Het theater van de knevelaars

Waarom de geconstrueerde leugen altijd struikelt over zijn eigen details.

Ik las dat Hans Croiset de ‘Blijvend Applaus Prijs’ heeft gekregen voor zijn complete oeuvre. Prachtig natuurlijk, maar bij het horen van die achternaam dwalen mijn gedachten steevast af naar Jules. Of beter gezegd, naar die ene, voor de hele familie zo pijnlijke vraag die er altijd aan voorafgaat: welke Croiset had die ontvoering door neonazi’s ook alweer in scène gezet? Het is een typisch geval van wat ik een ‘pleonasme/tautologie-verwarring’ noem; zo’n feitje dat je een paar keer in je leven opzoekt, om het vervolgens weer even vrolijk te vergeten omdat de kwestie je uiteindelijk toch te weinig interesseert.

Terwijl Quentin Tarantino in ‘Inglourious Basterds’ (2009) nazi’s liet merken om hun identiteit onuitwisbaar te maken, hanteerde Jules Croiset het mes in 1987 in spiegelbeeld; hij kerfde het hakenkruis in eigen vlees om een fictieve dadergroep tot leven te wekken. Een macaber staaltje theater dat de gendarmerie al snel als ‘too much information’ doorzag. Het is een even fascinerende als tragische les in opsporingspsychologie. De leugenaar struikelt zelden omdat hij te weinig vertelt, maar omdat hij de werkelijkheid dwingend wil dicteren. Hij overschreeuwt de waarheid met een overvloed aan details, onwetend dat diezelfde details zich als getuigen tegen hem zullen keren.

Het bleek dus om Jules te gaan, de jongere broer. Zijn naam – en die van de rest van de dynastie – raakte in 1987 voorgoed bezoedeld in Namen in België (what’s in a name?). Juist daar zou hij in een hinderlaag zijn gelokt. Hij werd er in een “grote, donkere auto” geduwd en door deze “knevelaars” (echt zo’n theatraal Jules Croiset-woord) onder het uiten van antisemitische dreigementen richting de Franse grens gevoerd.

De zeventigjarige carrière van de negentigjarige Hans interesseert me subiet geen snars meer. Ik wil weer even alles van deze kidnapping weten, of liever: van de “faux-ontvoering” zoals de Belgische gendarmerie het eufemistisch doopte, nadat zij de feitelijke onmogelijkheden van het scenario hadden blootgelegd. Jules wist de recherche in eerste instantie met veel details te voeden, maar hij hield geen rekening met de nuchterheid waarmee zij zijn fantastische scenario naast de logistieke realiteit van zijn Franse soloritje legden.

Hier loopt de geconstrueerde werkelijkheid steevast in de klassieke val: de absolute controle willen behouden door middel van details. Wie de waarheid spreekt, hoeft alleen maar te putten uit een rommelig, organisch geheugen vol gaten en vage herinneringen. Wie daarentegen een leugen fabriceert, voelt de dwingende noodzaak om de toehoorder preventief te overtuigen. Elke ruimte voor twijfel moet vooraf worden geëlimineerd; dus wordt het verhaal dichtgetimmerd met ankerpunten, citaten, logistieke feiten en emotionele inkleuring. Wat de fantast echter over het hoofd ziet, is dat elk verzonnen detail geen versterking van zijn vesting vormt, maar een nieuw feit dat zich pijnlijk leent voor controle. Juist hier openbaart zich de paradox van de overdaad: de leugen verdrinkt niet in een gebrek aan fantasie, maar in een fatale overvloed ervan. Het perfecte script geldt paradoxaal genoeg altijd als de eerste aanwijzing dat er geregisseerd wordt.

Kijken we met die psychologische bril naar Jules Croiset, dan zie je de acteur onwillekeurig de regieaanwijzingen dicteren. Een daadwerkelijk getraumatiseerd slachtoffer van een ontvoering herinnert zich na een bevrijding meestal slechts flarden; de textuur van een bekleding, een specifieke geur of het vage verstrijken van de tijd. Jules niet. Jules herinnerde zich een complete theaterproductie.

Hij wist de gendarmerie destijds haarscherp te vertellen hoe de antisemitische dialogen in die grote, donkere auto klonken, kon de politieke motieven van zijn knevelaars tot in detail fileren en schetste een motief dat zo naadloos paste bij de maatschappelijke storm rond het Fassbinder-toneelstuk, waarin hij een rol vertolkte, dat het wel móést kloppen. Elk personage in zijn auto sprak precies zoals de buitenwereld dacht dat een neonazi zou spreken. Het was dramaturgisch vlekkeloos.

Om dit huiveringwekkende relaas van de vermeende ‘fascistische dreiging’ van het ultieme bewijs te voorzien, ging Croiset in zijn zucht naar realisme zelfs over tot fysieke enscenering. Hij toonde de verbijsterde autoriteiten zijn ontblote borstkas, waarin de ontvoerders met een mes een hakenkruis zouden hebben gekerfd. Het was een even macabere als theatrale afleidingsmanoeuvre; een moreel schild dat kritische vragen kortstondig onmogelijk maakte. Wie twijfelt er immers aan een man die de littekens van de haat fysiek met zich meedraagt?

Precies op die schijnbare perfectie liep hij vast. Het bleek de ultieme overdaad in zijn paradoxale constructie. De rechercheurs in Namen lieten zich namelijk niet gijzelen door de enorme emotionele lading van dit antisemitische drama. Terwijl de publieke opinie in Nederland nog trilde op haar grondvesten, hielden de Belgen het hoofd koel; zij ruilden de morele verontwaardiging in voor de landkaart en de stopwatch. Toen zij de theoretische rijtijden naast de werkelijke chronologie legden, de getuigenverklaringen ter plekke controleerden – waar niemand een worsteling rond een grote auto had gezien – en de benzinetank van Croisets eigen wagen peilden, bleek de logistieke realiteit sterker dan het script. De acteur had simpelweg te veel kruisjes op de kaart gezet.

Toen de gendarmerie hem vervolgens confronteerde met de medische realiteit van het hakenkruis – dat qua hoek en diepte verdacht veel weghad van een zelftoegebrachte wond – en hem ook nog vroeg hoe hij zichzelf met een acrobatisch vernuft dat de gemiddelde boeienkoning jaloers zou maken had weten vast te binden in die Franse kelder, stortte het kaartenhuis in. Het spel was uit. De fantasie was te zwaar geworden voor de dunne ijslaag van de werkelijkheid. Jules bekende dat hij de autorit alleen had afgelegd, de brieven zelf had getypt en het mes in eigen hand had genomen.

In Inglourious Basterds dwingt Aldo Raine de nazi’s om hun ware aard voor altijd op hun voorhoofd te dragen; Jules Croiset kerfde het symbool daarentegen in zijn eigen borst om te veinzen dat hij door hen was belaagd. Dezelfde plastische handeling, maar met een volslagen omgekeerde psychologische dynamiek. Ik ga hier zo op door omdat ik stomtoevallig die film weer eens had opgezet, geheel onwetend dat ik de volgende dag, door de prijstoekenning aan Hans Croiset, aan de automutilatie van zijn broer zou worden herinnerd.

