Hemelse timing en aardse rekenkunde

Waarom de maan niet wacht op vroomheid.

De moslims bevinden zich momenteel midden in hun vastenmaand. Bij de bepaling van het exacte begin daarvan was er even wat meningsverschil. Ik neem aan dat Allah zich daarvan afzijdig houdt. Als Allah in woede zou ontbranden wanneer een moslim iets te laat met de ramadan begon omdat de gelovige de maancyclus een fractie van een sikkel verkeerd interpreteerde, was Hij wreder dan de God van het oude testament. Dat kan de KNMI voorkomen. Onze christelijke God moet wel de slechtste blijven.

Zou het de nieuwe maan zijn, of toch gewoon een vlekje op de lens? Met vereende krachten en opperste concentratie wordt de hemel afgepeurd. Nog heel even geduld… de wetenschap zoekt het voor u uit. De eerste dag waarop er van zonsopgang tot zonsondergang werd gevast, was woensdag 18 februari 2026. De vastenmaand duurt tot de avond van donderdag 19 maart 2026. Eid al-Fitr, het Suikerfeest wordt naar verwachting gevierd op vrijdag 20 maart 2026.

Het is een fascinerend schouwspel: terwijl de kosmos zich met een onverstoorbare, mathematische precisie voortbeweegt, staan beneden op aarde de gelovigen met samengeknepen ogen naar de horizon te turen. In de Marokkaanse gemeenschap leidde dit tot de nodige commotie. Moet men vertrouwen op een visuele waarneming uit een woestijn dertig breedtegraden verderop, of telt alleen wat we hier in de polder met het blote oog kunnen vangen? Het resultaat was een religieuze spagaat waarbij de ene helft de koelkast al op slot had gedaan, terwijl de andere helft nog even genoot van een laatste lunch.

Binnen de Turkse gemeenschap werd de soep minder heet gegeten; daar kiest men simpelweg voor de astronomische benadering. Geen getuur naar de wolkenpartijen, maar gewoon de koude, harde cijfers van de maancyclus. Het is een pragmatisme waar de rest van de wereld nog wat van kan leren. Als we immers willen dat religieuze hoogtijdagen ooit dezelfde status krijgen als onze nationale feestdagen, dan kunnen we de planning niet laten afhangen van een toevallige opklaring in de atmosfeer.

Hier ligt een schone taak voor onze eigen instituten. Waarom zouden we vertrouwen op een hooggerechtshof in de zandbak van Saoedi-Arabië, als we in De Bilt de beschikking hebben over de meest geavanceerde meetstations? Laten we de mystiek van de ‘ru’yah’ – de visuele waarneming – vervangen door de onfeilbaarheid van de ‘hisaab’; de berekening.

Zodra het KNMI of een astronomisch instituut zich officieel met de maansikkel bemoeit, verheffen we de vroomheid naar het niveau van de wetenschap. Dat scheelt een hoop consternatie bij de moskee en zorgt ervoor dat de gelovige precies weet wanneer de maag mag gaan rammelen. En mocht de berekening er een fractie naast zitten? Dan geven we gewoon de weerman de schuld. Dat zijn we in dit land immers toch al gewend.

Tirannie verpakt in vrijheid

Dat het land al heel lang ziek is, had iedereen kunnen weten.

Dat de VS een ‘liability’ zouden worden, hadden we niet voorzien in de tijd dat ze ‘alleen maar’ dictators in hun achtertuin in het zadel hielpen. Toen burgerrechten werden geschonden, noemden we dat binnenlandse aangelegenheden. Het waren waarschuwingen. Grote broer bleek een gewelddadige moralist.

Toen de VS vol trots hun democratie exporteerden naar bevriende naties, had het al veel weg van idealisme met een teveel aan spierballen. Maar wij zagen daarin nog niet de proefversie van iets dat later intern — binnen hun eigen nog wankele rechtsstaat — vervaarlijk zou worden uitgehold. En het kon ons kennelijk weinig schelen dat ze die democratische idealen niet in hun eigen achtertuin duldden.

