Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Paul kwakelt hooghartige shit

Over de logica van de betweter, de wetten van de steekproef en waarom ‘iedereen’ het mis heeft.

M: Ken jij het ezelsbruggetje: Piet koopt hoge schoenen?

R: De beginletters verwijzen naar de grachten van Amsterdam, is het niet? Ben je dingen voor jezelf op een rijtje aan het zetten?

M: Nee. Iemand zei dat iedereen in Nederland dit kent, maar ik kende het niet. Dus nu doe ik een klein onderzoekje.

R: ‘Iedereen’ is een onhoudbare generalisatie in vrijwel elke bewering. Als je dat woord op die manier gebruikt, krijgt het direct iets denigrerends. Het wordt, volgens mij, vooral gebezigd door iemand met een beperkte kennis, die het weinige dat hij weet zo maximaal mogelijk wil uitbuiten om status te claimen.

M: Kan het ook gewoon zijn dat diegene er oprecht van overtuigd was dat dit tot de algemene kennis behoort? Misschien is dat ook zo en ben ik de enige die dit gemist heeft.

R: Als die persoon daarvan uitgaat, is hij onvoldoende doordrongen van de statistische werkelijkheid. Het woord ‘iedereen’ wordt hier misbruikt als retorische stijlfiguur. Trap er niet in; hij past een semantisch trucje toe om autoriteit te veinzen. Met dit persoonlijke onderzoekje buig je voor zijn imponeringsgedrag. Zo wek je de indruk dat het zinvol is om ongefundeerde claims te poneren. Ik zou de bewering simpelweg als deductief onjuist kwalificeren en er verder geen intellectuele energie aan verspillen.

M: Het staat nu 3-1. Mijn moeder en een vriendin kenden het ezelsbruggetje ook direct.

R: Wat de eindstand van je steekproef ook wordt, de omvang ervan is irrelevant. Je hebt de universele claim allang gefalsifieerd. Jouw uitzonderingspositie vormt het zwarte schaap dat de stelling dat ‘alle zwanen wit zijn’ eigenhandig slacht. Die ene stem van jou zegt logisch gezien genoeg. Wat ik je op het hart wil drukken is: vind jezelf belangrijk genoeg om de onhoudbaarheid van andermans borrelpraat in te zien, zonder dat je daar eerst een heel databestand voor aanlegt.

M: Wat maak jij er een gigantische big deal van! Ik vraag gewoon wat rond, ik ben geen wetenschappelijk onderzoek aan het optuigen. Ik was gewoon onzeker of ik een gat in mijn opvoeding had. Waarom moet alles bij jou altijd meteen veranderen in een intellectuele loopgravenoorlog?

R: Mag ik je vragen of er toevallig een man achter deze absolute stelling zat?

M: Het was Paul.

R: Ah. Paul laat weer eens van zich horen. Als ik het niet dacht.

M: Pfffff. Wat doet de persoon er nou toe? Waarom sleep je dat er in hemelsnaam bij?

R: Omdat de afzender in dit geval de hele lading dekt.

M: Begrijp je dat ik dit een enorm negatieve en vermoeiende benadering vind?

R: Niet echt, want ik neem het hier voor je op. Jij plooit je naar de arrogantie van iemand die zomaar wat roept. Je had, vind ik, wat geëmancipeerder en autonomer kunnen reageren op zijn stelligheid.

M: Dit heeft werkelijk ab-so-luut niets met emancipatie te maken! Ik vroeg me gewoon iets af en jij kaapt mijn onschuldige nieuwsgierigheid om je eigen vete met Paul uit te vechten. Je neemt het helemaal niet voor me op. Je vindt het maar niks hoe ik hiermee omga. Je kleineert me waar ik bij sta.

R: Paul gedraagt zich als het ultieme schoolvoorbeeld van een mansplainer.

M: En ondertussen wil jij mij even haarfijn uitleggen hoe ik had moeten reageren en wat ik moet voelen. Wie is hier nu eigenlijk de mansplainer?

