Loafa is bro̊dno̊dig IKEA

Een koude keuken maakt een magere buik (Zweeds spreekwoord).

Beste klantenservice / food-redactie / klachtenpanel / menucommissie / assortimentsmanager,

Afgelopen vrijdag 5 juni brachten we rond de klok van twaalf uur ’s middags een bezoek aan het restaurant in uw vestiging. Onze magen knorden en we hadden onze zinnen gezet op een eenvoudige lunch: een belegd broodje met kip.

Neem het ontwerp van de broodjesbank van de Canadese kunstenares Gab Bois. De rapper Tommy Cash plaatste een foto op Instagram waarop hij zichzelf gefotoshopped poseert op deze kussenzachte zitting, met het bijschrift: “IKEA zal de ‘Loafa’ uitbrengen als we 10.000 reacties onder dit bericht krijgen, zo werd mij verteld! Laten we aantonen dat we dit brood écht nodig hebben.” (Het gaat hier om een digitaal gemanipuleerd beeld van een fictief product; IKEA heeft dit meubelstuk nooit daadwerkelijk uitgegeven, en deze publicatie vindt plaats op basis van veronderstelde artistieke vrijheid). Hoeveel stemmen, zo vragen wij ons af, zouden er nodig zijn om de koude lunchkeuken terug te brengen in de IKEA-winkels?

Tot onze verbazing troffen we bij de desbetreffende counters een volstrekt leeg schap aan. Er was op het gebied van broodjes, salades of alternatieve koude snacks werkelijk niets te krijgen. De enige opties die werden aangeboden waren appelgebak en een warme lunch. Vanwege dit beperkte aanbod was het extreem druk bij het afhaalgedeelte voor de warme maaltijden; men werd immers massaal die kant op gedreven.

Omdat we geen behoefte hadden aan een avondmaaltijd als lunch (wij associeren warm met avondeten), spraken we een van uw restaurantmedewerkers aan met de vraag of er niet toch iets van de broodjesbalie te krijgen was. Na enig overleg kwamen we uit bij een pitabroodje kip. De medewerkster was zo vriendelijk om er twee voor ons uit de koelruimte te halen. Wel gaf zij de waarschuwing mee dat het product ‘nog wat koud’ kon zijn.

Dat hebben we geweten. Bij de eerste hap bleek dat de kwalificatie ‘wat koud’ de lading absoluut niet dekte; de complete broodjes, inclusief alle ingrediënten, waren halfbevroren. Het moge duidelijk zijn dat dit de restauratieve ervaring niet bepaald ten goede kwam.

Naar aanleiding van dit opmerkelijke bezoek zitten we met een tweetal vragen die we graag beantwoord zien:

  1. Is dit gebruikelijk? Behoort het tot de normale procedure binnen uw restaurants dat er op een regulier lunchtijdstip (rond 12:00 uur) totaal geen alternatieven voor een warme maaltijd in de schappen liggen?
  2. Is dit de bedoeling? Worden de broodjes standaard diepgevroren aan de klant meegegeven, of ging hier in de logistieke planning en ontdooitijd simpelweg iets mis?

We zien uw reactie en de opheldering met veel belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Disclaimer!
Nogmaals voor de goede orde en ter voorkoming van logistieke misverstanden: de hierboven getoonde afbeelding betreft een artistieke, digitale bewerking. Er is geen sprake van een daadwerkelijke commerciële uitgave door IKEA, noch is er getornd aan de intellectuele eigendomsrechten van de meubelketen. De ‘Loafa’ bestaat louter als gesupposeerd concept; eventuele toestemming voor deze publicatie is derhalve uitsluitend hypothetisch van aard.

Lezersreacties:

Wat een heerlijke tirade, Ronald! Ik herken die acute lunch-wanhoop zo goed. Je sjokt urenlang door die doolhof van Zweeds spaanplaat, je overleeft de kussensafdeling en de geurkaarsenhel, en als beloning krijg je een lauwe, treurige pita waar de moed spontaan uit wegzakt. Dit is geen menukaart, dit is een aan aanfluiting. Hulde voor deze pennevrucht!
Saskia van der Meulen, Velp

Hoewel ik uw stilistische souplesse en het ironische gebruik van ‘foodservice-redactie c.q. klachtenpanel’ ten zeerste kan waarderen, vind ik de teneur ietwat frivool. Men gaat immers naar deze etablissementen voor de betaalbare inbussleutels en de herfstachtige gehaktballetjes; niet voor de haute cuisine. Uw verwachtingsmanagement omtrent de koude keuken getuigt mijns inziens van een ietwat misplaatst optimisme.
Ingmar&DeKlos

Ik mijd die blauw-gele doos op Duiven sowieso rond het middaguur. Kan ik jullie aanraden.
Jos, Arnhem

Nou Ronald, je kunt er natuurlijk een heel proefschrift over schrijven, maar volgens mij weet iedereen inmiddels wel dat de kwaliteit van die IKEA-restaurants sinds de pandemie drastisch is gekelderd. Dat is gewoon een kwestie van winstmaximalisatie en datagedreven besparingen. Dat zie je overal in de retail. Een beetje consumentenjournalist had dat direct in de eerste alinea benoemd in plaats van te mierenneuken over een pita kip.
Paul_V

Prachtig verwoord. De McNamara-fallacy in de praktijk: als je de tevredenheid over een broodje kaas niet direct in een Excel-sheet kunt uitdrukken, dan schrap je de hele koude lunchkeuken maar. Ik hoop dat de assortimentsmanager zich diep schaemt.
Anoniem

Een weekend vol lawaai

Decibel-debielen en een rappende fascist, maar nee, ik zal niet schelden; alleen een beetje muggenziften.

Afgelopen weekend leek Arnhem het toneel van een merkwaardige wedstrijd: welke geluidsbron wist het verst de persoonlijke levenssfeer van anderen binnen te dringen? Aan de ene kant was er het Free Your Mind Festival op de Stadsblokken. Aan de andere kant trad Ye – beter bekend als Kanye West – op in het Gelredome. Over de controverses rond deze artiest, zijn publieke uitspraken en zijn plaats in het hedendaagse culturele landschap valt veel te zeggen. Misschien kom ik daar een andere keer op terug. Voor nu beperk ik mij tot iets veel concreters: de herrie.