In die nabijgelegen invloedssferen creëerden de VS bewust bestuurlijke ontwrichting en chaos. Ze faciliteerden dictators van twijfelachtige regimes en verkochten hen staatsgrepen als stabiliteitsupdates van een computersysteem. Wij beschouwden dat blijkbaar als normale buitenlandse politiek, want hoewel Nederland een kwart eeuw geleden nog veel linkse stemmers telde, ontstond er maar weinig effectief verzet.

Ook in hun eigen opbouwstaat werd de rassenscheiding nog lang met vlagvertoon verdedigd en werden burgerrechten met tegenzin toegekend. We noemden dat een pijnlijk verleden, en onderkenden daarin niet een blijvende bestuursstijl. Toch veranderde er in de VS niet snel iets ten goede, hoezeer de juiste weg ook met veelbelovende woorden door opeenvolgende presidenten werd uitgestippeld en beleden.

Wij beschouwden al dat wanbeleid aan de andere kant van de oceaan als ruis in de marge, in plaats van als tekens aan de wand. Dat de VS zelf ooit een geopolitieke bedreiging voor ons zouden worden, kwam gewoon niet voor in het draaiboek. Zo’n plotwending was te ondenkbaar; die stond niet op de verpakking van hun geopolitieke ondernemerschap, dat ons overigens veel prachtige overzeese producten opleverde.

Een deel van de pers in Amerika heeft kans gezien om gevrijwaard te blijven van corruptie. Zij stelt de misstanden geloofwaardig aan de kaak. Ik wilde iets visueels gebruiken in mijn blogbericht en vond gemakkelijk wat ik zocht. Er bestaan krantenpagina’s met foto’s en koppen over Amerikaanse betrokkenheid bij staatsgrepen en steun aan dictatoriale regimes. Protestfoto’s uit de jaren ’50 tonen demonstranten vóór het Witte Huis tegen Latijns‑Amerikaanse dictators waar de VS mee omgingen. Dat illustreert dat Amerikaanse betrokkenheid al vroeg controversieel was.

Een voorpagina van The New York Times van 20 augustus 1953, die een door Amerika gesteunde staatsgreep in Iran (tegen premier Mohammad Mossadegh) in beeld brengt, is berucht. De krant doet verslag van het omverwerpen van een gekozen leider en de perceptie daarvan. Dit is historisch relevant omdat het een van de duidelijkste voorbeelden is van een Amerikaanse rol bij het verwijderen van een niet-communistische, democratisch gekozen leider; een gebeurtenis die veel historici als symbool gebruiken voor latere invloeden in Latijns-Amerika en elders.

Documentatie van Amerikaanse steun aan regimes zoals in Brazilië (1964) of Congo (met Mobutu) bevat foto’s in kranten en archieven. De hierboven afgebeelde voorpagina toont de tekst “Senators see FBI report on Kissinger and wiretapes” naast beelden van de VS die een dictatuur in Chili steunen. De historische nieuwsgebeurtenissen rond Watergate, wiretapping, en de kwalijke rol van Kissinger zijn ook elders uitgebreid beschreven en in beeld gebracht; vaak op de voorpagina van grote kranten.

De fascinerende rol van de Washington Post in de oude, nog objectieve, hoedanigheid, hoef ik hier niet te memoreren. Toen de Pentagon Papers werden gepubliceerd, stond dat prominent op de voorpagina van The New York Times in 1971. Dat verhaal legde de focus op geheime, controversiële Amerikaanse buitenlandse politiek en de Vietnam‑oorlog. In de jaren 1970 waren er veel voorpagina‑koppen in Amerikaanse kranten over Watergate, de Nixon‑administratie en de publieke verontwaardiging over illegale afluisterpraktijken.

De vrije pers in de VS bestond en bestaat. De verontwaardiging was er altijd en is momenteel weer groeiende, nu er een absolute gek aan de macht blijkt. De pers roert zich, de democraten hervinden hun kracht en wij hier lijken inmiddels ook helemaal klaar met de geweldadige narcist die de wereld tart met zijn waanzin. We lazen de handleiding van de zieke staat wat laat. Maar nu zijn we wakker.

Het wederzijds onbegrip is uit balans

Compassie en dialoog dichten de kloof niet meer.