Lezersreactie:

Goed bezig Ronald. Als jij je eenmaal ergens in vastbijt…
(Gertrud Wiesenthal, Braunau am Inn)

Mijn reactie:

Jazeker, Gertrud. En ik zou iedereen die iets te verbergen heeft op neo-nazigebied willen meegeven: treed nooit te veel in detail. Dat is mijn parool aan de zelfverloochenaar: tuig geen complex, overgedetailleerd alternatief verhaal op om een dubieus verleden mee af te dekken. Verdruk de ware geschiedenis als je dat niet kunt laten, maar strooi geen overdaad aan zand in mijn ogen. Dat wekt de onderzoeksjournalist in mij acuut uit zijn tent. Bedenk wel, dat ik afstam van een verzetsman én krantenjongen; het opsporen van verzwegen geschiedenissen zit me in het bloed.
Dank voor je reactie, Gertrud. Hoe staat het met jouw eigen onderzoeken daar? Ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen? We schrijven elkaar weer snel.

De grammatica van de nalatigheid

De ironie van een ethisch dilemma dat over zijn eigen syntactische benen struikelt.

Gisteren stelde iemand mij een vraag die mij direct in een diepe, existentiële crisis stortte. Niet zozeer vanwege de morele zwaarte van het vraagstuk, maar vanwege de totale anarchie waarmee de zinsconstructie op papier was gekwakt. De afzender probeerde een filosofische kwestie aan te snijden, maar lanceerde in plaats daarvan een linguïstische raketaanval op mijn taalgevoel.

De letterlijke tekst luidde:

‘Kan je iemand iets kwalijk nemen dat ie niet gedaan heeft wat wel had moeten gebeuren als diegene daar echt niet opgekomen was?’

Die zin vol kromtaal moest eerst op de wetenschappelijke snijtafel voor hij kon worden beantwoord.

Ik heb de zin drie keer moeten herlezen; niet om de ethische diepgang te doorgronden, maar om simpelweg de taalkundige brokstukken te sorteren. Nadat ik mijn eerste neiging om rode strepen te gaan zetten had onderdrukt, besloot ik de afzender direct te trakteren op een lesje nuchtere zinsanalyse.

Ik schreef het volgende terug:

Ik hoop dat je begrijpt dat de zin een grammaticaal en stilistisch rampgebied is. Het voornaamste struikelblok zit in het slordige gebruik van verwijzende voornaamwoorden en een overschot aan beknopte bijzinnen die over elkaar heen buitelen.

‘…iets kwalijk nemen dat ie niet gedaan heeft wat wel had moeten gebeuren…’

Het woordje dat verwijst hier naar ‘iets’. Direct daarna volgt wat; een voornaamwoord dat eveneens naar een onbepaald ding verwijst (‘wat wel had moeten gebeuren’). Dit zorgt voor een opeenhoping van relatieve bijzinnen die de lezer dwingen om halverwege de rit de taalkundige wegwijzers opnieuw te kalibreren.

‘…als diegene daar echt niet opgekomen was.’

Waar is diegene niet opgekomen? Grammaticaal gezien verwijst ‘daar’ terug naar het dichtstbijzijnde logische element; de volledige constructie ‘wat wel had moeten gebeuren’. Je kunt echter niet ‘op een gebeurtenis komen’. Je komt op een idee, of je denkt aan een taak. De vaste combinatie is ergens op komen (bijvoorbeeld: ‘ik kom niet op het juiste woord’). Hier had het een constructie met aan moeten zijn (‘als diegene daar echt niet aan gedacht had’).

Bovendien breekt het invoegen van ‘wat wel had moeten gebeuren’ de natuurlijke cadans volledig; het is een tussenzin die de hoofdgedachte (‘kun je iemand nalatigheid verwijten?’) onnodig opsplitst.

Als ik de zin herformuleer op een logische manier, is wat je vraagt waarschijnlijk: Kun je iemand een nalatigheid verwijten als diegene er simpelweg nooit aan heeft gedacht?

Maar dan is het nog steeds duister wat er precies met ‘er’ wordt bedoeld. Ik moet dus zelf gaan invullen wat je intentie was:

Kun je iemand een nalatigheid verwijten als het simpelweg nooit in diegene is opgekomen dat er nog een taak op hem lag te wachten?

Of: Kun je iemand een nalatigheid verwijten als diegene er simpelweg nooit bij stil heeft gestaan dat hij die taak nog moest uitvoeren?

Na al deze herinterpretatie van kromtaal, zou ik de geherformuleerde kwestie van toepassing willen laten zijn op de vraagsteller zelf. Toegepast op jouw eigen bericht wordt het dilemma dan:

Kun je iemand de inzending van zo’n cryptische zin verwijten, als diegene er simpelweg nooit aan heeft gedacht dat een lezer er ook nog chocola van moet kunnen maken?

Of: Kun je jou de constructie van dit stilistische rampgebied wel kwalijk nemen, als je er simpelweg nooit bij stil hebt gestaan dat een zin ook nog aan de wetten van de logica moet voldoen?

Of, dichter bij je eigen tekst blijvend: kun je jou deze taalkundige nalatigheid eigenlijk wel verwijten, als het simpelweg nooit in je is opgekomen dat er nog een fatsoenlijke grammaticale structuur op je lag te wachten?

In dat specifieke geval zou ik je inderdaad niets verwijten; maar je wel een spottend antwoord geven.

Lezersreactie:
Waarom zo onhebbelijk Ronald?
(Agaath, Woudsend)

Mijn antwoord:
Dat ging inderdaad door mij heen: dat mijn toon nogal streng was en ik onaangenaam over kon komen. Zou ik een gevoelsarm mens zijn? Waarom struikel ik over hoe een vraag wordt geformuleerd en ga ik niet meteen in op de intentie van de vraagsteller? Mijn excuus zou dan zijn: omdat zelfs de achterliggende bedoeling van de vraag mij niet duidelijk werd. Er was voor mijn gevoel geen beleefdere uitweg mogelijk. Ik kon dus niet anders dan eerst over die kromtaal vallen.

Redeloze reddingsoperaties

Onze on demand cultuur streamt voor een habbekrats onze eigen exposities.

De argumenten om kwijnende musea te redden vertonen vaak een treffende gelijkenis; ook al zijn deze instellingen volstrekt verschillend wat collecties, thema’s, onderwerpen en ambities betreft.

Omdat ik in Rotterdam om de hoek woonde van het Nationaal Onderwijsmuseum liep ik er vaak naar binnen. Het gebouw was rustgevend door z’n stilte, z’n oudheid en z’n grootte. Wat velen bij het bezoek aan een heiligdom of een park ervaren, ervoer ik daar: een totale onthechting van de waan van de dag in een ruimte met een tijdloze sereniteit die elke aardse ruis buitensloot.

De pleidooien voor kwijnende musea zijn pijnlijk inwisselbaar. Ze herhalen dezelfde clichés, terwijl onze eigen internetverbindingen veel van die traditionele instituten overbodig maken. Bovendien biedt ons eigen huis ook vaak een weldadige stilte waarin de buitenwereld ophoudt te bestaan.

Eerlijk gezegd deed het tentoongestelde me nooit zoveel of althans: niet genoeg. Welke speciale expositie er ook was opgetuigd, het wist de lethargie nooit helemaal uit de zalen te jagen. Ook de vaste collectie had het niet; ze maakte een uitgeputte indruk. Niet dat ik dit erg vond. De allesbepalende sfeer voelde altijd goed. Ik was én van de straat én ik zat niet thuis. Bovendien deed ik iets cultureels en iets ogenschijnlijk verstandigs.

Nu dreigt het doek te vallen voor dit museum.

Natuurlijk luiden de academici direct de noodklok in de kwaliteitskranten. Een land dat zijn eigen educatieve geschiedenis bij het grofvuil zet, zo waarschuwen historici plechtig, verliest niet zomaar een gebouw, maar zijn collectieve geheugen. Zonder dit ‘kompas’ zouden we prompt vergeten wie we zijn en ondergraven we zelfs onze democratische fundamenten. Het museum is immers geen stoffige opslag, maar een maatschappelijk laboratorium.

