De val naar het alledaagse

Over de kunst van het noodzakelijk kwaad.

Collega Titus Schulz woont in de wijk waar ik de post bezorg. Voor de argeloze voorbijganger is hij een bewoner als ieder ander; Titus is echter opgeleid aan de kunstacademie in Arnhem en de ontwerper van de ‘Merwede’, een lettertype dat hij ooit met precisie heeft vormgegeven. Net als ik beschouwt hij zijn huidige beroep vooral als een noodzakelijk kwaad. Toen hij mij onlangs een overzicht stuurde van de boekomslagen die hij in de loop der jaren heeft ontworpen, was ik zo onder de indruk dat ik besloot hem een brief te schrijven. Het is een reactie op zijn vakmanschap, geschreven vanuit de ironische wetenschap dat hij nu uitkijkt op een plek waar de geschiedenis van het grafische ambacht nog in de muren zit, terwijl ik daar nu de drempels afloop met een tas vol post. De brief volgt hieronder:

De visuele ziel van het verhaal: drie authentieke omslagontwerpen van Titus Schulz.

Beste Titus,

Ik ben zeer onder de indruk. Ik weet niet of het de verlokking is van de omslagen die jij hebt ontworpen of de inhoud van de teksten op de achterflap, maar sommigen maken mij nieuwsgierig naar de inhoud. Veel mensen onderschatten of gaan voorbij aan de schoonheid van het boekontwerp; ik vermoed omdat het louter als een ambacht wordt beschouwd dat nu eenmaal ten dienste moet staan van de verkoopbaarheid, in plaats van te worden gezien als de visuele ziel van het verhaal. Neem nu de volgende omslagen die je me stuurde:

‘De man die in 70 het kruis overleefde’ van Frans Vermeiren. Die drie verticale banen met de kruisigingsscène dwingen je bijna om tussen de regels door te kijken. Zelf geloof ik niet dat Jezus ooit heeft bestaan, maar als je het toch over zijn kruisigingsjaar moet hebben — dat door de schrijver bijna veertig jaar de toekomst in wordt geduwd — is het verstandig dat zo’n beladen onderwerp strak wordt gekaderd. Of neem ‘De Muur van Mussert’; die zware, zwarte balken die de titel bijna gevangen nemen geven direct dat beklemmende gevoel van die beladen plek in Lunteren. Je voelt de geschiedenis in de typografie. Ik ben een verwoed wandelaar en kwam daar toevallig terecht nadat ik het hoogste punt van Nederland had bezocht. Hoe anders dan op jouw voorkaft ziet die Lunterse ‘klaagwand’ er nu uit.

En dan die eenakter, ‘Kafka’s Harem’. De manier waarop je de titel in verschillende talen en kleuren over elkaar hebt gezet, vangt precies de absurdistische, koortsvallige sfeer die zo eigen is aan Kafka. Het contrast met het technisch bijna abstracte ‘Wiskunde in je vingers’; waar de formule

op de cover de spot lijkt te drijven met de ernst van het vak, laat zien hoe breed je palet is. Zelfs een biografie over de componist Robert de Roos, ‘Wanhoop niet!’, krijgt door jouw kleurkeuze een waardigheid die nieuwsgierig maakt naar de man achter de muziek.

Het is eigenlijk een gotspe, Titus. Terwijl wij in de Arnhemse regen lopen te hannesen met postelastiekjes en verkeerd geadresseerde enveloppen, heb jij een portfolio dat de intellectuele ruggengraat van menig boekenkast vormt. Je hebt de ‘Merwede’ als een veelzijdig nieuw lettertype ontworpen om structuur te geven aan taal, maar nu struikel ik over de drempels van jouw Van Verschuerenstraat waar ooit de persen van Thieme draaiden om jouw ontwerpen tot leven te wekken. Dat laatste is een aanname; ik weet eerlijk gezegd niet meer of het Thieme was waar jij zei gewerkt te hebben. Nou goed, je woont nu in ieder geval tegenover dat industriële erfgoed dat inmiddels is getransformeerd tot het wooncomplex Thiemehof.

Zijn we hard gevallen of bedrijven we kunst door de bedrijven heen?

Mijn superieure lijden (2)

Een vriendschappelijke interventie voerde mij terug naar de onvervalste versie van een vaderlands verhaal.

Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Normaal nu. Na een natsukashii navigeerde ik ontnuchterd van Nippon naar Nederland.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.

Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):

Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen.
Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.

Mijn superieure lijden (1)

Adana wa ‘Kawaii Karimero’ desu.

Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Dejima is kleinschalig, museaal en historisch accuraat. Met zijn houten pakhuizen en woningen lijkt het exact op het kunstmatige eilandje in het centrum van Nagasaki dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. In Dejima voel je de geschiedenis van eenzame Nederlandse koopmannen die jarenlang op een houten vlonder naar de zee staarden. Dat is een speciaal soort melancholie dat mijn personage in zijn rol van vertaler goed kan uitstralen. (Voor deze fotobewerking heb ik, met impliciete toestemming, een foto van de Japanse beroemdheid Tsuji Hitonari gebruikt. Dat leek me om meer dan één reden een uitstekende match. Zie onder.)

