Wat houdt je werkelijk droog bij een onverwachte windvlaag: theorie of praktijk?
Gisteren huurde Daan een zeilboot. De verhuurder informeerde of hij al wat uren op het water had doorgebracht. Daan knikte instemmend; hij was immers niet onbekend met het roer. Toch knaagde er een vraag toen hij de haven verliet. Wat is doorslaggevender voor de veiligheid: praktijkervaring achter de helmstok, of theoretisch inzicht in hoe je voorkomt dat een vaartuig omslaat?
Het Dilemma: Sturen of Begrijpen?
Om te beginnen is het belangrijk om te kijken wanneer de wind de meeste invloed heeft op het kantelmoment. Is dat bij een aan-de-windse koers, of wanneer de bries haaks op de romp blaast?
Aan de wind (schuin tegen de luchtstroom in): Hier staat het tuig maximaal strak aangetrokken. De luchtstroom volgt de doeken en genereert een forse liftkracht. Omdat de kracht loodrecht op de lengte-as van de boot wordt overgedragen, ervaart het schip een constante hellingshoek.
Halve wind (wind op de zijkant): De stroming komt dwars op de romp binnen. Als de lijnen correct zijn gevierd, ontsnapt de wind makkelijker. Het schip haalt bovendien meer vaart, wat de stabiliteit verbetert.
Echter, wanneer je de schoot per ongeluk of onwetend te strak aantrekt op deze koers (een zogeheten overtrim), ontstaat er een compleet andere dynamiek.
De Gevaren van een Overtrokken Zeil
Wanneer je halve wind vaart en de giek onnodig strak trekt, creëer je een onnatuurlijke situatie die de wetten van de aerodynamica tart.
De dwarskracht explodeert: De luchtstroom kan niet meer efficiënt langs het doek stromen. De opgewekte kracht wordt omgezet in een gigantische zijwaartse druk.
Het kantelmoment neemt toe: Zonder voldoende snelheid in het water kan de kiel de druk niet opvangen. Het vaartuig helt extreem over.
Bij correct getrimde zeilen genereert de boot aan de wind de grootste voorspelbare druk. Maar zodra we spreken over een stuurfout, is een overtrokken zeil op halve wind de absolute koploper in het veroorzaken van een gevaarlijke helling.
De Juiste Reactie op een Windvlaag
Wat doe je wanneer er een plotselinge windvlaag opsteekt? Er zijn twee primaire acties die je kunt ondernemen:
Schoot vieren: Dit is de meest effectieve stap. Door de lijn losser te gooien, laat je de bries ontsnappen.
Oploeven: Draai de boeg iets in de wind. Dit vermindert de invalshoek en de druk op het doek. Doe dit echter niet te ver, want dan verlies je vaart of klapt de luchtstroom aan de verkeerde zijde van het zeil.
Waarom is een halve wind sneller?
Het lijkt misschien contra-intuïtief omdat je bij een halve wind de schoot viert, maar er zijn duidelijke fysieke redenen waarom de vaart toeneemt:
Schijnbare wind (Apparent wind): Zodra de boot snelheid begint te maken op een halve windse koers, verandert de hoek en de kracht van de schijnbare wind. Deze wordt hierdoor gunstiger; dit heeft een extra versnellend effect op het vaartuig.
Minder weerstand (hydrodynamica): Wanneer je scherp aan de wind vaart, genereert het zeil veel zijwaartse kracht. Hierdoor helt het schip flink over en ontstaat er meer weerstand in het water; de romp en de kiel remmen de voorwaartse beweging af. Op een halve windse koers ligt de boot stabieler in het water waardoor de weerstand afneemt.
Optimaal benutten van de wind (aerodynamica): Op een halve windse koers blaast de wind even hard, maar het profiel van het doek kan de windenergie efficiënter omzetten in stuwkracht. De wind hoeft immers niet scherp tegen de eigen koers in te worden gedwongen.
Wetenschappelijke onderbouwing
Wanneer we de zogeheten polardiagrammen (snelheidsdiagrammen) van zeiljachten bekijken, zien we dat de maximale snelheid van een schip vaak wordt behaald bij een halve tot ruime wind. De lift- en sleepcoëfficiënten van het tuig zorgen bij deze hoek voor de meest gunstige verhouding; de stuwkracht is maximaal en de energie wordt niet onnodig verspild aan het corrigeren van een grote hellingshoek of driften.