Het zijn ronkende, bijkans existentiële argumenten voor een instituut waar ik vooral kwam om even niet thuis te hoeven zitten. En zo zijn we terug bij het begin: welk kwijnend museum er ook gered moet worden, de verdedigingslinies worden overal met dezelfde grote woorden opgetrokken.

Hoe fraai die pleidooien ook klinken, ze hebben hun langste tijd gehad. Ze missen simpelweg overtuigingskracht in een tijdperk waarin de computer de muren van het museum heeft gesloopt. Waarom zou de burger nog naar een fysiek instituut pelgrimeren als alle denkbare informatie over welk onderwerp dan ook met één muisklik te voorschijn flitst? Inclusief alle auditieve, filmische, optische en sensorische middelen die de techniek ons biedt. Kortom: iedereen met een internetverbinding richt vandaag de dag voor een habbekrats zijn eigen kunsttempel of rariteitenkabinet op.

We zeggen het traditionele museumbezoek vaarwel op exact dezelfde manier waarop we het lineaire televisiekijken de rug toe keren. We consumeren niet langer lijdzaam wat een extern comité van conservatoren of programmamakers voor ons heeft klaargezet. De moderne mens is de soevereine regisseur geworden van zijn eigen informatieverschaffing. Wie behoefte heeft aan onderwijsgeschiedenis, stelt zijn eigen chronologie samen; gepersonaliseerd, on demand en zonder de geur van spaanplaat en suppoosten.

De treurige conclusie is dan ook dat de traditionele museumlobby vecht tegen de bierkaai. Haar argumenten zijn niet zozeer vals, ze zijn vooral hopeloos anachronistisch. Ik stel voor dat we de musea ontdoen van hun stoffige ballast, maar de burger wel het genoegen blijven bieden van de adembenemende, verstilde ruimte zelf. Dat geeft hem voldoende reden om af en toe zijn huis te verlaten, dat, met een beetje geluk, overigens ook vaak in staat is om het straatrumoer en het profane leven buiten de deur te houden.

Niemand danst in zuiver daglicht

Breaking Bad is de ultieme parade van verborgen agenda’s.

Wanneer de fysieke uitputting van het klussen in mijn ‘nieuwe’ woning me te veel werd, bood de televisie de perfecte vluchtroute. Ik zeeg neer in mijn getrouwe binge-stoel en besloot Breaking Bad nogmaals in zijn geheel te consumeren. Vijf dagen; langer had ik niet nodig. Een prestatie die het midden houdt tussen bewonderenswaardige focus en acute schaamte over mijn gebrek aan doe-het-zelf-discipline.

Een ‘grappig’ contrast met de hoofdrolspelers is, dat de ‘Salamanca-Twins’ juist geen last hebben van een dubbelleven. Geen geheimen, geen dilemma’s: gewoon pure, onvervalste, en bloedstollende moordlustige toewijding. Hun agenda blijkt glashelder: dood en verderf zaaien. Zonder enige twijfel en met een angstaanjagende efficiëntie. Hun eendimensionale meedogenloosheid houdt welgeteld zeven afleveringen stand; daarna is het definitief gedaan met hun zwijgzame terreur. (Deze bewerkte ‘dik aangezette’ weergave van de broers door Luiz Henrique wordt afgedrukt met impliciete toestemming.)

Tijdens deze adembenemende herhaling schrok ik van mijn eerdere oppervlakkigheid. Wat had ik de eerste keer veel gemist; of was ik simpelweg vergeten hoe vernuftig deze Griekse tragedie in elkaar steekt? Het overkoepelende thema dat zich ditmaal onbarmhartig aan mij opdrong, was niet de drugshandel, maar het sinistere dubbelleven van praktisch elk hoofdpersonage. Niemand danst puur in het daglicht in deze serie.

Waarschuwing vooraf: Mocht je de afgelopen vijftien jaar onder een steen hebben geleefd en deze serie nog willen bekijken; hierna volgen monumentale spoilers. je bent gewaarschuwd.

Walter White:
In de buitenwereld kennen we hem als de sullige, ietwat meelijwekkende scheikundeleraar in een beige pantalon die worstelt met een terminale diagnose. Dat is de man die meelij opwekt. Achter die façade schuilt echter Heisenberg; een rücksichtloze, narcistische drugskoning die kickt op macht, manipulatie en puur gevaar. Waar hij aanvankelijk beweert de criminaliteit in te gaan voor het financiële welzijn van zijn gezin, blijkt zijn ware drijfveer vele malen donkerder: hij vindt het heerlijk om de almachtige schurk te zijn.

Skyler White:
Zij presenteert zich steevast als de bezorgde, moreel superieure huisvrouw en zwangere moeder die koste wat kost de schone schijn probeert op te houden. Haar verborgen realiteit is die van een uiterst kille, berekenende witwasser en strateeg. Zodra ze de omvang van Walts imperium doorgrondt, transformeert ze in een medeplichtige die koudbloedig adviseert over het monddood maken van getuigen; om over haar discrete buitenechtelijke escapade met haar baas nog maar te zwijgen.

Hank Schrader:
Voor zijn collega’s en familie is Hank de ultieme alfaman; de luidruchtige DEA-agent die flauwe grappen maakt over criminelen en absolute onkwetsbaarheid uitstraalt. In werkelijkheid is hij een doodsbange, kwetsbare man die kampt met zware paniekaanvallen en posttraumatische stress. Hank verbergt zijn psychologische breekbaarheid achter een dikke laag machismo en stort zich obsessief op de jacht naar Heisenberg om zijn eigen interne demonen te negeren.

Marie Schrader:
Marie ontmoeten we als de perfectionistische, ietwat bemoeizieke verpleegkundige die altijd klaarstaat met ongevraagd advies en een lichte obsessie voor de kleur paars. Haar schaduwzijde is die van een dwangmatige kleptomane en pathologische leugenaar. Wanneer de spanningen thuis ondragelijk worden, steelt ze dure spullen uit openhuizen en verzint ze complete alternatieve levens voor zichzelf om aan haar eigen benauwde realiteit te ontsnappen.

Gustavo Fring:
De stad kent hem als een gerespecteerde, filantropische ondernemer; de eigenaar van een succesvolle fastfoodketen en een gulle steunpilaar van de lokale gemeenschap. Achter die vriendelijke glimlach schuilt een ijskoude, angstaanjagend efficiënte drugslord met een onverzadigbare drang naar wraak. Gus is een sociopaat met twee gezichten wiens gehele imperium eigenlijk slechts een instrument is om de executie van zijn voormalige partner te wreken.

Saul Goodman:
Zijn publieke persona is dat van de flamboyante, ietwat komische ‘criminele’ advocaat die de wet buigt met glanzende reclamespots en goedkope praatjes. De man achter dit masker is een diep cynische, tragische opportunist die alle morele grenzen heeft weggedrukt. Onder de felle colberts schuilt Jimmy McGill; een man die zijn eigen trauma’s en schuldgevoelens over de dood van zijn broer overschreeuwt door volledig op te gaan in een moreel corrupt personage.

Mike Ehrmantraut:
Op het eerste gezicht is hij de norse, zwijgzame opa die liefdevol op de kleinkinderen past en overdag parkeertickets controleert bij de rechtbank. Zijn geheime leven is dat van een voormalige corrupte agent en een dodelijk efficiënte huurmoordenaar. Mike leeft in een strikt gecompartimenteerde realiteit waarin hij zijn gruwelijke werkzaamheden volledig loskoppelt van zijn rol als zorgzame grootvader.

