Tirannie verpakt in vrijheid

Dat het land al heel lang ziek is, had iedereen kunnen weten.

Dat de VS een ‘liability’ zouden worden, hadden we niet voorzien in de tijd dat ze ‘alleen maar’ dictators in hun achtertuin in het zadel hielpen. Toen burgerrechten werden geschonden, noemden we dat binnenlandse aangelegenheden. Het waren waarschuwingen. Grote broer bleek een gewelddadige moralist.

Toen de VS vol trots hun democratie exporteerden naar bevriende naties, had het al veel weg van idealisme met een teveel aan spierballen. Maar wij zagen daarin nog niet de proefversie van iets dat later intern — binnen hun eigen nog wankele rechtsstaat — vervaarlijk zou worden uitgehold. En het kon ons kennelijk weinig schelen dat ze die democratische idealen niet in hun eigen achtertuin duldden.

In die nabijgelegen invloedssferen creëerden de VS bewust bestuurlijke ontwrichting en chaos. Ze faciliteerden dictators van twijfelachtige regimes en verkochten hen staatsgrepen als stabiliteitsupdates van een computersysteem. Wij beschouwden dat blijkbaar als normale buitenlandse politiek, want hoewel Nederland een kwart eeuw geleden nog veel linkse stemmers telde, ontstond er maar weinig effectief verzet.

Ook in hun eigen opbouwstaat werd de rassenscheiding nog lang met vlagvertoon verdedigd en werden burgerrechten met tegenzin toegekend. We noemden dat een pijnlijk verleden, en onderkenden daarin niet een blijvende bestuursstijl. Toch veranderde er in de VS niet snel iets ten goede, hoezeer de juiste weg ook met veelbelovende woorden door opeenvolgende presidenten werd uitgestippeld en beleden.

Wij beschouwden al dat wanbeleid aan de andere kant van de oceaan als ruis in de marge, in plaats van als tekens aan de wand. Dat de VS zelf ooit een geopolitieke bedreiging voor ons zouden worden, kwam gewoon niet voor in het draaiboek. Zo’n plotwending was te ondenkbaar; die stond niet op de verpakking van hun geopolitieke ondernemerschap, dat ons overigens veel prachtige overzeese producten opleverde.

Een deel van de pers in Amerika heeft kans gezien om gevrijwaard te blijven van corruptie. Zij stelt de misstanden geloofwaardig aan de kaak. Ik wilde iets visueels gebruiken in mijn blogbericht en vond gemakkelijk wat ik zocht. Er bestaan krantenpagina’s met foto’s en koppen over Amerikaanse betrokkenheid bij staatsgrepen en steun aan dictatoriale regimes. Protestfoto’s uit de jaren ’50 tonen demonstranten vóór het Witte Huis tegen Latijns‑Amerikaanse dictators waar de VS mee omgingen. Dat illustreert dat Amerikaanse betrokkenheid al vroeg controversieel was.

Een voorpagina van The New York Times van 20 augustus 1953, die een door Amerika gesteunde staatsgreep in Iran (tegen premier Mohammad Mossadegh) in beeld brengt, is berucht. De krant doet verslag van het omverwerpen van een gekozen leider en de perceptie daarvan. Dit is historisch relevant omdat het een van de duidelijkste voorbeelden is van een Amerikaanse rol bij het verwijderen van een niet-communistische, democratisch gekozen leider; een gebeurtenis die veel historici als symbool gebruiken voor latere invloeden in Latijns-Amerika en elders.

Documentatie van Amerikaanse steun aan regimes zoals in Brazilië (1964) of Congo (met Mobutu) bevat foto’s in kranten en archieven. De hierboven afgebeelde voorpagina toont de tekst “Senators see FBI report on Kissinger and wiretapes” naast beelden van de VS die een dictatuur in Chili steunen. De historische nieuwsgebeurtenissen rond Watergate, wiretapping, en de kwalijke rol van Kissinger zijn ook elders uitgebreid beschreven en in beeld gebracht; vaak op de voorpagina van grote kranten.

De fascinerende rol van de Washington Post in de oude, nog objectieve, hoedanigheid, hoef ik hier niet te memoreren. Toen de Pentagon Papers werden gepubliceerd, stond dat prominent op de voorpagina van The New York Times in 1971. Dat verhaal legde de focus op geheime, controversiële Amerikaanse buitenlandse politiek en de Vietnam‑oorlog. In de jaren 1970 waren er veel voorpagina‑koppen in Amerikaanse kranten over Watergate, de Nixon‑administratie en de publieke verontwaardiging over illegale afluisterpraktijken.

De vrije pers in de VS bestond en bestaat. De verontwaardiging was er altijd en is momenteel weer groeiende, nu er een absolute gek aan de macht blijkt. De pers roert zich, de democraten hervinden hun kracht en wij hier lijken inmiddels ook helemaal klaar met de geweldadige narcist die de wereld tart met zijn waanzin. We lazen de handleiding van de zieke staat wat laat. Maar nu zijn we wakker.