Ik verberg je voornaam achter deze kleine letter uit respect. De m staat voor massa als een extreem geconcentreerde vorm van energie; zij vormt het fundament van alles wat tastbaar is, terwijl de reflectie daarvan bepaalt wat wij uiteindelijk zien. Nadat ik onaangekondigd bij je had aangeklopt namen we plaats aan de tafel voor je huis. Steeds wanneer ons gesprek op een onderwerp uitkwam dat voortvloeide uit jouw belezenheid, bleek daar iets bij te horen; een dierbaar bezit dat je binnen bewaarde en naar buiten bracht. Zo toonde je me het horloge van wijlen je vader (of was het de Pontiac van je opa?). Je had het onlangs gekregen van je tante bij een bezoek aan Katwijk, waar een deel van je familie woont.
In het licht van de rest van deze brief wil ik erop wijzen dat, wanneer je dit horloge opwindt, het theoretisch een fractie zwaarder wordt. Door de veer te spannen, voeg je energie toe. Die energie manifesteert zich als een minuscule toename in massa (Δm), exact volgens de verhouding Δm = E/c². Omdat c² een astronomisch getal is, blijft die gewichtstoename onzichtbaar voor elke aardse weegschaal. Ze is voorbehouden aan de subatomaire wereld van kernreacties, waar massa verdwijnt om plaats te maken voor een verzengende klap energie. Toch is die m geen abstract symbool; het is de onverbiddelijke, weegbare realiteit van een object. En misschien ook wel van een mens.
Ik schrijf je dit omdat onze ontmoeting, daar aan die tafel in het park, in mij bleef resoneren. Je bent voor mij de “entiteit met het grootste associërende vermogen” die ik persoonlijk ken. Ik heb je ook “een vulkaan in rommelende rust” genoemd, die, zodra de as van de dagelijkse stilte wordt weggeblazen, een magma aan kennis en anekdotes over de bezoeker uitstort. Ergens anders noemde ik je “een menselijke deeltjesversneller” bij wie de kleinste herinnering tot bijna lichtsnelheid wordt opgejaagd totdat deze botst met een nieuw inzicht. Dat is uiteraard beeldspraak, een stijlvorm die me eigenlijk niet past. Metaforen zijn meer jouw manier van naar de wereld kijken, van communiceren en de chaos ordenen.
Je sprak die middag over je “val uit de causaliteit” rond je achttiende; een breuklijn in je persoonlijke tijdsbeleving waaraan je onlangs werd herinnerd bij het zien van de film The Sound of Falling. Het was alsof je aan die rand van je volwassenheid de zwaartekracht van oorzaak en gevolg voor het eerst werkelijk voelde. Terwijl je me door je stereoscoop liet turen naar de driedimensionale diepte van Napels en Venetië – beelden waarin de ruimte tastbaar werd maar de tijd bevroor – strooide je met tijdsbegrippen die ik nog steeds probeer te ordenen. Het was precies daar, terwijl we vanuit eigen stilstand door die kijker naar statische werelden staarden, dat je met het begrip ‘interpassiviteit’ op de proppen kwam.
Ik begreep dat je hiermee aan Robert Pfaller of wellicht Slavoj Žižek refereerde; die vreemde paradox waarbij de handeling van het genieten of het ervaren wordt uitbesteed aan een object, waardoor wij zelf lethargisch kunnen blijven. Het turen door die lenzen en dia’s zou de ultieme metafoor kunnen zijn (misschien bedoelde jij dat ook zo): de kijker ‘ziet’ de diepte voor ons, wij consumeren slechts de illusie. Het is een fascinerende gedachte dat wij, in onze drang naar ervaring, steeds vaker apparaten laten dromen in onze plaats. In dit geval betrof het een heel ‘lief’ apparaat, want oud en vervaardigd met degelijke Duitse precisie.
Wat me werkelijk fascineert, zijn de Latijnse woorden die je op je huis hebt geschreven en in de bast van een boom hebt gekerfd. Aan de ene kant is er het Nunc Fluens, het stromende nu dat vluchtig wegglipt en de tijd creëert (‘nunc fluens facit tempus’). Maar jij raakt duidelijk meer in de ban van een kwaliteit die gedragen wordt door het Nunc Stans: het staande (onveranderlijke) nu. Je citeert graag het ‘nunc stans facit aeternitatem’ (het staande nu maakt de eeuwigheid). Voor Boëthius was dat de perfecte, gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven; een moment dat niet voorbijgaat maar alle tijd omvat. Het tijdloze heden bevat tegelijkertijd alle momenten.
