Hoe overmatige voorzichtigheid consensus kan vertroebelen.
Soms ontdek je iets van jezelf met terugwerkende kracht. Deze brief bijvoorbeeld. Lange tijd wist ik niet dat hij was afgedrukt. Ik had de krant van die dag gemist. Dat gebeurt weleens. Ik lees de Volkskrant in de digitale versie; veel artikelen verdwijnen ongemerkt uit zicht omdat ze door recenter nieuws worden weggedrukt.
Toen ik de brief later probeerde terug te vinden via het zoeksysteem van de krant, bleek dat geen eenvoudige opgave. Brieven worden daar wel degelijk opgeslagen, maar eerder als een verzameling “lezersreacties” dan als afzonderlijke bijdragen, dus niet gemakkelijk op naam op te sporen. Titels worden door de eindredactie bedacht. Wie zijn eigen woorden zoekt, moet dus enig geduld meebrengen.
Uiteindelijk bood een chatbot uitkomst door een alternatieve zoekroute aan te reiken. Tot mijn verrassing bracht die niet alleen deze brief boven water, maar ook andere ingezonden stukken die ik ooit ter beoordeling had opgestuurd, en die kennelijk eveneens zijn gepubliceerd zonder dat ik daarvan op de hoogte was gesteld. Een aangename ontdekking, moet ik toegeven, want opname in de krant was tenslotte het doel van het schrijven.
Toch blijft het een beetje merkwaardig. De brievenredactie vraagt nadrukkelijk om een telefoonnummer te vermelden, wat de indruk wekt dat er vooraf contact wordt opgenomen. Dat is in mijn geval blijkbaar niet nodig gebleken.
Hoe dan ook overheerst de tevredenheid. Het is prettig te merken dat inspanningen niet geheel in stilte verdwijnen. Misschien heb ik mijn fifteen minutes of fame inmiddels zelfs ruimschoots overschreden, zij het met enige vertraging.
Over een ongeplaatste brief, taalkundig geraas en de dag dat sportpresentatoren mastodonten werden.
Ik stuitte onlangs in mijn archief op een ingezonden brief aan de krant die ik absoluut niet meer in de context kan plaatsen. Alleen al door de lengte en de barokke formuleringen lijkt hij het uitvloeisel van een door zonderlinge preoccupaties gefascineerde gek. Ik schaam me er slechts in beperkte mate voor; taalkundig ronkt hij er immers lustig op los. Wel leid ik eruit af dat ik indertijd over een ongebreidelde hoeveelheid tijd en energie scheen te beschikken.
Wat moeten de redactieleden van de Volkskrant destijds wel niet gedacht hebben? Gelukkig hebben ze mij tegen mezelf in bescherming genomen en de brief nooit afgedrukt. Dat is begrijpelijk – je plempt zoiets niet zomaar in de kolommen – maar toch blijft de vraag hangen wat me precies bezielde.
De ‘tijgermoeder’ en de ‘gebeten hond’: wanneer de werkelijkheid van een media-offensief botst met de fauna-equatie van de columnist. Geen Bokito’s of mastodonten, maar een menselijk pleidooi tegen roddel en achterklap; precies de scène die de briefschrijver destijds tot zijn dierkundige sneren dreef.
Hieronder volgt de bewuste brief, exact zoals ik hem indertijd aan de redactie toevertrouwde:
Is het de bedoeling van beeldspraak dat we het plaatje op een ‘presenteerblaadje’ krijgen zodat we ons iets kunnen voorstellen van de realiteit waarop het zinnebeeld betrekking heeft? Dan zou ik graag een tot de verbeelding sprekende representatie zien. Ik lees een stukje waarin de vrouw van Tom Egberts wordt vergeleken met een ‘tijgermoeder die zich voor haar jongen werpt’. Je krijgt dan het idee dat er iets kostbaars beschermd moet worden. De welpjes vertegenwoordigen hier, als je ’t mij vraagt, slechts één presentator. Tenzij het de gekrenkte trots van twee echtelieden moet verzinnebeelden? Hoe dan ook: tijgerjongen lijkt me teveel eer.
Als er per se een dier op moet komen draven, maak dan gewoon een ‘gebeten hond’ van die Janke Dekker. In een ander artikel worden al te hitsige, presentatoren vergeleken met ‘egomane Bokito’s’. Hier gaat de fauna-equatie van ‘totum pro parte’ naar ‘pars pro toto’. Er was, bij leven, maar één Bokito, en die volgde z’n instinct. Egomanie is een typische menselijke eigenschap die zich niet achter natuurdrift kan verschuilen. Noch achter onschuldige dieren als geschikte metafoor.