R: Dit is geen uitleggen, ik formuleer slechts een wens over hoe je je eigen autonomie kunt beschermen. Bovendien doe ik dat zonder enig gevoel van patriarchale of intellectuele superioriteit. Daarnaast pas ik simpelweg wat elementaire logica toe: als jij – en jij alleen, te midden van duizend anderen – nog nooit van het ezelsbruggetje hebt gehoord, maakt dat de stelling dat ‘iedereen’ het kent logisch onhoudbaar. Dat is geen mening, dat is een feit.

M: Nu doe je het wéér! Je verpakt je betweterigheid in een theoretische mal om je gelijk te halen!

R: Ik geef juist aan dat jouw individuele stem afdoende is; dat jij het als persoon meer dan waard bent om die claim direct te verwerpen, wat jou in feite superieur maakt aan de waardeloze stellingnemer. Ik hoop simpelweg dat mensen die mij lief zijn niet buigen voor iemand die ten onrechte stellig is.

M: Zoals jij nu doet bedoel je?

R: Als ik me ten onrechte stellig uitlaat over een falsifieerbare zaak, hoop ik net zozeer dat mensen mij met argumenten corrigeren. Maar in dit specifieke geval stel ik louter vast dat iemand een onhoudbare stelling lanceert. En roep ik jou op, als vriend, om die onzin met gepast disrespect te behandelen.

M: Jouw hele reactie is volkomen misplaatst. Waarom moet je altijd zo rücksichtslos arrogant en drammerig zijn als je denkt dat je de logica aan je zijde hebt? Ik vind het zo ontzettend onnodig en kwetsend.

R: Dat is jouw perceptie, en die staat je vrij. Arrogantie en drammerigheid zijn echter psychologische kwalificaties; iets wezenlijk anders dan analytische stelligheid, waaraan ik me in deze niet schuldig maak. Je vindt me een arrogante zak. Dat kan. Dat aanvaard ik als de prijs voor de waarheid.

M: Je bent er zo heilig van overtuigd dat je de waarheid in pacht hebt. Dat is exact dezelfde stelligheid waar je Paul van beschuldigt.

R: Dat jij dat zo ervaart, maakt het onaanvechtbaar; een subjectief gevoel onttrekt zich immers per definitie aan de logica. Maar epistemologische stelligheid en psychologische zelfovertuiging zijn twee volstrekt verschillende grootheden.

M: Wat een schitterend theoretisch rookgordijn. Dus omdat jij Pauls uitspraak epistemologisch noemt, en die van jou niet, is jouw betweterigheid heilig?

R: Nou heilig; in ieder geval van kritiek ontheven. Stelligheid is een eigenschap van de gedane bewering; zelfovertuiging is een karaktertrek van de persoon. Waar die eerste vorm van overtuigingskracht expliciet uitdaagt tot inhoudelijk verzet en tegenargumenten, blijft de tweede variant volstrekt immuun voor de rede. Stelligheid kun je direct aanvechten door feitelijk aan te tonen dat de claim onterecht is. Zelfovertuiging biedt die opening niet; die laat zich door geen enkel rationeel argument bestrijden. Kortom: stelligheid is falsifieerbaar, zelfovertuiging is hooguit laakbaar. Jij falsifieerde Pauls stelling met één adequate, goudeerlijke reactie. Het enige wat ik wilde aangeven, was: dat volstond, daar had je het bij kunnen laten. Niet dat ik je daartoe kon verplichten, dat zou immers pas echt autoritair en arrogant zijn. Maar omwille van de intellectuele hygiëne richting de vertolker van het misplaatste aplomb, had ik het simpelweg wenselijk gevonden.

M: Prachtig geformuleerd hoor. Maar onderaan de streep zit ik hier met een vriend die zich gedraagt als een arrogante zak, puur omdat hij me wilde beschermen tegen Paul. Het is fascinerend: jij kunt het op zo’n manier voor me opnemen dat ik je na afloop een enorme lul vind. Schiet mij maar lek.

Wat meer naar achteren

Het gat dat Esther slaat, vul je niet zomaar met een nieuw gezicht.