Het wederzijds onbegrip is uit balans

Compassie en dialoog dichten de kloof niet meer.

Fascistisch gedrag contextualiseren met verzachtende verklaringen oogt angstig en doelloos. Compassie voor klootzakken schaadt hun slachtoffers. Kwaad met strafrecht aanpakken is geen schande. Stop de slappe vergevingsgezinde psychotalk.

In een van zijn columns haalt Sander Schimmelpenninck fel uit naar het pleidooi van Bernice Franssen, die oproept tot meer compassie en dialoog met radicaal-rechts om de maatschappelijke kloof te dichten.

Volgens de columnist is deze benadering gebaseerd op een naïeve en elitaire misinterpretatie van filosofische concepten, waarbij onterecht wordt gesuggereerd dat er sprake is van een gelijkwaardige ‘cyclus’ van wederzijds onbegrip. De tekst stelt dat empathie een effectief instrument kan zijn in een therapeutische een-op-een-setting, maar dat het volstrekt tekortschiet als politiek antwoord op een beweging die de democratische rechtsstaat actief probeert te ondermijnen.

In plaats van de “toonpolitie” te volgen en begrip op te brengen voor onverdraagzaamheid, pleit de schrijver voor een strijdbaardere houding. Het idee dat men fascistoïde overtuigingen met zachtmoedigheid kan bestrijden, wordt afgedaan als een gevaarlijke vorm van paternalisme die de kwaadwilligheid van de tegenstander uit het oog verliest. De conclusie is helder: in de confrontatie met vijanden van de democratie is het winnen van de ideologische strijd belangrijker dan het bewaren van de lieve vrede of het vermijden van conflict.

Het gaat hier om een klassiek conflict tussen de ethiek van de dialoog en de ethiek van de weerbare democratie. De kern van de kritiek in de column is eigenlijk een fundamenteel meningsverschil over de aard van politiek:

  • Bernice Franssen (en de stroming die zij vertegenwoordigt) ziet politiek als een proces van heling en verbinding, waarbij onbegrip de bron van het probleem is.
  • De columnist ziet politiek als een strijd tussen onverenigbare waarden, waarbij het niet gaat om een gebrek aan begrip, maar om een fundamenteel verschil in intentie (kwaadwilligheid versus democratie).

Het is interessant om te vermelden dat dit debat in de politieke filosofie bekendstaat als de “Paradox van de tolerantie” van Karl Popper. Deze stelt dat als een samenleving onbeperkt tolerant is, zelfs tegenover degenen die intolerant zijn, de toleranten uiteindelijk zullen worden vernietigd en de tolerantie met hen.

De paradox van de agro-industrie

Agro-industrie & boerocratie doen denken aan anarcho-primitivisme: landbouw als bron van een cliëntelistische staat die boeren helpt via subsidies en uitzonderingsregels. Resultaat: een sector die vasthoudt aan een vervuilend overlevingsmodel. En die critici bedreigt.

De begrippen agro-industrie en ‘boerocratie’ vertonen een sterke ideologische verwantschap met het anarcho-primitivisme. Deze stroming voert de wortels van hiërarchie en sociale dwang terug naar de neolithische revolutie: het moment waarop de mens overstapte van het jagen en verzamelen naar vaste landbouw. In deze visie was de ‘uitvinding’ van de boer de noodzakelijke voorwaarde voor de geboorte van de staat, die immers afhankelijk was van belastbare overschotten.

In de moderne tijd heeft de staat de agro-industrie verder vormgegeven via een complex stelsel van prijssteun, garanties en uitzonderingsbepalingen. Dit beleid was primair gericht op schaalvergroting en maximale productie, waarbij de ecologische grenzen vaak ondergeschikt werden gemaakt aan economische belangen. Hierdoor is een systeem ontstaan waarin boerenbedrijven structureel afhankelijk zijn geworden van subsidies en industriële input (zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen).

Deze ‘lock-in’ creëert een situatie waarin de agrarische sector vastzit in een kapitaalintensief model. De weerstand tegen strengere milieunormen komt dan ook voort uit een economisch overlevingsmechanisme: binnen het huidige agro-industriële kader is de overstap naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor velen financieel onhaalbaar zonder de volledige afbouw van het huidige systeem.

PS: Ik spreek in het BlueSky-bericht van een cliëntelistische staat, omdat ik wil wijzen op de politieke “vriendjespolitiek” waarbij de staat de agrarische achterban tevreden houdt met gunstige regels in ruil voor steun. Misschien had ik nog beter kunnen kiezen voor het woord corporistisch. Een corporatistische staat kenmerkt zich namelijk door de nauwe verwevenheid tussen de overheid en grote belangengroepen (zoals de agro-industrie). Dit dekt precies de lading van de ‘boerocratie’: een systeem waarin beleid, subsidies en uitzonderingsregels worden afgestemd op de belangen van de gevestigde machtsblokken. En dan is er een nog ontoegankelijker woordencombinatie, namelijk ‘Interventionistische staat’. Dat is een neutrale, wetenschappelijke term voor een staat die de markt kunstmatig stuurt (via die subsidies en prijssteun).