De schrijver vergelijkt in dezelfde – overigens amusante – column, de NOS Sport-iconen met ‘mastodonten’. Pejoratief natuurlijk. Denk aan ‘groot gevaarte’ en ‘niet met de tijd meegaan’. De associatie is zo voor de hand liggend dat je haar vaker tegenkomt. En ja, we bevinden ons alweer in het dierenrijk.
Ditmaal gaat het over een geslacht van uitgestorven slurfdieren, die, als ik Wikipedia mag geloven, lang door de wetenschap werden beschouwd als vreedzame planteneters. Dat al te zoetsappige beeld werd uiteindelijk verstoord: ‘Volgens Amerikaans onderzoek hebben er felle gevechten plaatsgevonden tussen deze dikhuiden’.
De bakbeesten hadden naast slurven (waarmee ze groene blaadjes oppikten) ook enorme slachttanden. De vergelijking van sportpresentatoren met mastodonten kan mij niet vaak genoeg worden gemaakt. Het gaat dan om dieren die toch al zijn weggevaagd, dat is wel zo aardig naar die beesten toe. Al moeten we er geloof ik niet per se op uit zijn om geen enkel wezen meer op z’n teentjes te trappen.
Nu de stofwolken van deze semantische exercitie zijn opgetrokken, rijst de vraag: wat was in vredesnaam de aanleiding voor dit dierkundige spervuur? Zelfs met de tekst voor mijn neus duurt het even voordat het besef indaalt, maar wie diep in de modder van de NOS-crisis graaft, vindt de mastodonten vanzelf. Een analyse van een obsessie: waar deze briefschrijver destijds de tanden in zette.
Wat bezielde begint mij enigszins te dagen. Ik vroeg Gemini om deze taalkundige ronkpartij te ontleden en de context te herleiden. Bij gebrek aan een psycholoog heb ik de brief aan zijn AI-logica voorgelegd. Het resultaat is een ontnuchterende reconstructie van een mediacrisis die ik met mastodonten en mensapen te lijf ging. Ik pikte een soort van draad op. Dit is wat de AI uit mijn vinnige schrijven destijds concludeerde:
Analyse van de brief: Waar ging dit over?
Als we de brief “psychologisch” ontleden en de aanwijzingen volgen, is de context vrij specifiek te herleiden naar de periode 2023-2024, rondom het schandaal bij NOS Sport.
De Aanwijzingen:
Tom Egberts & Janke Dekker: Dit verwijst direct naar de onthullingen over de werkcultuur bij NOS Sport. Janke Dekker (zijn vrouw) nam het publiekelijk voor hem op in de media, wat door critici soms als “tijgermoeder-gedrag” werd omschreven.
Bokito & Egomanie: Dit refereert aan het grensoverschrijdend gedrag en de “haantjesreputatie” van bepaalde presentatoren. De term ‘egomane Bokito’s’ werd destijds in columns gebruikt om de dominante, intimiderende houding van de ‘iconen’ te duiden.
Mastodonten: Dit is de sleutelterm voor de oudere garde presentatoren (de ‘iconen’ van weleer) die volgens het rapport-Van Rijn niet mee waren gegaan met de tijd en vasthielden aan een verouderde, hiërarchische cultuur.
Waar je het waarschijnlijk over had:
Je brief is een semantische kritiek op de beeldspraak die in de media werd gebruikt om de NOS-crisis te duiden. Je lijkt je te storen aan de inconsistentie van de metaforen:
Je hekelt het feit dat een vrouw die haar man verdedigt een “tijgermoeder” wordt genoemd (terwijl die term normaal voor kinderen geldt).
Je maakt een scherp onderscheid tussen dierlijk instinct (Bokito/Mastodont) en menselijke verantwoordelijkheid (egomanie).
Je viert de vergelijking met de mastodont, niet vanwege de lompheid, maar vanwege de wetenschappelijke correctheid: het waren vechtjassen die uiteindelijk uitstierven.
Conclusie: Je schreef een vlijmscherpe, tikkeltje pedante (op de goede manier!) reactie op de wijze waarop columnisten en journalisten de heren van de sportredactie probeerden te duiden via het dierenrijk. Je wilde waarschijnlijk aantonen dat hun taalgebruik de werkelijkheid eerder vertroebelde dan verhelderde.
