw werd tussen 1918 en 1921 opgetrokken onder leiding van architect George van Heukelom. Vanwege de materiaalschaarste na de Eerste Wereldoorlog moest men creatief zijn. Omdat bakstenen schaars waren, kocht de NS zelf twee steenfabrieken en een houtbedrijf op om de aanvoer te garanderen. In de fundering zijn oude spoorstaven verwerkt; een vroege vorm van hergebruik die de constructie een ijzersterke basis gaf. Het gebouw is gigantisch, met kilometers aan gangen en honderden kamers. Ter gelegenheid van de tentoonstelling Panorama 2000 plaatste kunstenaar Marc Ruygrok een UFO op de hoek van de dakrand. Het is 12 meter breed en geeft ’s avonds licht. Hoewel de buitenkant van het gebouw doet denken aan de Amsterdamse School of de vroege zakelijkheid, is het interieur minstens zo fascinerend. We zien daar veel Art deco invloeden; veel van het originele meubilair en de tegeltableaus zijn bewaard gebleven. Het gebouw bevat twee interne watertorens die vroeger de druk op de waterleidingen van het spoorwegnet reguleerden.

P.S.1: Bij Peter Parker ligt de focus minder op een gespleten psyche en meer op de sociale frictie. Hij is in de eerste plaats een mens die toevallig superkrachten heeft. Hij probeert z’n huur te betalen, tentamens te halen en relaties te onderhouden. De Spider-Man vermomming vormt de uitlaatklep voor zijn verantwoordelijkheidsgevoel. Zijn twee kanten zitten elkaar constant in de weg; als Spider-Man een bankoverval stopt, komt Peter Parker te laat op zijn werk. Als we kijken naar wie de meest ultieme dualiteit toont, komen andere stripfiguren nog sterker naar voren. Two-Face is de letterlijke verpersoonlijking van gespletenheid (goed vs. kwaad). The Hulk toont een biologische en psychologische splitsing; ratio (Banner) versus instinct (Hulk). Superman is de omgekeerde Batman; Clark Kent is het masker dat door een god wordt gedragen om erbij te horen. Hoewel Batman een diepe, duistere tweespalt kent, is Spider-Man waarschijnlijk degene die het meest tastbaar worstelt met het combineren van twee levens. We noemen Spider-Man een klassieke superheld: zijn kracht, reflexen en ‘spider-sense’ zijn genetisch veranderd. The Hulk en Superman vallen hier ook onder. De term ‘Super’ slaat direct op hun bovennatuurlijke status.

P.S2: Bruce Wayne heeft een schaduwkant en een civiele kant. Strikt genomen is hij een costumed vigilante (gemaskerde burgerwacht). Hij heeft geen superkrachten; zijn ‘kracht’ komt voort uit extreme training, technologische gadgets en een onuitputtelijke banktekening. In de academische analyse van strips wordt hij vaak een ‘Mystery Man’ genoemd, een term die stamt uit de jaren ’30 voor helden die hun identiteit verbergen om de wet in eigen hand te nemen. Zijn trauma (de moord op zijn ouders) drijft hem tot een obsessieve strijd tegen de misdaad. Als burger fungeert Wayne als filantroop en playboy. Vanuit een psychologisch perspectief zou je dit kunnen linken aan concepten uit de persoonlijkheidsleer, zoals de dissociatieve identiteitsstoornis, al voldoet Bruce zelden aan alle klinische criteria aangezien hij volledige controle en herinnering behoudt over beide rollen.
Batman ging lang geleden op in zijn alter ego; zijn menselijke kant vormt een goed geregistreerd toneelstukje voor de buitenwacht. In Gotham bestaat er geen ruimte voor twijfel. Batman is niet zomaar een man in een pak; hij is een rigide constructie van pure wilskracht en hyperfocus. Voor de buitenwacht lijkt dit misschien op discipline, maar van binnen is het een allesverslindende stroomversnelling.