De reis van ons posthumane leven

Ja, we gaan naar Mars, maar niet in een menselijke gedaante.

Mars is een zuurstofloze hel. De biologische mens in koolstofvorm heeft er niets te zoeken. Pas als we posthumaan zijn en kunnen reizen als een ‘Substrate-Independent Mind’, of een’Synthetic Humanoid’, of een digitaal bewustzijn, heeft interplanetair toerisme zin. Tot die tijd: toedelidoki roestbak.

Met de termen ‘Substrate-Independent Mind’ en ‘Synthetic Humanoid’ kon ik wel leven, maar voor ‘Mind Upload’ of ‘Digital Construct’ – dat mijn geblader door SF-lectuur en meer wetenschappelijke beschouwingen ook voorstelde – zocht ik een alternatief. Bij gebrek aan ruimte op BlueSky werd dat ‘digitaal bewustzijn’.

Ik ben erg bezig met de hoedanigheid waarin we wel naar Mars zouden kunnen gaan. Neutraal gezien lijkt de vorm van een gedigitaliseerd bewustzijn me het meest plausibel. Maar kun je een in een computer geüpload bewustzijn nog wel mens noemen? Ons digitale voortbestaan, helemaal ontdaan van de humane gedaante, zou een geest of ziel kunnen bezitten die volledig is gereconstrueerd.

Ik spreek trouwens niet graag van geest of ziel. Naast de meest gangbare term bewustzijn heb ik het liever over een entiteit met een persoonlijkheidskern of een mentale kern. Volkomen zelfbewust dus en met een cognitieve identiteit. Maar los van het lichaam voortgezet. Alleen voor zo’n mentaal bestaan met zelfbesef en denkvermogen zie ik verplaatsingsmogelijkheden buiten de dampkring. We moeten ‘m natuurlijk ook een waarnemend vermogen geven, anders heeft de reis geen zin.

Een innerlijk suggereert een uiterlijk. We willen de drager-onafhankelijke geest graag terug in een fles stoppen die lijkt op een mens. Dat kan een synthetische mensachtige zijn (de directe vertaling van Synthetic Humanoid die minder ‘popcultuur’ aanvoelt dan de Engelse term). Ik heb het dan over een tijd waarin we niet meer gebonden zijn aan een specifiek biologisch of hardware-matig platform. We kiezen gewoon het poppetje uit waarop we willen lijken en maken hem voor het gemak gelijk ook super vaardig (dus bovenmenselijk).

Alle bovenstaande concepten worden theoretisch breed besproken in de computationele neurowetenschap en transhumanistische filosofie en op alle mogelijke manieren gevizualiseerd in SF-verhalen. De praktische uitvoering ervan is op dit moment natuurlijk nog volledig speculatief. Er is nog geen bewijs dat het menselijk bewustzijn daadwerkelijk losgekoppeld kan worden van de biologische architectuur van de hersenen.

Maar dat is een kwestie van tijd.

I Have Tried in My Way To Be Free

Op zoek naar niet-competitieve excellentie.

In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.

Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.

De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.

De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.

Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.

Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.

De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.

I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.

Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.

De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Mensenrassen bestaan niet

Onze school vertegenwoordigde de hele breedte van de menselijke waaier.

Ik bladerde eergisteren door mijn vogelboeken om een houtsnip van een watersnip te kunnen onderscheiden. Tijdens het bladeren herinnerde ik mij de volgende biologieles: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, te weten de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen. Wetenschappelijk gezien is elk mens voor gemiddeld 99,9% genetisch identiek aan ieder ander mens op aarde. De resterende 0,1% bepaalt alle onderlinge verschillen – zichtbaar en onzichtbaar – van oogkleur en lengte tot aanleg voor erfelijke aandoeningen, waarbij bijvoorbeeld kenmerken als huidskleur of gezichtsvorm slechts een klein deel van die variatie vormen. Ik vond het erg verstandig van onze biologieleraar dat hij ons hierop wees in de brugklas van een zeer gemêleerde school. Duur gezegd zat ik in een klas waar de geografische spreiding van het menselijk fenotype goed zichtbaar was, maar zo leerde ik later pas praten.

Waar de verschillende soorten ‘snipjes’ nooit elkaars nest zullen opzoeken, zijn wij mensen biologisch gezien elkaars spiegels. De nazi’s probeerden van de mens een vogelgids vol subpagina’s te maken, maar ze negeerden dat we allemaal uit hetzelfde nest komen.