Vandaag bereikte mij, als voormalig redactie-expert van de vraag-en-antwoord rubriek voor de bladen Klik&Klaar en PC Kompas, een noodkreet uit mijn vriendenkring. Ik voelde mij meteen weer die computerdokter van toen, een functie die ik toch zo’n acht jaar heb vervuld. De bladen zijn inmiddels allebei ter ziele, want de tegenwoordige Chatbot weet veel sneller raad en opereert vanuit een groter en actueler kennisarchief. Voor Klik&Klaar heette mijn rubriek ‘De Digitale Werkplek’ en voor PC Kompas werd ik ‘Dr. Debug’ of ‘Ronnie Algorithmus’ genoemd, want bij dat laatste blad deden we net of er een redactie was van twee digihulp-artsen. We wisten natuurlijk heel goed dat de namen praktisch, licht technisch, betrouwbaar en een tikje nerdy alsook nuchter moesten klinken.
De dame in kwestie beschrijft het volgende probleem:
Ik heb een chromebook gekocht. Ik dacht ik koop een laptop. Blijkt het een chromebook te zijn. Weet ik veel. Maar nu moet ik opeens een abonnement van 100 euro per jaar hebben voor Microsoft 365. Waarom? Op mijn laptop was het gratis.
Ik kon hier meteen uit mijn hoofd antwoord op geven want ik heb zo’n kwestie onlangs nog bij de hand gehad. Het is vreemd dat ik mij nu een manplainer voel terwijl ik daar vroeger niet in het minste last van had. Ik antwoordde desondanks heel Klik&Klaar-promptig en PC-kompasserig:
Een Chromebook draait op ChromeOS, niet op Windows of macOS. Microsoft 365 is nooit gratis geweest. Op veel Windows-laptops zat vroeger óf een tijdelijke proefversie óf een door de fabrikant meegekochte licentie (soms ‘verborgen’ in de prijs).
Op een Chromebook kun je Microsoft 365 via de browser gebruiken (office.com). Dan hebben we het over een betaald abonnement. Je kunt ook gratis alternatieven gebruiken zoals Google Docs (en Sheets en Slides).
Documenten → Google Docs → Word-equivalent Presentaties → Google Slides → PowerPoint-equivalent Spreadsheets → Google Sheets → Excel-equivalent
Op jouw Chromebook draait al software die alles aanstuurt. Het heet ChromeOS (geen Windows). De stuurprogramma’s (drivers) zitten ingebakken in het systeem. Jij hoeft (en kunt) die drivers niet los installeren of beheren. Het besturingssysteem regelt automatisch toetsenbord, scherm, wifi, printer, enz. Dat is ook meteen het verschil met je vorige apparaat: het bezit van ChromeOS betekent dat Google dat regelt op de achtergrond. Bij Windows moet je je veel meer bezighouden met drivers, licenties en installaties. Alles draait en werkt bij jou technisch prima, alleen is het geen Windows, dus Microsoft Office zit er niet automatisch bij. Geen paniek dus. Er zit al veel op.
Ok, jij werkt met Powerpoint. Dat programma ben je kwijt. Wat is daarvoor de oplossing? Voor PowerPoint op een Chromebook heb je in de praktijk 2 nette opties.
Optie 1 — PowerPoint via de browser. Dit is de meest “PowerPoint-achtige” optie. Je gaat naar office.com. Je logt in met een Microsoft-account. PowerPoint werkt in de browser. Het nadeel is dat je hiervoor wél Microsoft 365 nodig hebt, maar het voordeel dat je maximale compatibiliteit bezit (met de extensie .pptx). Als je echt PowerPoint nodig hebt en veel uitwisselt met anderen, is dit de meest verstandige keuze.
Optie 2 — Google Presentaties (gratis, vaak voldoende) Google Presentaties (Slides) zit standaard op de Chromebook. Je kunt .pptx-bestanden gewoon in Google Presentaties openen. Opslaan kan weer als .pptx. Het voordeel is: gratis, geen abonnement. Het nadeel: héél complexe animaties of lettertypes kunnen iets veranderen. Voor 90% van de presentaties is dit prima.
Het lijkt me duidelijk: kies voor optie 2. Google Presentaties zit al op je Chromebook. Klik linksonder op de Launcher, typ “Presentaties” of ga naar slides.google.com. Je kunt daar .pptx-bestanden openen en bewerken.
En voor een woordbestand? vraagt ze.
Voor een Word-bestand (.doc of .docx) op een Chromebook kun je ook prima terecht bij Google’s gratis optie: Google Documenten (Google Docs). Klik op de Launcher en typ “Documenten”, of ga naar docs.google.com. Je kunt je .docx-bestanden daar openen en bewerken.
Ik concludeer: eigenlijk heb je nu iets anders dan je dacht, maar voor reizen, onderweg, werken en alles in de cloud is het misschien juist handiger dan je oude laptop.