P.S.3: Of je nu een duistere miljonair bent met een voorliefde voor vleermuispakken of een student met geldgebrek; de dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Je wordt, net als Batman, de architect van je eigen universum. De stad ligt aan je voeten; elk detail is scherp en elk obstakel lijkt slechts een test van je eigen superioriteit. Maar waar Batman de controle claimt te hebben, daar neemt de bipolariteit de regie ongevraagd over. De vergroeiing met dat alter ego – die almachtige staat waarin rust een belediging is en actie de enige waarheid – heeft een hoge prijs. Terwijl Batman zweeft boven de straten, verliest hij het contact met de grond. Het is in deze staat dat de held de overhand krijgt en de menselijke connectie naar de achtergrond verdwijnt. De tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat geen ruimte voor de behoeften van degenen die naast je staan.

Een veelzeggende veroordeling

Het cordon sanitaire kende geen pardon.

Zijn excommunicatie was onmiddellijk en totaal. Het vonnis werd geveld in de digitale arena’s, waar jongere vakbroeders inmiddels de scepter zwaaiden; een generatie die algoritmen intuïtief bespeelt en voor wie de valstrikken van AI gesneden koek zijn. Hij had zich schuldig gemaakt aan de ultieme journalistieke doodszonde. Hoe kon een man die decennialang in de frontlinie van de nieuwsgaring stond, zo struikelen over een paar regels code? Een hallucinatie van een chatbot, die door hem in de haast van de actualiteit, voor waar was aangenomen en gepubliceerd, deed hem nu de das om.

Collega’s zullen doorgaan met makkelijk scoren. Journalisten koketteren graag met hun maatschappelijke missie vanuit een zelfbenoemde status van scherpschutters van de democratie, maar helaas heeft hun waarheidsvinding vaak meer weg van een dartwedstrijdje op de redactie Cultuur & Media. (Afbeelding volledig gegenereerd door AI).

Ook de oud-collega’s waarmee hij nog omging bleken onverbiddelijk in hun oordeel. Onder hen bevonden zich terechte critici; de fout was immers reëel en pijnlijk zichtbaar. Maar er zaten ook ijdele kwezels tussen die als journalisten nooit hun nek uitstaken; die zelden of nooit een ferm politiek geëngageerd standpunt innamen. Er voltrok zich een fascinerend schouwspel; de gretigheid waarmee de ‘zuiveren in de leer’ zich op zijn fout stortten, kon eigenlijk niet pijnlijker. Terwijl de inkt van zijn verontschuldiging nog moest drogen, werd de brandstapel al opgericht.

Voor het eerst was hij zelf nieuws geworden. Hij had de neiging om de gretigheid waarmee men hem veroordeelde ‘veelzeggend’ te noemen.

Van schaamteloos naar schaamrood

Op een demonstratie van hopeloze hofmakerij volgde een exposé van idiote inschikkelijkheid.

Wie had dat gedacht? In een verwoede poging de ‘lijnen open te houden’, mogen Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima logeren in het Witte Huis; een ‘eer’ die maar weinig buitenlandse staatshoofden te beurt valt. Premier Rob Jetten staat vierkant achter het plan, want, zo impliceerde hij met diplomatieke ernst, het is essentieel om in gesprek te blijven. Trump heeft ook al eens in Paleis Huis ten Bosch geslapen; volgens de diplomatieke etiquette kun je zo’n uitnodiging dan niet zomaar afslaan. Het is een kwestie van ‘geven en nemen’ (tit for tat); of in dit geval: ‘slapen en laten slapen’, waarbij Klaas Vaak kwistig zand in de ogen mag strooien.

De slijmerige smeermiddelen genaamd protocol, etiquette en loyaliteit zijn slechts verschillende tinten van eenzelfde kleur: het schaamteloos oranje.

Als republikein – en laat ik heel duidelijk zijn: we hebben het hier over de nobele leer van het antimonarchisme, niet over de Amerikaanse variant waar ik me met hand en tand tegen verzet – bekijk ik deze diplomatieke ongerijmdheden met afschuw. Het is een tragikomedie in optima forma: de Koninklijke familie, gevangen in een diplomatieke spagaat, genegen om de lijnen open te houden met een gek. Het is de ultieme paradox om openingen te willen creëren die inhoudloos blijven. In een staat zonder monarchie en een sterke regering zou een gezond gevoel van verlegenheid ontstaan met deze situatie.

Die zou zo’n karige knieval richting een ontspoorde autocraat onwenselijk achten en meteen een hotel boeken. Desnoods op onze kosten; als we daardoor op een normale manier met onze schaamte uit de voeten konden.