De les diende in ieder geval een groot belang. Kennis voorkomt discriminatie, dus ik ga hier nog even verder met het opdissen van wat ik sinds die klas van ’75 zoal heb geleerd. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Terwijl twee groepen chimpansees in hetzelfde bos meer genetische verschillen kunnen vertonen dan twee mensen van verschillende continenten. 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan. Alle mensen op aarde behoren tot dezelfde biologische soort omdat zij geen reproductieve barrières kennen en overal ter wereld samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

Gisteren probeerde ik een houtsnip van een watersnip te onderscheiden. De determineermiddelen die mij ter beschikking stonden waren een dode snip, verschillende illustraties in aardig wat vogelboeken en hun bijbehorende beschrijvingen. Het werd een lastige klus. Daarom kwam de gedachte bij me op hoe raar het was dat een watersnip en een houtsnip nooit de aanvechting voelen om ‘het’ met elkaar te doen. Als ze onverhoeds toch overgingen tot de ‘daad’, zou het geen voortplanting opleveren en al helemaal geen nakomelingen die zelf ook weer vruchtbaar zijn. Natuurlijk is de reden simpel: ze kunnen niet voor (vruchtbaar) nakroost zorgen omdat ze twee verschillende soorten zijn.

Bij het determineren van vogels in de vrije natuur ben je vrijwel uitsluitend bezig met het onderscheiden van soorten. De term ‘ras’ wordt in de biologie anders gebruikt dan in het dagelijks spraakgebruik. Ik heb veel zitten lezen en begrijp nu het wetenschappelijke verschil, zodat ik inzie waarom de focus bij determinatie op de soort (species) ligt. Het is de fundamentele eenheid in de biologie. Soorten ontstaan door evolutie en natuurlijke aanpassing aan hun omgeving. Iets van die natuurlijke selectie hebben we allemaal wel eens geleerd op de middelbare school. Als twee groepen vogels genetisch te ver uit elkaar groeien (bijvoorbeeld door de ‘isolatie’ van een bergketen), stoppen ze met mengen en worden het aparte soorten. Een Koolmees en een Pimpelmees herkennen elkaar zodoende niet als partner.

In de vogelkunde wordt de term ras vaak als synoniem gebruikt voor ondersoort. Dit is een groep binnen een soort die er net even anders uitziet door geografische isolatie, maar nog wel vruchtbaar kan kruisen met de rest van de soort. Een ‘ras’ ontstaat vaak doordat een populatie in een uithoek van het leefgebied woont (bijvoorbeeld op een eiland). Waar de gebieden van twee rassen elkaar raken, zie je vaak mengvormen. Die kunnen het allemaal nog met elkaar doen met goede resultaten. Het is belangrijk om te weten dat de term ‘ras’ (Engels: breed) buiten de wetenschap vaak wordt gebruikt voor door mensen gefokte varianten. Denk aan postduiven, sierkippen of honden. Dit zijn geen natuurlijke ondersoorten, maar resultaten van menselijk ingrijpen. In het wild kom je dit eigenlijk alleen tegen bij ontsnapte kooivogels of “soepganzen” (kruisingen tussen tamme en wilde ganzen).

De nazi’s hadden het ook vaak over rassen, maar die maakten vanuit wetenschappelijk oogpunt een fundamentele denkfout. De nazi-ideologie was gebaseerd op een 19e-eeuwse vorm van pseudowetenschap. Eén van de belangrijkste wetenschappelijke redenen waarom hun “rassenleer” niet klopte heb ik in het begin genoemd: mensen zijn genetisch extreem homogeen. Als het DNA van twee willekeurige mensen (of ze nu uit Europa, Afrika of Azië komen) gemiddeld genomen voor 99,9% identiek is, valt een rassenonderscheid natuurlijk moeilijk vol te houden.

Spreken van ras op de manier zoals de nazi’s deden is dan ook een sociaal construct, geen biologisch feit. Ze probeerden mensen in “hokjes” te plaatsen op basis van uiterlijke kenmerken zoals oogkleur of schedelvorm. In de biologie noemen ze dit ‘typologisch denken’. In de natuur verlopen menselijke eigenschappen (zoals huidskleur of lengte) heel geleidelijk over de kaart. Er is nergens een harde biologische grens waar de ene “groep” stopt en de andere begint. De nazi’s bepaalden zelf welke kenmerken “superieur” waren. Dat is een subjectief oordeel, geen biologische meting. In de echte biologie bestaat er niet zoiets als een “beter” of “slechter” gen, alleen genen die op dat moment gunstig zijn voor overleving in een specifieke omgeving.

Naast deze biologische misvattingen, maakten de nazi’s ook een kapitale taalkundige en historische blunder door de term ‘Arisch’ te kapen. Oorspronkelijk verwees dit namelijk naar een taalfamilie (Indo-Iraans) en niet naar een genetisch type. Iemand die een bepaalde taal spreekt, behoort niet automatisch tot een aparte biologische groep. Het is alsof je beweert dat alle mensen die “vogel” zeggen, biologisch anders zijn dan mensen die “bird” zeggen. De nazi’s namen oppervlakkige uiterlijke verschillen en beweerden onterecht dat daar diepe, onoverbrugbare biologische en morele verschillen achter zaten. De moderne genetica heeft die claim volledig weerlegd. De nazi’s begonnen met een vooroordeel en zochten daar vervolgens (pseudo)wetenschappelijke bewijzen bij. Zij bedachten eerst de categorieën (“superieur” vs. “inferieur”) en probeerden mensen daar met geweld in te passen. Als de biologie niet meewerkte (bijvoorbeeld omdat “Arische” mensen ook donker haar hadden of “niet-Ariërs” blond waren), werden de data genegeerd of vervalst.