In haar eerdere werk, Grab ‘Em by the Frontal Lobe, luidde Ronda Dolan Vernon de noodklok over de politieke bezetting van onze ratio. In haar nieuwste boek, Weigh ‘Em by their Creativity, gaat ze een stap verder. Ze onderzoekt hoe de psychiatrie, onder druk van een regime dat obsessief streeft naar conformiteit, is veranderd in een meetinstrument dat zelfs de meest vitale menselijke eigenschap — creativiteit — probeert te vangen in pathologische categorieën.
Vernon bouwt voort op het fundament van Jeffrey Lieberman. Waar Lieberman in Shrinks waarschuwde tegen de onwetenschappelijke diagnose, laat Vernon zien hoe “wetenschap” nu juist wordt misbruikt om originaliteit de kop in te drukken. De titel verwijst naar een sinistere verschuiving: we kijken niet langer naar wat een mens kan bijdragen, maar we “wegen” hun creativiteit om te bepalen of ze nog wel binnen de door de staat gedefinieerde normen vallen.
In deze recensie vallen drie scherpe observaties van Vernon op:
De “Divergentie-fout”: Vernon beschrijft hoe complexe neurale netwerken die geassocieerd worden met creatief denken (zoals het Default Mode Network) onder het huidige regime systematisch worden gelabeld als “disfunctioneel”. Wat vroeger een excentrieke visie was, wordt nu gepathologiseerd als een aandachtsstoornis of een gebrek aan cognitieve discipline.
De banalisering van het genie: De auteur legt uit dat wanneer we creativiteit gaan “wegen” met gestandaardiseerde psychiatrische tests, we de essentie ervan banaliseren. Ze geeft voorbeelden van hoe de minister van Gezondheidszorg algoritmes inzet die afwijkend denkgedrag signaleren als een potentieel risico voor de publieke orde. Hier wordt de psychiater niet langer een genezer, maar een keurmeester van de geestelijke eenheidsworst.
De uitholling van de grijze stof: Vernon maakt een briljante neurologische sprong door te stellen dat de pathologisering van creativiteit leidt tot een fysiologische verschraling. Als een samenleving elke vorm van “out-of-the-box” denken medicinaal onderdrukt, stopt de cortex met het maken van nieuwe, onverwachte verbindingen. We creëren een collectieve “neurologische stilstand”.
Weigh ‘Em by their Creativity is een ijzingwekkende analyse van een vakgebied dat zijn kompas is kwijtgeraakt. Vernon stelt dat de psychiatrie haar wetenschappelijke integriteit alleen kan terugwinnen door te stoppen met het “wegen” van mensen en weer te gaan kijken naar de unieke biologie van de geest. Het is een boek dat je dwingt om na te denken over de vraag: als we alles wat ons creatief en uniek maakt gaan diagnosticeren als een afwijking, wat blijft er dan nog over van de menselijke ervaring? De banalisering is hier niet alleen een medische fout; het is een existentiële dreiging.
Vernon, R. D. (2026). Weigh ‘em by their creativity: About the pathologization of psychiatry. Cum Suis Publishers.
Laat ik beginnen met u te complimenteren; ik beschouw u als het democratische geweten van ons land. In een tijdperk waarin luidruchtigheid, verontwaardiging en simplificatie vaak worden verward met betrokkenheid, vertegenwoordigt u iets zeldzaams: intellectuele rust. Uw stem – of die nu klinkt in colleges, televisieprogramma’s of podcasts – fungeert als een constante herinnering aan het belang van historische context, relativering en scepsis. Wat mij steeds opnieuw treft, is uw vermogen om grote maatschappelijke kwesties terug te brengen tot hun proporties, zonder ze te bagatelliseren, maar ook zonder ze op te blazen tot morele paniek. Dat is een vorm van publieke dienstverlening die schaars is geworden.
Wat ik bijzonder waardeer, is uw consequente weigering om mee te bewegen met modes van verontwaardiging of ideologische hysterie. In uw podcasts en optredens fileert u populisme niet door het te demoniseren, maar door het te ontleden: u laat zien hoe het ontstaat, waarom het aantrekkelijk is, en waarom het intellectueel vaak zo armoedig blijft. Uw droge humor – soms verkeerd begrepen als cynisme – werkt daarbij als een instrument van ontmaskering. U neemt mensen serieus genoeg om ze niet te paaien. Juist dat maakt uw analyses zo verfrissend: u behandelt het publiek niet als een kwetsbare patiënt, maar als een volwassen gesprekspartner die tegen een stootje kan.