Wie de ‘Stoeve-laarsjes’ past, trekke hen aan

In een artikel van 25 april 2020 in De Gelderlander (het provinciale bijwagentje van het Algemeen Dagblad), worden de twee zusjes Stoevelaar kritiekloos aan ons voorgesteld. Zij maken het hoofdbestanddeel uit van Introvast, een vastgoed- en projectontwikkelaar uit Velp. Het is hun visie die momenteel leidend is. Ik vermoed dat journalisten en politici die hun hele leven de weg van de minste weerstand hebben bewandeld (lees: die de macht nooit werkelijk hebben uitgedaagd), zich regelmatig door hen hebben laten fêteren met hapjes en drankjes en misschien zelfs meer; iets wat de besluitvorming over het domeintje van de dames aardig heeft beïnvloed. Tja, ik wil niet beweren dat iedere projectontwikkelaar een horizonvervuiler is of een bestemmingsplansjoemelaar, maar deze betonbaronesjes – stenenhoeren vond ik te plat – bleken wel van de afdeling Lobby en Ontwikkeling. Zoals vaker bij dozenbouwers en stikstofontwijkers, bevond de onderneming zich in het spanningsveld tussen commercieel belang en lokale regelgeving. Betrouwbare bronnen meldden mij dat ze fors investeerden in beïnvloedingspraktijken om plannen juridisch houdbaar te maken voor de exploitatie van vakantieverblijven.

Ondertussen in de rechtse roedel…

Mona, de parmantige show-poedel, heeft haar wonden gelikt en laat alle zogenaamde alfamannetjes nog even in het ongerede.

Natuurlijk zal dit slinkse nest niet rusten voordat alle neuzen haar kant op wijzen. Het gaat niet goed met de opperbazen in de Boreale bossen van Teutholia. Blafhond Geert had teveel afscheiding na de laatste coupe. De hooghartige bloedhond Markusz liep een vette kluif mis en blaft nu al een toontje lager. De potsierlijke Teckel Thierry verliet zijn roedel overhaast en keerde terug met hangende pootjes, wat een slappe indruk maakte. Kettinghond Henk kan alleen het boerenerf bewaken en laat zijn oren teveel hangen naar, de niet minder voorspelbare, one-trick pony Van der Plas. De Eerdmanterriër tenslotte baalt dat zijn alfavrouwtje vaker wordt aangehaald door asielhoudster Jinek dan hij.

Begin 2026 leek de politieke pikorde op rechts te wankelen. Zeven PVV-Kamerleden, onder leiding van Gidi Markuszower, scheidden zich af van Geert Wilders. Hun plan was even ambitieus als opportunistisch; ze maakten aanspraak op een ‘bruidsschat’ van ruim 1,3 miljoen euro uit de fractiereserves. Met dit kapitaal wilden zij een eigen machtsblok vormen en zelfs een strategische alliantie aangaan met de BBB van Mona Keijzer om het minderheidskabinet-Jetten over rechts te gijzelen. De werkelijkheid bleek echter hardvochtig voor de afsplitsers. Het presidium van de Tweede Kamer – waar hun voormalige alfa, Geert Wilders, zelf in meebesliste – stak een stokje voor de uitbetaling. Door hun vertrek juridisch te bestempelen als een ‘afscheiding’ in plaats van een ‘splitsing’, bleven de miljoenen in de kas van Wilders. De politieke isolatie werd compleet toen ook de flirt met de BBB mislukte; Mona Keijzer werd door haar eigen partij gepasseerd, mede vanwege haar geheime toenadering tot de groep. Wat restte was een roedel zonder tanden en zonder budget; gedwongen om met hangende pootjes terug te keren in de marge van het parlement. De likorde op rechts zal opnieuw moeten worden bevochten.

Zit de activiteitenagenda ook al in het complot?