Fascistisch gedrag contextualiseren met verzachtende verklaringen oogt angstig en doelloos. Compassie voor klootzakken schaadt hun slachtoffers. Kwaad met strafrecht aanpakken is geen schande. Stop de slappe vergevingsgezinde psychotalk.

In een van zijn columns haalt Sander Schimmelpenninck fel uit naar het pleidooi van Bernice Franssen, die oproept tot meer compassie en dialoog met radicaal-rechts om de maatschappelijke kloof te dichten.

Volgens de columnist is deze benadering gebaseerd op een naïeve en elitaire misinterpretatie van filosofische concepten, waarbij onterecht wordt gesuggereerd dat er sprake is van een gelijkwaardige ‘cyclus’ van wederzijds onbegrip. De tekst stelt dat empathie een effectief instrument kan zijn in een therapeutische een-op-een-setting, maar dat het volstrekt tekortschiet als politiek antwoord op een beweging die de democratische rechtsstaat actief probeert te ondermijnen.

In plaats van de “toonpolitie” te volgen en begrip op te brengen voor onverdraagzaamheid, pleit de schrijver voor een strijdbaardere houding. Het idee dat men fascistoïde overtuigingen met zachtmoedigheid kan bestrijden, wordt afgedaan als een gevaarlijke vorm van paternalisme die de kwaadwilligheid van de tegenstander uit het oog verliest. De conclusie is helder: in de confrontatie met vijanden van de democratie is het winnen van de ideologische strijd belangrijker dan het bewaren van de lieve vrede of het vermijden van conflict.

Het gaat hier om een klassiek conflict tussen de ethiek van de dialoog en de ethiek van de weerbare democratie. De kern van de kritiek in de column is eigenlijk een fundamenteel meningsverschil over de aard van politiek:

  • Bernice Franssen (en de stroming die zij vertegenwoordigt) ziet politiek als een proces van heling en verbinding, waarbij onbegrip de bron van het probleem is.
  • De columnist ziet politiek als een strijd tussen onverenigbare waarden, waarbij het niet gaat om een gebrek aan begrip, maar om een fundamenteel verschil in intentie (kwaadwilligheid versus democratie).

Het is interessant om te vermelden dat dit debat in de politieke filosofie bekendstaat als de “Paradox van de tolerantie” van Karl Popper. Deze stelt dat als een samenleving onbeperkt tolerant is, zelfs tegenover degenen die intolerant zijn, de toleranten uiteindelijk zullen worden vernietigd en de tolerantie met hen.

De paradox van de agro-industrie

Agro-industrie & boerocratie doen denken aan anarcho-primitivisme: landbouw als bron van een cliëntelistische staat die boeren helpt via subsidies en uitzonderingsregels. Resultaat: een sector die vasthoudt aan een vervuilend overlevingsmodel. En die critici bedreigt.

De begrippen agro-industrie en ‘boerocratie’ vertonen een sterke ideologische verwantschap met het anarcho-primitivisme. Deze stroming voert de wortels van hiërarchie en sociale dwang terug naar de neolithische revolutie: het moment waarop de mens overstapte van het jagen en verzamelen naar vaste landbouw. In deze visie was de ‘uitvinding’ van de boer de noodzakelijke voorwaarde voor de geboorte van de staat, die immers afhankelijk was van belastbare overschotten.

In de moderne tijd heeft de staat de agro-industrie verder vormgegeven via een complex stelsel van prijssteun, garanties en uitzonderingsbepalingen. Dit beleid was primair gericht op schaalvergroting en maximale productie, waarbij de ecologische grenzen vaak ondergeschikt werden gemaakt aan economische belangen. Hierdoor is een systeem ontstaan waarin boerenbedrijven structureel afhankelijk zijn geworden van subsidies en industriële input (zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen).

Deze ‘lock-in’ creëert een situatie waarin de agrarische sector vastzit in een kapitaalintensief model. De weerstand tegen strengere milieunormen komt dan ook voort uit een economisch overlevingsmechanisme: binnen het huidige agro-industriële kader is de overstap naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor velen financieel onhaalbaar zonder de volledige afbouw van het huidige systeem.

