De paradox van de agro-industrie

Agro-industrie & boerocratie doen denken aan anarcho-primitivisme: landbouw als bron van een cliëntelistische staat die boeren helpt via subsidies en uitzonderingsregels. Resultaat: een sector die vasthoudt aan een vervuilend overlevingsmodel. En die critici bedreigt.

De begrippen agro-industrie en ‘boerocratie’ vertonen een sterke ideologische verwantschap met het anarcho-primitivisme. Deze stroming voert de wortels van hiërarchie en sociale dwang terug naar de neolithische revolutie: het moment waarop de mens overstapte van het jagen en verzamelen naar vaste landbouw. In deze visie was de ‘uitvinding’ van de boer de noodzakelijke voorwaarde voor de geboorte van de staat, die immers afhankelijk was van belastbare overschotten.

In de moderne tijd heeft de staat de agro-industrie verder vormgegeven via een complex stelsel van prijssteun, garanties en uitzonderingsbepalingen. Dit beleid was primair gericht op schaalvergroting en maximale productie, waarbij de ecologische grenzen vaak ondergeschikt werden gemaakt aan economische belangen. Hierdoor is een systeem ontstaan waarin boerenbedrijven structureel afhankelijk zijn geworden van subsidies en industriële input (zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen).

Deze ‘lock-in’ creëert een situatie waarin de agrarische sector vastzit in een kapitaalintensief model. De weerstand tegen strengere milieunormen komt dan ook voort uit een economisch overlevingsmechanisme: binnen het huidige agro-industriële kader is de overstap naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor velen financieel onhaalbaar zonder de volledige afbouw van het huidige systeem.

PS: Ik spreek in het BlueSky-bericht van een cliëntelistische staat, omdat ik wil wijzen op de politieke “vriendjespolitiek” waarbij de staat de agrarische achterban tevreden houdt met gunstige regels in ruil voor steun. Misschien had ik nog beter kunnen kiezen voor het woord corporistisch. Een corporatistische staat kenmerkt zich namelijk door de nauwe verwevenheid tussen de overheid en grote belangengroepen (zoals de agro-industrie). Dit dekt precies de lading van de ‘boerocratie’: een systeem waarin beleid, subsidies en uitzonderingsregels worden afgestemd op de belangen van de gevestigde machtsblokken. En dan is er een nog ontoegankelijker woordencombinatie, namelijk ‘Interventionistische staat’. Dat is een neutrale, wetenschappelijke term voor een staat die de markt kunstmatig stuurt (via die subsidies en prijssteun).

Archiefkoorts en de menagerie van de NOS

Over een ongeplaatste brief, taalkundig geraas en de dag dat sportpresentatoren mastodonten werden.

Ik stuitte onlangs in mijn archief op een ingezonden brief aan de krant die ik absoluut niet meer in de context kan plaatsen. Alleen al door de lengte en de barokke formuleringen lijkt hij het uitvloeisel van een door zonderlinge preoccupaties gefascineerde gek. Ik schaam me er slechts in beperkte mate voor; taalkundig ronkt hij er immers lustig op los. Wel leid ik eruit af dat ik indertijd over een ongebreidelde hoeveelheid tijd en energie scheen te beschikken.

Wat moeten de redactieleden van de Volkskrant destijds wel niet gedacht hebben? Gelukkig hebben ze mij tegen mezelf in bescherming genomen en de brief nooit afgedrukt. Dat is begrijpelijk – je plempt zoiets niet zomaar in de kolommen – maar toch blijft de vraag hangen wat me precies bezielde.

De ‘tijgermoeder’ en de ‘gebeten hond’: wanneer de werkelijkheid van een media-offensief botst met de fauna-equatie van de columnist. Geen Bokito’s of mastodonten, maar een menselijk pleidooi tegen roddel en achterklap; precies de scène die de briefschrijver destijds tot zijn dierkundige sneren dreef.