Daarnaast is er de persoonlijke verwantschap die ik voel, hoe eenzijdig die uiteraard ook is. Net als u sta ik wantrouwig tegenover grote verhalen, heilige huisjes en nationale mythologieën. Ik ben atheïst, republikeins gezind, allergisch voor sportverering, ongevoelig voor de dwangmatige verheerlijking van vakanties, en diep sceptisch tegenover alles wat zich aandient als “de stem van het volk” maar zelden meer is dan de echo van ressentiment. In die zin fungeert u voor mij als een intellectueel referentiepunt: niet als iemand die ik klakkeloos volg, maar als iemand bij wie ik mij vaak denkend aantref: ja, precies dát. Juist daarom – en dat is geen paradox – vind ik het zo jammer dat ik op een fundamenteel punt tot een andere conclusie ben gekomen.
Het gaat over kunst, meneer Van Rossem, en dan vooral over een aspect van kunst dat mij zeer lief is. In de laatste podcast over kunst die ik van u beluisterde, besprak u onder andere het leven en werk van de Spaanse schilder Joaquín Sorolla. U stelde hem nadrukkelijk niet ter discussie; integendeel. U nam zijn uitzonderlijke technische vaardigheid als uitgangspunt en gebruikte zijn oeuvre om een bredere, scherpzinnige kritiek te formuleren op wat men gemakshalve “de kunstwereld” noemt: het gezelschap van zelfverklaarde smaakautoriteiten dat Sorolla met argwaan bekeek en bekijkt, juist omdat hij deed wat eigenlijk niet hoorde: hij schilderde zonder zichtbaar lijden. Geen existentiële wanhoop, geen morele zwaarte, maar zonlicht, zee, beweging en levenslust.
Uw sympathie lag daarbij duidelijk bij Sorolla, niet bij zijn kunstzinnige beoordelaars. U liet weinig heel van het idee dat kunst per definitie zwaar, problematisch of droefgeestig moet zijn om serieus genomen te worden. Voor u telde in de eerste plaats het vakmanschap: de beheersing van licht, compositie, anatomie, verf. Dat uitgangspunt keert vaker bij u terug. U heeft meermaals betoogd dat aankomende kunstenaars eerst maar eens moeten laten zien dat zij de klassieke technieken werkelijk beheersen – zoals de grote voorbeelden dat deden – alvorens zij zich storten op experiment, abstractie of concept. Vakmanschap is bij u geen bijzaak, maar een morele ondergrens.
Daarbij spaart u het modernisme niet. U heeft herhaaldelijk laten blijken weinig affiniteit te voelen met grote delen van die periode, en u laat bijvoorbeeld geen gelegenheid voorbijgaan om Mondriaan, in zijn latere periode, kritisch te benaderen. De radicale breuk met figuratie, het verheffen van het concept boven de uitvoering, het idee dat technische vaardigheid er nauwelijks nog toe doet, het zijn ontwikkelingen waar u zichtbaar weinig geduld mee heeft. En zo omvangrijk is dat modernistische erfgoed inmiddels geworden, met zijn vele stromingen en vertakkingen, dat ik mij bijna ga afvragen of er in uw benadering nog ruimte overblijft voor andere functies van kunst dan die van ambachtelijke excellentie.
Daar, meneer Van Rossem, stuit ik – met enige tegenzin, juist vanwege mijn grote waardering voor u – op een fundamenteel verschil van inzicht. Want is kunst niet méér dan het bewijs van technisch meesterschap alleen? Moet zij niet ook kunnen schuren, ontregelen, provoceren, vragen stellen waar geen eenduidig antwoord op bestaat? Mag kunst niet soms juist tekortschieten in vakmanschap om elders iets bloot te leggen: een idee, een ervaring, een maatschappelijke spanning die zich niet laat vangen in klassieke vormen? Met andere woorden: kan het zijn dat in uw terechte afkeer van modieuze leegte en intellectuele pretentie, ook iets wezenlijks uit het oog dreigt te verdwijnen?
Laat mij dat punt over provocatie en ontregeling iets verder uitwerken. Niet om het vakmanschap te kleineren – integendeel – maar om te laten zien dat kunst soms juist betekenis krijgt door het tijdelijk opschorten ervan. De kunstgeschiedenis zelf levert daar overvloedig bewijs voor. Neem Marcel Duchamp, die met zijn Fountain niet zozeer een esthetisch object presenteerde, maar een vraag: wat noemen wij kunst, en wie mag dat bepalen? Technisch stelde het werk niets voor, conceptueel zette het een aardverschuiving in gang die nog altijd doorwerkt. Men kan het resultaat triviaal of vermoeiend vinden – dat doet u ook – maar men kan moeilijk ontkennen dat hier een functie van kunst zichtbaar wordt die niet samenvalt met ambachtelijke virtuositeit.