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.

De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.

Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?

De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.

In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.

De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.

Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.

Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.

Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.

Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.

Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).

Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

Uit hun stekker; kortsluiting in Arnhem

Hoe een poging tot cultuurbehoud ontaardde in museumroof.

Speciaal voor de opening van de expositie Bakudengar (Luister naar elkaar) was in een van de grootste zalen van Museum Arnhem een tijdelijk podium opgetrokken, gedrapeerd met een prachtig batikachtig doek. Daarvoor zaten muzikanten met een koloniale achtergrond die gamelanmuziek ten gehore gingen brengen. We zouden getrakteerd worden op een traditioneel welkomslied.

De nieuwe vleugel van Museum Arnhem steekt vijftien meter uit over de stuwwal, waardoor bezoekers ‘zwevend boven de bomen’ van een weids uitzicht over de omgeving genieten. Ze is betegeld met 82.000 unieke, met de hand vervaardigde tegels. Het bijzondere kleurverloop van de tegels op de gevel, van aardse tinten aan de walkant tot ijsblauw aan de zijde richting de rivier, symboliseert de locatie van het museum op de door een gletsjer ontstane stuwwal (een idee van Benthem Crouwel Architects). Over glad ijs gesproken: gauwdiefjes hebben niets aan deze doodlopende gang.

De muziek zwol aan, begeleid door de zang van een dame op leeftijd. Laat ik haar stem, met alle respect voor de traditie, ‘karaktervol’ noemen. Of, voor de minder spiritueel ingestelde luisteraar zoals ik, die er maar niet ‘in’ kon komen: een tikkeltje gammel.

Ik bleef mijzelf wijsmaken dat authenticiteit nu eenmaal schuurt en dat het niet aan de zangeres lag dat ik was afgeleid. Een zeldzaam moment van zelfkennis, want de realiteit gaf me direct gelijk. Mijn concentratie werd namelijk niet op de proef gesteld door de zangkunst, maar door een nabijstaande video-installatie. Onder het scherm daarvan hing een dozijn koptelefoons aan haakjes, waaruit het schelle geluid ontsnapte van een koloniale film die daarboven werd vertoond.

In verband met de muziekuitvoering stonden wij, het halvemaanvormige publiek, met onze rug naar deze auditieve stoorzender. In een straal van zo’n tien meter hielp het gekrijs uit de schelpen elk greintje cultuurbeleving vakkundig om zeep. Omdat de video in een eeuwige loop werd gevangen, was er geen hoop op een natuurlijke dood van het geluid. Ik besloot dat er een interventie moest plaatsvinden; voor de wetenschap, voor de kunst, maar vooral voor mijn eigen gemoedsrust die maar niet van de grond wilde komen.

Blij dat ik weer eens mijn eigen voorstelling binnen de voorstelling op mocht voeren, dook ik met de lenigheid van een ervaren saboteur achter de installatie. Daar vond ik de voedingskabel in een stekkerhuls. Ik hoefde ze alleen maar uit elkaar te trekken. Missie geslaagd, zo vermoedde ik. Toen ik echter met een triomfantelijke blik achter het scherm vandaan kwam, bleek de techniek mij te slim af te zijn geweest. Het beeld was weg, maar de koptelefoontjes schalden onverstoorbaar verder.

Tijd voor plan B, bedacht ik, toen ik, terug in de luistersikkel, op adem was gekomen. Gelukkig leven we in een tijd waarin koptelefoons niet meer met draden aan de geluidsbron vastzitten. Ik begon ze één voor één van hun haakjes te bevrijden, in de hoop dat ze buiten het bereik van de zender hun irritante relaas zouden staken.

Terwijl ik met een tros van die dingen om mijn armen de nieuwe vleugel van het museum inschoot – een gang die ver over de Arnhemse stuwwal uitsteekt en eindigt bij een enorm raam met uitzicht over de Rijn – verstierf inderdaad het geluid. De draadloze verbinding had haar grens bereikt.

Dat werd voor mij helaas ook het einde van het liedje. Een suppoost had mij in het vizier gekregen. En daarna nog één, die draadloos verbonden bleek met de eerste via diens alarmknop. In de ogen van de beveiliging was ik niet de redder van de gamelan-akoestiek, maar de man die op klaarlichte dag de audio-inventaris probeerde te ontvreemden.

Terwijl de oude dame haar wankele noten over de menigte uitstrooide, werd ik naar een kamertje geleid waar het doodstil was.

Prachtige plaatjes, ‘verkeerde’ opmerkingen

We moeten er ernstig rekening mee houden dat hier sprake is van humor.