Iedere keer als er een leider weggaat in een partij controleer ik welke functieterm men hanteert voor de vacant geworden baan. Esther Ouwehand stapt op als ‘fractieleider’ maar in krantenkoppen staat ook vaak ‘fractievoorzitter’. Christine Teunissen neemt per direct de dagelijkse aanvoering en het handwerk binnen de Tweede Kamer over, dus die functie is vergeven. Ja, fractieleider (media-term) en fractievoorzitter (officiële term) mag je door elkaar gebruiken. De genoemde werknemer stuurt de club aan die daadwerkelijk in de Tweede Kamer zit. Het is een fulltimebaan die zich puur afspeelt binnen de muren van het parlement, waarbij men voorgaat in het voeren van debatten, wetsvoorstellen indient en dagelijkse Haagse politiek bedrijft.

Misschien ben ik niet geschikt om voor een representatieve, louter rationele stemmer door te gaan. Hoewel ik viel voor haar glasheldere idealen en de eloquente wijze waarop ze die etaleerde, speelde er een zwaktebod mee: een vorm van vooringenomenheid die ik liever voor mezelf houd. Charisma is een fenomeen dat je nooit slechts rationeel kunt verklaren. Laten we zeggen dat de politieke arena er met haar vertrek als partijboegbeeld een stuk minder elegant op wordt. Maar gelukkig blijft ze wel in de Kamer.

Esther is nooit partijvoorzitter geweest; degene die sinds 25 maart 2024 deze interne, bestuurlijke functie bekleedt heet Zwanny Naber. Zij volgde destijds Michiel Knol op, die de rol tijdelijk ad interim had waargenomen na het nogal tumultueuze vertrek van de daarvoor zittende voorzitter, Ruud van der Velden. Het partijvoorzitterschap behelst de minst zichtbare, maar organisatorisch wel heel belangrijke rol van interne verenigingsbaas. Deze persoon zit niet in de Tweede Kamer en bedrijft geen actuele politiek. De partijvoorzitter leidt de vereniging achter de schermen: de financiën, het organiseren van congressen, het selecteren van kandidaat-Kamerleden en het sussen van interne ruzies. Alleen al dat laatste zou bij de PvdD een hele enerverende taak worden.

Tot nu toe alles helder. Maar naast de manager van de kamerleden en de interne verenigingschef blijkt er ook nog behoefte aan een landelijk boegbeeld dat luistert naar de term ‘politiek leider’ (officieel) of ‘partijleider’ (media-term). Dit is het gezicht op de verkiezingsposter. De persoon die de ideologische koers uitzet, de grote interviews geeft en de partij vertegenwoordigt naar de hele samenleving. Vaak bezet de politiek leider ook stoel 1 (zoals Ouwehand deed), maar dat hoeft niet. Wat Esther Ouwehand betreft, kan ik melden dat zij naast de functie van fractievoorzitter de rol van partijleider heeft neergelegd zonder meteen een vervanger te noemen; de partij is vanaf nu dus officieel op zoek naar een nieuw nationaal uithangbord. (De twee kranten die ik lees waren hier gisteren niet echt duidelijk over. Vandaag ook niet, zo te zien.)

Ik denk dat Esther een gat laat vallen. Dat doet ze ongewild; ze heeft nog nooit een kuil gegraven voor een ander. Dit in tegenstelling tot andere partijgenoten die dat foute schopje wel hanteerden. Ik durf te beweren dat partijleider Ouwehand ook een gat zou laten vallen als er voor deze functie wel meteen een nieuwe kandidaat was aangesteld. Wat ik met zoveel woorden wil beweren, is dat Esther Ouwehand mij onvervangbaar lijkt. Althans voorlopig.

Gerekend vanaf het moment dat ze in oktober 2019 het fractievoorzitterschap overnam van Marianne Thieme, kon je bij landelijke verkiezingen drie keer op haar stemmen in de drievoudige hoedanigheid van lijsttrekker, politiek leider en fractieleider. Dat heb ik ook gedaan. 2021 was haar vuurdoop. Omdat ik al iets van haar had gezien in haar rol van kamerlid, gaf ik haar toen niet zomaar het voordeel van de twijfel. In 2023, na de val van het kabinet-Rutte IV, had zij zich zodanig gemanifesteerd dat ze mijn electorale steun nog overtuigender verdiende. Bij de meest recente Tweede Kamerverkiezingen van 2025 was ik een onverholen en van elke bedenking gevrijwaarde fan.