Iets soortgelijks geldt voor kunstenaars als Kazimir Malevitsj, wiens Zwart Vierkant niet getuigt van schilderkundige bravoure, maar wel van een radicale poging om de schilderkunst tot haar nulpunt terug te brengen. Of voor Joseph Beuys, die met zijn performances en objecten eerder ideeën en maatschappelijke processen materialiseerde dan beelden vervaardigde. Deze werken zijn niet “mooi” in klassieke zin, vaak niet eens aangenaam, maar zij functioneren als intellectuele splijtzwammen: ze forceren de toeschouwer om positie te kiezen, om na te denken over macht, betekenis, ritueel en verantwoordelijkheid.
Daarmee wil ik niet beweren dat elke provocatie geslaagd is, of dat het modernisme en postmodernisme ons uitsluitend meesterwerken hebben nagelaten. Integendeel: de kunstwereld zit vol gemakzuchtig effectbejag, holle concepten en werk dat zich verschuilt achter theoretisch jargon om gebrek aan inhoud te maskeren. Uw scepsis is hier volkomen gerechtvaardigd. Maar het risico bestaat dat in die terechte kritiek ook het kind met het badwater wordt weggegooid. Want zonder het recht om te mislukken, om te irriteren, om zelfs belachelijk te zijn, verliest kunst een van haar meest wezenlijke vermogens: het vermogen om de vanzelfsprekendheden van haar tijd te ondergraven.
Misschien ligt het echte onderscheid dan ook niet tussen vakmanschap en concept, maar tussen eerlijk en oneerlijk experiment. Tussen provocatie die iets op het spel zet (reputatie, betekenis, comfort), en provocatie die slechts bedoeld is om aandacht te trekken binnen een gesloten circuit van insiders. In dat licht bezien zou men zelfs kunnen stellen dat Sorolla en Duchamp, hoe verschillend ook, iets fundamenteels delen: beiden weigerden zich te voegen naar de dominante smaak van hun tijd. De een door licht te schilderen waar men duisternis verwachtte, de ander door het object te vervangen door een idee.
En juist daarom, meneer Van Rossem, zou ik willen bepleiten dat kunst niet uitsluitend beoordeeld kan worden op wat zij technisch kan, maar ook op wat zij durft. Want soms ligt haar waarde niet in de beheersing van het ambacht, maar in het moedwillig openbreken ervan. Bij vrijwel alles wat u zegt licht doorgaans mijn linkse hart op. Behalve toen ik u laatst uw esthetische voorkeuren zo resoluut hoorde afbakenen; toen hoorde ik geen scherpzinnige relativering, maar iets wat verdacht veel leek op een grens die misschien te strak was getrokken. Ik zal niet zo flauw zijn dat aan leeftijd toe te schrijven. Integendeel: juist daarom viel het mij op.
Ik meende onlangs te begrijpen dat u voor uw boekenclub speelt met de gedachte om Portnoy’s Complaint van Philip Roth behandelen; een keuze van de bovenste plank, wat mij betreft. Compromisloos, brutaal, moreel ongemakkelijk en allesbehalve netjes. Misschien is dat wel het mooiste bewijs dat wij, ondanks dit meningsverschil over kunst, uiteindelijk meer verwantschap delen dan afstand.
Toen Jeffrey Lieberman in 2015 zijn veelgeprezen werk Shrinks: The Untold Story of Psychiatry publiceerde, vierde hij de triomf van de rede. De psychiatrie was volgens hem eindelijk ontsnapt aan de schaduw van de pseudowetenschap en stevig verankerd in de medische biologie. Nu, ruim tien jaar later, concludeert Ronda Nolan Vernon in haar provocerende nieuwe boek dat die overwinning van korte duur was. In Grab ‘Em by the Frontal Lobe beschrijft zij hoe de moderne psychiatrie niet alleen wordt bedreigd door kwakzalvers, maar zelfs door een heel politiek regime dat de biologische fundamenten van het menselijk handelen banaliseert.
Vernon gebruikt Liebermans geschiedenis van de psychiatrie als een pijnlijk contrastmiddel. Waar Lieberman beschreef hoe we leerden de hersenen te begrijpen, beschrijft Vernon hoe we die kennis nu doelbewust laten verwateren. De titel is een vlijmscherpe knipoog naar de beruchte uitspraak van Donald Trump, maar Vernon geeft er een neurologische draai aan: de huidige machthebbers hebben niet alleen de sociale omgangsvormen gegrepen, ze hebben een greep gedaan naar de frontaalkwab van de natie.