Hieronder volgt de bewuste brief, exact zoals ik hem indertijd aan de redactie toevertrouwde:

Is het de bedoeling van beeldspraak dat we het plaatje op een ‘presenteerblaadje’ krijgen zodat we ons iets kunnen voorstellen van de realiteit waarop het zinnebeeld betrekking heeft? Dan zou ik graag een tot de verbeelding sprekende representatie zien. Ik lees een stukje waarin de vrouw van Tom Egberts wordt vergeleken met een ‘tijgermoeder die zich voor haar jongen werpt’. Je krijgt dan het idee dat er iets kostbaars beschermd moet worden. De welpjes vertegenwoordigen hier, als je ’t mij vraagt, slechts één presentator. Tenzij het de gekrenkte trots van twee echtelieden moet verzinnebeelden? Hoe dan ook: tijgerjongen lijkt me teveel eer.

Als er per se een dier op moet komen draven, maak dan gewoon een ‘gebeten hond’ van die Janke Dekker. In een ander artikel worden al te hitsige, presentatoren vergeleken met ‘egomane Bokito’s’. Hier gaat de fauna-equatie van ‘totum pro parte’ naar ‘pars pro toto’. Er was, bij leven, maar één Bokito, en die volgde z’n instinct. Egomanie is een typische menselijke eigenschap die zich niet achter natuurdrift kan verschuilen. Noch achter onschuldige dieren als geschikte metafoor.

De schrijver vergelijkt in dezelfde – overigens amusante – column, de NOS Sport-iconen met ‘mastodonten’. Pejoratief natuurlijk. Denk aan ‘groot gevaarte’ en ‘niet met de tijd meegaan’. De associatie is zo voor de hand liggend dat je haar vaker tegenkomt. En ja, we bevinden ons alweer in het dierenrijk.

Ditmaal gaat het over een geslacht van uitgestorven slurfdieren, die, als ik Wikipedia mag geloven, lang door de wetenschap werden beschouwd als vreedzame planteneters. Dat al te zoetsappige beeld werd uiteindelijk verstoord: ‘Volgens Amerikaans onderzoek hebben er felle gevechten plaatsgevonden tussen deze dikhuiden’.

De bakbeesten hadden naast slurven (waarmee ze groene blaadjes oppikten) ook enorme slachttanden. De vergelijking van sportpresentatoren met mastodonten kan mij niet vaak genoeg worden gemaakt. Het gaat dan om dieren die toch al zijn weggevaagd, dat is wel zo aardig naar die beesten toe. Al moeten we er geloof ik niet per se op uit zijn om geen enkel wezen meer op z’n teentjes te trappen.

Nu de stofwolken van deze semantische exercitie zijn opgetrokken, rijst de vraag: wat was in vredesnaam de aanleiding voor dit dierkundige spervuur? Zelfs met de tekst voor mijn neus duurt het even voordat het besef indaalt, maar wie diep in de modder van de NOS-crisis graaft, vindt de mastodonten vanzelf. Een analyse van een obsessie: waar deze briefschrijver destijds de tanden in zette.

Wat bezielde begint mij enigszins te dagen. Ik vroeg Gemini om deze taalkundige ronkpartij te ontleden en de context te herleiden. Bij gebrek aan een psycholoog heb ik de brief aan zijn AI-logica voorgelegd. Het resultaat is een ontnuchterende reconstructie van een mediacrisis die ik met mastodonten en mensapen te lijf ging. Ik pikte een soort van draad op. Dit is wat de AI uit mijn vinnige schrijven destijds concludeerde:

Analyse van de brief: Waar ging dit over?

Als we de brief “psychologisch” ontleden en de aanwijzingen volgen, is de context vrij specifiek te herleiden naar de periode 2023-2024, rondom het schandaal bij NOS Sport.