En dan is er de grote uitzondering op de regel. Waar ieder ander personage een beschaafd masker opzet om een innerlijk monster of een diep gebrek te camoufleren, bewandelt Jesse Pinkman de omgekeerde weg.

Zijn publieke gezicht is dat van een luidruchtige, opstandige ‘wanna-be gangster’ die grossiert in straattaal, goedkope drugs en een schijnbaar totaal gebrek aan fatsoen. Maar zijn schaduwzijde herbergt een diep getraumatiseerde, empathische ziel met een verrassend zuiver moreel kompas.

Jesses geheim is niet dat hij slechter is dan hij zich voordoet; zijn geheim is dat hij juist inherent goed is. Hij is een beschadigde jongen die wanhopig zoekt naar goedkeuring en liefde, maar gevangen raakt in een web van sociopaten. Zijn verborgen kant is een diepe kwetsbaarheid en een oprecht beschermend instinct voor de zwaksten in de samenleving, met name verwaarloosde kinderen. Waar Walter White transformeert van mens naar monster, blijft Jesse tegen de klippen op zijn menselijkheid bevechten. Dat maakt hem niet alleen het meest tragische personage van de serie, maar ook het eigenlijke morele anker.

Het mechanisme achter al deze dubbellevens is overigens fascinerend. In de psychologie spreekt men van cognitieve dissonantie wanneer iemands daden niet stroken met zijn zelfbeeld. Om die spanning te overleven, splitsen deze personages hun persoonlijkheid op. Het is een wetenschappelijk verklaarbaar overlevingsmechanisme; al is de uitwerking in dit geval destructief.

Al met al een geruststellende gedachte terwijl ik na mijn binge-sessies naar mijn eigen onaffe muren stond te kijken: mijn huis mocht dan een puinhoop zijn, ik heb tenminste geen miljoenen aan drugsgeld in de kruipruimte liggen. Althans; dat houd ik mijn buren voorlopig voor.

Loafa is bro̊dno̊dig IKEA

Een koude keuken maakt een magere buik (Zweeds spreekwoord).

Beste klantenservice / food-redactie / klachtenpanel / menucommissie / assortimentsmanager,

Afgelopen vrijdag 5 juni brachten we rond de klok van twaalf uur ’s middags een bezoek aan het restaurant in uw vestiging. Onze magen knorden en we hadden onze zinnen gezet op een eenvoudige lunch: een belegd broodje met kip.

Neem het ontwerp van de broodjesbank van de Canadese kunstenares Gab Bois. De rapper Tommy Cash plaatste een foto op Instagram waarop hij zichzelf gefotoshopped poseert op deze kussenzachte zitting, met het bijschrift: “IKEA zal de ‘Loafa’ uitbrengen als we 10.000 reacties onder dit bericht krijgen, zo werd mij verteld! Laten we aantonen dat we dit brood écht nodig hebben.” (Het gaat hier om een digitaal gemanipuleerd beeld van een fictief product; IKEA heeft dit meubelstuk nooit daadwerkelijk uitgegeven, en deze publicatie vindt plaats op basis van veronderstelde artistieke vrijheid). Hoeveel stemmen, zo vragen wij ons af, zouden er nodig zijn om de koude lunchkeuken terug te brengen in de IKEA-winkels?

Tot onze verbazing troffen we bij de desbetreffende counters een volstrekt leeg schap aan. Er was op het gebied van broodjes, salades of alternatieve koude snacks werkelijk niets te krijgen. De enige opties die werden aangeboden waren appelgebak en een warme lunch. Vanwege dit beperkte aanbod was het extreem druk bij het afhaalgedeelte voor de warme maaltijden; men werd immers massaal die kant op gedreven.

Omdat we geen behoefte hadden aan een avondmaaltijd als lunch (wij associeren warm met avondeten), spraken we een van uw restaurantmedewerkers aan met de vraag of er niet toch iets van de broodjesbalie te krijgen was. Na enig overleg kwamen we uit bij een pitabroodje kip. De medewerkster was zo vriendelijk om er twee voor ons uit de koelruimte te halen. Wel gaf zij de waarschuwing mee dat het product ‘nog wat koud’ kon zijn.

Dat hebben we geweten. Bij de eerste hap bleek dat de kwalificatie ‘wat koud’ de lading absoluut niet dekte; de complete broodjes, inclusief alle ingrediënten, waren halfbevroren. Het moge duidelijk zijn dat dit de restauratieve ervaring niet bepaald ten goede kwam.

Naar aanleiding van dit opmerkelijke bezoek zitten we met een tweetal vragen die we graag beantwoord zien:

  1. Is dit gebruikelijk? Behoort het tot de normale procedure binnen uw restaurants dat er op een regulier lunchtijdstip (rond 12:00 uur) totaal geen alternatieven voor een warme maaltijd in de schappen liggen?
  2. Is dit de bedoeling? Worden de broodjes standaard diepgevroren aan de klant meegegeven, of ging hier in de logistieke planning en ontdooitijd simpelweg iets mis?

We zien uw reactie en de opheldering met veel belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Disclaimer!
Nogmaals voor de goede orde en ter voorkoming van logistieke misverstanden: de hierboven getoonde afbeelding betreft een artistieke, digitale bewerking. Er is geen sprake van een daadwerkelijke commerciële uitgave door IKEA, noch is er getornd aan de intellectuele eigendomsrechten van de meubelketen. De ‘Loafa’ bestaat louter als gesupposeerd concept; eventuele toestemming voor deze publicatie is derhalve uitsluitend hypothetisch van aard.

Lezersreacties:

Wat een heerlijke tirade, Ronald! Ik herken die acute lunch-wanhoop zo goed. Je sjokt urenlang door die doolhof van Zweeds spaanplaat, je overleeft de kussensafdeling en de geurkaarsenhel, en als beloning krijg je een lauwe, treurige pita waar de moed spontaan uit wegzakt. Dit is geen menukaart, dit is een aan aanfluiting. Hulde voor deze pennevrucht!
Saskia van der Meulen, Velp

Hoewel ik uw stilistische souplesse en het ironische gebruik van ‘foodservice-redactie c.q. klachtenpanel’ ten zeerste kan waarderen, vind ik de teneur ietwat frivool. Men gaat immers naar deze etablissementen voor de betaalbare inbussleutels en de herfstachtige gehaktballetjes; niet voor de haute cuisine. Uw verwachtingsmanagement omtrent de koude keuken getuigt mijns inziens van een ietwat misplaatst optimisme.
Ingmar&DeKlos

Ik mijd die blauw-gele doos op Duiven sowieso rond het middaguur. Kan ik jullie aanraden.
Jos, Arnhem

Nou Ronald, je kunt er natuurlijk een heel proefschrift over schrijven, maar volgens mij weet iedereen inmiddels wel dat de kwaliteit van die IKEA-restaurants sinds de pandemie drastisch is gekelderd. Dat is gewoon een kwestie van winstmaximalisatie en datagedreven besparingen. Dat zie je overal in de retail. Een beetje consumentenjournalist had dat direct in de eerste alinea benoemd in plaats van te mierenneuken over een pita kip.
Paul_V

Prachtig verwoord. De McNamara-fallacy in de praktijk: als je de tevredenheid over een broodje kaas niet direct in een Excel-sheet kunt uitdrukken, dan schrap je de hele koude lunchkeuken maar. Ik hoop dat de assortimentsmanager zich diep schaemt.
Anoniem

Een weekend vol lawaai

Decibel-debielen en een rappende fascist, maar nee, ik zal niet schelden; alleen een beetje muggenziften.