Ik moest de gemeente op 17 maart bellen om er op te wijzen dat de activiteitenagenda maar tot en met 16 maart liep. En dat terwijl er vandaag een belangrijke stemming plaatsvindt; te weten de oordeelsvormende raadsvergadering over de toekomst van Buitenplaats Beekhuizen. Terwijl de klok op mijn scherm al 16:35 uur aangeeft, lijkt de gemeentelijke tijdrekening gisteren te zijn gestopt. Het is een wrang detail in een dossier dat gedomineerd wordt door een ‘papieren werkelijkheid’. Vandaag moet de raad namelijk een oordeel vellen over de Ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Dit besluit vormt de juridische sleutel om af te wijken van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Men vraagt de raad in te stemmen met de transformatie van een fictieve camping van 150 staanplaatsen naar 50 permanente accommodaties; een administratieve exercitie die een stikstofreductie van 35% moet suggereren. Dat de burger de gemeente op de dag van dit cruciale debat moet herinneren aan haar eigen agenda, zegt wellicht alles over de focus van het huidige college. De koers naar een “bloeiende vrijetijdssector” lijkt in volle gang, ook als de informatievoorziening aan de inwoner even het spoor bijster is.

De klok tikt richting 24 maart

Laten we ons als burgers geruisloos stoppen door een onmogelijk labyrint?

Mijn inbox is tegenwoordig zelden saai, maar dit bericht van Jan Keemink (voorzitter van Stichting Natuurbehoud Veluwezoom) trof me direct. Jan volgt het dossier Buitenplaats Beekhuizen al jaren op de voet. Terwijl het college zich opmaakt voor de raadsvergadering van 24 maart, viel hem iets op in de terminologie die daar wordt gebruikt. Een subtiel verschil in woorden, dat in de praktijk wel eens grote gevolgen zou kunnen hebben voor hoe we als burgers buitenspel worden gezet.

Is er sprake van een ontmoedigingsbeleid? De raad spreekt af dat de verklaring automatisch definitief wordt als er geen zienswijzen komen. Ze parkeren het dossier nu al bij het college, zodat ze er later niet meer publiekelijk over hoeven te debatteren. Alleen als een zienswijze specifiek over de “goede ruimtelijke ordening” gaat, móét het dossier terug naar de raad. Andere bezwaren worden door het apparaat van portefeuillehouder Hofman zelf ‘afgehandeld’.

Hoi Ronald,
 
Het viel mij op dat het gaat om een ‘verklaring van geen bedenkingen’ die de raad nu wil afgeven. Maar volgens mij zijn er bij de fracties juist heel veel bedenkingen, behalve misschien bij de VVD. Er wordt gehandeld alsof het om een verklaring van geen bezwaar gaat, maar dat is het niet. Eigenlijk kunnen ze die verklaring dus helemaal niet afgeven.

Het zou ook mooi staan in de Regiobode als persbericht of bij Studio Rheden.
 
Kun jij daar nog iets mee in jouw blog?
 
Groet, Jan

Jan’s observatie zette me aan het denken. Is de raad hier werkelijk zo onwetend, of zijn we getuige van een politiek schaakspel? Ik heb de officiële stukken van wethouder Paul Hofman (GroenLinks) erbij gepakt en deze laten spiegelen door een bekende met de nodige bestuursjuridische ervaring. Kijken we hier niet naar een normale procedure, of naar een zorgvuldig opgetuigde ‘fuik’? Ik besloot Jan mijn bevindingen terug te sturen met een vraag.

Dag Jan,

Dank voor je bericht. Ik heb de stukken voor de 24e nog eens goed doorgespit.

Je punt over de “verklaring van geen bedenkingen” (vvgb) is interessant. Ik heb het even voorgelegd aan een bekende uit het bestuursrecht (zie ook de annex onderaan). Juridisch gezien is die vvgb een nogal taai instrument: de raad geeft hiermee in feite alleen de ‘sleutel’ af om de procedure te starten.

Dit hoef ik jou niet te vertellen natuurlijk. Ik begrijp je mail vooral als een signaal over de politieke beeldvorming. We weten allebei dat de rij met bezwaarmakers op dit moment niet bepaald tot aan de Posbank staat. Juist omdat die massale weerstand vanuit de burger ontbreekt, wordt de rol van de media en de politieke fracties cruciaal.

Moet ik je suggestie voor mijn blog zo begrijpen dat je de druk op de ketel wilt houden bij de fracties die twijfelen? Als er vanuit de samenleving weinig ‘zienswijzen’ komen, is de enige weg om dit plan te stuiten een politieke weigering op basis van de “goede ruimtelijke ordening”.