PS: Ik spreek in het BlueSky-bericht van een cliëntelistische staat, omdat ik wil wijzen op de politieke “vriendjespolitiek” waarbij de staat de agrarische achterban tevreden houdt met gunstige regels in ruil voor steun. Misschien had ik nog beter kunnen kiezen voor het woord corporistisch. Een corporatistische staat kenmerkt zich namelijk door de nauwe verwevenheid tussen de overheid en grote belangengroepen (zoals de agro-industrie). Dit dekt precies de lading van de ‘boerocratie’: een systeem waarin beleid, subsidies en uitzonderingsregels worden afgestemd op de belangen van de gevestigde machtsblokken. En dan is er een nog ontoegankelijker woordencombinatie, namelijk ‘Interventionistische staat’. Dat is een neutrale, wetenschappelijke term voor een staat die de markt kunstmatig stuurt (via die subsidies en prijssteun).

De reis van ons posthumane leven

Ja, we gaan naar Mars, maar niet in een menselijke gedaante.

Mars is een zuurstofloze hel. De biologische mens in koolstofvorm heeft er niets te zoeken. Pas als we posthumaan zijn en kunnen reizen als een ‘Substrate-Independent Mind’, of een’Synthetic Humanoid’, of een digitaal bewustzijn, heeft interplanetair toerisme zin. Tot die tijd: toedelidoki roestbak.

Met de termen ‘Substrate-Independent Mind’ en ‘Synthetic Humanoid’ kon ik wel leven, maar voor ‘Mind Upload’ of ‘Digital Construct’ – dat mijn geblader door SF-lectuur en meer wetenschappelijke beschouwingen ook voorstelde – zocht ik een alternatief. Bij gebrek aan ruimte op BlueSky werd dat ‘digitaal bewustzijn’.

Ik ben erg bezig met de hoedanigheid waarin we wel naar Mars zouden kunnen gaan. Neutraal gezien lijkt de vorm van een gedigitaliseerd bewustzijn me het meest plausibel. Maar kun je een in een computer geüpload bewustzijn nog wel mens noemen? Ons digitale voortbestaan, helemaal ontdaan van de humane gedaante, zou een geest of ziel kunnen bezitten die volledig is gereconstrueerd.

Ik spreek trouwens niet graag van geest of ziel. Naast de meest gangbare term bewustzijn heb ik het liever over een entiteit met een persoonlijkheidskern of een mentale kern. Volkomen zelfbewust dus en met een cognitieve identiteit. Maar los van het lichaam voortgezet. Alleen voor zo’n mentaal bestaan met zelfbesef en denkvermogen zie ik verplaatsingsmogelijkheden buiten de dampkring. We moeten ‘m natuurlijk ook een waarnemend vermogen geven, anders heeft de reis geen zin.

Een innerlijk suggereert een uiterlijk. We willen de drager-onafhankelijke geest graag terug in een fles stoppen die lijkt op een mens. Dat kan een synthetische mensachtige zijn (de directe vertaling van Synthetic Humanoid die minder ‘popcultuur’ aanvoelt dan de Engelse term). Ik heb het dan over een tijd waarin we niet meer gebonden zijn aan een specifiek biologisch of hardware-matig platform. We kiezen gewoon het poppetje uit waarop we willen lijken en maken hem voor het gemak gelijk ook super vaardig (dus bovenmenselijk).

Alle bovenstaande concepten worden theoretisch breed besproken in de computationele neurowetenschap en transhumanistische filosofie en op alle mogelijke manieren gevizualiseerd in SF-verhalen. De praktische uitvoering ervan is op dit moment natuurlijk nog volledig speculatief. Er is nog geen bewijs dat het menselijk bewustzijn daadwerkelijk losgekoppeld kan worden van de biologische architectuur van de hersenen.

Maar dat is een kwestie van tijd.

I Have Tried in My Way To Be Free

Op zoek naar niet-competitieve excellentie.

In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.

Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.

De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.

De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.

Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.

Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.

De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.

I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.

Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.

De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Mensenrassen bestaan niet

Onze school vertegenwoordigde de hele breedte van de menselijke waaier.