De Volkskrant sprak bewonderend over een ‘oorverdovende synthbas’ en een ‘draaikolk van basfrequenties’. Opmerkelijk hoe geluidsoverlast van toon verandert zodra een zogenaamde kunstkenner ervoor applaudisseert. Voor de muziekrecensent zijn trillende neusvleugels en een allesverzengende geluidsmuur tekenen van artistieke grootsheid. Voor de omwonende zijn het vooral redenen om naar de klok te kijken. Wat de één ervaart als een kosmische muziekbeleving, beschrijft de ander als acht uur lang ongevraagde dreunen. Opmerkelijk genoeg heeft vooral de eerste ervaring een eigen vocabulaire ontwikkeld: ‘spectaculair’, ‘krankzinnig’, ‘overweldigend’. De tweede heet simpelweg klagen.

Op de Stadsblokken dreunde urenlang EDM1 over de uiterwaarden. Wie van die muziek houdt, zal dat ongetwijfeld als een feest hebben ervaren. Maar voor duizenden anderen betekende het iets anders: een dag lang onvrijwillig meeluisteren. Lage bastonen houden zich immers niet aan gemeentegrenzen of persoonlijke voorkeuren. Ze trekken zich weinig aan van gesloten ramen, slaapkamers of de wens om een rustige zaterdagavond door te brengen.

Merkwaardig genoeg wordt dergelijke overlast tegenwoordig bijna automatisch gelegitimeerd. Zodra een festival eenmaal populariteit geniet, muteert de overlast in een ‘nobele bijdrage’ aan de levendigheid van de stad; een herrie die omwonenden maar te slikken hebben. Wie klaagt, krijgt al snel het verwijt dat hij niet met zijn tijd meegaat, zuur is geworden of jongeren hun plezier niet gunt.

Maar waarom eigenlijk? Waarom geldt de behoefte van duizenden festivalbezoekers aan luid amusement als een zwaarder belang dan de behoefte van bewoners aan rust in hun eigen huis? Die vraag wordt opmerkelijk zelden gesteld.

Natuurlijk is een stad geen bibliotheek. Samenleven betekent dat mensen elkaar soms tot last zijn. Dat geldt voor verkeer, bouwprojecten, sportevenementen en festivals. Volledige stilte kan niemand claimen. Toch lijkt er de laatste jaren een verschuiving te hebben plaatsgevonden. Waar vroeger werd geprobeerd om overlast zoveel mogelijk te beperken, lijkt tegenwoordig vooral gezocht te worden naar manieren om haar te rechtvaardigen.

Neem de eindtijd van middernacht. Die wordt vaak gepresenteerd als een genereuze concessie aan omwonenden. Alsof burgers dankbaar zouden moeten zijn dat de muziek niet nog langer doorgaat. Maar tegen die tijd hebben velen al acht uur onafgebroken basdreunen moeten verdragen. De vraag is dan niet of het om twaalf uur stopt, maar waarom zulke intensieve geluidsoverlast überhaupt als normaal wordt beschouwd.

Afgelopen weekend bleek die eindtijd bovendien niet eens het werkelijke einde. Na de muziek volgde vuurwerk. Waarom precies, blijft een raadsel. Alsof de boodschap moest zijn dat de stilte vooral niet te vroeg mocht terugkeren. Daarna ging het feest op sommige plekken informeel verder. Het officiële einde bleek in de praktijk vooral een administratief begrip.

Wat mij misschien nog het meest fascineert, is de culturele verandering die hierachter schuilgaat. Veel mensen hebben hun oordeel over populaire cultuur grotendeels opgeschort. Niet omdat ze alles werkelijk waarderen, maar omdat ze bang zijn om als ouderwets of elitair te worden weggezet. Het idee dat men onderscheid mag maken tussen verschillende vormen van cultuur lijkt verdacht te zijn geworden.

Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie. Iedereen heeft voorkeuren, maar bijna niemand durft ze te verdedigen. Men spreekt liever over smaak alsof alle smaken noodzakelijkerwijs gelijkwaardig zijn. Wie kritiek heeft op een muziekstijl, een festivalcultuur of een bepaalde vorm van massavermaak, wordt al snel beschuldigd van arrogantie.

Maar cultuurkritiek is niet hetzelfde als minachting voor mensen. Je kunt erkennen dat duizenden bezoekers oprecht genieten van een dancefestival en tegelijkertijd constateren dat een samenleving die steeds meer lawaai produceert misschien ook iets verliest. Rust bijvoorbeeld. Concentratie. Reflectie. Het vermogen om niet voortdurend geprikkeld te worden.

“Brood en spelen” was ooit een politieke strategie om de bevolking tevreden te houden. De moderne variant lijkt vooral uit steeds luidere en steeds grotere evenementen te bestaan. Alsof iedere leegte onmiddellijk moet worden opgevuld met geluid, licht, spektakel en afleiding.

Misschien blijft dit uiteindelijk de vraag die mij bezighoudt. Niet waarom mensen naar festivals gaan; zij zoeken ontspanning, een volstrekt legitiem streven. De werkelijke kwestie draait om de vraag waarom ontspanning zo vaak alleen nog denkbaar lijkt in de vorm van maximale prikkeling. Waarom stilte steeds verder transformeert tot een zeldzaamheid, terwijl lawaai aan terrein wint.

En waarom degene die rust zoekt zich steeds vaker moet verantwoorden, terwijl degene die haar verstoort dat nauwelijks hoeft te doen.

  1. EDM, oftewel Electronic Dance Music. Als het specifiek gaat over de subcultuur van nachtenlang doorhalen in duistere loodsen of op massale weides, spreken we simpelweg van ravemuziek of dancemuziek. Binnen die gigantische vergaarbak hangt het er maar net vanaf hoe hard die bas precies beukt en hoe snel die beats per minuut (BPM) elkaar opvolgen. De geschiedenis heeft de neiging om deze geluiden op te knippen in nogal specifieke smaken: House, Techno, Trance, Hardcore/Gabber, vraag me niet wat het precies was wat ik twee avonden moest aanhoren. ↩︎

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Paul kwakelt hooghartige shit

Over de logica van de betweter, de wetten van de steekproef en waarom ‘iedereen’ het mis heeft.

M: Ken jij het ezelsbruggetje: Piet koopt hoge schoenen?

R: De beginletters verwijzen naar de grachten van Amsterdam, is het niet? Ben je dingen voor jezelf op een rijtje aan het zetten?

M: Nee. Iemand zei dat iedereen in Nederland dit kent, maar ik kende het niet. Dus nu doe ik een klein onderzoekje.