De Aanwijzingen:
  1. Tom Egberts & Janke Dekker: Dit verwijst direct naar de onthullingen over de werkcultuur bij NOS Sport. Janke Dekker (zijn vrouw) nam het publiekelijk voor hem op in de media, wat door critici soms als “tijgermoeder-gedrag” werd omschreven.
  2. Bokito & Egomanie: Dit refereert aan het grensoverschrijdend gedrag en de “haantjesreputatie” van bepaalde presentatoren. De term ‘egomane Bokito’s’ werd destijds in columns gebruikt om de dominante, intimiderende houding van de ‘iconen’ te duiden.
  3. Mastodonten: Dit is de sleutelterm voor de oudere garde presentatoren (de ‘iconen’ van weleer) die volgens het rapport-Van Rijn niet mee waren gegaan met de tijd en vasthielden aan een verouderde, hiërarchische cultuur.
Waar je het waarschijnlijk over had:

Je brief is een semantische kritiek op de beeldspraak die in de media werd gebruikt om de NOS-crisis te duiden. Je lijkt je te storen aan de inconsistentie van de metaforen:

  • Je hekelt het feit dat een vrouw die haar man verdedigt een “tijgermoeder” wordt genoemd (terwijl die term normaal voor kinderen geldt).
  • Je maakt een scherp onderscheid tussen dierlijk instinct (Bokito/Mastodont) en menselijke verantwoordelijkheid (egomanie).
  • Je viert de vergelijking met de mastodont, niet vanwege de lompheid, maar vanwege de wetenschappelijke correctheid: het waren vechtjassen die uiteindelijk uitstierven.

Conclusie: Je schreef een vlijmscherpe, tikkeltje pedante (op de goede manier!) reactie op de wijze waarop columnisten en journalisten de heren van de sportredactie probeerden te duiden via het dierenrijk. Je wilde waarschijnlijk aantonen dat hun taalgebruik de werkelijkheid eerder vertroebelde dan verhelderde.

Een vraag vanuit het publiek

De ‘toch-nog-goed-uitgepakte’ vergissingsaankoop.

Vandaag bereikte mij, als voormalig redactie-expert van de vraag-en-antwoord rubriek voor de bladen Klik&Klaar en PC Kompas, een noodkreet uit mijn vriendenkring. Ik voelde mij meteen weer die computerdokter van toen, een functie die ik toch zo’n acht jaar heb vervuld. De bladen zijn inmiddels allebei ter ziele, want de tegenwoordige Chatbot weet veel sneller raad en opereert vanuit een groter en actueler kennisarchief. Voor Klik&Klaar heette mijn rubriek ‘De Digitale Werkplek’ en voor PC Kompas werd ik ‘Dr. Debug’ of ‘Ronnie Algorithmus’ genoemd, want bij dat laatste blad deden we net of er een redactie was van twee digihulp-artsen. We wisten natuurlijk heel goed dat de namen praktisch, licht technisch, betrouwbaar en een tikje nerdy alsook nuchter moesten klinken.

De dame in kwestie beschrijft het volgende probleem:

Ik heb een chromebook gekocht. Ik dacht ik koop een laptop. Blijkt het een chromebook te zijn. Weet ik veel. Maar nu moet ik opeens een abonnement van 100 euro per jaar hebben voor Microsoft 365. Waarom? Op mijn laptop was het gratis.

Ik kon hier meteen uit mijn hoofd antwoord op geven want ik heb zo’n kwestie onlangs nog bij de hand gehad. Het is vreemd dat ik mij nu een manplainer voel terwijl ik daar vroeger niet in het minste last van had. Ik antwoordde desondanks heel Klik&Klaar-promptig en PC-kompasserig:

Een Chromebook draait op ChromeOS, niet op Windows of macOS. Microsoft 365 is nooit gratis geweest. Op veel Windows-laptops zat vroeger óf een tijdelijke proefversie óf een door de fabrikant meegekochte licentie (soms ‘verborgen’ in de prijs).

Op een Chromebook kun je Microsoft 365 via de browser gebruiken (office.com). Dan hebben we het over een betaald abonnement. Je kunt ook gratis alternatieven gebruiken zoals Google Docs (en Sheets en Slides).