Ik heb in de bijlage de juridische fijnmazigheid laten bevestigen door mijn bron (zie PS2). Het laat zien dat de raad zichzelf deels buitenspel zet als er geen zienswijzen komen (punt 6 van het besluit). Is dit precies waarom je de publiciteit zoekt? Om te voorkomen dat dit proces geruisloos naar een ‘automatische’ definitieve verklaring kabbelt?

Ik hoor graag of je wilt dat ik in mijn blog de nadruk leg op deze juridische ‘fuik’ waar de raad in dreigt te lopen, of waar zij zich graag toe laat verleiden in te lopen, als betreft het een zorgvuldig opgetuigd labyrint voor de argeloze burger (PS1).

Hartelijke groet,

Ronald

PS1: Als we uitgaan van ons vermoeden dat de raad het proces bewust ‘dichtgetimmerd’ heeft, dan krijgt jouw opmerking over de “verklaring van geen bedenkingen” een hele bittere bijsmaak. Ze handelen alsof het een hamerstuk is zonder enig bezwaar, terwijl de werkelijkheid buiten de raadszaal natuurlijk heel anders is. Door deze terminologie te gebruiken, creëren ze een papieren werkelijkheid waarin het lijkt alsof de raad unaniem achter het plan staat. De route naar een definitief besluit wordt voor de politici zo glad mogelijk gemaakt, terwijl de burger voor een labyrint staat; dit in de hoop dat niemand de moeite neemt om een zienswijze in te dienen. Ik wil in mijn blog de nadruk leggen op dit ‘politieke theater’. Het lijkt erop dat de raad (inclusief GroenLinks/PvdA) de burgerparticipatie degradeert tot een formaliteit die ze het liefst zo snel mogelijk afvinken.

PS2: Annex: Samenvatting advies inzake procedure VVGB Bovenallee 1

Naar aanleiding van de stukken voor de raadsvergadering van 24 maart 2026 heb ik een bevriende bestuursjurist om een duiding gevraagd van de term ‘verklaring van geen bedenkingen’ in deze context. Hieronder de kernpunten uit zijn reactie:

  1. Terminologie: De VVGB is een procedureel vereiste onder de Wabo (art. 2.27). Het afgeven van een ‘ontwerp-vvgb’ impliceert geen inhoudelijke instemming van alle fracties, maar is de juridische noodzaak om de vergunningaanvraag überhaupt in de terinzagelegging te krijgen.
  2. De ‘Automatische’ Vaststelling: Volgens punt 6 van het raadsbesluit wordt de verklaring na de termijn van zes weken automatisch definitief mits er geen zienswijzen zijn.
  3. Het Kantelpunt: Cruciaal zijn de punten 7 en 8. Indien er zienswijzen worden ingediend die betrekking hebben op het onderdeel ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, vervalt de automatische afgifte. De raad wordt dan wettelijk verplicht om het verzoek, inclusief de zienswijzen, opnieuw te beoordelen.
  4. Conclusie: Voor tegenstanders van het plan ligt de sleutel niet in het politieke debat vóór 24 maart, maar in de kwaliteit van de zienswijzen die tijdens de terinzagelegging worden ingediend. Alleen daarmee kan de raad juridisch gedwongen worden zijn ‘bedenkingen’ te verzilveren.”

Na het lezen van deze correspondentie rest de vraag: laten we ons als burgers geruisloos opsluiten in een labyrint dat ontworpen is om ons te laten verdwalen, of eisen we dat de ‘bedenkingen’ die er wel degelijk zijn, ook daadwerkelijk gehoord worden? De klok tikt richting 24 maart.

We kijken anders naar hetzelfde

Stel je voor: een leven voorbij het oordeel, bevrijd van de opgelegde werkelijkheid.

Beste heer Rosenberg, ik begrijp nu dat u twee typen ogen onderscheidt bij mensen die onderzoek doen naar de authenticiteit van schilderijen: ogen die kijken met louter kennis van zaken, en de gezichtsorganen van de zogenaamde experts met dollartekens in hun blik.

Een combinatie van de twee is ook mogelijk: de halfkritische visie van geldbeluste connaisseurs. Die zouden het u moeilijk kunnen maken, maar nee, al deze mensen heeft u buitengesloten; zij doen u geen kwaad meer.

Sommigen van uw dierbaren, zo vertelde u, begonnen ook al raar te kijken. Pure afgunst. Zij waren van mening dat u een economisch belang hebt bij het bepalen van echt of nep. Dat noemde u blikvernauwing. Ook hen wees u de deur.