R: ‘Iedereen’ is een onhoudbare generalisatie in vrijwel elke bewering. Als je dat woord op die manier gebruikt, krijgt het direct iets denigrerends. Het wordt, volgens mij, vooral gebezigd door iemand met een beperkte kennis, die het weinige dat hij weet zo maximaal mogelijk wil uitbuiten om status te claimen.

M: Kan het ook gewoon zijn dat diegene er oprecht van overtuigd was dat dit tot de algemene kennis behoort? Misschien is dat ook zo en ben ik de enige die dit gemist heeft.

R: Als die persoon daarvan uitgaat, is hij onvoldoende doordrongen van de statistische werkelijkheid. Het woord ‘iedereen’ wordt hier misbruikt als retorische stijlfiguur. Trap er niet in; hij past een semantisch trucje toe om autoriteit te veinzen. Met dit persoonlijke onderzoekje buig je voor zijn imponeringsgedrag. Zo wek je de indruk dat het zinvol is om ongefundeerde claims te poneren. Ik zou de bewering simpelweg als deductief onjuist kwalificeren en er verder geen intellectuele energie aan verspillen.

M: Het staat nu 3-1. Mijn moeder en een vriendin kenden het ezelsbruggetje ook direct.

R: Wat de eindstand van je steekproef ook wordt, de omvang ervan is irrelevant. Je hebt de universele claim allang gefalsifieerd. Jouw uitzonderingspositie vormt het zwarte schaap dat de stelling dat ‘alle zwanen wit zijn’ eigenhandig slacht. Die ene stem van jou zegt logisch gezien genoeg. Wat ik je op het hart wil drukken is: vind jezelf belangrijk genoeg om de onhoudbaarheid van andermans borrelpraat in te zien, zonder dat je daar eerst een heel databestand voor aanlegt.

M: Wat maak jij er een gigantische big deal van! Ik vraag gewoon wat rond, ik ben geen wetenschappelijk onderzoek aan het optuigen. Ik was gewoon onzeker of ik een gat in mijn opvoeding had. Waarom moet alles bij jou altijd meteen veranderen in een intellectuele loopgravenoorlog?

R: Mag ik je vragen of er toevallig een man achter deze absolute stelling zat?

M: Het was Paul.

R: Ah. Paul laat weer eens van zich horen. Als ik het niet dacht.

M: Pfffff. Wat doet de persoon er nou toe? Waarom sleep je dat er in hemelsnaam bij?

R: Omdat de afzender in dit geval de hele lading dekt.

M: Begrijp je dat ik dit een enorm negatieve en vermoeiende benadering vind?

R: Niet echt, want ik neem het hier voor je op. Jij plooit je naar de arrogantie van iemand die zomaar wat roept. Je had, vind ik, wat geëmancipeerder en autonomer kunnen reageren op zijn stelligheid.

M: Dit heeft werkelijk ab-so-luut niets met emancipatie te maken! Ik vroeg me gewoon iets af en jij kaapt mijn onschuldige nieuwsgierigheid om je eigen vete met Paul uit te vechten. Je neemt het helemaal niet voor me op. Je vindt het maar niks hoe ik hiermee omga. Je kleineert me waar ik bij sta.

R: Paul gedraagt zich als het ultieme schoolvoorbeeld van een mansplainer.

M: En ondertussen wil jij mij even haarfijn uitleggen hoe ik had moeten reageren en wat ik moet voelen. Wie is hier nu eigenlijk de mansplainer?

R: Dit is geen uitleggen, ik formuleer slechts een wens over hoe je je eigen autonomie kunt beschermen. Bovendien doe ik dat zonder enig gevoel van patriarchale of intellectuele superioriteit. Daarnaast pas ik simpelweg wat elementaire logica toe: als jij – en jij alleen, te midden van duizend anderen – nog nooit van het ezelsbruggetje hebt gehoord, maakt dat de stelling dat ‘iedereen’ het kent logisch onhoudbaar. Dat is geen mening, dat is een feit.

M: Nu doe je het wéér! Je verpakt je betweterigheid in een theoretische mal om je gelijk te halen!

R: Ik geef juist aan dat jouw individuele stem afdoende is; dat jij het als persoon meer dan waard bent om die claim direct te verwerpen, wat jou in feite superieur maakt aan de waardeloze stellingnemer. Ik hoop simpelweg dat mensen die mij lief zijn niet buigen voor iemand die ten onrechte stellig is.

M: Zoals jij nu doet bedoel je?

R: Als ik me ten onrechte stellig uitlaat over een falsifieerbare zaak, hoop ik net zozeer dat mensen mij met argumenten corrigeren. Maar in dit specifieke geval stel ik louter vast dat iemand een onhoudbare stelling lanceert. En roep ik jou op, als vriend, om die onzin met gepast disrespect te behandelen.

M: Jouw hele reactie is volkomen misplaatst. Waarom moet je altijd zo rücksichtslos arrogant en drammerig zijn als je denkt dat je de logica aan je zijde hebt? Ik vind het zo ontzettend onnodig en kwetsend.

R: Dat is jouw perceptie, en die staat je vrij. Arrogantie en drammerigheid zijn echter psychologische kwalificaties; iets wezenlijk anders dan analytische stelligheid, waaraan ik me in deze niet schuldig maak. Je vindt me een arrogante zak. Dat kan. Dat aanvaard ik als de prijs voor de waarheid.

M: Je bent er zo heilig van overtuigd dat je de waarheid in pacht hebt. Dat is exact dezelfde stelligheid waar je Paul van beschuldigt.

R: Dat jij dat zo ervaart, maakt het onaanvechtbaar; een subjectief gevoel onttrekt zich immers per definitie aan de logica. Maar epistemologische stelligheid en psychologische zelfovertuiging zijn twee volstrekt verschillende grootheden.

M: Wat een schitterend theoretisch rookgordijn. Dus omdat jij Pauls uitspraak epistemologisch noemt, en die van jou niet, is jouw betweterigheid heilig?