Ze heeft nu een beslissing genomen die haar geschiktheid voor het leiderschap in de politiek alleen maar onderstreept: ze doet een stap terug maar blijft wel zitten als kamerlid. Eén van de redenen formuleert ze in een interview in de Volkskrant zo: ‘[…] anders blijf je afhankelijk van dat ene bekende gezicht en dat is niet gezond.’ Daaruit spreekt een verlichte leider die wat mij betreft nog wel even aan had mogen blijven.

Maar misschien ben ik niet geschikt om voor een gemiddelde, objectieve stemmer door te kunnen gaan. Natuurlijk hadden haar heldere ideeën en verbale souplesse mijn voorkeur; het zou echter oneerlijk zijn om te ontkennen dat er ook een ander soort bekoring in het spel was. Een vorm van zwakheid waar je als veertien jaar oudere man bij de koffieautomaat discreet over zwijgt, maar die de gang naar de stembus wel een extra glans gaf.

Lezersreactie:
Ronald, je hoeft je sapioseksualiteit hier echt niet zo omfloerst op te kroppen hoor. We snappen allemaal dat je wild wordt van een goed geredigeerd amendement. Maar wees gerust: ze blijft gewoon in de Kamer zitten, dus je kunt je intellectuele libido de komende jaren blijven laven aan haar optredens bij de interruptiemicrofoon. Neem tussendoor een koude douche.
@Ouwe_Snor_67

Lezersreactie:
Na een wat saaie opsomming op het einde toch nog een lyrische biecht. Ik vrees dat ze jouw veertien jaar oudere hartslag nog naar gevaarlijke hoogten zal jagen als hoogst irritant kamerlid.
Ben, Endegeest

Lezersreactie:
Typisch weer een buitenstaander die de dynamiek binnen onze vereniging niet snapt. Alsof het partijvoorzitterschap van Zwanny Naber gereduceerd kan worden tot het ‘sussen van ruzies’. Bestuurlijke vernieuwing en de ecocentrische koersbewaking vergen visie! Dat jij Esther vooral ‘elegant’ vond, zegt meer over jouw oppervlakkige, antropocentrische blik dan over de electorale realiteit. Lees eerst ons partijprogramma eens fatsoenlijk.
@Groen_Kikker_91

Lezersreactie:
Ouwehand stapt natuurlijk niet zomaar op ‘omdat een bekend gezicht ongezond is’. Dat is pure spindoctoring voor de bühne. Er broeit allang weer wat op het partijbureau. En dat Teunissen de boel nu overneemt? Interim-management voor gevorderden. Over drie maanden praten we wel weer verder als de evaluatie van de lijsttrekkersprocedure online lekt.
Truus_van_Rijn, Wijnjerade

Lezersreactie:
Nou, ik vond Esther altijd veel te schreeuwerig. Altijd maar over die bio-industrie terwijl de gewone man de boodschappen niet meer kan betalen. En dat jij dan op haar stemt omdat ze zo ‘eloquent’ praat… trap er nou niet in! Het zijn allemaal zakkenvullers daar in Den Haag, of ze nou ‘fractieleider’ of ‘partijleider’ op hun visitekaartje hebben staan. Ze plukken ons allemaal kaal. Maar ja, smaken verschillen blijkbaar.
@KritischeKlaasvaak

Lezersreactie:
Het gat van Esther vul je niet zomaar met een blotebillengezicht!
Karel, Terneuzen

Eieren voor je geld

Van de meedogenloze mechanica van de megastal naar de menswaardige moraal van de vierkante meter.

De eerste keer dat mijn vader mij meenam naar één van zijn klanten in Brabant, deed hij dat uit pure trots. Ik was zeven. Mijn wereld scheen groot maar bleek overzichtelijk. Ik zat zonder gordel op de skai-lederen voorbank van onze roestige Opel Blitz. Mijn verwachtingen konden niet groter zijn. Destijds – eind jaren zestig – trilden vrachtauto’s nog op hun grondvesten wanneer de motor aansloeg. In onze gammelbak rook het steevast naar een mengsel van diesel, oude tabak en verschraald strooisel, wat mijn brein voor altijd als vertrouwde nestgeur zou opslaan. We waren op weg naar een kippenhouder die door mijn vader als graanhandelaar van voer werd voorzien.