Zoiets internaliseer ik misschien alleen maar met wietboter op mijn paasbroodje. Thuisgekomen voelde ik de dwingende behoefte aan ordening en een nuchter, maar geenszins ontnuchterend, tegenwicht. Want hoe eloquent je ook spreekt over die spirituele eeuwigheid, mijn visie op ‘ruimtetijd’ hecht meer aan kwantitatieve wetmatigheden en analytische bewijsvoering die ik op school en door latere zelfstudie heb geleerd. Ik zoek de eeuwigheid niet in drugsgerelateerde, metafysische of serendipitaire ervaringen, maar in de onveranderlijke natuurconstanten. Dat is mijn mathematische geraamte.
Ik moet bekennen dat ik het kwadrateren tot precies de tweede macht in E=mc² lang niet goed begreep. Ik dacht dat die ‘2‘ een soort kunstmatige ingreep was om de vergelijking in balans te houden. Maar ik ontdekte – ook zo rond mijn achtiende – dat het geen menselijke afspraak is, zoals de 100 graden waarbij water kookt. Die ‘2‘ vloeit voort uit de diepe symmetrie van ons universum. De lichtsnelheid c is niet zomaar een snelheid, maar de koppeling tussen afstand en tijd. Zodra we het ruimtetijd-interval berekenen (s² = (ct)² – x² – y² – z²), volgt de noodzaak om c te kwadrateren; alleen zo rijmt de tijdseenheid met de afstand.
Dit kwadraat fungeert als een geometrische hoeksteen en definieert het vlak binnen de vierdimensionale ruimtetijd, vergelijkbaar met hoe de oppervlakte van een vierkant steevast ‘zijde kwadraat’ dicteert. Hier schuilt geen esoterisch gedoe achter, maar een pure wiskundige blauwdruk. Mocht dat kwadraat ook maar een fractie afwijken – zeg naar 2,00001 – dan zouden sterren weigeren te branden en de chemie die ons leven mogelijk maakt simpelweg niet bestaan. In de deeltjesversnellers van het CERN levert men dagelijks het bewijs voor deze onverbiddelijke precisie, tot ver achter de komma. Die ‘magie’ van de natuurwetenschap gaf mij een euforie die misschien wel lijkt op wat jij voelt bij je Nunc Stans.
Voor mij is de symmetrie in tijd (behoud van energie) en ruimte (behoud van impuls) de werkelijke ‘eeuwigheid’. Het universum is een uiterst efficiënte boekhouder; elke gram die verdwijnt, verschijnt elders als energie, precies volgens de regels van de calculus. Fysici als Erik Verlinde suggereren zelfs dat tijd een emergent verschijnsel is; een illusie die opborrelt uit een tijdloos heelal. Zij gebruiken een metafoor die jou moet aanspreken: het heelal als een roman. In een dichtgeslagen boek staan alle gebeurtenissen – onze jeugd en onze gesprekken aan de tafel – er al. Tegelijkertijd. Tussen de kaften is de tijd statisch.
Dat lijkt mijn wetenschappelijke vertaling van jouw ‘staande nu’ vriendschappelijk in jouw richting te bewegen. Ik schrijf je dit niet om je Latijnse begrippen of je liefde voor Tao of Jung onderuit te halen, maar om mijn observatie met je te delen dat de kil overkomende natuurkunde wellicht uitkomt bij iets dat verdacht veel weg heeft van jouw visie. We zijn blijkbaar allemaal onderdeel van het gedeelde geheugen van een informatieverwerkend universum. De tijd stroomt misschien wel, maar alleen omdat wij weigeren het boek dicht te slaan. En zolang het boek openligt, geniet ik van de voetnoten die jij eraan toevoegt.
Met een vriendschappelijke groet, Ronald
P.S. Nog even over Jung en zijn synchroniciteit. Hoewel ik je perspectief en de betekenis die jij en Jung aan ‘schijnbare toevalligheden’ geven zeer respecteer, blijf ik zelf toch liever met beide benen in de vertrouwde klei van de ratio staan. Voor mij is synchroniciteit een product van de menselijke neiging tot patroonherkenning (bevestigingsbias enzovoorts) en de wet van de grote aantallen.