Afgelopen weekend leek Arnhem het toneel van een merkwaardige wedstrijd: welke geluidsbron wist het verst de persoonlijke levenssfeer van anderen binnen te dringen? Aan de ene kant was er het Free Your Mind Festival op de Stadsblokken. Aan de andere kant trad Ye – beter bekend als Kanye West – op in het Gelredome. Over de controverses rond deze artiest, zijn publieke uitspraken en zijn plaats in het hedendaagse culturele landschap valt veel te zeggen. Misschien kom ik daar een andere keer op terug. Voor nu beperk ik mij tot iets veel concreters: de herrie.

De Volkskrant sprak bewonderend over een ‘oorverdovende synthbas’ en een ‘draaikolk van basfrequenties’. Opmerkelijk hoe geluidsoverlast van toon verandert zodra een zogenaamde kunstkenner ervoor applaudisseert. Voor de muziekrecensent zijn trillende neusvleugels en een allesverzengende geluidsmuur tekenen van artistieke grootsheid. Voor de omwonende zijn het vooral redenen om naar de klok te kijken. Wat de één ervaart als een kosmische muziekbeleving, beschrijft de ander als acht uur lang ongevraagde dreunen. Opmerkelijk genoeg heeft vooral de eerste ervaring een eigen vocabulaire ontwikkeld: ‘spectaculair’, ‘krankzinnig’, ‘overweldigend’. De tweede heet simpelweg klagen.

Op de Stadsblokken dreunde urenlang EDM1 over de uiterwaarden. Wie van die muziek houdt, zal dat ongetwijfeld als een feest hebben ervaren. Maar voor duizenden anderen betekende het iets anders: een dag lang onvrijwillig meeluisteren. Lage bastonen houden zich immers niet aan gemeentegrenzen of persoonlijke voorkeuren. Ze trekken zich weinig aan van gesloten ramen, slaapkamers of de wens om een rustige zaterdagavond door te brengen.

Merkwaardig genoeg wordt dergelijke overlast tegenwoordig bijna automatisch gelegitimeerd. Zodra een festival eenmaal populariteit geniet, muteert de overlast in een ‘nobele bijdrage’ aan de levendigheid van de stad; een herrie die omwonenden maar te slikken hebben. Wie klaagt, krijgt al snel het verwijt dat hij niet met zijn tijd meegaat, zuur is geworden of jongeren hun plezier niet gunt.

Maar waarom eigenlijk? Waarom geldt de behoefte van duizenden festivalbezoekers aan luid amusement als een zwaarder belang dan de behoefte van bewoners aan rust in hun eigen huis? Die vraag wordt opmerkelijk zelden gesteld.

Natuurlijk is een stad geen bibliotheek. Samenleven betekent dat mensen elkaar soms tot last zijn. Dat geldt voor verkeer, bouwprojecten, sportevenementen en festivals. Volledige stilte kan niemand claimen. Toch lijkt er de laatste jaren een verschuiving te hebben plaatsgevonden. Waar vroeger werd geprobeerd om overlast zoveel mogelijk te beperken, lijkt tegenwoordig vooral gezocht te worden naar manieren om haar te rechtvaardigen.

Neem de eindtijd van middernacht. Die wordt vaak gepresenteerd als een genereuze concessie aan omwonenden. Alsof burgers dankbaar zouden moeten zijn dat de muziek niet nog langer doorgaat. Maar tegen die tijd hebben velen al acht uur onafgebroken basdreunen moeten verdragen. De vraag is dan niet of het om twaalf uur stopt, maar waarom zulke intensieve geluidsoverlast überhaupt als normaal wordt beschouwd.

Afgelopen weekend bleek die eindtijd bovendien niet eens het werkelijke einde. Na de muziek volgde vuurwerk. Waarom precies, blijft een raadsel. Alsof de boodschap moest zijn dat de stilte vooral niet te vroeg mocht terugkeren. Daarna ging het feest op sommige plekken informeel verder. Het officiële einde bleek in de praktijk vooral een administratief begrip.

Wat mij misschien nog het meest fascineert, is de culturele verandering die hierachter schuilgaat. Veel mensen hebben hun oordeel over populaire cultuur grotendeels opgeschort. Niet omdat ze alles werkelijk waarderen, maar omdat ze bang zijn om als ouderwets of elitair te worden weggezet. Het idee dat men onderscheid mag maken tussen verschillende vormen van cultuur lijkt verdacht te zijn geworden.

Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie. Iedereen heeft voorkeuren, maar bijna niemand durft ze te verdedigen. Men spreekt liever over smaak alsof alle smaken noodzakelijkerwijs gelijkwaardig zijn. Wie kritiek heeft op een muziekstijl, een festivalcultuur of een bepaalde vorm van massavermaak, wordt al snel beschuldigd van arrogantie.

Maar cultuurkritiek is niet hetzelfde als minachting voor mensen. Je kunt erkennen dat duizenden bezoekers oprecht genieten van een dancefestival en tegelijkertijd constateren dat een samenleving die steeds meer lawaai produceert misschien ook iets verliest. Rust bijvoorbeeld. Concentratie. Reflectie. Het vermogen om niet voortdurend geprikkeld te worden.

“Brood en spelen” was ooit een politieke strategie om de bevolking tevreden te houden. De moderne variant lijkt vooral uit steeds luidere en steeds grotere evenementen te bestaan. Alsof iedere leegte onmiddellijk moet worden opgevuld met geluid, licht, spektakel en afleiding.

Misschien blijft dit uiteindelijk de vraag die mij bezighoudt. Niet waarom mensen naar festivals gaan; zij zoeken ontspanning, een volstrekt legitiem streven. De werkelijke kwestie draait om de vraag waarom ontspanning zo vaak alleen nog denkbaar lijkt in de vorm van maximale prikkeling. Waarom stilte steeds verder transformeert tot een zeldzaamheid, terwijl lawaai aan terrein wint.

En waarom degene die rust zoekt zich steeds vaker moet verantwoorden, terwijl degene die haar verstoort dat nauwelijks hoeft te doen.

  1. EDM, oftewel Electronic Dance Music. Als het specifiek gaat over de subcultuur van nachtenlang doorhalen in duistere loodsen of op massale weides, spreken we simpelweg van ravemuziek of dancemuziek. Binnen die gigantische vergaarbak hangt het er maar net vanaf hoe hard die bas precies beukt en hoe snel die beats per minuut (BPM) elkaar opvolgen. De geschiedenis heeft de neiging om deze geluiden op te knippen in nogal specifieke smaken: House, Techno, Trance, Hardcore/Gabber, vraag me niet wat het precies was wat ik twee avonden moest aanhoren. ↩︎

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Paul kwakelt hooghartige shit

Over de logica van de betweter, de wetten van de steekproef en waarom ‘iedereen’ het mis heeft.

M: Ken jij het ezelsbruggetje: Piet koopt hoge schoenen?

R: De beginletters verwijzen naar de grachten van Amsterdam, is het niet? Ben je dingen voor jezelf op een rijtje aan het zetten?

M: Nee. Iemand zei dat iedereen in Nederland dit kent, maar ik kende het niet. Dus nu doe ik een klein onderzoekje.

R: ‘Iedereen’ is een onhoudbare generalisatie in vrijwel elke bewering. Als je dat woord op die manier gebruikt, krijgt het direct iets denigrerends. Het wordt, volgens mij, vooral gebezigd door iemand met een beperkte kennis, die het weinige dat hij weet zo maximaal mogelijk wil uitbuiten om status te claimen.

M: Kan het ook gewoon zijn dat diegene er oprecht van overtuigd was dat dit tot de algemene kennis behoort? Misschien is dat ook zo en ben ik de enige die dit gemist heeft.