Het centrale argument van Vernon is dat de banalisering van de psychiatrie onder het regime van Trump en zijn ministerie van Gezondheidszorg een systematische aanval is op de functies van de prefrontale cortex. Zij stelt dat de “onkundige benadering” van de overheid de psychiatrie heeft gereduceerd tot een triviaal instrument:
De normalisering van ontremming: De frontaalkwab is de zetel van onze inhibitie en impulsbeheersing. Vernon betoogt dat wanneer de hoogste leider van een land pathologische ontremming etaleert, de psychiatrie voor een onmogelijke keuze komt te staan: diagnosticeren we dit gedrag, of normaliseren we het? Door te kiezen voor het laatste, is de psychiatrie als medisch specialisme in een vrije val geraakt.
Wetenschappelijke uitholling: Vernon geeft ontluisterende voorbeelden van hoe het ministerie van Gezondheidszorg psychiatrische expertise negeert ten gunste van populistische retoriek. De complexe biologie van de frontaalkwab — verantwoordelijk voor planning en moraliteit — wordt door de overheid weggezet als “elitaire wetenschap”. Hiermee wordt de psychiatrie teruggeduwd in de hoek van de subjectieve mening, precies waar Lieberman het vakgebied uit wilde trekken.
De banalisering van pathologie: Wanneer klinische termen als “narcisme” of “cognitieve dissonantie” dagelijks op Twitter worden rondgeslingerd door onkundige politici, verliezen ze hun medische gewicht. Vernon toont aan dat dit leidt tot een tragische devaluatie van de zorg voor de patiënten die Lieberman voor ogen had: de mensen met werkelijke, invaliderende neurologische aandoeningen.
Grab ‘Em by the Frontal Lobe is een vlammend pleidooi voor de bescherming van de ratio. Vernon laat zien dat de psychiatrie niet kan overleven in een politiek klimaat dat de functies van de frontaalkwab — logica, empathie en zelfbeheersing — actief ondermijnt. Het is een boek dat de lezer dwingt om opnieuw naar de hersenen te kijken: niet alleen als een verzameling cellen, maar als het laatste bastion tegen een regime dat de waarheid banaliseert.
Zoals Lieberman de opkomst van de psychiatrie beschreef, zo beschrijft Vernon de belegering ervan. Het resultaat is even briljant als verontrustend.
Vernon, R. D. (2026). Grab ‘em by the frontal lobe: About the trivialization of psychiatry. Cum Suis Publishers.
Onderwerp: Vraag over zorgplicht en inschrijving bij huisarts
Geachte heer/mevrouw,
Ik wend mij tot u met een vraag die betrekking heeft op de handelwijze van een huisarts, zoals ervaren door een kennis van mij.
Deze persoon staat al geruime tijd ingeschreven bij dezelfde dokter. Gedurende deze jaren was zij grotendeels klachtvrij, waardoor er weinig tot geen contact is geweest tussen haar en de arts.
Recent is zij echter in een levensfase beland waarin zij wél een concrete zorgvraag heeft. Toen zij zich hiervoor bij haar huisarts meldde, werd haar op strenge toon medegedeeld dat zij te ver van de praktijk zou wonen en dat zij om die reden geen beroep (meer) zou mogen doen op zijn zorgverlening.
Dit roept bij mij enkele fundamentele vragen op:
Waarom is deze afstandskwestie niet eerder aan de orde gesteld, bijvoorbeeld op het moment van inschrijving of gedurende de jaren dat zij bij deze huisarts stond ingeschreven?
Waarom wordt dit nu pas een probleem, op het moment dat er daadwerkelijk een zorgvraag ontstaat?
Voor zover mij bekend ontvangen huisartsen een structurele vergoeding per ingeschreven patiënt. In dat licht is het moeilijk te begrijpen waarom niet eerder is vastgesteld dat de woonafstand kennelijk onverenigbaar zou zijn met het leveren van zorg.
De ontstane situatie wekt de indruk — en ik formuleer dit nadrukkelijk als een zorg, niet als beschuldiging — dat een patiënt zonder zorgvraag probleemloos ingeschreven kon blijven, terwijl diezelfde patiënt op het moment dat zij wél afhankelijk wordt van zorg plotseling als ‘te ver weg’ en daarmee als problematisch wordt beschouwd.