Zo bezien is de menselijke biologie eigenlijk heel overzichtelijk: in de vogelgids van het leven hebben we aan één pagina genoeg.

Waar het heilige vervloog

Laat het aardse het sacrale overal met zachte hand de deur uit begeleiden.

In een populaire, laagdrempelige vorm fungeert de bekendste heilige van Nederland – protagonist van de pakjesbezorging die daags voor zijn verjaardag nog overuren draait – als voorbeeld van hoe een goed, rechtvaardig of barmhartig leven eruit kan zien. De scheidslijn tussen religie en volksgeloof is altijd poreus geweest. In de hele geschiedenis liepen heiligenverering, legendevorming, volksverhalen en religieuze overtuigingen voortdurend door elkaar. Veel “echte” heiligen zijn doordrenkt van mythologische elementen, en veel volksfiguren vinden hun oorsprong in religieuze tradities. Sinterklaas is hiervan simpelweg een modern voorbeeld. Het kinderfeest heeft niet dezelfde sacrale status als heiligen die onderdeel zijn van liturgie en doctrine, maar dat zijn culturele scheidslijnen, geen wezenlijke. Zoals ieder weldenkend mens weet, berust het heilige op menselijke verbeelding, niet op bovennatuurlijk bewijs.

In alle gevallen draait het om de projectie van idealen. Zowel heiligen als de goedheiligman fungeren als dragers van goedheid, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en bescherming van zwakken. De een is ernstig verpakt, de ander feestelijk, maar de psychologie erachter – het verlangen naar belichaamde goedheid – is identiek. Het grote onderscheid dat gelovigen maken is cultureel en theologisch, niet historisch of psychologisch. De goedheiligman is een heilige in verhalende, verwereldlijkte vorm. De afstand zit vooral in de manier waarop we de figuur benaderen, niet in zijn oorsprong of functie. Uiteindelijk komt het heilige voort uit de mens zelf: zijn neiging tot verbeelding, tot zingeving, en – niet zelden – tot het creëren van symbolen die autoriteit en macht legitimeren.

Maar waarom begon ik hier eigenlijk over? Omdat ik zelf een postbezorger ben? Misschien omdat het thema van heiligheid — echt of verzonnen — de laatste tijd onverwacht vaak op mijn pad kwam. De afgelopen weken werd ik geconfronteerd met verschillende vormen van geloofsbeleving. Niet in een grote theologische discussie (want daartoe ben ik niet bij machte), maar in kleine, terloopse momenten: een opmerking, een ontmoeting, een tekst waarop mijn oog viel. De herinneringen die dat losmaakten bleven zich vermenigvuldigen. Ik moest denken aan zoekers die ik heb gekend, die geworsteld hebben met hun geloof, die houvast zochten, het vonden, het weer verloren, of zich er juist heel stevig aan vastklampten. Dat alles begon zich te roeren, alsof er een lade werd opengetrokken die ik lang geleden had dichtgeschoven.

En dus begon ik te schrijven. Fragmenten, losse gedachten, schetsen. Ik voelde dat het richting een essay ging en maakte daar ook esthetisch werk van; ik pretendeer tenslotte ook uitgever te zijn. De uiterlijke vormgeving liep vooruit op de inhoud, zoals dat meestal gaat bij mij. En toen, ergens halverwege, kwam ik vast te zitten. Mijn kennis van religie schoot tekort; ik voelde dat ik op drijfzand stond. Op dat moment leek het me verstandig om niet door te duwen, maar eerst grond te zoeken. Niet door mezelf nog meer woorden te laten produceren, maar juist door mijn woorden even te laten zwijgen. En dus greep ik naar een boek van een ander. Een stevig boek, een kritisch boek: The God Delusion van Richard Dawkins. Ik vond het tijd worden om het weer eens grondig te herlezen; om wat lucht, structuur en tegenwicht te vinden.

Vanuit die combinatie van confrontaties, herinneringen, zoeken en lezen, ontstond het thema van vandaag. Want ja, het is vrijdagmiddag. En op vrijdagmiddag vieren we VrijMiPo, onze Vrijdagmiddag Poëzie. Iedere week rond een ander thema, en het kon eigenlijk niet uitblijven dat ooit het geloof aan de beurt zou zijn. Dus welkom in dit denkbeeldige kerktheater, een plek die niet gewijd is en vrij kan ademen, waardoor er ruimte ontstaat voor lichtheid. Een ruimte waar de onwrikbare, soms benauwende ernst van een kerkbankverleden botst met de open, rumoerige levendigheid van een poëziepodium. Hier leken het heilige en het alledaagse elkaar heel even te dulden, tot het heilige tenslotte vervloog; en dat was eerlijk gezegd een bevrijding. Misschien zou het overal zo moeten gaan: dat het aardse het sacrale langzaam maar beslist naar de achtergrond dringt.