R: Als die persoon daarvan uitgaat, is hij onvoldoende doordrongen van de statistische werkelijkheid. Het woord ‘iedereen’ wordt hier misbruikt als retorische stijlfiguur. Trap er niet in; hij past een semantisch trucje toe om autoriteit te veinzen. Met dit persoonlijke onderzoekje buig je voor zijn imponeringsgedrag. Zo wek je de indruk dat het zinvol is om ongefundeerde claims te poneren. Ik zou de bewering simpelweg als deductief onjuist kwalificeren en er verder geen intellectuele energie aan verspillen.

M: Het staat nu 3-1. Mijn moeder en een vriendin kenden het ezelsbruggetje ook direct.

R: Wat de eindstand van je steekproef ook wordt, de omvang ervan is irrelevant. Je hebt de universele claim allang gefalsifieerd. Jouw uitzonderingspositie vormt het zwarte schaap dat de stelling dat ‘alle zwanen wit zijn’ eigenhandig slacht. Die ene stem van jou zegt logisch gezien genoeg. Wat ik je op het hart wil drukken is: vind jezelf belangrijk genoeg om de onhoudbaarheid van andermans borrelpraat in te zien, zonder dat je daar eerst een heel databestand voor aanlegt.

M: Wat maak jij er een gigantische big deal van! Ik vraag gewoon wat rond, ik ben geen wetenschappelijk onderzoek aan het optuigen. Ik was gewoon onzeker of ik een gat in mijn opvoeding had. Waarom moet alles bij jou altijd meteen veranderen in een intellectuele loopgravenoorlog?

R: Mag ik je vragen of er toevallig een man achter deze absolute stelling zat?

M: Het was Paul.

R: Ah. Paul laat weer eens van zich horen. Als ik het niet dacht.

M: Pfffff. Wat doet de persoon er nou toe? Waarom sleep je dat er in hemelsnaam bij?

R: Omdat de afzender in dit geval de hele lading dekt.

M: Begrijp je dat ik dit een enorm negatieve en vermoeiende benadering vind?

R: Niet echt, want ik neem het hier voor je op. Jij plooit je naar de arrogantie van iemand die zomaar wat roept. Je had, vind ik, wat geëmancipeerder en autonomer kunnen reageren op zijn stelligheid.

M: Dit heeft werkelijk ab-so-luut niets met emancipatie te maken! Ik vroeg me gewoon iets af en jij kaapt mijn onschuldige nieuwsgierigheid om je eigen vete met Paul uit te vechten. Je neemt het helemaal niet voor me op. Je vindt het maar niks hoe ik hiermee omga. Je kleineert me waar ik bij sta.

R: Paul gedraagt zich als het ultieme schoolvoorbeeld van een mansplainer.

M: En ondertussen wil jij mij even haarfijn uitleggen hoe ik had moeten reageren en wat ik moet voelen. Wie is hier nu eigenlijk de mansplainer?

R: Dit is geen uitleggen, ik formuleer slechts een wens over hoe je je eigen autonomie kunt beschermen. Bovendien doe ik dat zonder enig gevoel van patriarchale of intellectuele superioriteit. Daarnaast pas ik simpelweg wat elementaire logica toe: als jij – en jij alleen, te midden van duizend anderen – nog nooit van het ezelsbruggetje hebt gehoord, maakt dat de stelling dat ‘iedereen’ het kent logisch onhoudbaar. Dat is geen mening, dat is een feit.

M: Nu doe je het wéér! Je verpakt je betweterigheid in een theoretische mal om je gelijk te halen!

R: Ik geef juist aan dat jouw individuele stem afdoende is; dat jij het als persoon meer dan waard bent om die claim direct te verwerpen, wat jou in feite superieur maakt aan de waardeloze stellingnemer. Ik hoop simpelweg dat mensen die mij lief zijn niet buigen voor iemand die ten onrechte stellig is.

M: Zoals jij nu doet bedoel je?

R: Als ik me ten onrechte stellig uitlaat over een falsifieerbare zaak, hoop ik net zozeer dat mensen mij met argumenten corrigeren. Maar in dit specifieke geval stel ik louter vast dat iemand een onhoudbare stelling lanceert. En roep ik jou op, als vriend, om die onzin met gepast disrespect te behandelen.

M: Jouw hele reactie is volkomen misplaatst. Waarom moet je altijd zo rücksichtslos arrogant en drammerig zijn als je denkt dat je de logica aan je zijde hebt? Ik vind het zo ontzettend onnodig en kwetsend.

R: Dat is jouw perceptie, en die staat je vrij. Arrogantie en drammerigheid zijn echter psychologische kwalificaties; iets wezenlijk anders dan analytische stelligheid, waaraan ik me in deze niet schuldig maak. Je vindt me een arrogante zak. Dat kan. Dat aanvaard ik als de prijs voor de waarheid.

M: Je bent er zo heilig van overtuigd dat je de waarheid in pacht hebt. Dat is exact dezelfde stelligheid waar je Paul van beschuldigt.

R: Dat jij dat zo ervaart, maakt het onaanvechtbaar; een subjectief gevoel onttrekt zich immers per definitie aan de logica. Maar epistemologische stelligheid en psychologische zelfovertuiging zijn twee volstrekt verschillende grootheden.

M: Wat een schitterend theoretisch rookgordijn. Dus omdat jij Pauls uitspraak epistemologisch noemt, en die van jou niet, is jouw betweterigheid heilig?

R: Nou heilig; in ieder geval van kritiek ontheven. Stelligheid is een eigenschap van de gedane bewering; zelfovertuiging is een karaktertrek van de persoon. Waar die eerste vorm van overtuigingskracht expliciet uitdaagt tot inhoudelijk verzet en tegenargumenten, blijft de tweede variant volstrekt immuun voor de rede. Stelligheid kun je direct aanvechten door feitelijk aan te tonen dat de claim onterecht is. Zelfovertuiging biedt die opening niet; die laat zich door geen enkel rationeel argument bestrijden. Kortom: stelligheid is falsifieerbaar, zelfovertuiging is hooguit laakbaar. Jij falsifieerde Pauls stelling met één adequate, goudeerlijke reactie. Het enige wat ik wilde aangeven, was: dat volstond, daar had je het bij kunnen laten. Niet dat ik je daartoe kon verplichten, dat zou immers pas echt autoritair en arrogant zijn. Maar omwille van de intellectuele hygiëne richting de vertolker van het misplaatste aplomb, had ik het simpelweg wenselijk gevonden.

M: Prachtig geformuleerd hoor. Maar onderaan de streep zit ik hier met een vriend die zich gedraagt als een arrogante zak, puur omdat hij me wilde beschermen tegen Paul. Het is fascinerend: jij kunt het op zo’n manier voor me opnemen dat ik je na afloop een enorme lul vind. Schiet mij maar lek.

Wat meer naar achteren

Het gat dat Esther slaat, vul je niet zomaar met een nieuw gezicht.

Iedere keer als er een leider weggaat in een partij controleer ik welke functieterm men hanteert voor de vacant geworden baan. Esther Ouwehand stapt op als ‘fractieleider’ maar in krantenkoppen staat ook vaak ‘fractievoorzitter’. Christine Teunissen neemt per direct de dagelijkse aanvoering en het handwerk binnen de Tweede Kamer over, dus die functie is vergeven. Ja, fractieleider (media-term) en fractievoorzitter (officiële term) mag je door elkaar gebruiken. De genoemde werknemer stuurt de club aan die daadwerkelijk in de Tweede Kamer zit. Het is een fulltimebaan die zich puur afspeelt binnen de muren van het parlement, waarbij men voorgaat in het voeren van debatten, wetsvoorstellen indient en dagelijkse Haagse politiek bedrijft.