Ik bladerde eergisteren door mijn vogelboeken om een houtsnip van een watersnip te kunnen onderscheiden. Tijdens het bladeren herinnerde ik mij de volgende biologieles: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, te weten de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen. Wetenschappelijk gezien is elk mens voor gemiddeld 99,9% genetisch identiek aan ieder ander mens op aarde. De resterende 0,1% bepaalt alle onderlinge verschillen – zichtbaar en onzichtbaar – van oogkleur en lengte tot aanleg voor erfelijke aandoeningen, waarbij bijvoorbeeld kenmerken als huidskleur of gezichtsvorm slechts een klein deel van die variatie vormen. Ik vond het erg verstandig van onze biologieleraar dat hij ons hierop wees in de brugklas van een zeer gemêleerde school. Duur gezegd zat ik in een klas waar de geografische spreiding van het menselijk fenotype goed zichtbaar was, maar zo leerde ik later pas praten.

Waar de verschillende soorten ‘snipjes’ nooit elkaars nest zullen opzoeken, zijn wij mensen biologisch gezien elkaars spiegels. De nazi’s probeerden van de mens een vogelgids vol subpagina’s te maken, maar ze negeerden dat we allemaal uit hetzelfde nest komen.

De les diende in ieder geval een groot belang. Kennis voorkomt discriminatie, dus ik ga hier nog even verder met het opdissen van wat ik sinds die klas van ’75 zoal heb geleerd. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Terwijl twee groepen chimpansees in hetzelfde bos meer genetische verschillen kunnen vertonen dan twee mensen van verschillende continenten. 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan. Alle mensen op aarde behoren tot dezelfde biologische soort omdat zij geen reproductieve barrières kennen en overal ter wereld samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

Gisteren probeerde ik een houtsnip van een watersnip te onderscheiden. De determineermiddelen die mij ter beschikking stonden waren een dode snip, verschillende illustraties in aardig wat vogelboeken en hun bijbehorende beschrijvingen. Het werd een lastige klus. Daarom kwam de gedachte bij me op hoe raar het was dat een watersnip en een houtsnip nooit de aanvechting voelen om ‘het’ met elkaar te doen. Als ze onverhoeds toch overgingen tot de ‘daad’, zou het geen voortplanting opleveren en al helemaal geen nakomelingen die zelf ook weer vruchtbaar zijn. Natuurlijk is de reden simpel: ze kunnen niet voor (vruchtbaar) nakroost zorgen omdat ze twee verschillende soorten zijn.

Bij het determineren van vogels in de vrije natuur ben je vrijwel uitsluitend bezig met het onderscheiden van soorten. De term ‘ras’ wordt in de biologie anders gebruikt dan in het dagelijks spraakgebruik. Ik heb veel zitten lezen en begrijp nu het wetenschappelijke verschil, zodat ik inzie waarom de focus bij determinatie op de soort (species) ligt. Het is de fundamentele eenheid in de biologie. Soorten ontstaan door evolutie en natuurlijke aanpassing aan hun omgeving. Iets van die natuurlijke selectie hebben we allemaal wel eens geleerd op de middelbare school. Als twee groepen vogels genetisch te ver uit elkaar groeien (bijvoorbeeld door de ‘isolatie’ van een bergketen), stoppen ze met mengen en worden het aparte soorten. Een Koolmees en een Pimpelmees herkennen elkaar zodoende niet als partner.

In de vogelkunde wordt de term ras vaak als synoniem gebruikt voor ondersoort. Dit is een groep binnen een soort die er net even anders uitziet door geografische isolatie, maar nog wel vruchtbaar kan kruisen met de rest van de soort. Een ‘ras’ ontstaat vaak doordat een populatie in een uithoek van het leefgebied woont (bijvoorbeeld op een eiland). Waar de gebieden van twee rassen elkaar raken, zie je vaak mengvormen. Die kunnen het allemaal nog met elkaar doen met goede resultaten. Het is belangrijk om te weten dat de term ‘ras’ (Engels: breed) buiten de wetenschap vaak wordt gebruikt voor door mensen gefokte varianten. Denk aan postduiven, sierkippen of honden. Dit zijn geen natuurlijke ondersoorten, maar resultaten van menselijk ingrijpen. In het wild kom je dit eigenlijk alleen tegen bij ontsnapte kooivogels of “soepganzen” (kruisingen tussen tamme en wilde ganzen).