Ik zadel u op met drie gedichten die steeds iets anders aanraken van hetzelfde. De conclusie is in alle gevallen hoopvol, tenminste als je bereid bent geloof te zien voor wat het vaak is: een excuus, een aanjager en een dekmantel. Laat even los wat geloof voor u betekent, of juist niet betekent. Laat de middag binnenkomen. Laat de woorden hun eigen weg zoeken.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Een zondag in Lagorce

De kerk is uit, de boeren worden jagers, en schieten
offervaardig een rustdag aan flarden.

Verdreven vogels vluchten in de toren, maar de koster
houdt geen schuilkerk voor vluchtelingen.

Voor zijn late dienst hangt hij zelf in de touwen.
En zie: het regent lood.

De mannen hebben schik om wat hun voor
de loop komt van godswege.

©Ronald van Noorden in De Toverhazelaar | ©2011 Uitgeverij Augustus, ISBN: 9789045705385

Ondergraving

Onze spatels reiken dieper dan het slijk
waarnaar wij ketters ons begeven.
Wij leggen bloot: de toedracht rond een lijk;
dat wil de kerk ons niet vergeven.

Waarheid lag in brokstukken te wachten.
Weten wil vooruit en kent geen grens.
Ons spitwerk ondergroef de wens
die vader was van één gedachte.

Geleerden die ons leerden te wantrouwen,
verkozen weten boven beterweten,
en lieten ons dat bot voor bot herkauwen.

Je hoort ze aan, de bange exegeten,
die hun god de schepping toevertrouwen,
maar ondertussen ga je door met meten.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Novice de Chartres

In het om hem heen gebouwd theater
waar wierook brandde voor de sfeerverhoging
was hij die avond voor zijn gevoel
wel driemaal getrouwd en gescheiden.

Hij verlangde naar buiten. Neukte stiekem,
dus moeizaam en schrijnend, tussen
persoonlijk ontheiligd marmer, onverklaard
blijvende stigmata in zijn lamswollen pijen.

Steeds bevreesder dat z’n lul van z’n lichaam
zou vallen, werd het tijd voor een list
of een wonder; aldus verklaarde hij
zich op de valreep ongelovig.

©Ronald van Noorden in Schrammenbloed | ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Gisteren is VrijMiPo begonnen

De stille introductie van een nu al achterhaalde traditie.

Voor het gedicht dat u zo gaat lezen wilde ik een aanleiding creëren die geworteld was in een geschiedenis die nooit echt tot rust is gekomen. Daarbij dacht ik terug aan iemand die ik werkelijk heb gekend: Richard, een journalist die zijn sporen vooral heeft verdiend in het Midden- en Zuid-Amerika van de jaren tachtig en negentig. Richard schreef altijd vanuit een diep gevoel voor rechtvaardigheid. Hij verslond de nieuwsberichten over El Salvador, Guatemala en Nicaragua. Over boeren, studenten en arbeiders die opstonden tegen dictators die, met stille of openlijke steun van de Verenigde Staten, in het zadel werden gehouden. Hij koos steevast de kant van de onderdrukten, de verdrevenen, de gemartelden. Hij schreef voor linkse bladen, met een felheid die hem niet alleen siert, maar die zijn stukken ook een morele helderheid gaf die destijds weinig journalisten wisten te bereiken.

Maar er was één domein waarop die helderheid wegviel, waarop de nuance zoekraakte: dat van zijn eigen familiegeschiedenis. Richard was de zoon van repatrianten die de Bersiap aan den lijve – of liever: in de nabijheid van hun eigen ouders, vriendengroepen, en afbrokkelende gemeenschappen – hadden gevoeld. Het ging om mensen die beschadigd uit Indonesië waren teruggekeerd, en dat verdriet had zich in Richard vastgezet als een oude splinter die nooit helemaal werd verwijderd of kon uitzweren.

Over het lot van studenten in San Salvador sprak hij met grote empathie en militante solidariteit. Maar zodra het over Indonesië ging, over de onafhankelijkheidsstrijd, de politionele acties, de pemoeda’s, en de complexe verstrengeling van daderschap en slachtofferschap, veranderde zijn toon. Daar kon hij niet meer de journalist zijn die afstand bewaart. Zijn betrokkenheid werd familiair, zijn oordelen hard, zijn redeneringen scheefgetrokken door een loyaliteit die hij niet kon of wilde afleggen.

Voor mijn gedicht besloot ik van die spanning gebruik te maken, maar dan in een fictieve vorm. Ik verzon een oud-journalist (deels geïnspireerd door Richard, deels door de verhalen van andere kinderen van oud-Indiëgangers, KNIL-militairen, Molukkers en Indische Nederlanders) die aan het einde van zijn carrière een boekje publiceert over de Bersiap. In dat boek probeert hij te verklaren waarom dit deel van de geschiedenis volgens hem nooit eerlijk is verteld. Hij bekritiseert de Indonesische zwijgzaamheid over geweld tegen niet-inlanders, maar veracht het idee dat Nederland überhaupt iets te verwijten valt.