Misschien ben ik niet geschikt om voor een representatieve, louter rationele stemmer door te gaan. Hoewel ik viel voor haar glasheldere idealen en de eloquente wijze waarop ze die etaleerde, speelde er een zwaktebod mee: een vorm van vooringenomenheid die ik liever voor mezelf houd. Charisma is een fenomeen dat je nooit slechts rationeel kunt verklaren. Laten we zeggen dat de politieke arena er met haar vertrek als partijboegbeeld een stuk minder elegant op wordt. Maar gelukkig blijft ze wel in de Kamer.

Esther is nooit partijvoorzitter geweest; degene die sinds 25 maart 2024 deze interne, bestuurlijke functie bekleedt heet Zwanny Naber. Zij volgde destijds Michiel Knol op, die de rol tijdelijk ad interim had waargenomen na het nogal tumultueuze vertrek van de daarvoor zittende voorzitter, Ruud van der Velden. Het partijvoorzitterschap behelst de minst zichtbare, maar organisatorisch wel heel belangrijke rol van interne verenigingsbaas. Deze persoon zit niet in de Tweede Kamer en bedrijft geen actuele politiek. De partijvoorzitter leidt de vereniging achter de schermen: de financiën, het organiseren van congressen, het selecteren van kandidaat-Kamerleden en het sussen van interne ruzies. Alleen al dat laatste zou bij de PvdD een hele enerverende taak worden.

Tot nu toe alles helder. Maar naast de manager van de kamerleden en de interne verenigingschef blijkt er ook nog behoefte aan een landelijk boegbeeld dat luistert naar de term ‘politiek leider’ (officieel) of ‘partijleider’ (media-term). Dit is het gezicht op de verkiezingsposter. De persoon die de ideologische koers uitzet, de grote interviews geeft en de partij vertegenwoordigt naar de hele samenleving. Vaak bezet de politiek leider ook stoel 1 (zoals Ouwehand deed), maar dat hoeft niet. Wat Esther Ouwehand betreft, kan ik melden dat zij naast de functie van fractievoorzitter de rol van partijleider heeft neergelegd zonder meteen een vervanger te noemen; de partij is vanaf nu dus officieel op zoek naar een nieuw nationaal uithangbord. (De twee kranten die ik lees waren hier gisteren niet echt duidelijk over. Vandaag ook niet, zo te zien.)

Ik denk dat Esther een gat laat vallen. Dat doet ze ongewild; ze heeft nog nooit een kuil gegraven voor een ander. Dit in tegenstelling tot andere partijgenoten die dat foute schopje wel hanteerden. Ik durf te beweren dat partijleider Ouwehand ook een gat zou laten vallen als er voor deze functie wel meteen een nieuwe kandidaat was aangesteld. Wat ik met zoveel woorden wil beweren, is dat Esther Ouwehand mij onvervangbaar lijkt. Althans voorlopig.

Gerekend vanaf het moment dat ze in oktober 2019 het fractievoorzitterschap overnam van Marianne Thieme, kon je bij landelijke verkiezingen drie keer op haar stemmen in de drievoudige hoedanigheid van lijsttrekker, politiek leider en fractieleider. Dat heb ik ook gedaan. 2021 was haar vuurdoop. Omdat ik al iets van haar had gezien in haar rol van kamerlid, gaf ik haar toen niet zomaar het voordeel van de twijfel. In 2023, na de val van het kabinet-Rutte IV, had zij zich zodanig gemanifesteerd dat ze mijn electorale steun nog overtuigender verdiende. Bij de meest recente Tweede Kamerverkiezingen van 2025 was ik een onverholen en van elke bedenking gevrijwaarde fan.

Ze heeft nu een beslissing genomen die haar geschiktheid voor het leiderschap in de politiek alleen maar onderstreept: ze doet een stap terug maar blijft wel zitten als kamerlid. Eén van de redenen formuleert ze in een interview in de Volkskrant zo: ‘[…] anders blijf je afhankelijk van dat ene bekende gezicht en dat is niet gezond.’ Daaruit spreekt een verlichte leider die wat mij betreft nog wel even aan had mogen blijven.

Maar misschien ben ik niet geschikt om voor een gemiddelde, objectieve stemmer door te kunnen gaan. Natuurlijk hadden haar heldere ideeën en verbale souplesse mijn voorkeur; het zou echter oneerlijk zijn om te ontkennen dat er ook een ander soort bekoring in het spel was. Een vorm van zwakheid waar je als veertien jaar oudere man bij de koffieautomaat discreet over zwijgt, maar die de gang naar de stembus wel een extra glans gaf.

Lezersreactie:
Ronald, je hoeft je sapioseksualiteit hier echt niet zo omfloerst op te kroppen hoor. We snappen allemaal dat je wild wordt van een goed geredigeerd amendement. Maar wees gerust: ze blijft gewoon in de Kamer zitten, dus je kunt je intellectuele libido de komende jaren blijven laven aan haar optredens bij de interruptiemicrofoon. Neem tussendoor een koude douche.
@Ouwe_Snor_67

Lezersreactie:
Na een wat saaie opsomming op het einde toch nog een lyrische biecht. Ik vrees dat ze jouw veertien jaar oudere hartslag nog naar gevaarlijke hoogten zal jagen als hoogst irritant kamerlid.
Ben, Endegeest

Lezersreactie:
Typisch weer een buitenstaander die de dynamiek binnen onze vereniging niet snapt. Alsof het partijvoorzitterschap van Zwanny Naber gereduceerd kan worden tot het ‘sussen van ruzies’. Bestuurlijke vernieuwing en de ecocentrische koersbewaking vergen visie! Dat jij Esther vooral ‘elegant’ vond, zegt meer over jouw oppervlakkige, antropocentrische blik dan over de electorale realiteit. Lees eerst ons partijprogramma eens fatsoenlijk.
@Groen_Kikker_91

Lezersreactie:
Ouwehand stapt natuurlijk niet zomaar op ‘omdat een bekend gezicht ongezond is’. Dat is pure spindoctoring voor de bühne. Er broeit allang weer wat op het partijbureau. En dat Teunissen de boel nu overneemt? Interim-management voor gevorderden. Over drie maanden praten we wel weer verder als de evaluatie van de lijsttrekkersprocedure online lekt.
Truus_van_Rijn, Wijnjerade

Lezersreactie:
Nou, ik vond Esther altijd veel te schreeuwerig. Altijd maar over die bio-industrie terwijl de gewone man de boodschappen niet meer kan betalen. En dat jij dan op haar stemt omdat ze zo ‘eloquent’ praat… trap er nou niet in! Het zijn allemaal zakkenvullers daar in Den Haag, of ze nou ‘fractieleider’ of ‘partijleider’ op hun visitekaartje hebben staan. Ze plukken ons allemaal kaal. Maar ja, smaken verschillen blijkbaar.
@KritischeKlaasvaak

Lezersreactie:
Het gat van Esther vul je niet zomaar met een blotebillengezicht!
Karel, Terneuzen

Eieren voor je geld

Van de meedogenloze mechanica van de megastal naar de menswaardige moraal van de vierkante meter.

De eerste keer dat mijn vader mij meenam naar één van zijn klanten in Brabant, deed hij dat uit pure trots. Ik was zeven. Mijn wereld scheen groot maar bleek overzichtelijk. Ik zat zonder gordel op de skai-lederen voorbank van onze roestige Opel Blitz. Mijn verwachtingen konden niet groter zijn. Destijds – eind jaren zestig – trilden vrachtauto’s nog op hun grondvesten wanneer de motor aansloeg. In onze gammelbak rook het steevast naar een mengsel van diesel, oude tabak en verschraald strooisel, wat mijn brein voor altijd als vertrouwde nestgeur zou opslaan. We waren op weg naar een kippenhouder die door mijn vader als graanhandelaar van voer werd voorzien.