De nazi’s hadden het ook vaak over rassen, maar die maakten vanuit wetenschappelijk oogpunt een fundamentele denkfout. De nazi-ideologie was gebaseerd op een 19e-eeuwse vorm van pseudowetenschap. Eén van de belangrijkste wetenschappelijke redenen waarom hun “rassenleer” niet klopte heb ik in het begin genoemd: mensen zijn genetisch extreem homogeen. Als het DNA van twee willekeurige mensen (of ze nu uit Europa, Afrika of Azië komen) gemiddeld genomen voor 99,9% identiek is, valt een rassenonderscheid natuurlijk moeilijk vol te houden.

Spreken van ras op de manier zoals de nazi’s deden is dan ook een sociaal construct, geen biologisch feit. Ze probeerden mensen in “hokjes” te plaatsen op basis van uiterlijke kenmerken zoals oogkleur of schedelvorm. In de biologie noemen ze dit ‘typologisch denken’. In de natuur verlopen menselijke eigenschappen (zoals huidskleur of lengte) heel geleidelijk over de kaart. Er is nergens een harde biologische grens waar de ene “groep” stopt en de andere begint. De nazi’s bepaalden zelf welke kenmerken “superieur” waren. Dat is een subjectief oordeel, geen biologische meting. In de echte biologie bestaat er niet zoiets als een “beter” of “slechter” gen, alleen genen die op dat moment gunstig zijn voor overleving in een specifieke omgeving.

Naast deze biologische misvattingen, maakten de nazi’s ook een kapitale taalkundige en historische blunder door de term ‘Arisch’ te kapen. Oorspronkelijk verwees dit namelijk naar een taalfamilie (Indo-Iraans) en niet naar een genetisch type. Iemand die een bepaalde taal spreekt, behoort niet automatisch tot een aparte biologische groep. Het is alsof je beweert dat alle mensen die “vogel” zeggen, biologisch anders zijn dan mensen die “bird” zeggen. De nazi’s namen oppervlakkige uiterlijke verschillen en beweerden onterecht dat daar diepe, onoverbrugbare biologische en morele verschillen achter zaten. De moderne genetica heeft die claim volledig weerlegd. De nazi’s begonnen met een vooroordeel en zochten daar vervolgens (pseudo)wetenschappelijke bewijzen bij. Zij bedachten eerst de categorieën (“superieur” vs. “inferieur”) en probeerden mensen daar met geweld in te passen. Als de biologie niet meewerkte (bijvoorbeeld omdat “Arische” mensen ook donker haar hadden of “niet-Ariërs” blond waren), werden de data genegeerd of vervalst.

Zo bezien is de menselijke biologie eigenlijk heel overzichtelijk: in de vogelgids van het leven hebben we aan één pagina genoeg.

Ornithologische parallellen; 3. Onopvallendheid versus roem

De roek kan niet pronken met zijn bescheidenheid. De monnik kan dat wel en doet dat soms.

Fragment uit Terug naar de roeken in het stoppelveld

Na de vermeende zelfkastijding (zie eerder) en de schijnbare soberheid (zie eerder) blijft er nog één parallel over die zich moeilijk laat handhaven. Niet omdat zij te ver gezocht is, maar omdat zij zich bij nadere beschouwing tegen zichzelf keert. De roek leeft onopvallend zonder daarvan een deugd te maken; zijn bestaan laat weinig sporen na en vraagt geen erkenning. De monnik daarentegen streeft naar een leven dat evenmin wil opvallen, maar doet dat binnen een wereld die juist gevoelig is voor tekenen van nederigheid. Waar de roek eenvoudigweg is, wordt de monnik gezien, en precies daar begint de vergelijking te wringen. Er bestaat een soberheid die geen getuigen nodig heeft en een soberheid die haar betekenis juist aan getuigen ontleent; de roek behoort tot de eerste categorie, de monnik hoopt tot dezelfde te behoren, maar leeft in een cultuur waarin zelfs terugtrekking zichtbaar wordt. Zo ontstaat een ongemakkelijke parallel: hoe meer de monnik zijn bestaan wil onttrekken aan betekenis, hoe groter de kans dat het juist betekenis krijgt toegekend.