Ik vind mijn facinatie in de wiskundige onvermijdelijkheid van het universum. Zoals gezegd: de ‘²’ in E=mc² is geen spiritueel symbool, maar een directe weerspiegeling van de driedimensionale ruimte waarin we leven. Symmetrie in tijd betekent dat energie behouden blijft; symmetrie in ruimte betekent dat impuls behouden blijft.
Die wetmatigheden dwingen de wereld in patronen die wij als ‘mooi’ en ‘wonderlijk’ ervaren, maar die schoonheid is puur functioneel. Zonder die exacte logica zou er simpelweg niemand zijn om de vraag te stellen of om zich te verwonderen. Waar spirituelen een betekenisvol duwtje van het universum zien in een toevallige ontmoeting, zien wetenschappelijk ingestelde mensen de elegante, gerationaliseerde ‘magie’ van het kwadraat.
We kijken naar dezelfde sterrenhemel, alleen zien ‘zij’ statistische onvermijdelijkheid als een kosmische orkestratie – voorbestemdheid, de hand van het lot, goddelijke timing, metafysische resonantie – terwijl ‘wij’ louter de wetten zien die de sterren op hun plek houden. Ondanks dat fundamentele verschil in hoe we de werkelijkheid interpreteren, waardeer ik gesprekken met deze ‘anders afgestelden’ er niet minder om.
Over de weigering om je eigen houdbaarheidsdatum te synchroniseren met de feiten.
“Wollt ihr die totale Wahrheit?” Dat dacht ik niet. Of liever: nog niet. Het is daarom dat ik hier de term ‘leeftijdsblokkade’ wil lanceren. Dat is de fase waarin men stopt met het aannemen van biologische bewijslast of al te waarheidsgetrouwe opmerkingen; de individuele noodrem op de genadeloze tijdlijn. In deze pauze creëer je een persoonlijke echoput waarin de signalen van de buitenwereld – die venijnige hints over een trager tempo of de neerbuigende vraag of het lettertype wellicht te klein is – stuiten op een muur van doelbewuste ignorantie. De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in jezelf voert een schrikbewind over de eigen waarneming; elke spiegel die de feiten presenteert wordt verbannen; elke observatie over je bouwjaar wordt gecensureerd als ware het vijandige propaganda.
In deze staat van ‘leeftijdsblokkade’ fungeert de waarheid als een directe bedreiging voor het fragiele ego. De omgeving constateert simpelweg verval; jij classificeert die objectieve waarneming onmiddellijk als een frontale aanval. Het is een vorm van interne apartheid waarbij je de superieure, ervaren versie van jezelf hermetisch afsluit van de fysiek verouderende versie. Je negeert de knarsende gewrichten met dezelfde fanatieke overtuiging waarmee je een nieuwe rimpel wegredeneert; een ideologische loopgravenoorlog tegen je eigen biologie.
Psychologisch gezien duiden we dit aan als een extreme vorm van cognitieve herwaardering; je hersenen filteren simpelweg de data die niet harmoniëren met het gewenste zelfbeeld. Er is echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat deze interne censuur de telomeerverkorting in je cellen ook maar een seconde stopt. Je kunt de boodschapper – je bezorgde omgeving – wel executeren; de biometrische klok tikt onverstoorbaar door; entropie trekt zich nu eenmaal weinig aan van je persoonlijke dictatuur.
De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in de spiegel tolereert geen enkele tegenspraak. Het is de weigering om de oogst te accepteren, louter omdat je nog steeds wilt doen alsof het zaaitijd is. Je klampt je vast aan een status quo die allang door de realiteit is ingehaald; een statische waan die je moet beschermen tegen de onvermijdelijke schemering.
Tussen hommage en imitatie; een technisch eerbetoon of een digitale grensoverschrijding?
Met een mengeling van fascinatie en schroom heb ik geprobeerd de coverfoto van de biografie Het litteken van de dood tot leven te wekken. We zien het portret van Jan Wolkers, maar de stem die u hoort is de mijne. In een poging zijn unieke klank en cadans te vangen, heb ik hem woorden in de mond gelegd over zijn biograaf, Onno Blom; een tekst geschreven in de geest van de grootmeester zelf.