Zijn toon is die van iemand die geen rust vindt in het verleden dat hij heeft geërfd. De trauma’s van zijn ouders worden de argumenten van zijn boek; hun angst wordt zijn rechtvaardiging. Hij schrijft niet zozeer om recht te doen aan de geschiedenis, maar om recht te doen aan hen, aan hun pijn, aan wat ze hebben doorstaan; of wat hij meent dat zij hebben doorstaan.

Er gaat een zekere tragiek van uit, juist omdat ik Richard kende: hoe iemand die zo scherp, zo eerlijk, zo moedig kon schrijven over andere wereldconflicten, toch een blinde vlek bewaart voor het koloniale verleden waarvan hij zelf een erfgenaam is. Hoe jammer zou het geweest zijn als mijn vriend die kleine kronkel in een boekje had geperst, alsof hij daarmee niet alleen zijn ouders, maar ook zichzelf wilde vrijpleiten. Gelukkig heeft hij dat gelaten, maar in zijn nalatenschap zijn wel aanzetten tot zo’n poging gevonden.

Wie opgroeit met ouders die verwond zijn, zoekt soms de rest van zijn leven naar een vorm van rechtvaardiging die die wonden verzacht. De fictieve oud-journalist in mijn tekst draagt dat verlangen met zich mee. Niet als een politiek standpunt, maar als een morele erfenis. Uit die spanning, uit dat verlangen naar rechtvaardiging en dat misplaatste morele zelfvertrouwen, ontstond een (gelukkig) nooit geplubliceerd boek alsook het gedicht dat u zo gaat lezen. De ‘je’ die daarin wordt aangesproken is geen werkelijk bestaande persoon, maar een samenstelling van stemmen uit die generatie; een echo van Richard, maar ook van vele anderen.

Misschien, als ik heel eerlijk ben, richt het gedicht zich niet alleen tot die verzonnen man, gebaseerd op een journalist die ik echt heb gekend, maar ook tot een bepaalde versie van mijzelf. Een denkbeeldige ik die óók had kunnen eindigen met een boekje dat eigenlijk meer een verdediging is dan een verhaal. Een ik die krampachtig probeert te bewijzen dat zijn verleden, zijn standpunten, zijn twijfels allemaal een sluitende logica volgen. Zo’n ik die, in zijn pogingen tot rechtvaardiging, alleen maar weerstand oproept en onbedoeld laat zien waar zijn rafelrandjes zitten.

Daartegenover zou dan het andere deel van mij moeten staan: de blogberichtenschrijver van wie u hier een stukje leest, en het parmantige, ouderwets aandoende dichtertje dat ik soms ook ben. Hopelijk zijn dat figuren die geen gelijk hoeven te krijgen. Ik weet niet of dat hier gelukt is. Ik kan mijn andere ikken goed met schamperheid beschrijven, dat wel. Het zou mooi zijn als ik ooit verlost raakte van de hardnekkige drang om iemand – inclusief mezelf – te overtuigen, zodat ik niet steeds wegzink in de modder van goedpraterij en ander zelfbedrog, maar me eenvoudig kan beperken tot het ontmaskeren van waarheden, hoe ongemakkelijk die ook zijn.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Ze leken zo ‘Lucky’ samen

Een Haags powerduo bewees dat het kon: een bestuurlijke chemie van politieke tegenpolen.

In 2012, na de val van Rutte I, kwamen VVD en PvdA als winnaars uit de verkiezingen. De politieke noodzaak dwong hen tot samenwerking in wat de pers al snel het ‘huwelijk van de tegenpolen’ noemde. Toch groeide er iets wat verder ging dan pure coalitie-logica. Tijdens de onderhandelingen bleken Rutte en Samsom elkaar opvallend goed te begrijpen. Waar eerdere formaties verzandden in wantrouwen, wisten zij met humor, intellectuele scherpte en realpolitik een brug te slaan. Journalisten beschreven hun gesprekken als ‘bijna vriendschappelijk’ en ‘met een zekere bewondering voor elkaars kunde’.

Mark Rutte, de eeuwige glimlach in maatpak, een man die elke crisis kon reduceren tot een gezellig gesprekje bij de koffieautomaat. Diederik Samsom, een voormalig kernfysicus die zijn idealen als meetinstrumenten hanteerde. Tussen de rekenkundige ernst van de sociaaldemocraat en de vrolijke soepelheid van de liberaal ontsproot iets wat men, met Haagse ironie, een bromance ging noemen. Waar anderen ruzieden over procentpunten, spraken zij over vertrouwen. Hun samenwerking werd een verstandshuwelijk met momenten van tederheid. Rutte bewonderde Samsoms gedrevenheid, Samsom Rutte’s grenzeloze optimisme.