De roek verdwijnt spoorloos; de monnik laat, ondanks zichzelf, sporen na. De roek kent geen traditie. De monnik wordt er een. John Rogers Herbert schildert met Laborare est Orare een idyllisch tafereel van broeders die graan oogsten in een glooiend landschap. Ja, er wordt hard gewerkt, maar wie zou hier niet bij willen springen? De arbeid oogt licht, het zweten gematigd, de gemeenschap harmonieus. Niets in dit beeld schuurt, niets verstoort de rust. De soberheid is hier niet schraal, maar weldadig; geen opoffering, maar een levensvorm die zich bijna vanzelf aanbeveelt. Juist daarin openbaart zich de paradox van dit hoofdstuk: onopvallendheid wordt aantrekkelijk, arbeid verheven, stilte esthetisch. Wat ooit bedoeld was als terugtrekking uit de wereld, verschijnt hier als alternatief voor haar drukte. De monnik verdwijnt niet, hij wordt voorbeeld. En waar een voorbeeld verschijnt, ontstaat navolging, bewondering en uiteindelijk traditie.

Nogmaals gezegd: de roek leeft zonder nalatenschap. De monnik streeft ernaar, maar kan haar niet ontlopen. Waar de roek verdwijnt in zijn omgeving, wordt de monnik ertegen afgezet. Onopvallendheid blijkt bij de mens zelden een eindpunt, maar vaak een omweg. Wie zich zichtbaar onttrekt, wordt herkend; wie herkend wordt, wordt benoemd; en wat benoemd wordt, krijgt waarde toegekend. De monnik die zich terugtrekt uit de wereld ontkomt niet aan de blik van diezelfde wereld, juist omdat zijn terugtrekking afwijkt. Stilte wordt gelezen als discipline, soberheid als morele kracht, afzondering als voorbeeld. Zo kan ascese ongemerkt prestige worden, en nederigheid een stil kapitaal. Niet omdat de monnik dit nastreeft, maar omdat menselijke samenlevingen geneigd zijn betekenis te hechten aan wie zich aan hen onttrekt. De roek kent deze omkering niet. Zijn onopvallendheid roept geen bewondering op, geen navolging, geen verhaal. Zij blijft wat zij is: een wijze van bestaan, geen boodschap.

Waar deze omkering eenmaal werkzaam is, laat zij zich moeilijk begrenzen. Wat begint als individuele terugtrekking kan uitgroeien tot voorbeeld, wat voorbeeld is wordt navolgbaar, en wat navolgbaar is, wordt geïnstitutionaliseerd. De geschiedenis van het monnikenleven laat zien hoe een streven naar onopvallendheid zich langzaam heeft verdicht tot regel, orde, traditie en uiteindelijk tot zichtbare vormen van aanzien. De soberheid van de enkeling wordt opgenomen in een systeem dat haar bewaart, toont en viert. Niet zelden ontstaat zo een paradoxale pracht: geen uitbundige rijkdom, maar wel monumentale eenvoud, ritueel herhaalde armoede, zorgvuldig gecodeerde nederigheid. De roek kent deze weg niet. Zijn levenswijze laat zich niet bewaren, niet verheffen, niet doorgeven. Zij sterft met hem mee en begint telkens opnieuw, zonder geschiedenis. De roek ontsnapt aan roem door haar niet te kennen. De monnik ontkomt er niet aan, juist omdat hij haar verwerpt.

Misschien volstaat het daarom om de roek weer los te laten. Hij hoeft niets te betekenen. Hij kraait, leeft, verdwijnt. Met deze parallel eindigt niet de vergelijking, maar haar draagkracht. De volgende observaties zullen minder spiegelen en meer uiteenlopen.

Ornithologische parallellen; 2. Habijt/verenpak

Een roek bezit een broek, volgens ornitologen, maar hij heeft hem overdrachtelijk bijna nooit aan.