Ik ben mij ervan bewust dat dit experiment vragen oproept en ik ben dan ook zeer benieuwd naar uw reactie. Enerzijds technisch en artistiek: in hoeverre vindt u dat ik erin geslaagd ben om die typerende, gelaagde stem van Wolkers te benaderen? Anderzijds is er de ethische kant waar ik zelf ook over peins: geeft het eigenlijk wel pas om eigen woorden toe te schrijven aan een overleden auteur en deze via AI-techniek ‘echt’ te laten lijken? Is dit een wondere wereld van nieuwe mogelijkheden, of overschrijden we hier een grens? Uw ongezouten mening hoor ik graag.
Ik moet zeggen dat ik er na deze twee experimenten, verdeeld over twee blogberichten (zie eerder het bericht met Griet Titulaer) wel weer klaar mee ben. Tot slot volgt hier een AI-bewerking waarbij de ‘gedoodverfde’ Jan Wolkers nog expressiever is in zijn bewegingen maar minder goed lijkt op de echte schrijver. AI heeft er een hedendaags ventje van gemaakt. Daar staat tegenover dat hij nu wel ‘Triton’ zegt in plaats van ‘Trition’ en een beetje trager praat, hoewel minder gelijkend qua timbre en diepte.
Ik heb de opname voortijdig afgekapt. Me dunkt ‘het litteken van de dood’. De echte Wolkers bleek (gelukkig) niet te evenaren.
Chriet heb ik altijd graag geïmiteerd. Op 1 april 2026 laat ik ‘m even terugkomen om over iets monumentaals te praten. Na decennia van voorbereiding is het zover: de lancering van Artemis II. Dit is niet zomaar een wetenschappelijk project; het is de eerste keer sinds 1972 (Apollo 17) dat er weer mensen richting de maan vertrekken. De missie heet: Artemis II. In tegenstelling tot de onbemande Artemis I-testvlucht van een paar jaar geleden, zijn er nu vier astronauten aan boord van de Orion-capsule. Ze worden gelanceerd bovenop de Space Launch System (SLS), de krachtigste raket die NASA ooit heeft gebouwd.
Als mensen dit leuk vinden wordt mijn volgende imitatie: Jan Wolkers.
De manier waarop de volmachten waren aangeleverd, wekte argwaan; ze waren op identieke wijze voorbereid met telkens twee stempassen, een kopie van het paspoort en een paperclip. Een corruptie-klemmetje, klein van stuk, maar groot in het bij elkaar houden van verdachte zaakjes.
De kleffe verhouding van de kunstkenner tot zijn onderwerp.
Natuurlijk kan Arthur De Graaf op forse kritiek rekenen; hij slingert immers een onbestaand citaat de wereld in met behulp van AI. Hij bijt in het zand en geeft zijn omissie ruiterlijk toe. Maar dat juist de heren van de kunstredactie over hem heen vallen, stoort De Graaf mateloos. Hij kent deze hofnarren van de status quo te goed. Terwijl zij hun zinnen polijsten met dure adjectieven en esoterische beeldspraak, zorgen ze er vooral voor dat hun werk geen rimpeling veroorzaakt in de vijver van de publieke opinie.
Juist de kampioenen van de risicoloosheid toonden zich het meest onvermurwbaar ten aanzien van een misstap van een collega die alleen voorkwam waar wél iets op het spel stond. Hadden zij ooit meer gedaan dan de theaterrol van journalist spelen? Ze bleven veilig achter de linies van het culturele leven; een terrein waar ze net genoeg van afwisten (mits je de filosofie niet meerekende).
De kunstjournalistiek verkiest blijkbaar een volmaakt gestileerde leegte boven een schurende zoektocht naar de waarheid. Bij Arthur staat er tenminste iets op het spel; bij hen is de inzet louter decoratief. Het is een wrange paradox: de sector kijkt liever naar een risicoloos ballet van woorden dan naar een scherpschutter die een doelwit durft te kiezen. De kans op een misser is bij die laatste vele malen groter, maar hij raakt tenminste de werkelijkheid aan.
In plaats van stelling te nemen, geven deze critici de voorkeur aan de kleffe intimiteit van de vernissage. Ze laten zich compromitteren bij premières van volstrekt inwisselbare voorstellingen. Ze worden gewillig rondgeleid langs hapjes en drankjes; ze dragen de badge en incasseren het salaris, maar ze verzuimen op het meest fundamentele niveau: het blootleggen van wat er werkelijk toe doet. Waarom wordt hun fundamentele luiheid nooit bestraft, terwijl een actieve fout direct tot een publieke executie leidt?