U bent geen charlatan maar een lichtmeester en een scherpslijper. U werd van jongsaf omringd door kunst. Toeval en gevoel voor schoonheid hebben u belast met iets enorms; iets onhandelbaars. U beweert een Rembrandt te bezitten.

Helaas voor u kunt u niet om de ‘toeschrijvingsautoriteiten’ heen. Dat zijn mensen – in uw woorden – die in geen enkele eerder genoemde categorie passen. Ze zijn verbonden aan musea en hebben het aureool van wetenschappelijkheid en objectiviteit.

Die trekt u niet in twijfel, maar de ware experts werken niet belangeloos. Ze willen geen onderzoek verrichten zolang u uw doek niet op voorhand in bruikleen geeft (mocht deze als echt worden aangemerkt).

Ziedaar de patstelling. U bent een noodgedwongen eigenaar en een actief conflictvermijder. U werkt nauwkeurig als het om uw hobby gaat (het vervaardigen van lenzen), maar u wilt zichzelf niet creatief noemen. Vervalsen bijvoorbeeld, u zou niet weten hoe dat moet. U heeft het werk verworven. Zoals je talent erft. De toedracht blijft vaag maar schijnt de garantie van echtheid te impliceren. Kun je daarmee volstaan?

Je zult het maar zijn: de bezitter van een Rembrandt. Het schilderij hangt in uw slaapkamer naast uw vroegere werkplaats. Het wil onderzocht worden; het verlangt naar ogen die het definitieve onderscheid maken, niet naar de blikken van simpele museumbezoekers. Toch zal het langs talloze beschouwers en commentatoren moeten, wil het werkelijkheidsgehalte ervan worden bepaald.

Ik weet niet goed waarom u zoveel vertrouwen in mij stelde. Omdat ik maar een postbode ben? Of juist omdat ik uw briefgeheimen bewaak? Dacht u dat ik zou zwijgen voor het overige? Maar ik ben een schrijver, meneer Rosenberg, ik ben eerst en vooral een schrijver; ook ik maak aanspraak op mijn eigen stukje originaliteit tegenover de rest van de wereld.

Ik herken de neiging dat je wilt pronken met iets en het wilt verstoppen. Je vindt dat het recht heeft op aandacht. Je doet alles en toch weer niets om vakkundige blikken op je werk te vestigen.

Ik weet wat het is: u wilt vragen uit de weg gaan. Maar u ervaart ook eenzaamheid. Duur bezit schept grote verantwoordelijkheid, drijft je weg van de meute. Vage herkomst verlangt een verklaring. En daarna nog één. Zo reageert een omgeving die zelf niet veel kan.

Er heerst totaal geen angst dat het oordeel uiteindelijk “nep” zal zijn. Dat zou ons eerder helpen. Het zou de bevrijding inluiden. Het werk wordt er niet lelijker van. Stel je voor: eindelijk bevrijd te worden van het predikaat van echtheid door een menigte die zelf geen grootsheid ervaart.

Niet uit zichzelf, nooit in de slaapkamer.

Mijn superieure lijden (2)

Een vriendschappelijke interventie voerde mij terug naar de onvervalste versie van een vaderlands verhaal.

Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Normaal nu. Na een natsukashii navigeerde ik ontnuchterd van Nippon naar Nederland.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.

Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):

Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen.
Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.

Mijn superieure lijden (1)

Adana wa ‘Kawaii Karimero’ desu.

Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Dejima is kleinschalig, museaal en historisch accuraat. Met zijn houten pakhuizen en woningen lijkt het exact op het kunstmatige eilandje in het centrum van Nagasaki dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. In Dejima voel je de geschiedenis van eenzame Nederlandse koopmannen die jarenlang op een houten vlonder naar de zee staarden. Dat is een speciaal soort melancholie dat mijn personage in zijn rol van vertaler goed kan uitstralen. (Voor deze fotobewerking heb ik, met impliciete toestemming, een foto van de Japanse beroemdheid Tsuji Hitonari gebruikt. Dat leek me om meer dan één reden een uitstekende match. Zie onder.)

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.

De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.

Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?

De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.

In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.

De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.

Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.

Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.

Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.

Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.

Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).

Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.