Fragment uit Terug naar de roeken in het stoppelveld

De monnik probeert zijn natuur te overstijgen; de roek gehoorzaamt eraan zonder restschuld. Misschien geldt dit onderscheid voor alle monnik–roek-parallellen die ik hier nog naar voren wil brengen. Symbolische gelijkstelling tussen mens en dier blijkt vaak onmogelijk, maar in de lichte tegenstelling openbaart zich ook een vorm van verwantschap. Vandaag wil ik het hebben over het habijt en het verenpak. In het licht van het bovenstaande zou je kunnen zeggen: het habijt verbergt het lichaam, het verenpak ís het lichaam. Beide vormen nogal onopvallende lichaamsbedekkingen in een toch al sober bestaan. Voor roeken was de kleur geen keuze, maar een evolutionaire aanpassing. Het is duidelijk dat monniken er nooit op uit waren de laatste mode te volgen.

De monnik oefent zich in gehoorzaamheid aan een regel; de roek gehoorzaamt zonder oefening zijn natuur. In deze spanning tussen keuze en instinct ligt de kern van hun verwantschap. Dat verschil laat zich niet overbruggen, maar het verheldert de vergelijking. Zo ook, dat zij zich in eenzelfde soort van sober gewaad hullen.

De kleur en het ontwerp van het habijt zijn ontstaan uit soberheid en zelfbeperking. Wat bij de roek onvermijdelijk was, is bij de monnik gekozen; wat bij de roek lichaam werd, is bij de monnik teken: ongeverfde wol, eenvoudige snit, herhaalbaarheid boven individualiteit, armoede als deugd, onopvallendheid als streven. Waar bij de roek kleur en vorm het resultaat zijn van natuurlijke selectie, zijn zij bij de monnik het gevolg van een morele en institutionele keuze. Het zwart van de roek heeft geen betekenis, maar geeft een toestand weer; het uiterlijk van de monnik is beladen met bedoeling. In beide gevallen — en dat is dan toch weer een vergelijking die opgaat — ontbreekt een esthetisch verlangen. Het ene zwart is onvermijdelijk, het andere bedacht; mooi zijn was nooit een streven.

Wat bij de monnik schaamte en kuisheid heet, heeft bij de roek geen equivalent. De vogel kent geen schaamte, zoals hij ook geen zonde kent; zijn verenpak verhult niets en onthult niets, maar doet wat het moet doen. Camouflage is geen deugd, slechts een gevolg. Toch ontstaat er opnieuw een parallel, zij het een scheve. Zowel monnik als roek gaan op in een collectief dat groter is dan het individu. De monnik door zich te voegen naar de orde, herkenbaar en inwisselbaar, de roek door tot een soort te behoren waarvan kleur en vorm geen persoonlijke variatie dulden. Waar bij de monnik herkenbaarheid een oefening in discipline is, is zij bij de roek een biologisch gegeven. Zelfs de tijdelijkheid verschilt: de monnik blijft zijn regel trouw, de roek wisselt van veren en blijft toch dezelfde. Het één vergt volharding, het ander gehoorzaamheid en juist in dat verschil wordt duidelijk hoe ver de vergelijking kan reiken zonder haar te forceren.

Zo eindigt dit tweede deel van mijn ornitologische parallellen: het habijt en het verenpak, soberheid en gehoorzaamheid, bedekking en belichaming; de monnik en de roek tonen hoe uiterlijke vormen verbonden zijn met innerlijke of functionele noden. De vergelijking is nooit perfect; ze dwingt tot terughoudendheid. Maar juist in de spanning tussen het gekozene en het onvermijdelijke, tussen discipline en instinct, openbaart zich een inzicht dat bij mij bleef hangen: dat orde, soberheid en herkenbaarheid in heel verschillende werelden op vergelijkbare manieren betekenis krijgen, al is die betekenis voor mens en vogel fundamenteel verschillend. Het habijt bedekt de mens, het verenpak omhult de vogel. In hun soberheid en gehoorzaamheid weerspiegelt zich eenzelfde stille schoonheid.