R: Nou heilig; in ieder geval van kritiek ontheven. Stelligheid is een eigenschap van de gedane bewering; zelfovertuiging is een karaktertrek van de persoon. Waar die eerste vorm van overtuigingskracht expliciet uitdaagt tot inhoudelijk verzet en tegenargumenten, blijft de tweede variant volstrekt immuun voor de rede. Stelligheid kun je direct aanvechten door feitelijk aan te tonen dat de claim onterecht is. Zelfovertuiging biedt die opening niet; die laat zich door geen enkel rationeel argument bestrijden. Kortom: stelligheid is falsifieerbaar, zelfovertuiging is hooguit laakbaar. Jij falsifieerde Pauls stelling met één adequate, goudeerlijke reactie. Het enige wat ik wilde aangeven, was: dat volstond, daar had je het bij kunnen laten. Niet dat ik je daartoe kon verplichten, dat zou immers pas echt autoritair en arrogant zijn. Maar omwille van de intellectuele hygiëne richting de vertolker van het misplaatste aplomb, had ik het simpelweg wenselijk gevonden.

M: Prachtig geformuleerd hoor. Maar onderaan de streep zit ik hier met een vriend die zich gedraagt als een arrogante zak, puur omdat hij me wilde beschermen tegen Paul. Het is fascinerend: jij kunt het op zo’n manier voor me opnemen dat ik je na afloop een enorme lul vind. Schiet mij maar lek.

Eieren voor je geld

Van de meedogenloze mechanica van de megastal naar de menswaardige moraal van de vierkante meter.

De eerste keer dat mijn vader mij meenam naar één van zijn klanten in Brabant, deed hij dat uit pure trots. Ik was zeven. Mijn wereld scheen groot maar bleek overzichtelijk. Ik zat zonder gordel op de skai-lederen voorbank van onze roestige Opel Blitz. Mijn verwachtingen konden niet groter zijn. Destijds – eind jaren zestig – trilden vrachtauto’s nog op hun grondvesten wanneer de motor aansloeg. In onze gammelbak rook het steevast naar een mengsel van diesel, oude tabak en verschraald strooisel, wat mijn brein voor altijd als vertrouwde nestgeur zou opslaan. We waren op weg naar een kippenhouder die door mijn vader als graanhandelaar van voer werd voorzien.

Hij bedreef een vorm van ruilhandel die vandaag de dag in geen enkel economisch handboek zou passen. Hij leverde de brandstof voor de eierproductie: grofpapieren zakken, voorzien van zijn bedrijfslogo, met een uitgekiende mengeling van maïs, gerst, tarwe en havermoutkorrels. In ruil voor die granen kreeg hij eieren terug. Maar de cyclus was pas écht rond wanneer de beesten hun beste tijd hadden gehad. Zodra de productie haperde en de legkippen economisch gezien ‘afgeschreven’ waren, nam mijn vader het tanig geworden pluimvee zelf af.

Niets leek verloren te gaan in die pragmatische jaren (behalve het milieu natuurlijk, maar de zorgen daarover volgden later). De uitgediende hennen kregen een postume bestemming die even nuchter was als macaber: het vlees en de slachtafvallen werden doorverkocht aan Felix-Bonzo in Etten-Leur, waar het werd verwerkt tot voer voor honden en katten. De kaal geplukte botten gingen op transport naar de lijmindustrie in het noorden des lands, om te worden opgelost tot beenderlijm. Utilitarisme ten top: een rimpelloze, bijna poëtische carrousel van graankorrels tot huisdierbrokken en kleefstoffen.

Als zevenjarige overzag ik die volledige bedrijfsketen natuurlijk nog niet; ik keek vooral uit naar de boerderij, naar het erf, naar de pastorale idylle die ik associeerde met het buitenleven. De schokkende realiteit die achter de staldeuren wachtte, openbaarde zich wel aan mijn zintuigen, maar sloeg mijn nostalgische droombeeld niet in één klap aan diggelen. Een kind laat zich immers gewillig indoctrineren door de belangrijkste man in zijn universum. Wanneer mijn vader, als baken van ratio en vooruitgang, kalm sprak, tussendoorgrapjes maakte, en boertjes amicaal op de schouders sloeg, kon er toch niets aan de hand zijn?

Bovendien schreef de tijdgeest nog geen moreel protest voor. We bevonden ons aan de vooravond van het ecologische bewustzijn; het concept ‘dierenleed’ stond hooguit als abstract agendapunt genoteerd op de pamfletten van vroege milieuactivisten. Terwijl Roel van Duijn en zijn Provobeweging in de Amsterdamse grachtengordel experimenteerde met het gratis Witte Fietsenplan, dweepte met de Club van Rome en in vroege macrobiotische winkeltjes filosofeerde over een gifvrije, organische samenleving, reikte zijn links-radicale tegencultuur nog láng niet tot de nuchtere, katholieke zandgronden van Brabant. In Gilze-Rijen regeerde de wederopbouw. Efficiëntie was een deugd, schaalvergroting de heilige graal.

Wanneer onze Blitz het erf op draaide, trad ik een wereld binnen die balanceerde tussen kinderlijke fascinatie en sluimerend afgrijzen. Ik was simpelweg te jong om de morele breuklijnen te zien. Er werd veel te veel vriendschappelijkheid aan de dag gelegd onder de beulen om mij als zevenjarige wezenlijk op te winden. De Brabantse pluimveehouders toonden trots hun nieuwste mechanische snufjes. Mijn Rotterdamse vader bleek op zijn beurt niet minder groos om wat hij, onder de rivieren, commercieel voor elkaar had getoverd. Tussen de jovialiteit en het handeldrijven door, was er geen ruimte voor sentiment.

In die luidruchtige stallen zouden mensen vandaag niet vrolijk worden. Maar hedendaagse consumenten, met hun verfijnde ethische kompas en biologische supermarkten, bestonden nog niet in West-Brabant. Het collectieve bewustzijn was nauwelijks gespleten. Men keek naar een legbatterij zoals men naar weefgetouwen in een textielfabriek keek: als een triomf van menselijk vernuft over de grillen van de natuur. Dierenwelzijn was geen ethische categorie, maar een productiefactor. Een kip die aan één stuk door legde gold als gezond; een kip die daarmee stopte werd levenstocht en lijm. Zo overzichtelijk was de moraal.

De boeren demonstreerden fier hun lopende banden. Het leek inderdaad een technologisch hoogstandje dat eieren volautomatisch, en zonder te breken, onder de kont van de kippen vandaan, naar één centraal verzamelpunt rolden. Maar de legbatterijen stonken, de kippen zaten opeengepakt en boven elkaar gepropt. Daaronder bevonden zich diepe giergreppels die je niet overleefde, mocht je er onverhoeds in vallen. Met de wijsheid van de terugblik zou ik later deze reductie van leven tot mechanica gaan inzien. Daar en toen hoefde ik alleen maar stevig de hand van mijn vader vast te houden om positief vooruit te blijven kijken, net als hij.