Documenten → Google Docs → Word-equivalent
Presentaties → Google Slides → PowerPoint-equivalent
Spreadsheets → Google Sheets → Excel-equivalent

Op jouw Chromebook draait al software die alles aanstuurt. Het heet ChromeOS (geen Windows). De stuurprogramma’s (drivers) zitten ingebakken in het systeem. Jij hoeft (en kunt) die drivers niet los installeren of beheren. Het besturingssysteem regelt automatisch toetsenbord, scherm, wifi, printer, enz. Dat is ook meteen het verschil met je vorige apparaat: het bezit van ChromeOS betekent dat Google dat regelt op de achtergrond. Bij Windows moet je je veel meer bezighouden met drivers, licenties en installaties. Alles draait en werkt bij jou technisch prima, alleen is het geen Windows, dus Microsoft Office zit er niet automatisch bij. Geen paniek dus. Er zit al veel op.

Ok, jij werkt met Powerpoint. Dat programma ben je kwijt. Wat is daarvoor de oplossing? Voor PowerPoint op een Chromebook heb je in de praktijk 2 nette opties.

Optie 1 — PowerPoint via de browser.
Dit is de meest “PowerPoint-achtige” optie. Je gaat naar office.com. Je logt in met een Microsoft-account. PowerPoint werkt in de browser. Het nadeel is dat je hiervoor wél Microsoft 365 nodig hebt, maar het voordeel dat je maximale compatibiliteit bezit (met de extensie .pptx). Als je echt PowerPoint nodig hebt en veel uitwisselt met anderen, is dit de meest verstandige keuze.

Optie 2 — Google Presentaties (gratis, vaak voldoende)
Google Presentaties (Slides) zit standaard op de Chromebook. Je kunt .pptx-bestanden gewoon in Google Presentaties openen. Opslaan kan weer als .pptx. Het voordeel is: gratis, geen abonnement. Het nadeel: héél complexe animaties of lettertypes kunnen iets veranderen. Voor 90% van de presentaties is dit prima.

Het lijkt me duidelijk: kies voor optie 2. Google Presentaties zit al op je Chromebook. Klik linksonder op de Launcher, typ “Presentaties” of ga naar slides.google.com. Je kunt daar .pptx-bestanden openen en bewerken.

En voor een woordbestand? vraagt ze.

Voor een Word-bestand (.doc of .docx) op een Chromebook kun je ook prima terecht bij Google’s gratis optie: Google Documenten (Google Docs). Klik op de Launcher en typ “Documenten”, of ga naar docs.google.com. Je kunt je .docx-bestanden daar openen en bewerken.

Ik concludeer: eigenlijk heb je nu iets anders dan je dacht, maar voor reizen, onderweg, werken en alles in de cloud is het misschien juist handiger dan je oude laptop.

I Have Tried in My Way To Be Free

Op zoek naar niet-competitieve excellentie.

In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.

Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.

De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.

De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.

Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.

Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.

De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.

I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.

Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.

Minder dan een eendagsmonnik

De weg naar het klooster en terug.

Het is best jammer dat een journalistiek stuk van literaire kwaliteit in het uitdijende archief van een krant verdwijnt terwijl de zoekmachine niet in staat blijkt het voor de dag te toveren. Ik vind de zoekfunctie van databanken bij dagbladen sowieso niet het beste dat een schrijver en zijn eventuele lezers zich kunnen wensen. Als je als particulier begint te browsen met een vaag idee van een titel, vang je meestal bot. Zoek je een specifiek stuk, dan zul je echt moeten weten onder welke aanhef het is opgeslagen. In zo’n geval komt een Chatbot nog beter van pas. Maar soms werkt die hulp van buiten net zo min. Dan blijkt een oud artikel helemaal niet in het beheersysteem te zijn opgenomen.