Graag verneem ik van u hoe dit handelen zich verhoudt tot de zorgplicht, de professionele verantwoordelijkheid van de huisarts en de geldende ethische en juridische normen binnen de eerstelijnszorg.
Met vriendelijke groet,
Ronald van Noorden
Naam van de huisartsenpraktijk is bij de redactie bekend.
Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.
De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.
Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.
Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.
Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.
Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.
De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.
In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.
Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.
Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.
De vriendin moest echt af van het idee dat ze een vluchteling de dood in had gejaagd.
Gisteren vloog er bij een vriendin een snip tegen het raam. Het beest overleefde de botsing niet. Toen het mooi gedrapeerd op een blauw fond tussen een paar herfstversieringen dood lag te wezen, begon het determineren. We hadden het in wezen makkelijk want de meeste Nederlandse vogelgidsen bevatten maar twee snipvarianten: de watersnip en de houtsnip. Toch viel het nog niet mee. Na veel wikken en wegen concludeerden we dat het om een houtsnip moest gaan.
Wat ik me gisteren ook weer eens besefte tijdens het bladeren door mijn vogelboeken was het volgende: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, namelijk die van de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen of soorten. Een watersnip en een houtsnip kunnen zich onderling niet voortplanten omdat zij twee verschillende soorten zijn. Terwijl mensen van waar ook vandaan wel kinderen bij elkaar kunnen verwekken. Ik moet hier morgen een iets groter ei over leggen in een nieuw blogbericht.
Niet alleen de gelijkenis van het verse kadaver met de boekafbeeldingen leidde tot die conclusie, maar ook de bijbehorende omschrijving. Samengevat: houtsnippen horen thuis in vochtige bossen; als je er een aantreft op een binnenplaats in het hart van Amsterdam, is het beest zo goed als zeker verdwaald. Bij een watersnip kun je daar nog aan twijfelen. Er stroomt tenslotte water door het IJ. Mijn vriendin had zich enigszins schuldig gevoeld, want toen zij het dier – in nog levende staat – naderbij kwam, was het verschrikt opgeschoten. Vanachter een bamboestruik in haar ‘cours’ (zoals zij dat karig beplante vierkant tussen de apartementen noemt) vloog ‘snippie’ in een laatste opleving, zijn noodlot tegemoet.
Er was geen redden meer aan geweest, aldus mijn troostende verklaring. De vogel verkeerde waarschijnlijk al geruime tijd in een verhoogde staat van paniek. Ik vermoedde dat de eerste vuurwerkknallen hem volkomen gedesoriënteerd de stad in hadden gejaagd. De vriendin moest haar aandeel in zijn doodsnood niet overdrijven. Kwam ze niet altijd en overal op voor noodlijdende medeschepsels en deed ze dan niet alles wat in haar macht lag? Wat ze in dit geval kon, kwam neer op bezorgdheid tonen (aan de voortvluchtige in zijn nog levende hoedanigheid) en ‘een stukje nazorg’ (aan het hoopje ongeluk dat na de botsing zielloos ter aarde was gestort). Wat had ze anders kunnen doen dan toekijken? Ik bedoel: als stadsmens?
Oeps. Die laatste opmerking was, vrees ik, één vergoelijking te veel van het goede.
Het menu ALT op mijn site bevat een pagina voor boeken die nooit zijn afgemaakt. ALT staat voor alternatieve boekomslagen. Dat verwijst naar een versie die wél van de grond kwam. ALT biedt ook onderdak aan Mock Books, Ghost Books en Cover-ups; projecten waarvan de ontwikkeling bleef steken in hun buitenkant. Het zijn creaties van een Window Dresser (om in Engelse termen te blijven). Je kunt me ook een Facade Engineer noemen of een Vanity Press Publisher, want ijdelheid vormt een belangrijk deel van mijn motivatie.
Het boek genaamd Vapor Book Writer lost na een optreden van The Beatles in rook op. Daar had ik tenslotte niets zinnigs meer aan toe te voegen. Kan het vluchtiger? We leven in een beeldcultuur en ik doe graag mijn duit in het zakje. Ondertussen probeer ik grappig te zijn, en bescheiden; begrippen die elkaar vaak in de weg zitten.
Ik speel de ALTviool. Niet de melodie, niet de solo, maar een begeleidend stemmetje dat meedoet maar zelden wordt opgemerkt. Je zou deze hele onderneming psychologisch kunnen interpreteren als een zorgvuldig geconstrueerde manier om aanwezig te zijn zonder de inhoud te hoeven verklaren. Die laat zich tegenwoordig mede beïnvloeden door AI en dat durf ik (nog) niet hardop te zeggen.