Het claustrofobische bestaan van pluimvee waarin elk natuurlijk gedrag is wegbezuinigd, ging mij later pas tegenstaan, toen ik de leeftijd had bereikt om tegendraads te zijn. De gitzwarte, kolkende brij van ammoniak en uitwerpselen, waarvan de dampen je adem afsneden, zouden mijn Proustiaans opgeslagen geuren nooit helemaal verdrijven, maar ze kregen wel een moreel tegengewicht. Het puur-commerciële vooruitgangsgeloof bleek geen eeuwig leven beschoren; de ronkende vaart van de bio-industrie begon te haperen toen de consument ontwaakte uit zijn gerieflijke onverschilligheid. De mechanica verloor haar glans; de reductie van een levend wezen tot louter een eier- of lijmfabriek werd onhoudbaar. Het kostte een generatie om het anachronisme te ontmaskeren en te beseffen dat vooruitgang zonder scrupules een doodlopende weg is.

Hoe wezenlijk anders is de realiteit wanneer ik vandaag de dag door mijn eigen Arnhemse straat wandel. Achter een van de huizen bevindt zich een modern antwoord op de Brabantse schaalvergroting: het TokHok. Geen blinkende, volautomatisch lopende banden of angstaanjagende giergreppels hier; wel een groepje gevederde vrienden die in alle rust en waardigheid de wetten van de natuur volgen. Met de regelmaat van een vriendelijk tokkende klok houden deze dames de eierproductie op peil. Ze scharrelen, nemen een stofbad en tonen onbekommerd al het natuurlijke gedrag dat in de omgeving van mijn jeugd zo rigoureus was wegbezuinigd.

Het is een prachtig, lokaal initiatief dat, in al zijn kleinschaligheid, een revolutie predikt. Waar we vroeger afhankelijk waren van ondoorzichtige, industriële systemen, heroveren ze hier de voedselketen op de vierkante meter. Het vormt een ethisch baken; een levend alternatief tegenover de zielloze machine van de megastal. Bij deze achtertuin-pioniers kan de kip weer gewoon een vogel zijn in plaats van biologisch kapitaal met een anoniem nummer. De transparantie is terug; je haalt je eieren bij mensen die hun makers tenminste nog bij de voornaam kennen.

P.S. Eén dingetje tot slot: de eigenaren van het Tokhok zitten niet zozeer om eieren verlegen (die stroom blijft dankzij de Barneveldse dames wel lopen) maar wel om eierdozen. Het is de tastbare ironie van het moderne idealisme: we dwingen de bio-industrie op de knieën, maar stranden bij de logistieke frictie van het alledaagse karton. Mocht u dus nog lege doosjes hebben rondslingeren; breng ze naar mijn straatgenoten op nummer 23. Het is een kleine, onmisbare handreiking aan een heroverde moraal.

De perken te buiten?

Overgeleverd aan de overlevering wordt het pleit beslecht op de grens van percelen.

Een dagje wroeten in de voortuin bewijst maar weer eens dat een buurtgemeenschap onzichtbaar meekeurt. Die sociale controle deert me nauwelijks; ik kan de subtiele surveillance best hebben, zelfs als het verdict aanvankelijk riekt naar bemoeizucht. Het blijft echter fascinerend hoe vlot de tongen losraken en hoe vliegensvlug het oordeel – of vooruit, de roddel – van voordeur tot voordeur reist en zich richting mijn groen en mijn goede voornemens vreet.

Een mens zou in zijn eigen voortuin bijna vergeten dat hij deel uitmaakt van een groter ecosysteem, waarin de sociale cohesie steviger verankerd zit dan onverwoestbare hardhouten palen.

Je hoort mij niet zeggen dat ik louter applaus verwacht omdat ik als frisse buurman de wildernis tem, maar de reorganisatie die ik van plan ben door te voeren lijkt mij een flinke vooruitgang ten opzichte van de oude situatie; zeker als je bedenkt dat mijn voorganger zijn gazon hanteerde als hondentoilet om de wandeltocht naar het park te omzeilen (een historisch dieptepunt dat ik ook slechts via de tamtam vernam en dat dus niet per se waar hoeft te zijn).

Nu word ik in mijn rol van noeste tuinkabouter heus wel getolereerd, maar de wittebroodsfase blijkt voorbij. De ballotagecommissie begint zich langzaam te roeren. Mijn agrarische ambities omtrent het gazon blijken voor het gemiddelde jurylid net iets te frivool. Gezien de prehistorische hoogte van het gras speelde ik met het idee om een geit te adopteren; of desnoods een schaap te houden binnen een iets minder hoge omheining. Die ik dan natuurlijk wel eerst moest oprichten. De crux van het lokale onbehagen zit ’m in die gedroomde erfafscheiding.

Met dank aan de viervoeter van weleer heeft de buurvrouw de woningcorporatie zo ver gekregen om een heus defensiewerk op te trekken; een tactische buffer tussen haar huistijger en de toenmalige vechthond over de gehele lengte van de voortuin. Ik ben persoonlijk erg in mijn nopjes met deze geopolitieke erfenis. De palen reiken tot in de aardkern en zijn vervaardigd uit onverwoestbaar tropisch hardhout. Het geheel ademt een heerlijke onvergankelijkheid. Dit bracht mij op het idee om deze fortificatie op eigen kosten door te trekken langs de trottoirzijde. Daarvoor hoefde slechts een armetierig ijzeren restant met doorgezakt gaas en vermoeide dwarsverbindingen te wijken.

Gewapend met een haakse slijper ben ik gisteren dat dysfunctionele ijzerwerk te lijf gegaan. Het bleek een geluk bij een ongeluk dat mijn slijpschijven opraakten. Was dat niet gebeurd, dan waren de ijzeren palen – die zo mogelijk nog dieper ‘wortelen’ dan het reeds bezongen hardhout – ongetwijfeld ook ten prooi gevallen aan mijn saneringsdrang. Wat later fungeerde de buurvrouw als de ware noodrem. Zij appte mij met een ontwapenende vriendelijkheid: ‘[Iemand] vertelde dat de hekjes aan de voorkant van de tuin eigenlijk bij de huizen horen en dus niet weggehaald mogen worden!!! Ik zou het ff informeren voordat je hout e.d. gaat kopen.’