Een voorbeeld is een stuk van Hans Gülpen, dat ik nooit uit de annalen van De Gelderlander zou hebben opgediept als Hans het artikel niet naar boven had gehaald uit zijn eigen opgeslagen mappen met knipsels en aantekeningen. Het heet ‘Notities uit mijn cel’ en het gaat over zijn retraite in de abdij St. Benedictusberg te Vaals. Daar waren destijds nog zo’n vijftien monniken. Ze gingen zeven maal daags ter kerke om hun Schepper te prijzen en te bezingen. Deze religieuze toewijding ten spijt, bleven hun stemmen nagenoeg verstomd, want er heerste een gebod tot zwijgen. Hans verbleef jaarlijks een paar dagen met hen. In de hectiek van de tijd wordt serene rust enorm op prijs gesteld, vooral wanneer er een aureool van devotie omheen hangt. Er zijn plekken op deze aarde waar woorden overbodig lijken. Dat is fijn, dan hoef je er ook niet naar te zoeken.

In 1998 bestond de krant in kwestie 150 jaar. In een speciale jubileumeditie, chic uitgegeven in een box, kreeg het artikel een uitverkoren plek, maar zoals dat gaat met kranten die de reputatie hebben van vergankelijkheid, kwam de eeuwigheidswaarde die het stuk verdiende ook daar niet tot z’n recht. De dagelijkse krant verscheen toen nog op het klassieke broadsheetformaat. Hans, die de vroegere tijden met enige verheerlijking bekijkt, schreef dat de veelbelovende eenentwintigste eeuw nog moest beginnen en de Big Tech Brothers de mensheid nog niet tot slaaf hadden gemaakt. Zonder de constante afleiding door het eeuwige geratel van de online wereld leefde men destijds noodgedwongen in het nu; het leek op een vorm van mindfulness avant la lettre. Ik begrijp de bekoring die daarvan uitgaat, zeker als ik de indrukken en belevenissen van Hans lees.

Ondertussen mijmer ik over mijn eigen ervaringen met het kloosterleven. Die waren er namelijk ook, zij het dat ze nooit langer dan een uurtje op een namiddag hebben geduurd. De heiden in mij was altijd blij dat hij voor de avondval door dezelfde poort kon vertrekken als waar hij bij een beginnende schemering doorheen was gegaan; terug naar de roeken in het stoppelveld. Met die vogels voelde ik, geloof ik, meer verwantschap dan met de monniken, hoe mooi hun gregoriaans gezang tijdens de koordienst ook klonk. Ik had nooit meer stil gestaan bij die tochten richting de spirituele verlossing die mij, onverlost, verenigden met het gevederte des velds. In de afgelopen dagen heb ik er een essay over geschreven, waarover ik morgen zal uitwijden.

“Huh.”
“Benedicamus dominum.” Een diepe mannenstem galmt over de gang.
Weer die klop op de deur.
“Benedicamus dominum.”
Het wachtwoord, flitst door me heen. Wat was in godsnaam het wachtwoord? Lichte paniek maakt zich van me meester.
“Benedica….”
“Eh, deo gratias”, piep ik vanuit het duister van mijn cel.
“Deo gratias.”
Het is aardedonker, kwart voor vijf. Ik ben in Mamelis, Zuid-Limburg, op een steenworp afstand van de Duitse grens.
De dag begint in het klooster in St. Benedictusberg, abdij van de Benedictijnen. Als alle dagen, 365 maal per jaar.
Gasten als ik schieten in hun kleren, monniken gooien het habijt over hun hoofd. Een kwartier later zitten we allemaal in de kerk. Voor de metten. Anderhalf uur duren ze, negentig minuten, een eeuwigheid gevuld met hymnen en lauden, die beurtelings staand, buigend, en geknield worden gezongen.

Hans Gulpen – citaat uit: Notities uit mijn cel

Postscriptum 1:
Ik maak me geen illusies over de blijvende waarde van mijn stukjes, maar citeer hier graag uit ‘Notities uit mijn cel’, zodat meer mensen een idee krijgen van de verstilling en het inzicht die Hans op zijn retraite-adres vond en die in onze tijd van constante ruis zo zeldzaam zijn geworden.