Hij bedreef een vorm van ruilhandel die vandaag de dag in geen enkel economisch handboek zou passen. Hij leverde de brandstof voor de eierproductie: grofpapieren zakken, voorzien van zijn bedrijfslogo, met een uitgekiende mengeling van maïs, gerst, tarwe en havermoutkorrels. In ruil voor die granen kreeg hij eieren terug. Maar de cyclus was pas écht rond wanneer de beesten hun beste tijd hadden gehad. Zodra de productie haperde en de legkippen economisch gezien ‘afgeschreven’ waren, nam mijn vader het tanig geworden pluimvee zelf af.

Niets leek verloren te gaan in die pragmatische jaren (behalve het milieu natuurlijk, maar de zorgen daarover volgden later). De uitgediende hennen kregen een postume bestemming die even nuchter was als macaber: het vlees en de slachtafvallen werden doorverkocht aan Felix-Bonzo in Etten-Leur, waar het werd verwerkt tot voer voor honden en katten. De kaal geplukte botten gingen op transport naar de lijmindustrie in het noorden des lands, om te worden opgelost tot beenderlijm. Utilitarisme ten top: een rimpelloze, bijna poëtische carrousel van graankorrels tot huisdierbrokken en kleefstoffen.

Als zevenjarige overzag ik die volledige bedrijfsketen natuurlijk nog niet; ik keek vooral uit naar de boerderij, naar het erf, naar de pastorale idylle die ik associeerde met het buitenleven. De schokkende realiteit die achter de staldeuren wachtte, openbaarde zich wel aan mijn zintuigen, maar sloeg mijn nostalgische droombeeld niet in één klap aan diggelen. Een kind laat zich immers gewillig indoctrineren door de belangrijkste man in zijn universum. Wanneer mijn vader, als baken van ratio en vooruitgang, kalm sprak, tussendoorgrapjes maakte, en boertjes amicaal op de schouders sloeg, kon er toch niets aan de hand zijn?

Bovendien schreef de tijdgeest nog geen moreel protest voor. We bevonden ons aan de vooravond van het ecologische bewustzijn; het concept ‘dierenleed’ stond hooguit als abstract agendapunt genoteerd op de pamfletten van vroege milieuactivisten. Terwijl Roel van Duijn en zijn Provobeweging in de Amsterdamse grachtengordel experimenteerde met het gratis Witte Fietsenplan, dweepte met de Club van Rome en in vroege macrobiotische winkeltjes filosofeerde over een gifvrije, organische samenleving, reikte zijn links-radicale tegencultuur nog láng niet tot de nuchtere, katholieke zandgronden van Brabant. In Gilze-Rijen regeerde de wederopbouw. Efficiëntie was een deugd, schaalvergroting de heilige graal.

Wanneer onze Blitz het erf op draaide, trad ik een wereld binnen die balanceerde tussen kinderlijke fascinatie en sluimerend afgrijzen. Ik was simpelweg te jong om de morele breuklijnen te zien. Er werd veel te veel vriendschappelijkheid aan de dag gelegd onder de beulen om mij als zevenjarige wezenlijk op te winden. De Brabantse pluimveehouders toonden trots hun nieuwste mechanische snufjes. Mijn Rotterdamse vader bleek op zijn beurt niet minder groos om wat hij, onder de rivieren, commercieel voor elkaar had getoverd. Tussen de jovialiteit en het handeldrijven door, was er geen ruimte voor sentiment.

In die luidruchtige stallen zouden mensen vandaag niet vrolijk worden. Maar hedendaagse consumenten, met hun verfijnde ethische kompas en biologische supermarkten, bestonden nog niet in West-Brabant. Het collectieve bewustzijn was nauwelijks gespleten. Men keek naar een legbatterij zoals men naar weefgetouwen in een textielfabriek keek: als een triomf van menselijk vernuft over de grillen van de natuur. Dierenwelzijn was geen ethische categorie, maar een productiefactor. Een kip die aan één stuk door legde gold als gezond; een kip die daarmee stopte werd levenstocht en lijm. Zo overzichtelijk was de moraal.

De boeren demonstreerden fier hun lopende banden. Het leek inderdaad een technologisch hoogstandje dat eieren volautomatisch, en zonder te breken, onder de kont van de kippen vandaan, naar één centraal verzamelpunt rolden. Maar de legbatterijen stonken, de kippen zaten opeengepakt en boven elkaar gepropt. Daaronder bevonden zich diepe giergreppels die je niet overleefde, mocht je er onverhoeds in vallen. Met de wijsheid van de terugblik zou ik later deze reductie van leven tot mechanica gaan inzien. Daar en toen hoefde ik alleen maar stevig de hand van mijn vader vast te houden om positief vooruit te blijven kijken, net als hij.

Het claustrofobische bestaan van pluimvee waarin elk natuurlijk gedrag is wegbezuinigd, ging mij later pas tegenstaan, toen ik de leeftijd had bereikt om tegendraads te zijn. De gitzwarte, kolkende brij van ammoniak en uitwerpselen, waarvan de dampen je adem afsneden, zouden mijn Proustiaans opgeslagen geuren nooit helemaal verdrijven, maar ze kregen wel een moreel tegengewicht. Het puur-commerciële vooruitgangsgeloof bleek geen eeuwig leven beschoren; de ronkende vaart van de bio-industrie begon te haperen toen de consument ontwaakte uit zijn gerieflijke onverschilligheid. De mechanica verloor haar glans; de reductie van een levend wezen tot louter een eier- of lijmfabriek werd onhoudbaar. Het kostte een generatie om het anachronisme te ontmaskeren en te beseffen dat vooruitgang zonder scrupules een doodlopende weg is.

Hoe wezenlijk anders is de realiteit wanneer ik vandaag de dag door mijn eigen Arnhemse straat wandel. Achter een van de huizen bevindt zich een modern antwoord op de Brabantse schaalvergroting: het TokHok. Geen blinkende, volautomatisch lopende banden of angstaanjagende giergreppels hier; wel een groepje gevederde vrienden die in alle rust en waardigheid de wetten van de natuur volgen. Met de regelmaat van een vriendelijk tokkende klok houden deze dames de eierproductie op peil. Ze scharrelen, nemen een stofbad en tonen onbekommerd al het natuurlijke gedrag dat in de omgeving van mijn jeugd zo rigoureus was wegbezuinigd.

Het is een prachtig, lokaal initiatief dat, in al zijn kleinschaligheid, een revolutie predikt. Waar we vroeger afhankelijk waren van ondoorzichtige, industriële systemen, heroveren ze hier de voedselketen op de vierkante meter. Het vormt een ethisch baken; een levend alternatief tegenover de zielloze machine van de megastal. Bij deze achtertuin-pioniers kan de kip weer gewoon een vogel zijn in plaats van biologisch kapitaal met een anoniem nummer. De transparantie is terug; je haalt je eieren bij mensen die hun makers tenminste nog bij de voornaam kennen.

P.S. Eén dingetje tot slot: de eigenaren van het Tokhok zitten niet zozeer om eieren verlegen (die stroom blijft dankzij de Barneveldse dames wel lopen) maar wel om eierdozen. Het is de tastbare ironie van het moderne idealisme: we dwingen de bio-industrie op de knieën, maar stranden bij de logistieke frictie van het alledaagse karton. Mocht u dus nog lege doosjes hebben rondslingeren; breng ze naar mijn straatgenoten op nummer 23. Het is een kleine, onmisbare handreiking aan een heroverde moraal.