Een drievoudig uitroepteken als baken van corporatiewijsheid. De keten van de overlevering is sluitend. De ambtelijke molens draaien snel via het struikgewas. Tegen zoveel straatwijsheid kunnen mijn goede voornemens niet op. Wie de perken te buiten wil gaan, stuit vroeg of laat op een muur van huurregels. Mijn vernieuwingsdrift werd vakkundig ingedamd. Terwijl ik wacht op groen licht van de vastgoedbureaucratie, plaats ik visionaire plannen in de vriezer. Gehoorzaam heb ik mijn destructieve gereedschap in de schuur geparkeerd, in afwachting van een definitief besluit. Het zou immers zonde zijn als mijn hardhouten dromen sneuvelen op een paragraaf in een reglement.

Ik dank mijn soortgenoten voor hun waakzaamheid; het is een geruststellende gedachte dat, mocht ik ooit een geit huisvesten, belanghebbenden de omheining hebben goedgekeurd voordat ook het beest begint te mekkeren.

Tussen Ritueel en Overleving

Wat twee Himalaya‑documentaires onthullen over nomadisme, sentiment en de blik van de camera.

Ik heb zo’n vriend die, zodra ik hem enthousiast wijs op een documentaire die mij heeft geraakt, bijna automatisch laat weten dat hij óf die film al heeft gezien, óf het onderwerp allang kent. Daarna volgt steevast een kleine tirade over wat er volgens hem allemaal mis mee is, om vervolgens met een alternatief te komen. Zo ook toen ik hem vertelde over The Nomads of Dolpo, een film die me oprecht had ontroerd. Zijn reactie: ‘Die muziek en die voice-over waren zó irritant dat ik ben afgehaakt, maar het onderwerp is fascinerend. Ik meen me te herinneren dat ik jaren geleden een docu over de zoutmannetjes heb gezien.’ Even later stuurde hij me een link naar Die Salzmänner von Tibet.

Links de sacrale rust van Die Salzmänner von Tibet; rechts de rauwe werkelijkheid van The Nomads of Dolpo, waar een zoon het lichaam van zijn overleden vader op de rug neemt om hem naar de crematieplaats te brengen; een onverwacht onheil dat de karavaan vier dagen ophoudt en de familie extra kwetsbaar maakt voor de oprukkende winter. Een beeld dat het grote verschil in toon tussen beide films pijnlijk zichtbaar maakt. Toegegeven: ‘mijn’ film leunt meer op sentiment, maar ik zou dat geen effectbejag of gemakzuchtige emotie willen noemen.

Laat één ding duidelijk zijn: hij doet dit niet om mij te treiteren. Hij weet zelf ook hoe irritant betweterigheid kan zijn. ‘Excuses dat ik altijd zo overdreven kritisch ben,’ schreef hij er daarom bij, ‘maar ja, je moet het maar doen met zo’n zeikerd van een vriend.’ Bij hem werkt het anders dan bij de meeste mensen: hij reageert niet uit superioriteit, maar uit een diepgewortelde gevoeligheid voor vorm en toon. Alles wat te sentimenteel, te nadrukkelijk of te glad is, schuurt bij hem onmiddellijk. En juist daardoor wijst hij me soms op iets dat ik anders nooit had ontdekt.

En eerlijk is eerlijk: in dit geval had hij een punt. Want als je The Nomads of Dolpo naast Die Salzmänner von Tibet legt, zie je dat het vooral het sentiment is dat de twee films van elkaar scheidt. De eerste is een emotioneel geladen familie‑epos, compleet met muziek die je bij de hand neemt en een voice‑over die je door het verhaal leidt. De tweede is juist bijna ascetisch: een rituele, verstilde observatie waarin geen ruimte is voor sentiment, alleen voor traditie, ritme en de heiligheid van arbeid. Waar Dolpo je raakt in het hart, raakt Salzmänner je in de ziel; en mijn vriend heeft nu eenmaal een ingebouwde allergie voor alles wat te nadrukkelijk aan dat eerste trekt. Juist daarom werd het interessant om beide films naast elkaar te leggen en te zien wat ze, ondanks hun totaal verschillende toon, onthullen over nomadisme in het Himalayagebied.

In deze regio is de rondtrekkende traditie nog niet gereduceerd tot cultureel erfgoed; het is er simpelweg de enige manier om stand te houden. De hoogvlaktes van Tibet en de valleien van Dolpo in Nepal delen een eeuwenoude economie die draait om yaks, zout, gerst en de ritmiek van seizoenen die genadeloos zijn. Toch tonen deze twee documentaires dat nomadisme niet één verhaal is, maar een spanningsveld tussen ritueel en overleving, tussen traditie en verandering, tussen gemeenschap en individu. Hoewel ze dezelfde wereld betreden, doen ze dat met een totaal andere filmische blik, en juist dat verschil maakt zichtbaar hoe veelzijdig dit bestaan is; en hoe verschillend het kan worden verteld.

In Die Salzmänner von Tibet wordt de zoutkaravaan niet gepresenteerd als een economische activiteit, maar als een heilige choreografie. Vier mannen bereiden zich voor op een negentig dagen durende tocht naar het mythische Tsento‑meer, waar zout niet wordt gewonnen maar verzameld onder het toeziend oog van een godin. Alles is ritueel: het kiezen van een gunstige dag, het bereiden van offers, het spreken van een geheime taal, het naleven van voorbeeldig gedrag. De film toont nomadisme als een kosmisch contract: de mens beweegt door het landschap, maar het landschap beweegt ook door de mens.

In The Nomads of Dolpo is de zouttocht geen ritueel maar een familiale migratie. Karma Tshering leidt zijn vrouw, kinderen en yaks door bergpassen boven de vijfduizend meter. De tocht is niet sacraal, maar existentieel: als ze te laat vertrekken, sluit de winter de passen en sterft de kudde. Hier is het trekkersbestaan geen ceremonie maar een levenslijn; een traditie die wankelt onder armoededruk en de vraag of de kinderen dit leven nog willen of kunnen voortzetten. Waar Salzmänner een wereld toont die lijkt te bestaan buiten de tijd, toont Dolpo een wereld die tegen de tijd in probeert te blijven bestaan.

Die verschillen worden pas echt scherp zodra je ziet hoe beide filmmakers de lens hanteren. De camera van Salzmänner is stil, geduldig, bijna monastiek. Ze observeert, dringt zich niet op, bewaart afstand om nabijheid mogelijk te maken. Lange shots van yaks die zich door de vlakte bewegen, rituele handelingen die in real time worden getoond; het is een beeldtaal die doet denken aan klassieke etnografische cinema. De film laat je niet alleen zien wat er gebeurt, maar hoe het voelt om deel uit te maken van een traditie die ouder is dan het geheugen.