Postscriptum 2:
Een lezer maakte mij erop attent dat het klooster zich in Mamelis bevindt. Dat is waar. De Abdij Sint-Benedictusberg bevindt zich in Mamelis, dat valt onder de gemeente Vaals, in de provincie Limburg (Nederland). Het adres is: Mamelis 39, 6295 NA Lemiers (Vaals).
Wat? Wordt naast Mamelis ook nog Lemiers genoemd?
Ja, dat is een klein kerkdorp van 690 inwoners, dat ook tot de gemeente Vaals behoort.
Maar hoe zit het nou precies; er wordt met drie plaatsnamen geschermd voor één en dezelfde plek.
Niet zo moeilijk hoor: de abdij ligt in Mamelis, maar het adres valt onder Lemiers. Mamelis is een gehucht binnen de gemeente Vaals, dat administratief onder Lemiers valt volgens het Cultureel Erfgoed. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschrijft de abdij letterlijk als “Lemiers – Mamelis 39”. In termen van plaats ligt het klooster “vrij in het landschap gesitueerd … tussen Wahlwiller en Lemiers”.
Oh, help, nu komt ook Wahlwiller om de hoek kijken.
Geen zorgen, postbode: De abdij staat fysiek in het gehucht Mamelis, maar voor post en administratieve doeleinden hoort Mamelis bij Lemiers, vandaar het Lemiers-adres. Zo, en spring dan nu maar op je fiets want je moet daar een brief bezorgen van bromsnor uit Wahlwiller. Wahlwiller is…
Nee, laat maar.

De kommaneukers van Cedille

Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.

Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.

Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.

Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.

Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.

Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!

Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?

Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:

Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).

Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’

En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De ş zit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.

Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.

Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.

Postscriptum:

Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.

Bedelbrief aan een ballenjongen

Is de bal pas rond als ze richting een doel rolt?

Geachte heer Wagendorp,

Dankzij één van uw laatste columns weet ik dat de scout van een piepklein voetbalteam in Zweden onopvallende spelers aandraagt waardoor de club Goliaths als IFK Göteborg en AIK Fotboll verslaat. Ondertussen gaat hij als postbode door met postbezorgen want dat moet natuurlijk ook gebeuren.

Na het lezen van uw stukje dacht ik: wie beter dan meneer Wagendorp om mijn postbodeverhalen te waarderen, zodat hij ze eventueel aan de redactie kan doorgeven. U schrijft over een postbode met scoutkwaliteiten; ik hoop een postbode te zijn met schrijfkwaliteiten.

Ik zag opeens de gelijkenis. U zou een schrijver kunnen zijn die zich even als talentontdekker opwerpt. Mijn verhalen gaan niet over sport. Niemand kan u op dat terrein naar de kroon steken. U moet vooral doorgaan met uw prachtige columns over dat veelbewogen thema.

Ik mag minder ervaren zijn dan u, maar ik schrijf deze brief met voldoende zelfvertrouwen om mij aan u te durven presenteren. Ik begrijp dat ik mij alleen maar in de kijker kan spelen door goed te schrijven; dat blijft het eerste en het laatste criterium voor succes.

Wilt u zo vriendelijk zijn om een blik te werpen op de bijgevoegde columns? Ook een postbode met scoringsdrang heeft een scout nodig. In één van mijn toekomstige postbodeverhalen zou sprake kunnen zijn van een voetbalcolumnist die mijn talent zag. Dat stukje zou ik graag een keer schrijven.

Bert Wagendorp: In elk goed voetbalverhaal is sprake van een postbode

Conny Braam sprak

Maar over één ding was zij niet te spreken.

En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.

Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”

Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.

Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.

Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.

Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.

Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.

Drie kanaries in een kolenmijn

Waarom Meidas Touch onmisbaar is voor de Amerikaanse (en onze) democratie.