Misschien is het antwoord voor De Graaf simpeler dan hij denkt. Zijn beroepsgroep straft hem zo hardvochtig omdat hij bewijst dat hij er nog toe doet, al is het maar door te falen. Zijn critici daarentegen begaan de enige zonde die in de huidige journalistiek onbestraft blijft: ze zijn volkomen irrelevant. Ze overleven omdat ze, in al hun taalkundige precisie, simpelweg niets te zeggen hebben.
Arthur van der Meer had een fout gemaakt. In zijn poging de toekomst van het vak te doorgronden was hij gestruikeld over datgene waarmee hij zich de laatste tijd intensief had ingelaten. Op aandringen van zijn hoofdredacteur toonde hij bereidheid om zich te begeven op het terrein waar journalistiek en technologie elkaar raken. Voordat hij die opdracht aanvaardde, keek Arthur, als zovelen, met veel kritiek en cynisme naar AI; nu hij er wat meer van afwist, zag hij ook de aangename kanten ervan.
Dat wilde niet zeggen dat je blind gebruik moest maken van het fenomeen. Maar de omissie van Van der Meer was, behalve oerdom, ook een uitglijder van iemand die iets probeerde; iemand die zich mengde in een debat dat ertoe deed. Wie werkt in de vuurlinie, weet dat snelheid en onzekerheid geen bijzaak zijn, maar de kern van het vak. Of die frontlinie nu een oorlogsgebied is of de rafelrand van een technologische omwenteling, informatie blijft fragmentarisch, tijd blijkt altijd schaars, fouten zijn nooit volledig uit te sluiten. Dat vormt geen excuus; het is de prijs van relevantie.
In zijn omgeving was er altijd dat type collega geweest dat opereerde in de veilige marges van het vak; de potsierlijke kunstkenner die de cultuurpagina’s mocht vullen met genodigde recensies en interviews. Deze persmuskiet liet zich graag fêteren door wie hij geacht werd te beoordelen, en produceerde aldus een obligate lofzang waarop niemand zat te wachten. Hij verwarde kritiek met beleefdheid, filterde elk risico uit zijn zinnen. Hij tikte positieve stukjes over exposities, praatte teksten uit catalogi na en kopiëerde openingstoespraakjes. Daar, op veilige afstand van de controverse, werd een reputatie opgebouwd zonder risico; een carrière zonder echte confrontatie.
Juist uit die hoek klonk nu het hardste oordeel over Van der Meer. Ziedaar de hypocrisie van de luie stoel. We hebben het over journalisten die hun hele loopbaan de weg van de minste weerstand bewandelen. Ze dagen de macht zelden uit. Ze verheffen ‘human interest’ tot de hoogste kunstvorm omdat het veilig is, omdat een zorgvuldig gecomponeerd verhaal over een cultuurdrager zelden iemand tegen de haren instrijkt. Hun grootste zonde is niet een onjuist citaat of een technologische misstap, maar een veel fundamentelere: ze doen er niet toe.
Waarom wordt die fout in de journalistiek maar zelden bestraft?
Mona Keijzer was niet op zoek naar een reddingsvlot; daarvoor is haar Luctor et Emergo-reflex te goed ontwikkeld. Kapitein Mona confisceerde een ietwat verouderde ‘Lifeboat’ die alleen maar opgepimpt hoefde te worden om haar naam te mogen dragen.
De bijbehorende zeebenen heeft zij nog niet ontwikkeld. Toch is haar monsterboekje allerminst onbeschreven. Ze heeft best al zout over haar boeg gekregen, maar tot nu toe was zij een beetje een ‘mooiweerzeilster’. Zodra de barometer daalde, zocht zij een veilige haven op.
Je zou kunnen zeggen dat zij de kunst van het laveren goed onder de knie heeft, maar zich aan boord snel loopt te vervelen. Ze is een kapitein die wel aan het roer wil staan, maar geen zeekaarten inziet. Haar scheepje heeft de neiging om als ‘Flying Dutchman’ zonder kompas door een mist te varen.
Als ze al een bestemming weet uit te stippelen, is die buitenland-onvriendelijk en blijkt zij op ramkoers met de werkelijkheid te liggen. Hoezo geen mensen aan boord met een migratie-achtergrond Mona? Ooit van bootvluchtelingen gehoord?