“Beautiful pictures, wrong comments” is een uitdrukking die verwijst naar een situatie waarin een visuele voorstelling esthetisch aantrekkelijk wordt gepresenteerd, terwijl de bijbehorende tekst feitelijk onjuist of misleidend is. Deze dynamiek komt in diverse contexten voor; van de beeldende kunst en traditionele media tot de vluchtige wereld van sociale media.

Beautiful pictures, wrong comments. Een beeld zegt meer dan duizend woorden; maar als die woorden opzettelijk onzin zijn, begint de lol pas.

Iemand kan bijvoorbeeld een adembenemende natuurfoto plaatsen, terwijl het bijschrift informatie bevat die wetenschappelijk gezien kant noch wal raakt. Op dezelfde manier kan een kunstwerk visueel overtuigen, terwijl de interpretatie van de maker de plank volledig misslaat. In de basis fungeert de uitdrukking als een waarschuwing om informatie niet blindelings te accepteren op basis van een mooie verpakking; het benadrukt het belang van factchecking, ook wanneer de presentatie verleidelijk is.

Hoewel dit vaak wordt weggezet als een simpele vergissing of doelbewuste desinformatie, vergeten we een cruciale menselijke factor. We moeten er namelijk ernstig rekening mee houden dat de discrepantie tussen beeld en tekst een bewuste vorm van humor is.

Wanneer een perfecte afbeelding wordt gekoppeld aan een volstrekt absurdistische of onjuiste bewering, ontstaat er een prikkelende komische spanning. Deze vorm van humor leunt op het doorbreken van verwachtingen; de kijker wordt eerst verleid door de schoonheid van het beeld, om vervolgens intellectueel over de knulligheid of de brutaliteit van de tekst te struikelen.

Het expres inzetten van de ‘verkeerde’ opmerking is een vorm van ironie die de spot drijft met onze eigen oppervlakkigheid. Het is een knipoog naar de kijker; een test om te zien wie er werkelijk oplet en wie zich enkel laat leiden door de esthetiek. In een wereld waar alles gepolijst en ‘correct’ moet zijn, is de bewuste fout een bevrijdende vorm van rebellie. Humor is hier niet de vijand van de waarheid, maar een instrument om de absurditeit van onze visuele cultuur bloot te leggen.

Groter als of groter dan?

Over de rekbaarheid van taalregels en de macht van de traditie.

Niets is voor altijd normaal. Dat geldt voor onze gewoontes, maar zeker ook voor onze taal. Er is dus eigenlijk geen reden tot strengheid; ook niet als het gaat om de vergrotende trap. Toch geef ik eerlijk toe: ik knap een beetje af als ik iemand hoor zeggen: “Mijn vader is sneller als jij.” En bij een constructie als “Hij is sneller als jou” wijs ik je – figuurlijk – direct de deur. In mijn huis houden we vast aan de norm: bij een vergelijking met de vergrotende trap gebruiken we ‘dan’ zolang het kan. Zeg je ook nog eens “Hij is beter dan jij bent”, dan krijg je van mij zelfs bonuspunten voor die zorgvuldige toevoeging.

In het huidige standaardnederlands hanteren we een heldere tweedeling:

Ongelijkheid (Vergrotende trap): Gebruik dan.

  • Hij is sneller dan jij (bent).
  • De tuin is breder dan die van de buren.

Gelijkheid of vergelijking met ‘zo’: Gebruik als.

  • Hij is net zo snel als ik (ben).
  • Het flatgebouw is lang niet zo hoog als de kerk.
  • Hij eet twee keer zoveel als ik.

Hoewel de bovenstaande regels nu als ‘correct’ gelden, is de geschiedenis minder zwart-wit. In het Middelnederlands was dan inderdaad de norm, maar al in de 16de eeuw begon men in de spreektaal dan te vervangen door als. Dit gebruik sijpelde door naar alle lagen van de bevolking.

Dat we vandaag de dag nog steeds ‘dan’ voorgeschreven krijgen, danken we aan 18de-eeuwse taalgeleerden. Zij klampten zich hardnekkig vast aan de oude vormen en brandmerkten elk gebruik van als na een vergrotende trap onverbiddelijk als foutief. Maar uiteindelijk gaat de natuur boven de leer; zelfs bij onze beste auteurs duikt als regelmatig op na een vergrotende trap.

In het Duits heeft deze verandering zich zelfs volledig voltooid: daar heeft het oorspronkelijke denn plaats moeten maken voor als, dat daar nu het monopolie heeft na de vergrotende trap.

In feite hebben dan en als historisch gezien gelijke rechten. Wie voor dan kiest, beroept zich op de grammaticale voorschriften van nu en de traditie van heel vroeger. Maar wie als gebruikt, staat in een traditie van inmiddels vier eeuwen oud.

De moderne taalwetenschap ziet de grammatica tegenwoordig vaker als iets beschrijvends dan als iets voorschrijvends. Toch blijft de schrijftaal conservatief en behouden we de voorkeur voor dan. Maar onthoud: de taal verandert met de tijd mee. Niets is voor eeuwig normaal.