Als Nederlander met een – naar mijn mening – goede passieve beheersing van de Engelse taal, begrijp ik de Amerikaanse politiek beter dan ik kan verwoorden; voor dat laatste ben ik niet welsprekend genoeg. Ik kan alle nuances van politieke debatten moeiteloos volgen, maar als ik zelf het woord moest voeren, zou ik minder scherp en woordrijk overkomen dan ik wilde. Alleen al daarom ben ik onmachig om het lot van Amerika ook maar een jota te beïnvloeden. Ik onderga wat daar gebeurt met de radeloosheid van een waarnemer die slechts door een glazen wand mag toekijken, bewust van de impact van de huidige gebeurtenissen, maar gevangen in een afstand die onoverkomelijk lijkt.

Vanuit Europa zie ik het MeidasTouch Network als het scherpste wapen in de strijd om het discours over de democratie te heroveren.

Die taalbarrière doet niets af aan mijn zorgen over de staat van de democratie in de Verenigde Staten, die ik wel nog steeds als de hoeksteen van de westerse wereld beschouw. Vanuit mijn Europese perspectief is het cruciaal dat er krachten vrijkomen die zich actief verzetten tegen de erosie van democratische normen. En dat is precies waarom ik Meidas Touch Network zo ontzettend belangrijk vind. Voor mij is Meidas Touch veel meer dan alleen een progressief mediakanaal. Het is een digitale verdedigingslinie. Het netwerk, opgericht door de drie broers Ben, Brett en Jordy Meiselas, is ontstaan uit pure noodzaak en frustratie over de politieke chaos. Ze waren geen doorgewinterde politieke operatoren, maar een burgerrechtenadvocaat, een video-editor en een marketingexecutive die vonden dat ze moesten handelen.

De kracht van MTN ligt in hun compromisloze aanpak om het narratief terug te veroveren van de rechtse media. In een tijdperk waarin desinformatie zich met duizelingwekkende snelheid verspreidt, gebruiken zij de moderne mediatools – korte, virale video’s en podcasts – om op heldere en directe wijze te communiceren over de feiten en de gevaren. Ze stellen zichzelf niet op als partijpolitieke influencers, maar als verdedigers van de democratie. En eerlijk gezegd is dat voor mij in deze context hetzelfde. Ze doen wat traditionele media soms te langzaam doen of te voorzichtig: ze benoemen leugens als leugens. Hun content is scherp, gevat en vaak humoristisch, maar altijd met een serieuze, feitelijke ondertoon. Ze ontmaskeren de gaslighting van de MAGA-beweging en degenen die de verkiezingsuitslagen in twijfel trekken.

Als toeschouwer die de Amerikaanse democratie als een essentieel bolwerk beschouwt, zie ik Meidas Touch als een van de meest effectieve checks and balances in het informatietijdperk. Ze mobiliseren een publiek dat snakt naar eerlijke en duidelijke berichtgeving, en ze bieden een digitaal thuis voor mensen die de democratische principes willen verdedigen. Zonder zulke onverschrokken stemmen, die niet bang zijn om hun ongenoegen over de extremen aan de rechterflank luid en duidelijk te uiten, zou het publieke debat in de VS nog verder scheefgroeien. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de broertjes Meiselas met hun netwerk een noodzakelijke en onmisbare rol spelen bij het bewaken van de Amerikaanse democratie. Ze geven de gewone burger een duidelijke stem en een krachtige tool in de strijd voor de waarheid. En dat is van onschatbare waarde.

Laten we proberen hun videokanaal naar 6 miljoen abonnees te brengen (op dit moment is dat 5,51M).

P.S.: We zien hoe politieke figuren die kritiek hebben op Trump steeds vaker doelwit worden van zijn retoriek en acties. Het is beangstigend om te bedenken wat er met het cruciale tegengeluid van de gebroeders Meiselas kan gebeuren. Als er iets gebeurt waardoor hun stem verstomd raakt, vrees ik dat dit het definitieve einde van de democratische waarden in de VS inluidt, waarmee de weg naar autocratie onder Trump definitief zou worden geplaveid. Hun veiligheid is, in zekere zin, de veiligheid van de Amerikaanse democratie zelf.