De camera van Dolpo is beweeglijker, menselijker, soms zelfs wankel; en dat is precies de bedoeling. Ze volgt de familie door sneeuw, rotspartijen en wind, registreert emoties: vermoeidheid, verdriet, doorzettingsvermogen. Close‑ups van kinderen die worstelen met de hoogte, shots die de gevaren van de passen voelbaar maken, een ritme dat de fysieke inspanning weerspiegelt. Waar Salzmänner contemplatief is, is Dolpo kinetisch. De camera ademt mee met de karavaan.

Ook narratief staan de films lijnrecht tegenover elkaar. Salzmänner vertelt geen verhaal in klassieke zin: geen conflict, geen dramatische boog, geen psychologische ontwikkeling. Het narratief is cyclisch, zoals de seizoenen. De mannen vertrekken, verzamelen zout, keren terug. Het drama zit niet in gebeurtenissen, maar in de betekenis ervan. De film is een mythe in documentairevorm. Dolpo daarentegen is een epos: de dreiging van de winter, de fysieke uitputting, het verlies van een familielid onderweg, de vraag of deze manier van leven toekomst heeft. Het narratief is lineair en emotioneel geladen, een reisverhaal dat de kijker meeneemt in de kwetsbaarheid van een familie die letterlijk tussen leven en dood navigeert.

Wanneer je deze films naast elkaar ziet, ontstaat een dieper begrip van nomadisme in het Himalayagebied. Het is zowel sacraal als praktisch, zowel collectief als familiaal, zowel tijdloos als bedreigd; het is zowel een kosmologie als een economische noodzaak. Samen vormen de documentaires een tweeluik dat laat zien hoe een eeuwenoude levenswijze zich staande probeert te houden in een wereld die steeds sneller verandert.

Misschien is dat wel de reden dat ik beide films koester, elk op hun eigen manier. De één herinnert me eraan dat tradities niet zomaar gebruiken zijn, maar dragers van betekenis. De ander laat zien dat achter elke traditie mensen schuilgaan die moeten leven, lijden, kiezen en doorgaan. Ergens tussen die twee polen – tussen ritueel en overleving – bevindt zich de ruimte waarin nomadisme nog altijd ademt. Misschien is dat ook de ruimte waarin wij, kijkers, iets kunnen leren over onze eigen manier van bewegen door de wereld.

Die manier van bewegen blijft een strikt persoonlijke exercitie. Het verklaart waarom filmvoorkeuren onherroepelijk uiteenlopen. Mijn vriend, met zijn hypergevoelige antenne voor vorm en toon, laveert moeiteloos mee op de meditatieve golven van Salzmänner; hij ziet er een pure, onbevlekte esthetiek in die gevrijwaard blijft van goedkoop sentiment. Ik daarentegen krijg bij dat soort devotionalia al snel last van jeuk. De rauwe, aardse logica van Dolpo ligt mij van nature beter. Waar hij loutering vindt in een kosmos vol rituelen, kies ik voor de overlevingstocht van vlees en bloed.

Uiteindelijk heb ik weinig met esoterische abstracties, zoals mijn lezers inmiddels weten. Ik zie de menselijke conditie het liefst gereduceerd tot wat ze werkelijk is: een bittere, tastbare noodzaak om de winter voor te blijven. Met zo’n ‘zeikerd van een vriend’ wordt mijn blikveld ruimer maar houd ik ook scherp waar mijn nuchterheid ophoudt en zijn sacrale wereld vol vormesthetiek begint.

Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

Gorilla’s in de mist

Als knulligheid geld oplevert, geloven we straks dan helemaal niets meer?

Omdat ik weiger mijn avonden te laten dicteren door de lineaire treurigheid van de reguliere televisie, stel ik mijn eigen kijkavond samen. Een gecureerde bubbel, zou je kunnen zeggen; tot er gisteravond ongevraagd een AI-filmpje tussendoor sloop. Het algoritme schotelde mij een modern sprookje voor: een jongetje was in een gorillaverblijf beland. Maar in plaats van een herhaling van het Harambe-drama1, ontpopte de primaat zich tot een volleerd antropomorf wonder. Het beest overlaadde de kleuter met liefde en – alsof hij het concept ‘publieke opinie’ had bestudeerd – bracht hij het ventje tactisch naar de sluisdeur van de verzorgers, om vervolgens zelf galant afstand te nemen. Mowgli kwam zonder kleerscheuren terug bij de mensen. Disney was er niets bij.

Deze drie filmstills tonen de ‘mislukte magie’. Let op het kind: [Links] Donkere sportschoenen. [Midden] Blauwe sportschoenen. [Rechts] Bruine leren sandalen. Het gebrek aan objectpermanentie lijkt bewust te zijn doorgevoerd. Wat doet die rode pijl daar anders aan het begin van het filmpje? De maker hoeft helemaal geen perfect meesterwerk af te leveren om te scoren. Sterker nog, die wisselende schoenen zijn juist de goudmijn. Duizenden kijkers voelen de onweerstaanbare drang om in de reacties te reageren. Elk commentaar, hoe vurig de ergernis ook is, registreert het algoritme van YouTube als ‘engagement’. De AI-maker exploiteert zo onze menselijke drang om fouten te corrigeren. Het is geen mislukte kunst; het is succesvol lokaas. Welkom in de ‘Uncanny Valley’ (Griezelvallei).

Het had een ontroerend staaltje technologische magie kunnen zijn, ware het niet dat de software onderweg een klein detail was vergeten: objectpermanentie. In opeenvolgende shots droeg het jongetje verschillende schoenen. Het eerste gedeelte sportschoenen, het laatste sandalen. Een totale mislukking, zou je zeggen. Iedereen met een greintje esthetisch besef ergert zich groen en geel aan zulke overduidelijke knulligheid. De miljardenverslindende tech-industrie was weer eens gestruikelt; ditmaal over schoeisel.

Je vraagt je aanvankelijk af waarom een maker zoiets online zet zonder er alles aan te doen om het geloofwaardig te maken. Is het een ironische knippoog? Een bewuste parodie? Toen vielen de schellen plotseling van mijn ogen. De werkelijkheid is helaas prozaïser: die wisselende schoenen kunnen geen fout zijn; ze behoren natuurlijk tot het verdienmodel!