Hij bedreef een vorm van ruilhandel die vandaag de dag in geen enkel economisch handboek zou passen. Hij leverde de brandstof voor de eierproductie: grofpapieren zakken, voorzien van zijn bedrijfslogo, met een uitgekiende mengeling van maïs, gerst, tarwe en havermoutkorrels. In ruil voor die granen kreeg hij eieren terug. Maar de cyclus was pas écht rond wanneer de beesten hun beste tijd hadden gehad. Zodra de productie haperde en de legkippen economisch gezien ‘afgeschreven’ waren, nam mijn vader het tanig geworden pluimvee zelf af.

Niets leek verloren te gaan in die pragmatische jaren (behalve het milieu natuurlijk, maar de zorgen daarover volgden later). De uitgediende hennen kregen een postume bestemming die even nuchter was als macaber: het vlees en de slachtafvallen werden doorverkocht aan Felix-Bonzo in Etten-Leur, waar het werd verwerkt tot voer voor honden en katten. De kaal geplukte botten gingen op transport naar de lijmindustrie in het noorden des lands, om te worden opgelost tot beenderlijm. Utilitarisme ten top: een rimpelloze, bijna poëtische carrousel van graankorrels tot huisdierbrokken en kleefstoffen.

Als zevenjarige overzag ik die volledige bedrijfsketen natuurlijk nog niet; ik keek vooral uit naar de boerderij, naar het erf, naar de pastorale idylle die ik associeerde met het buitenleven. De schokkende realiteit die achter de staldeuren wachtte, openbaarde zich wel aan mijn zintuigen, maar sloeg mijn nostalgische droombeeld niet in één klap aan diggelen. Een kind laat zich immers gewillig indoctrineren door de belangrijkste man in zijn universum. Wanneer mijn vader, als baken van ratio en vooruitgang, kalm sprak, tussendoorgrapjes maakte, en boertjes amicaal op de schouders sloeg, kon er toch niets aan de hand zijn?

Bovendien schreef de tijdgeest nog geen moreel protest voor. We bevonden ons aan de vooravond van het ecologische bewustzijn; het concept ‘dierenleed’ stond hooguit als abstract agendapunt genoteerd op de pamfletten van vroege milieuactivisten. Terwijl Roel van Duijn en zijn Provobeweging in de Amsterdamse grachtengordel experimenteerde met het gratis Witte Fietsenplan, dweepte met de Club van Rome en in vroege macrobiotische winkeltjes filosofeerde over een gifvrije, organische samenleving, reikte zijn links-radicale tegencultuur nog láng niet tot de nuchtere, katholieke zandgronden van Brabant. In Gilze-Rijen regeerde de wederopbouw. Efficiëntie was een deugd, schaalvergroting de heilige graal.

Wanneer onze Blitz het erf op draaide, trad ik een wereld binnen die balanceerde tussen kinderlijke fascinatie en sluimerend afgrijzen. Ik was simpelweg te jong om de morele breuklijnen te zien. Er werd veel te veel vriendschappelijkheid aan de dag gelegd onder de beulen om mij als zevenjarige wezenlijk op te winden. De Brabantse pluimveehouders toonden trots hun nieuwste mechanische snufjes. Mijn Rotterdamse vader bleek op zijn beurt niet minder groos om wat hij, onder de rivieren, commercieel voor elkaar had getoverd. Tussen de jovialiteit en het handeldrijven door, was er geen ruimte voor sentiment.

In die luidruchtige stallen zouden mensen vandaag niet vrolijk worden. Maar hedendaagse consumenten, met hun verfijnde ethische kompas en biologische supermarkten, bestonden nog niet in West-Brabant. Het collectieve bewustzijn was nauwelijks gespleten. Men keek naar een legbatterij zoals men naar weefgetouwen in een textielfabriek keek: als een triomf van menselijk vernuft over de grillen van de natuur. Dierenwelzijn was geen ethische categorie, maar een productiefactor. Een kip die aan één stuk door legde gold als gezond; een kip die daarmee stopte werd levenstocht en lijm. Zo overzichtelijk was de moraal.