Rutte waardeerde Samsoms rationele aanpak en wetenschappelijke denkwijze; Samsom bewonderde Ruttes politieke lenigheid en optimisme. Ze konden het fel oneens zijn, maar hadden een soort ondertoon van: we doen dit samen, want we zijn de enigen die dit kunnen. In de media werden ze al snel neergezet als een soort ‘Haags powerduo’. Er stonden koppen in de krant als ‘Rutte en Samsom: het verstandshuwelijk dat liefde werd’, er circuleerden zelfs spotprenten waarop ze als een getrouwd stel werden afgebeeld, wandelend door de regen met één paraplu. De publieke perceptie van hun warme band werd onlosmakelijk verbonden met de humor van buitenaf.

De definitieve verbeelding van de ‘bromance’ kwam van LuckyTV, de satirische rubriek van Sander van de Pavert die dagelijks te zien was in De Wereld Draait Door. Van de Pavert transformeerde de politieke samenwerking in een soapachtige relatie. Het hoogtepunt was de persiflage die volgde op hun gezamenlijke optreden bij Pauw & Witteman, waar de twee leiders opvallend warm en eensgezind over hun regeerakkoord spraken. LuckyTV gebruikte de beelden van hun serieuze gesprek aan tafel, monteerde ze opnieuw, en legde de heren hilarische, gefingeerde dialogen in de mond over hun ‘geheime’ relatie. In de meest besproken scene vertelde Diederik Samson aan de interviewers: “En ik herinner me de eerste avond, dat we tegenover elkaar zaten met een enorme stijve.” De politieke overwinning werd zo een zwoele, intieme bekentenis.

Ik zat destijds met bijna plaatsvervangende schaamte naar de LuckyTV-beelden te kijken. Die geforceerde intimiteit, die blikken over de talkshowtafel, en dan die uitspraak over de “enorme stijve”. Het was zó over de top, zó expliciet, dat ik me even afvroeg of dit wel kon. Toch was het juist deze hilarische, brutale grensverlegging die het fragment zo memorabel maakte. Achteraf beschouwd, markeerde dit moment misschien ook wel een hoogtepunt in de geschiedenis van wat er in humor op de Nederlandse televisie mocht worden gezegd. Ik vraag me weleens af of zo’n persiflage vandaag nog met dezelfde onschuld zou worden ontvangen. De maatschappij lijkt sindsdien op sommige vlakken preutser en gevoeliger geworden.

De LuckyTV-bromance van Rutte en Samsom staat daarmee niet alleen als een politieke grap recht overeind (ja, ik weet het, sorry), maar lijkt me ook als tijdsbeeld voer voor sociologen, communicatiewetenschappers en wie al niet. Ik schrijf dat hier terwijl ik normaal helemaal niet houd van filmpjes waarin men mensen woorden in de mond legt. De effectiviteit van video-editing en voice-overs als framingtechniek is zo groot dat satire de politieke framing ook op een hele foute manier kan beïnvloeden. Daar bestaan talloze voorbeelden van. Dit ‘materiaal’ raakt echter aan politiek, media, humor en de publieke opinie op een manier waardoor het, volgens mij, zoals gezegd, zeer geschikt is voor een analyse door diverse wetenschappelijke disciplines.

Na verloop van tijd begon de coalitie overigens te piepen en te kraken. De PvdA betaalde electorale schade voor de compromissen die Samsom moest sluiten, en zijn partij keerde zich tegen hem. Rutte bleef, Samsom viel, maar volgens insiders hield Rutte tot het laatst respect voor hem. Er wordt zelfs gezegd dat Rutte na Samsoms vertrek “oprecht teleurgesteld” was, omdat hij zelden met iemand zo goed had kunnen samenwerken. De bromance leeft voort in de Haagse overlevering als symbool van een zeldzame samenwerking tussen verstand en gevoel, tussen liberaal en sociaaldemocraat; een korte periode waarin ideologische verschillen even leken te vervagen onder persoonlijke chemie.

Dus Jetten, Yesilgöz, als jullie meelezen…

Het meest berucht werd het filmpje van de twee, gemaakt door LuckyTV. De kracht van deze videopersiflage lag in de knappe montage. Door de gezichten van Rutte en Samsom tijdens hun serieuze interview strak te kaderen en hun lachjes en blikken te isoleren, wist LuckyTV de politieke ernst volledig te ondermijnen. Zo werd het veel meer dan alleen een grap; het is een sociocultureel document. In werkelijkheid konden de twee het uitstekend met elkaar vinden tot het bittere einde. Het was uiteindelijk de kiezer die besloot dat het sprookje geen tweede deel verdiende. Toen het stof neerdaalde, bleef Rutte overeind als de lachende liberaal terwijl Samsom verdween in de mist van zijn eigen achterban, verslonden als hij werd door de twijfel en de teleurstelling die zijn partij van binnenuit verteerde. Maar nogmaals: de LuckyTV-montage is een microkosmos van maatschappelijke dynamieken, waardoor het een uitstekend studieobject is voor elke geleerde die zich bezighoudt met de snijvlakken van politiek, media en cultuur.