We leven in een interactie-economie waarin de goudmijn niet ligt in de perfectie, maar in de imperfectie. De maker heeft uw bewondering helemaal niet nodig; uw superieuriteitsgevoel en uw ergernis leveren veel meer op. Duizenden kijkers voelen de onbedwingbare drang om in de reacties te typen: “Fake! Kijk naar zijn schoenen op 0:12!” Elk vurig commentaar registreert het algoritme als ‘engagement’. Deze filmpjes worden niet gemaakt om een geloofwaardig verhaal te vertellen; ze zijn doelbewust ontworpen als lokaas voor onze menselijke neiging om fouten te willen corrigeren.

Je zou kunnen hopen dat deze knulligheid zichzelf reguleert. Als de content zo overduidelijk nep is, verliest het publiek vanzelf de zin om er nog naar te kijken, nietwaar?

De realiteit is helaas grimmiger. Het werkelijke gevaar van deze stroom aan AI-pulp is niet dat we massaal in de sentimentele gorilla trappen. Het gevaar zit in de cognitieve kater die volgt. Gisteren las ik ergens de treffende observatie dat deze stortvloed aan overduidelijke leugens de blik op de waarheid besmet. We worden collectief hyper-sceptisch.2

Wanneer de publieke ruimte verzadigd raakt met overduidelijke vervalsingen, treedt het mechanisme van de Liar’s Dividend in werking: we geloven de leugen niet meer, maar we geloven de waarheid straks ook niet meer. Als er morgen een authentieke, schokkende video van een reëel incident opduikt, zal het publiek laconiek de schouders ophalen en zeggen: “Zal wel AI zijn, kijk maar naar de schaduwen.”

De ironie is compleet. De technologische revolutie die ons alles had kunnen laten zien, zorgt er uiteindelijk voor dat ‘zien’ niet langer synoniem staat aan ‘geloven’. We stevenen in sneltreinvaart af op een samenleving waarin alles verdacht is, en waarin een paar verkeerd gegenereerde schoenen de weg plaveien voor de totale erosie van onze gedeelde werkelijkheid.

  1. Het Harambe-drama: Verwijzing naar het incident op 28 mei 2016 in de Cincinnati Zoo, waarbij een driejarig jongetje in het gorillaverblijf viel. De zeventienjarige zilverrug Harambe sleepte het kind met brute kracht door het water. Uit angst voor het leven van de kleuter besloot het dierentuinpersoneel de gorilla dood te schieten. Het voorval leidde wereldwijd tot felle ethische discussies over de veiligheid in dierentuinen, de omgang met wilde dieren in gevangenschap en het optreden van de verzorgers. ↩︎
  2. https://www.volkskrant.nl/cs-bbab76fe ↩︎

Semantiek als schild

Hoe één voorzetsel het verschil maakt tussen een meeloper en een master.

Beste Stéphanie en Janneke,

In een van jullie laatste podcastuitzendingen van De Shitshow ventileren jullie de ergernis aan mensen die een sweater dragen met het logo van Harvard, terwijl ze nooit aan die universiteit hebben gestudeerd. Als voorbeeld valt de naam van Humberto Tan.

In de laatste uitzending van de podcast Dit is Amerika wil presentator Michiel Vos, die naar jullie heeft geluisterd, van zijn gesprekspartner weten hoe het nou zit: “Heb je op Harvard gezeten of niet?”

De beroemde voetballer Tonny Harvard en zijn Ziggo-fans.

Het is grappig om te horen hoe Humberto hier semantiek gebruikt om toch te kunnen suggereren dat hij daar onderwijs heeft genoten. Hij bezigt namelijk consequent de formulering: “Ik heb bij Harvard gezeten.”

Dat is een prachtig staaltje taalkundige gymnastiek. Het echte antwoord op de vraag van Vos is even simpel als ontnuchterend: nee, hij heeft daar geen reguliere academische graad behaald. De presentator is gewoon in de rechten afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn specifieke woordkeuze spreekt hij technisch gezien overigens wel de waarheid; zijn achterwerk heeft daadwerkelijk contact gemaakt met het meubilair op de campus in Cambridge.

In 2016 volgde hij daar namelijk een kortstondige masterclass aan de Harvard Business School. Het betrof de collegereeks The Business of Entertainment, Media, and Sports, gedoceerd door de Nederlandse professor Anita Elberse. Zo’n intensief ‘executive’ traject duurt doorgaans geen jaren, maar slechts een dag of vier. Het is een prestigieuze netwerkcursus waar vermogende prominenten aanschuiven; Tan deelde de collegebanken destijds met onder anderen acteur Channing Tatum en rapper LL Cool J.

Zijn zorgvuldig gekozen bewoordingen functioneren als een schild. Het voorkomt de valse claim van een volwaardige master of PhD, terwijl de elitaire associatie met het instituut subtiel overeind blijft. Een even slimme als ironische strategie om status te cultiveren.

Aangezien beide podcasten onder de vleugels van Tonny Media vallen, vermoed ik dat ik jullie hiermee geen schokkend nieuws breng en dat de onderlinge ergernissen op de kantoorvloer niet al te hoog oplopen. Maar toch; de anekdote is te vermakelijk om onbenoemd te laten.

Met vriendelijke groet,

Ronald

Lezersreactie:
Laat het ontdekken van de dubbele bodem in het onderschrift van die afbeelding maar aan de scherpte van de lezer over. De klankovereenkomst met ‘sycophants’ is volkomen duidelijk.

Antwoord:
Dank je. Bij deze geschrapt.

Haha, hij heeft daar dus niet regulier in de boeken gezeten. Toch vind ik het eigenlijk wel een meesterlijk staaltje verbale acrobatiek. Met die formulering zoekt hij exact de grens op tussen een feitelijke herinnering en pure status, wat maar weer eens bewijst dat de man retorisch ijzersterk is. Wat mij betreft hoeft hij hierom niet direct genadeloos aan de schandpaal; je moet hem de sportiviteit van de woordspeling bijna nageven.
Bram_V

Dat hij bij elke anekdote over zijn ‘Harvard-tijd’ direct de namen van Channing Tatum en LL Cool J laat vallen, maakt het er nou niet bepaald geloofwaardiger op. Als je met Hollywoodsterren en rappers in de collegebanken zit, weet je eigenlijk al dat je niet bezig bent met een gortdroge studie macro-economie, maar met een peperduur netwerkfeestje voor prominenten. Juist de behoefte om die namen te noemen, verraadt de drang naar status.
Eline, Haarlem