De boeren demonstreerden fier hun lopende banden. Het leek inderdaad een technologisch hoogstandje dat eieren volautomatisch, en zonder te breken, onder de kont van de kippen vandaan, naar één centraal verzamelpunt rolden. Maar de legbatterijen stonken, de kippen zaten opeengepakt en boven elkaar gepropt. Daaronder bevonden zich diepe giergreppels die je niet overleefde, mocht je er onverhoeds in vallen. Met de wijsheid van de terugblik zou ik later deze reductie van leven tot mechanica gaan inzien. Daar en toen hoefde ik alleen maar stevig de hand van mijn vader vast te houden om positief vooruit te blijven kijken, net als hij.

Het claustrofobische bestaan van pluimvee waarin elk natuurlijk gedrag is wegbezuinigd, ging mij later pas tegenstaan, toen ik de leeftijd had bereikt om tegendraads te zijn. De gitzwarte, kolkende brij van ammoniak en uitwerpselen, waarvan de dampen je adem afsneden, zouden mijn Proustiaans opgeslagen geuren nooit helemaal verdrijven, maar ze kregen wel een moreel tegengewicht. Het puur-commerciële vooruitgangsgeloof bleek geen eeuwig leven beschoren; de ronkende vaart van de bio-industrie begon te haperen toen de consument ontwaakte uit zijn gerieflijke onverschilligheid. De mechanica verloor haar glans; de reductie van een levend wezen tot louter een eier- of lijmfabriek werd onhoudbaar. Het kostte een generatie om het anachronisme te ontmaskeren en te beseffen dat vooruitgang zonder scrupules een doodlopende weg is.

Hoe wezenlijk anders is de realiteit wanneer ik vandaag de dag door mijn eigen Arnhemse straat wandel. Achter een van de huizen bevindt zich een modern antwoord op de Brabantse schaalvergroting: het TokHok. Geen blinkende, volautomatisch lopende banden of angstaanjagende giergreppels hier; wel een groepje gevederde vrienden die in alle rust en waardigheid de wetten van de natuur volgen. Met de regelmaat van een vriendelijk tokkende klok houden deze dames de eierproductie op peil. Ze scharrelen, nemen een stofbad en tonen onbekommerd al het natuurlijke gedrag dat in de omgeving van mijn jeugd zo rigoureus was wegbezuinigd.

Het is een prachtig, lokaal initiatief dat, in al zijn kleinschaligheid, een revolutie predikt. Waar we vroeger afhankelijk waren van ondoorzichtige, industriële systemen, heroveren ze hier de voedselketen op de vierkante meter. Het vormt een ethisch baken; een levend alternatief tegenover de zielloze machine van de megastal. Bij deze achtertuin-pioniers kan de kip weer gewoon een vogel zijn in plaats van biologisch kapitaal met een anoniem nummer. De transparantie is terug; je haalt je eieren bij mensen die hun makers tenminste nog bij de voornaam kennen.

P.S. Eén dingetje tot slot: de eigenaren van het Tokhok zitten niet zozeer om eieren verlegen (die stroom blijft dankzij de Barneveldse dames wel lopen) maar wel om eierdozen. Het is de tastbare ironie van het moderne idealisme: we dwingen de bio-industrie op de knieën, maar stranden bij de logistieke frictie van het alledaagse karton. Mocht u dus nog lege doosjes hebben rondslingeren; breng ze naar mijn straatgenoten op nummer 23. Het is een kleine, onmisbare handreiking aan een heroverde moraal.

De perken te buiten?

Overgeleverd aan de overlevering wordt het pleit beslecht op de grens van percelen.

Een dagje wroeten in de voortuin bewijst maar weer eens dat een buurtgemeenschap onzichtbaar meekeurt. Die sociale controle deert me nauwelijks; ik kan de subtiele surveillance best hebben, zelfs als het verdict aanvankelijk riekt naar bemoeizucht. Het blijft echter fascinerend hoe vlot de tongen losraken en hoe vliegensvlug het oordeel – of vooruit, de roddel – van voordeur tot voordeur reist en zich richting mijn groen en mijn goede voornemens vreet.

Een mens zou in zijn eigen voortuin bijna vergeten dat hij deel uitmaakt van een groter ecosysteem, waarin de sociale cohesie steviger verankerd zit dan onverwoestbare hardhouten palen.

Je hoort mij niet zeggen dat ik louter applaus verwacht omdat ik als frisse buurman de wildernis tem, maar de reorganisatie die ik van plan ben door te voeren lijkt mij een flinke vooruitgang ten opzichte van de oude situatie; zeker als je bedenkt dat mijn voorganger zijn gazon hanteerde als hondentoilet om de wandeltocht naar het park te omzeilen (een historisch dieptepunt dat ik ook slechts via de tamtam vernam en dat dus niet per se waar hoeft te zijn).

Nu word ik in mijn rol van noeste tuinkabouter heus wel getolereerd, maar de wittebroodsfase blijkt voorbij. De ballotagecommissie begint zich langzaam te roeren. Mijn agrarische ambities omtrent het gazon blijken voor het gemiddelde jurylid net iets te frivool. Gezien de prehistorische hoogte van het gras speelde ik met het idee om een geit te adopteren; of desnoods een schaap te houden binnen een iets minder hoge omheining. Die ik dan natuurlijk wel eerst moest oprichten. De crux van het lokale onbehagen zit ’m in die gedroomde erfafscheiding.

Met dank aan de viervoeter van weleer heeft de buurvrouw de woningcorporatie zo ver gekregen om een heus defensiewerk op te trekken; een tactische buffer tussen haar huistijger en de toenmalige vechthond over de gehele lengte van de voortuin. Ik ben persoonlijk erg in mijn nopjes met deze geopolitieke erfenis. De palen reiken tot in de aardkern en zijn vervaardigd uit onverwoestbaar tropisch hardhout. Het geheel ademt een heerlijke onvergankelijkheid. Dit bracht mij op het idee om deze fortificatie op eigen kosten door te trekken langs de trottoirzijde. Daarvoor hoefde slechts een armetierig ijzeren restant met doorgezakt gaas en vermoeide dwarsverbindingen te wijken.

Gewapend met een haakse slijper ben ik gisteren dat dysfunctionele ijzerwerk te lijf gegaan. Het bleek een geluk bij een ongeluk dat mijn slijpschijven opraakten. Was dat niet gebeurd, dan waren de ijzeren palen – die zo mogelijk nog dieper ‘wortelen’ dan het reeds bezongen hardhout – ongetwijfeld ook ten prooi gevallen aan mijn saneringsdrang. Wat later fungeerde de buurvrouw als de ware noodrem. Zij appte mij met een ontwapenende vriendelijkheid: ‘[Iemand] vertelde dat de hekjes aan de voorkant van de tuin eigenlijk bij de huizen horen en dus niet weggehaald mogen worden!!! Ik zou het ff informeren voordat je hout e.d. gaat kopen.’

Een drievoudig uitroepteken als baken van corporatiewijsheid. De keten van de overlevering is sluitend. De ambtelijke molens draaien snel via het struikgewas. Tegen zoveel straatwijsheid kunnen mijn goede voornemens niet op. Wie de perken te buiten wil gaan, stuit vroeg of laat op een muur van huurregels. Mijn vernieuwingsdrift werd vakkundig ingedamd. Terwijl ik wacht op groen licht van de vastgoedbureaucratie, plaats ik visionaire plannen in de vriezer. Gehoorzaam heb ik mijn destructieve gereedschap in de schuur geparkeerd, in afwachting van een definitief besluit. Het zou immers zonde zijn als mijn hardhouten dromen sneuvelen op een paragraaf in een reglement.

Ik dank mijn soortgenoten voor hun waakzaamheid; het is een geruststellende gedachte dat, mocht ik ooit een geit huisvesten, belanghebbenden de omheining hebben goedgekeurd voordat ook het beest begint te mekkeren.